← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100622.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100622.12 Rolnummer: 2009/AH/199 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-11-22 Raadplegingen: 175 - laatst gezien 2026-07-01 13:18 Fiches 1 - 2 De vraag rijst of het systeem dat door de Belgische wetgever werd uitgewerkt inzake de door de betaalde sportbeoefenaar te betalen beëindigingsvergoeding wanneer deze zelf overgaat tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (artikel 4, 4° Wet 24 februari 1978), op financieel vlak niet zodanig onevenredig is voor de betaalde sportbeoefenaar dat de facto de vrijheid van arbeid van de betaalde sportbeoefenaar op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, wanneer diens situatie vergeleken wordt met deze van de werknemer-bediende, vallend onder het systeem van de Arbeidsovereenkomstwet van 3 juli

  1. Het arbeidshof besluit om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Betaalde sportbeoefenaars Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - betaalde sportbeoefenaars - einde van de overeenkomst - overeenkomst voor bepaalde tijd - vergoeding bij onregelmatige beëindiging - sport - beëindigingsvergoeding - vrijheid van artikel - principiële vraag aan het Grondwettelijk Hof - II N Wettelijke bepalingen: Wet - 24-02-1978 - 4, 4° - 01 ELI link Pub nr 1978022402 Nota: Gerangschikt onder II N - artikel 4, 4° en onder II N - artikel
  2. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Betaalde sportbeoefenaars Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - betaalde sportbeoefenaars - einde van de overeenkomst - sport - beëindigingsvergoeding - vrijheid van arbeid - principiële vraag aan het Grondwettelijk Hof - II N Wettelijke bepalingen: Wet - 24-02-1978 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1978022402 Nota: Gerangschikt onder II N -artikel 4, 4° en onder II N - artikel
  3. Annotaties Publicaties: Limb. Rl. 2011 - - blz. 150-158 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2009/AH/199 + A.R. 2009/AH/280 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak A.R. 2009/AH/199 + A.R. 2009/AH/280: M. D., appellant, verschijnend bij mr. KEYZER L., advocaat te Antwerpen. tegen: K. R. C. G. VZW, geïntimeerde, verschijnend bij mr. WILLEMS G., advocaat te Genk. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 11 mei
  4. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 15 september 2009, 11 mei 2010 en 8 juni
  5. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN I.a. In de zaak A.R. 2009/AH/199 Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, meer bepaald: * het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 25 mei 2009; * het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 3 juli 2009; * de beschikking d.d. 6 november 2009, overeenkomstig artikel 747 §2 van het gerechtelijk wetboek; * de besluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 30 november 2009; * de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 29 januari 2010; * de aanvullende en synthesebesluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 19 februari 2010; * de aanvullende en synthesebesluiten van appellant, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 19 maart
  6. I.b. In de zaak A.R. 2009/AH/280 Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, meer bepaald: * het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 25 mei 2009; * het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen op 3 juli 2009; * het rechtsplegingsdossier van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 14 september 2009; * de beschikking d.d. 6 november 2009, overeenkomstig artikel 747 §2 van het gerechtelijk wetboek; * de besluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 30 november 2009; * de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 29 januari 2010; * de aanvullende en synthesebesluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 19 februari 2010; * de aanvullende en synthesebesluiten van appellant, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 19 maart
  7. II. ONTVANKELIJKHEID VAN DE HOGERE BEROEPEN EN VAN HET INCIDENTEEL BEROEP Met een verzoekschrift, op 3 juli 2009 neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, gekend onder A.R. nr. 2009/AH/199, tekende appellant hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 08/365/A) van 25 mei 2009 van de arbeidsrechtbank te Tongeren. Met een verzoekschrift, op 3 juli 2009 neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, aldaar gekend onder A.R. nr. 2090390 en gekend op de afdeling te Hasselt onder A.R. nr. 2009/AH/280, tekende appellant nogmaals hoger beroep aan tegen hetzelfde vonnis (A.R. 08/365/A) van 25 mei 2009 van de arbeidsrechtbank te Tongeren. De hogere beroepen werden tijdig ingesteld en zijn regelmatig naar de vorm. De hogere beroepen zijn ontvankelijk. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  8. Appellant M.D. en geïntimeerde VZW K.R.C.G. (hierna vernoemd als K.R.C.G.) ondertekenden op 25 mei 2007 een arbeidsovereenkomst, aangeduid als "CONTRACT VAN VOETBALSPELER", in het kader waarvan M.D. zich ertoe verbond om tegen betaling als beroepsvoetballer actief te zijn voor voetbalclub K.R.C.G. (stuk "0" stukkenbundel M.D. ; stuk 1 stukkenbundel K.R.C.G.). K.R.C.G. heeft vermeld dat M.D. naar K.R.C.G. transfereerde, komende van voetbalclub RAEC Mons/Bergen, en nadat K.R.C.G. daarvoor een transfersom van 750.000,00 EUR betaalde aan RAEC Bergen. Volgens de bepalingen van artikel 2 van de arbeidsovereenkomst ging het om een contract dat werd afgesloten voor de duur van 3 seizoenen, ingaand op 1 juli 2007 en eindigend op 30 juni 2010, Bij de bepalingen van artikel 11 van deze overeenkomst, inzake de loonvoorwaarden, werd melding gemaakt van de duur van het contract voor 4 seizoenen, en dit werd ook zo gedetailleerd weergegeven op de overzichtslijst met de vergoedingsregeling (het laatste seizoen was volgens dit overzicht dat van 2010 2011). De bezoldiging van M.D. bij K.R.C.G. omvatte volgens de arbeidsovereenkomst een brutoloon van 180.000,00 EUR per jaar (waarin vervat lag: het jaarsalaris, bijdragen pensioenfonds en vakantiegeld), met daarnaast diverse premies en andere voordelen in natura. Met ingang van 1 januari 2008 werd klaarblijkelijk het gedeelte van het bruto jaarloon van 180.000,00 EUR opgetrokken naar 252.188,00 EUR (dit werd zo vooropgesteld door K.R.C.G., zonder daarin te zijn tegengesproken door M.D.).
  9. Vanaf einde 2007 kunnen 'strubbelingen' worden onderkend in de samenwerking tussen partijen, althans zou zulks kunnen worden afgeleid uit de bijgebrachte pers artikelen waarin gewag wordt gemaakt van bepaalde uitlatingen van de betrokken partijen (cf. stukken 2 en 3 stukkenbundel K.R.C.G.). Op 23 januari 2008 verwees K.R.C.G. M.D. naar haar B kern, hetgeen impliceert dat M.D. geen deel meer uitmaakte van de A kern, waarin zich de voetballers situeerden die in aanmerking kwamen voor het spelen van wedstrijden als hoofdelftal.
  10. Er vonden eind januari 2008 onderhandelingen plaats tussen voetbalclub RAEC Bergen en K.R.C.G. m.b.t. een mogelijke transfer van M.D. naar RAEC Bergen. Volgens het reglement van de VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond (hierna vernoemd als de Voetbalbond) liep klaarblijkelijk de transferperiode af op 31 januari 2008 ; tot dan konden nog op reglementaire wijze (d.w.z. conform het reglement van de Voetbalbond) transfers van spelers geregeld worden. In een van de raadsman van M.D. uitgaande brief (en fax bericht) van 25 januari 2008, gericht aan K.R.C.G., werd verwezen naar transfer onderhandelingen die dezelfde namiddag zouden plaatsvinden, met de 'vingerwijzing' dat zulks best tot resultaten zou leiden, bij gebreke waarvan een volgende stap overwogen zou worden (stuk 1 stukkenbundel M.D. ; stuk 4 stukkenbundel K.R.C.G. ; citaat : " / Il est impératif que ces négociations aboutissent sous quelque forme que se soit. En effet, si tel ne devait pas être le cas, je serais contraint d'envisager l'étape suivante dès demain / "). Blijkbaar bestond er tussen K.R.C.G. en RAEC Bergen discussie over de transfersom. RAEC Bergen stelde de (gespreide) betaling voor van 375.000,00 EUR ; K.R.C.G. formuleerde een 'vraagprijs' van 450.000,00 EUR (cf. de op 25 januari 2008 en 31 januari 2008 over en weer verstuurde e mailberichten ; stukken 5 stukkenbundel K.R.C.G.).
  11. Op 28 januari 2008 stuurde de raadsman van M.D. per fax in bijlage een brief aan K.R.C.G., daarbij stellend dat het ging om een brief waarvoor hij door M.D. aangezocht werd om deze te versturen en om deze in zijn plaats te ondertekenen, en met de melding dat deze brief ook de dag nadien via gewone post, per fax en per aangetekende brief ditmaal ondertekend door M.D. zelf zou worden verstuurd (stuk 6 stukkenbundel K.R.C.G.) (voor de inhoud van de in bijlage verstuurde brief verwijst het hof naar het citaat daarvan, hierna verder vermeld). Op 29 januari 2008 verstuurde M.D. inderdaad, zoals in het fax bericht van zijn raadsman daags voordien was aangekondigd, dezelfde brief (door hemzelf ondertekend) ook aangetekend naar K.R.C.G.. De inhoud van dit schrijven (door de raadsman van M.D. op 28 januari 2008 per fax verstuurd, en op 29 januari 2008 door M.D. zelf aangetekend verstuurd) luidt als volgt (stuk 1bis stukkenbundel M.D. ; stuk 6 stukkenbundel K.R.C.G.) : "Mijne Heren, Hiermee ontbind ik eenzijdig en met onmiddellijke ingang het contract dat ons bindt. In hoofdorde gebeurt deze ontbinding wegens dringende reden in uwen hoofde, aangezien uw handelwijze een normale uitvoering van dat contract onmogelijk maakt. In hoofdzaak verwijt ik u het volgende: - Na een uitstekend seizoen 2006-2007 ging ik ermee akkoord door uw club te worden aangeworven, omdat ik meende dat dit een promotie was bij een goed presterende en ambitieuze club. - De jongste maanden is uw club evenwel gaan proberen hoogwaardige spelers te verkopen, met als gevolg dat ze op sportief vlak zeer slecht begon te presteren. - Wat mij persoonlijk betreft, heb ik er altijd naar gestreefd mij zo goed mogelijk te trainen en de richtlijnen van de trainer stipt op te volgen, maar meestal werd ik niet opgesteld of werd ik opgesteld op een plaats die helemaal niet geschikt was voor mij. Men kan bovendien moeilijk goed spelen in een ploeg die niet goed speelt. - De sfeer in de club is rampzalig. De pers spreekt over een slechte verstandhouding tussen de trainer en de spelerskern. - Het jaar 2008 begint slecht, aangezien de eerste twee matchen uitliepen op een nederlaag bij Standard (3-1) en bij Cercle Brugge (5-1). In de maand december verkocht uw club haar uitstekende kapitein, de heer Chatelle, aan Anderlecht. - Ik kan aannemen dat mijn club een slecht seizoen heeft en ik moet de keuzes van de trainer aanvaarden. Dat is wat ik doe door naar best vermogen te blijven werken voor mijn werkgever. - Op 23 januari werden mijn collega, de heer Vandooren, en ikzelf overgeplaatst naar de B-kern van de club. De pers werd daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht, waarbij wij werden uitgescholden voor "rotte appelen", wat ronduit beledigend is. - Op dezelfde dag heeft Uw trainer de heer Hugo Broos mij trouwens op een weinig eerbiedige manier aangesproken vóór mijn collega's om mij te zeggen dat hij niet meer van mij in zijn ploeg wenste. - Tot de B-kern behoren, betekent dat wij geen recht meer hebben op professionele trainingen, dat we moeten trainen met jonge spelers en dat we niet meer in aanmerking komen om te worden opgesteld in de officiële competitie van de eerste ploeg. Alle ingewijden weten dat het hier gaat om een heimelijke en willekeurige strafmaatregel, zonder recht op verdediging. - Die beslissing is op korte termijn financieel nadelig voor ons, aangezien wij geen recht meer hebben op matchpremies, maar ook op lange termijn, aangezien ze schadelijk is voor onze verdere loopbaan en voor onze overstap naar een andere club. - Ik heb hoe dan ook zelfs niet met de B-kern kunnen trainen en heb op mijn eentje moeten trainen met een trainer die instaat voor de min-14-jarigen van de club. Zo heb ik op de 24 en 25 januari getraind met een persoon die zelfs niet als proftrainer gediplomeerd was. Er is mij trouwens gezegd dat de toestand niet zou veranderen zolang ik hier bleef. - Wij werden in de kern vervangen door twee andere spelers. Derhalve werd ik niet opgeroepen voor de wedstrijd van 25 januari. Verlof werd mij gegeven tot 28 januari. - De club heeft laten weten dat die verbanning naar de B-kern gold "tot aan het einde van de transferperiode en bedoeld was om hen de club te doen verlaten" (Le Soir, 24 januari 2008). - Mijn vroegere club, RAEC MONS, heeft zich onmiddellijk met u in verbinding gesteld om mij opnieuw aan te werven. Tot op heden is die overstap mislukt, doordat u op onwettige wijze een bedrag van 750.000 EUR hebt geëist om die transfer toe te staan. - Op deze maandag 28 januari heeft de RAEC MONS U een financieel voordelig voorstel gemaakt dat U verworpen hebt terwijl ditzelfde aanbod door FC BRUSSELS aanvaard is. Uw stelling voortvloeit uit uw geschil met de RAEC MONS, waarmee ik niets te maken heb. Hierdoor U mij mijn werkgever te kiezen om subjectieve en niet financiële redenen. - Het verkopen van werknemers is even ongeoorloofd als het verhuren van werkkrachten. U kunt enkel de door de wet bepaalde schadevergoedingen voor het verbreken van een arbeidsovereenkomst eisen. U bezondigt zich niettemin geregeld aan een volstrekt onwettelijke handel in spelers. - Op deze maandag 28 januari 2008 was de trainer die voor de min-14-jarigen van de club instaat niet aanwezig om voor mij te zorgen. Er werd mij gezegd dat de toestand onveranderd voor de komende dagen zou blijven. Thans kan ik zelfs niet meer trainen. - Trouwens heb ik geen oproeping voor de wedstrijd van B-kern van deze 28 januari gekregen. - Uw gedrag tegenover mij vormt dus een dringende reden en minstens een daad die gelijkstaat met een verbreking, aangezien u er geen geheim van maakt dat u mij de club wilt doen verlaten. Dat geeft mij het recht uw club te verlaten zonder enige vergoeding te betalen. Daarentegen behoud ik mij het recht voor, vergoeding te eisen voor de schade die u mij berokkent. Mochten, in ondergeschikte orde, de hoven en rechtbanken later van oordeel zijn dat uw gedrag niet verkeerd is, dan ontbind ik hoe dan ook eenzijdig en met onmiddellijke ingang mijn contract en stel u voor in dat geval een verbrekingsvergoeding te betalen overeenkomstig de wet van 24 februari 1978, vergoeding die ik niet kan berekenen, maar die wordt aangeboden indien het gerecht zou stellen dat ze verschuldigd is. Vanaf heden heb ik dus geen enkele contractuele band meer met uw club en bent u mijn werkgever niet meer. Dit schrijven wordt u toegestuurd onder gewone omslag, per fax en als aangetekende brief. Met de meeste hoogachting. D.M.".
  12. Op 29 januari 2008 stuurde M.D. (zijn raadsman) navolgende aangetekende brief aan de Voetbalbond (stuk 2 stukkenbundel M.D.) : " / Hierbij deel ik u mee dat ik door de heer M.D. wordt geraadpleegd aangaande de zaak waarover hij momenteel een geschil heeft met de club uit Genk. Bijgaand vindt u kopie van de brief die de heer D. vandaag onder gewone omslag, per fax en aangetekend verstuurt naar de club uit Genk, om zijn arbeidsovereenkomst met die club te verbreken. Zoals u kunt vaststellen, heeft mijn cliënt zijn arbeidsovereenkomst verbroken om dringende reden in hoofde van de werkgever, waarbij hij zich in ondergeschikte orde het recht voorbehoudt de houding van zijn gewezen werkgever minstens te beschouwen als een daad die gelijkstaat met een verbreking. In overeenstemming met het reglement van de K.B.V.B. wilde ik u daarover informeren. De heer D. heeft dus momenteel geen contract en kan zich vrij aansluiten bij een door hem gekozen club, zoals bepaald in artikel 8 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en in artikel IV/93.31 van het Federaal Reglement. Deze brief wordt u zowel per fax als aangetekend toegezonden. Met de meeste hoogachting. Voor Advocatenkantoor MISSON BVBA Luc MISSON en Grégory ERNES".
  13. Op 30 januari 2008 sloot M.D. een overeenkomst af met RAEC Bergen, in het kader waarvan overeengekomen werd dat M.D. vanaf 31 januari 2008 t/m 30 juni 2011 gedurende 4 seizoenen als profvoetballer voor RAEC Bergen zou aantreden (stuk 5 stukkenbundel M.D.).
  14. De Voetbalbond ging niet onmiddellijk in op de vraag van M.D. om zijn aansluiting bij RAEC Bergen te bevestigen en om hem daar zodoende speelgerechtigd te verklaren (brief van de Voetbalbond van 1 februari 2008 ; stuk 6 stukkenbundel M. D.). Volgens M.D. werd daarop opzichtens de Voetbalbond een kort geding procedure opgestart bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (klaarblijkelijk na dit eerst bij de rechtbankvoorzitter eerste aanleg te Bergen te hebben gepoogd stukken 8 en 9 stukkenbundel M.D.). M.D. verwees in zijn laatste besluiten naar een beschikking in kort geding die daarop op 21 februari 2008 getroffen zou zijn door de (voorzitter van de ?) rechtbank van eerste aanleg te Brussel, en ten gevolge waarvan de Voetbalbond gehouden zou zijn geweest om M.D. bij een andere voetbalclub te laten aansluiten. M.D. citeerde in zijn laatste besluiten wel uit dergelijke mogelijke beschikking, maar bracht deze beschikking zelf niet als overtuigingsstuk bij in de onderhavige procedure bij dit hof.
  15. Op 19 februari 2008 ging K.R.C.G. over tot dagvaarding van M.D. bij de arbeidsrechtbank te Tongeren, erop gericht om M.D. te horen veroordelen tot betaling van: - een bedrag van 878.888,88 EUR bruto aan opzeggingsvergoeding; - de wettelijke en de gerechtelijke intresten; - de kosten van het geding. Tevens werd de uitvoerbaarheid bij voorraad van het uit te spreken vonnis gevorderd. Bij conclusies d.d. 11 juli 2008 en 15 december 2008 stelde M.D. een tegenvordering in opzichtens K.R.C.G., erop gericht K.R.C.G. te horen veroordelen tot betaling van: In hoofdorde: - een bedrag van 250.00,00 EUR aan schadevergoeding te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten; In ondergeschikte orde: - een bedrag gelijk aan de verbrekingsvergoeding zoals berekend volgens de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli
  16. Bij vonnis van 25 mei 2009 van de arbeidsrechtbank van Tongeren werd: - de hoofdvordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard; - M.D. veroordeeld tot betaling aan K.R.C.G. van een bedrag van 878.888,00 EUR bruto, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 29 januari 2008 en de gerechtelijke intresten vanaf 19 februari 2008 tot de dag der algehele betaling; - de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - M.D. veroordeeld tot de kosten van het geding.
  17. Tegen dit vonnis van de arbeidsrechtbank van Tongeren heeft appellant dan twee maal hoger beroep ingesteld bij dit arbeidshof, eenmaal bij de afdeling te Antwerpen en eenmaal bij de afdeling te Hasselt. IV. EISEN IN HOGER BEROEP
  18. Appellant (M.D.) vordert om: - het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te hervormen en opnieuw ten gronde recht te doen; - het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - K.R.C.G. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen; In hoofdorde: - de dringende reden die M.D. inroept en inriep in hoofde van zijn werkgever om hun contract te verbreken terecht te verklaren; - K.R.C.G. te veroordelen tot betaling van een bedrag van 250.000,00 EUR, in de loop van het geding te vermeerderen of te verminderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en met de kosten, met inbegrip van het doorrekenen van de erelonen en de kosten van de advocaten; In ondergeschikte orde: - te horen verklaren dat M.D., in hoofde van K.R.C.G., bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ondertekend door beide partijen, een daad inroept die gelijk staat met verbreking; - K.R.C.G. te veroordelen tot betaling van een verbrekingsvergoeding zijnde een bedrag gelijk aan de opzeggingsvergoeding die wordt berekend op basis van de wet van 3 juli 1978 op het arbeidscontract en van de wet van 24 februari 1978 op het arbeidscontract voor bezoldigde sportbeoefenaars; In uiterst ondergeschikte orde, indien geoordeeld zou worden dat K.R.C.G. geen enkele grove fout zou hebben gemaakt en dat M.D. een verbrekingsvergoeding zou verschuldigd zijn, zich tot het Grondwettelijk Hof te wenden met volgende prejudiciële vraag: • "Schendt de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en meerbepaald haar artikel 4 en 5 de artikelen 10, 11, 33 en 108 van de Grondwet, alsook de vrijheid van arbeid van de betaalde sportbeoefenaar zoals gegarandeerd door de Belgische Grondwet in haar artikel 23 en door artikel 23 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, door artikel 6 van het Verdrag van de Verenigde Naties met betrekking tot de economische, sociale en culturele rechten, het artikel 1 van het Europees sociaal charter, het artikel 12 van de Verklaring van de fundamentele rechten en vrijheden van het Europees Parlement, alsook de artikelen 15 en 31 van het Charter van de fundamentele rechten van de Europese Unie, aangenomen te Nice op 7 december 2000, in de mate dat zij de sporter die zijn arbeidsovereenkomst verbreekt, verplicht aan zijn werkgever grotere vergoedingen te betalen dan deze die in dezelfde situatie van gelijk welke andere werknemer geëist kunnen worden, dit alles door de Koning de bevoegdheid te verlenen op eenvoudig advies van de paritaire commissie Sport - waarvan de representativiteit in vraag gesteld kan worden - zonder enige beperking hogere vergoedingen vast te stellen dan deze die in dezelfde situatie eisbaar zijn van eender welke andere werknemer, recht waarvan de Koning gebruik gemaakt heeft door een barema van verbrekingsvergoedingen vast te stellen dat toelaat schadevergoedingen te eisen die oplopen tot 36 maanden loon?"
  19. Geïntimeerde (VZW K.R.C.G.) vordert om: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te bevestigen in zoverre werd geoordeeld dat het ontslag om dringende reden onterecht werd gegeven; - de veroordeling van M.D. tot betaling van een bedrag van 878.000,00 EUR aan opzeggingsvergoeding te bekrachtigen, bedrag te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf 29 januari 2008; - het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - te horen zeggen voor recht dat M.D. laattijdig ontslag om dringende reden heeft betekend conform de wettelijke voorschriften van artikel 35 WAO; - het bestreden vonnis te hervormen en te horen zeggen voor recht dat het ontslag om dringende reden ongeldig werd gegeven; - het tussen te komen arrest uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande elk verhaal; - M.D. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. V. BEOORDELING V.A. SAMENVOEGING
  20. Op 3 juli 2009 heeft M.D. tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 25 mei 2009 hoger beroep aangetekend, middels een verzoekschrift tot hoger beroep dat op 3 juli 2009 werd neergelegd ter griffie van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen. Op de openbare terechtzitting van 7 september 2009 van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen werd de zaak op verzoek van partijen naar de algemene rol verwezen, teneinde de zaak te zien toebedelen aan de bevoegde afdeling van het arbeidshof te Antwerpen. Bij beslissing van 11 september 2009 van de eerste voorzitter van dit arbeidshof werd de zaak dan ontrokken aan de afdeling te Antwerpen en toebedeeld aan de afdeling te Hasselt. Deze zaak is gekend onder A.R. nr. 2009/AH/
  21. Eveneens op 3 juli 2009 heeft M.D. tegen hetzelfde vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 25 mei 2009 hoger beroep aangetekend, middels een verzoekschrift tot hoger beroep dat op 3 juli 2009 werd neergelegd ter griffie van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt. Deze zaak is gekend onder A.R. nr. 2009/AH/
  22. Nu het gaat om hogere beroepen die door dezelfde procespartij werden ingesteld tegen één en hetzelfde vonnis, is er ongetwijfeld sprake van zaken die onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. In het licht van de bepalingen van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek gaat het hier onmiskenbaar om samenhangende zaken, en teneinde tegenstrijdige uitspraken te vermijden, gaat het hof over tot de samenvoeging ervan. V.B. TEN GRONDE V.B.a. Voorafgaande opmerking inzake de tussen partijen overeengekomen duurtijd van de arbeidsovereenkomst Uit de hiervoren door het hof vermelde feitenweergave blijkt dat er in de tussen partijen op 25 mei 2007 ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst een tegenstrijdigheid vervat ligt inzake de duurtijd ervan (zie hoger, sub III.1.). Volgens de bepalingen van artikel 2 van deze overeenkomst ging het om een contract dat werd afgesloten voor de duur van 3 seizoenen, ingaand op 1 juli 2007 en eindigend op 30 juni 2010, Bij de bepalingen van artikel 11 van deze overeenkomst, inzake de loonvoorwaarden, werd melding gemaakt van de duur van het contract voor 4 seizoenen, en dit werd ook zo gedetailleerd weergegeven op de overzichtslijst met de vergoedingsregeling (het laatste seizoen was volgens dit overzicht dat van 2010 2011). Het hof stelt vast dat zowel M.D. als K.R.C.G. bij hun feitenweergave in hun beroepsbesluiten melding hebben gemaakt van een contract dat liep voor de duur van 4 seizoenen, van 1 juli 2007 t/m 30 juni
  23. De eerste rechters hebben in het vonnis a quo gesteld (op bladzijde 5 van het vonnis, onder de rubriek "
  24. Samenvatting van de relevante feiten") dat uit de gegevens van het dossier, niet in het minst de besluiten en pleidooien van partijen, blijkt dat partijen de bedoeling hadden een contract van bepaalde duur tot 2011 af te sluiten, en dat het een materiële typfout betreft waar het contract voorziet te eindigen op
  25. Hierover werd door partijen in onderhavige beroepsprocedure geen enkel protest kenbaar gemaakt. Rekening houdend met het achterwege blijven van enig protest tegen deze door de eerste rechters in het vonnis a quo kenbaar gemaakte appreciatie, en gelet op de eigen expliciete aanvoering door partijen in hun beroepsbesluiten dat het ging om een contract voor 4 seizoenen dat liep van 1 juli 2007 t/m 30 juni 2011, gaat het hof voorts van dit gegeven uit : de arbeidsovereenkomst tussen partijen was er één van bepaalde duur, met een voorziene looptijd van 1 juli 2007 t/m 30 juni
  26. V.B.b. Beoordeling van de beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst
  27. Het door M.D. ingenomen standpunt inzake de beëindiging van de tussen hem en K.R.C.G. bestaande arbeidsovereenkomst is dubbel. M.D. stelt in hoofdorde dat hij terecht in hoofde van K.R.C.Geen ontslag om dringende reden inriep, en hij verzoekt het hof om "de dringende reden die hij in hoofde van zijn werkgever inriep om hun contract te verbreken terecht te verklaren". Daarnaast huldigt M.D. in ondergeschikte orde het standpunt dat er sprake was van een aan K.R.C.G. toeschrijfbare "daad die gelijkstaat met verbreking", en hij verzoekt het hof om dit te 'bestatigen' (" / het terecht te verklaren dat verzoeker, in hoofde van club Genk / een daad inroept die gelijkstaat met verbreking") (zie daaromtrent verder, sub V.B.b.11). Op de wijze zoals door M.D. zelf werd aangevoerd, dient het hof vooreerst de in hoofdorde vooropgestelde beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst, zijnde het ontslag om dringende reden dat M.D. lastens K.R.C.G. aanvoert, te onderzoeken. Het is overigens ook deze beëindigingswijze die door M.D. (en/of zijn raadsman) op 28/29 januari 2008 schriftelijk werd vermeld als de in hoofdorde in aanmerking te nemen beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst, waarnaast dan pas in ondergeschikte orde melding werd gemaakt van een andere mogelijke beëindigingswijze, met name een door M.D. zelf doorgevoerde eenzijdige en onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst (" / dan ontbind ik hoe dan ook eenzijdig en met onmiddellijke ingang mijn contract en stel u voor in dat geval een verbrekingsvergoeding te betalen / "). In functie van deze gegevens zoals deze plaatsvonden op het ogenblik van de beëindiging zelf, evenals in het licht van de juridische benaderingswijze zoals deze door M.D. in onderhavige procedure werd gehanteerd, onderzoekt het hof in eerste instantie of er hier al dan niet sprake was van een (on)regelmatig/(on)rechtmatig ontslag om dringende reden.
  28. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 wordt onder dringende reden verstaan, de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Het komt volgens de toepasselijke wettelijke reglementering aan de ontslagverlenende partij toe om het bewijs te leveren dat zij bij het om dringende reden gegeven ontslag de voorgeschreven termijnen en formaliteiten heeft nageleefd (het bewijs van de 'regelmatigheid' van het ontslag), en tevens dient zij de realiteit en het zwaarwichtige karakter van de als dringende reden ingeroepen feiten of tekortkomingen aan te tonen (het bewijs van de 'rechtmatigheid' van het ontslag). M.D. draagt hier, als ontslagverlenende partij degene die t.a.v. K.R.C.G. kenbaar maakte het contract dat hen bond (eenzijdig) met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens een aan K.R.C.G. toegeschreven dringende reden de bewijslast.
  29. Er bestaat discussie over de naleving van de 'regelmatigheid' van het ontslag om dringende reden, en specifiek over de naleving van de tijdigheidsvoorwaarden daarvan. Overeenkomstig artikel 35, lid 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet mag het feit ter rechtvaardiging van het ontslag om dringende reden niet meer dan drie werkdagen bekend zijn aan de partij die er zich op beroept. En alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn (artikel 35, lid 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet).
  30. K.R.C.G. beargumenteerde dat bij de boordeling van het ontslag om dringende reden "enkel juridisch rekening kan worden gehouden" met de van M.D. uitgaande aangetekende brief van 29 januari 2008, en niet met het schrijven/de fax die daags voordien, op 28 januari 2008, door diens raadsman werd uitgebracht. Het hof is van oordeel dat K.R.C.G. hier twee zaken met elkaar vermengt. Er is enerzijds het gegeven van de ontslaghandeling zelf, en daarnaast het gegeven van de kennisgeving van de eigenlijke dringende reden voor ontslag (die kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag). Een ontslag om dringende reden zelf is als zodanig niet aan vormvereisten onderworpen. De van de raadsman van M.D. uitgaande fax van 28 januari 2008, waarbij het daarbij gevoegde schrijven inhoudelijk identiek is aan de aangetekende brief die op 29 januari 2008 door M.D. zelf werd verstuurd, kan zonder enige twijfel worden aangemerkt als een aan M.D. toeschrijfbare ontslaghandeling. Het ontslag kan als handeling of daad van het ontslag zelf zonder enig probleem worden kenbaar gemaakt via een schrijven van een daartoe gevolmachtigd iemand, en de raadsman van M.D. wordt uiteraard geacht om in zijn hoedanigheid van advocaat over een dergelijke volmacht (en/of een mandaat in die zin) te beschikken. Als zodanig als geldige ontslaghandeling gesteld op 28 januari 2008, is 28 januari 2008 wel degelijk de in aanmerking te nemen dag waarmee bij de beoordeling van de naleving van de door artikel 35, lid 3 van de Arbeidsovereenkomstenswet bepaalde tijdigheidsvereiste rekening moet worden gehouden. De daarnaast door M.D. zelf op 29 januari 2008 verstuurde aangetekende brief (identiek aan degene die voordien op 28 januari 2008 door zijn raadsman aan K.R.C.G. werd doorgefaxt) heeft eveneens zijn belang, maar dan wel in het licht van de bepalingen van artikel 35, lid 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Waar het ontslag gegeven werd op 28 januari 2008, is de op 29 januari 2009 aangetekend verstuurde brief te beschouwen als de formele 'kennisgevingsbrief' met de dringende reden voor ontslag. Deze brief is alleszins te situeren binnen de termijn van 3 dagen na het op 28 januari 2008 kenbaar gemaakte ontslag. Hoe dan ook is in de veronderstelling dat zulks al ter betwisting zou staan op die wijze de door artikel 35, lid 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde tijdigheidsvereiste wel nageleefd.
  31. Vraag blijft of de door artikel 35, lid 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet voorgeschreven voorwaarde werd nageleefd, hetgeen dus, zoals hiervoren werd aangegeven, in verband staat met het op maandag 28 januari 2008 kenbaar gemaakte ontslag. Om als tijdig gegeven te kunnen worden beschouwd, mochten de beweerde tekortkomingen niet meer dan drie werkdagen voorafgaand aan 28 januari 2008 bekend zijn aan M.D.. Dit impliceert concreet dat ze niet eerder dan op donderdag 24 januari 2008 bij M. D. bekend mochten zijn. K.R.C.G. stelt dat de verwijzing van M.D. naar de B kern te situeren was op woensdag 23 januari 2008, en voert aan dat bijgevolg het ontslag niet tijdig zou zijn gegeven, omdat dit feitelijke gegeven te situeren is vóór de drie werkdagen gelegen vóór het ontslag. Het hof volgt deze argumentatie van K.R.C.G. niet. De verwijzing van M.D. naar de B kern en de ermee samenhangende gevolgen (onder meer op het vlak van de trainingen) was een toestand en ongeacht of dit dan al dan niet een tijdelijke maatregel betrof die nog voortduurde in de dagen gelegen na 23 januari 2008 en die bestendigd bleef in de periode van 3 werkdagen vóór het op 28 januari 2008 kenbaar gemaakte ontslag. Voor het onmiddellijk ontslag is het voldoende dat de voortdurende of volgehouden (beweerde) fout nog bestond 3 werkdagen vóór het ontslag ; het is de ontslagverlenende partij die in zulke situatie oordeelt vanaf wanneer de voortdurende tekortkoming onaanvaardbaar ernstig wordt en wanneer de professionele samenwerking er onmiddellijk en definitief door onmogelijk wordt gemaakt (vgl. Cass. 18 februari 1980, R.W. 1980 81, 1417 ; Cass. 4 februari 1985, J.T.T. 1985, 310 en 469 ; Cass. 27 november 1995, J.T.T. 1996, 141 ; Cass. 19 januari 1998, R.W. 1998 99, 306 ; Cass. 20 maart 2000, J.T.T. 2000, 209, Cass. 8 april 2002, J.T.T. 2002, 419). De geadieerde rechter beoordeelt bij een voortdurende tekortkoming de tijdigheid van het ontslag om dringende reden door na te gaan of de tekortkoming nog voorhanden was in de periode van 3 werkdagen vóór de dag waarop het ontslag gegeven werd (vgl. Cass. 28 mei 2001, J.T.T. 2001, 389). Het hof stelt vast dat zulks hier het geval was. Er was wel degelijk sprake van een voortdurende toestand die nog voorhanden was in de periode van 3 werkdagen vóór 28 januari
  32. Het door M.D. (zijn raadsman) op 28 januari 2008 aan K.R.C.G. ter kennis gebracht ontslag werd bijgevolg tijdig gegeven, en terzake is derhalve voldaan aan de door artikel 35, lid 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde tijdigheidsvereiste. Er is dus, inzake de naleving van de tijdigheidsvereisten, geen sprake van een (formele) 'onregelmatigheid' van het door M.D. om dringende reden gegeven ontslag. De andersluidende argumentatie van K.R.C.G. faalt en wordt door het hof verworpen. Het dienaangaande door K.R.C.G. ingestelde incidenteel beroep is ongegrond.
  33. Er bestaat eveneens discussie over de 'inhoudelijke' rechtmatigheid van het ontslag. De vraag rijst of hetgeen door M.D. in de kennisgevingsbrief van 29 januari 2008 als dringende reden werd aangevoerd ter rechtvaardiging van zijn ontslagbeslissing, volstaat om te kunnen gewagen van een zodanige ernstige tekortkoming dat de professionele samenwerking met K.R.C.G. er onmiddellijk en definitief door onmogelijk werd gemaakt. Hetgeen M.D. in de kennisgevingsbrief van 29 januari 2008 ter rechtvaardiging van het ontslag om dringende reden aanvoerde, betreft een aantal gegevens die (samengevat door het hof ; voor de integrale weergave verwijst het hof op dienende wijze naar de hiervoren vermelde feitenweergave, sub III.4.), kunnen worden ondergebracht in twee 'basisgrieven'. De eerste 'basisgrief' heeft betrekking op de door K.R.C.G. op/vanaf 23 januari 2008 toegepaste verwijdering van M.D. uit de A kern en zijn verwijzing naar de B kern van de voetbalploeg van K.R.C.G.. M.D. heeft in de brief van 29 januari 2008 verwezen naar een aantal elementen (grieven) die allen hiermee samenhangen. Hij heeft het onder meer over de wijze waarop deze verwijdering uit de A kern zou zijn gebeurd (met negatieve uitlatingen van K.R.C.G. naar de pers toe), over de mogelijk nadelige financiële gevolgen van deze maatregel (het ontberen van matchpremies) en de schadelijke gevolgen voor zijn verdere loopbaan. M.D. verwees eveneens naar zijn vervanging in de kern door een andere speler en naar het gegeven dat hij niet werd opgeroepen voor de wedstrijd van 25 januari, evenmin als voor de wedstrijd van de B kern van 28 januari
  34. De verwijzing naar de B kerntraining kwam volgens M.D. neer op het hem ontzeggen van professionele training ; M.D. verwees naar het in zijn eentje moeten trainen met een trainer die instaat voor de min 14 jarigen, en voegde daar aan toe dat op maandag 28 januari 2008 zelfs deze trainer niet aanwezig was. De tweede 'basisgrief' die door M.D. werd vermeld in zijn kennisgevingsbrief van 29 januari 2008 heeft betrekking over de houding die K.R.C.G. zou hebben aangenomen bij transferbesprekingen. M.D. verwees in dit verband naar een kennisgeving van K.R.C.G. dat de verbanning naar de B kern gold tot aan het einde van de transferperiode en bedoeld was om M.D. de club te doen verlaten. M.D. stelde eveneens dat K.R.C.G. door een te hoge transfersom te eisen een transfer naar de geïnteresseerde club, RAEC MONS, heeft laten mislukken. M.D. verwees in dit verband tevens naar het ongeoorloofd verkopen van werknemers en van onwettelijke handel in spelers. Het hof is van oordeel dat de door M.D. vermelde tekortkomingen en grieven, apart of tezamen beschouwd, niet van aard zijn om te kunnen worden aangemerkt als ernstige tekortkomingen waardoor de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk zou zijn geworden, en licht deze beoordeling hierna verder toe.
  35. Het is een vaststaand feitelijk gegeven dat M.D. door K.R.C.G. op 23 januari 2008 naar de B kern van de voetbalploeg verwezen werd, en dat deze verwijzing aanleiding gaf tot een aantal nevenaspecten op het vlak van onder meer de trainingen, en m.b.t. het financiële aspect (onrechtstreeks, m.b.t. het eventueel ontberen van wedstrijdpremies). Mogelijk werd deze verwijdering door M.D. ook als beledigend en schadelijk voor zijn verdere loopbaan ervaren. Dergelijk mogelijk subjectief aanvoelen vanwege M.D. volstaat (uiteraard) niet om van een dringende reden voor ontslag te kunnen gewagen. Het hof is van oordeel dat de beslissing van K.R.C.G. om op/vanaf 23 januari 2008 M.D. niet meer in de A kern van haar spelersploeg op te nemen en te laten mee trainen en wedstrijden te laten spelen, hier niet als een dringende reden voor ontslag kan worden bestempeld. Voor een prof voetballer die een arbeidsovereenkomst aangaat met een voetbalclub die, zoals K.R.C.G., actief is in de eerste nationale afdeling van het Belgische voetbalgebeuren, zal het wellicht in de betrachting liggen om deel uit te maken van de basis spelersgroep (de A kern) van de voetbalclub. Waar dergelijke subjectieve verzuchting van M.D. op/vanaf 23 januari 2008 niet meer werd waargemaakt doordat K.R.C.G. hem alsdan naar haar B kern heeft verwezen, impliceert dit echter nog niet dat K.R.C.G. zich hier aan een foutieve handelwijze of aan een als ernstige tekortkoming te bestempelen gedraging zou hebben bezondigd. De samenwerking tussen M.D. en K.R.C.G. was contractueel van aard, en ze werd beheerst door de contractuele afspraken die in dat verband werden gemaakt tussen partijen. Deze afspraken lagen in de eerste plaats vervat in de tussen partijen ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst van 25 mei 2007 (stuk '0' stukkenbundel M.D. ; stuk 1 stukkenbundel K.R.C.G.). Volgens de bewoordingen van deze arbeidsovereenkomst werd M.D. door K.R.C.G. aangeworven in de hoedanigheid van beroepsvoetballer (artikel 1 van de arbeidsovereenkomst). In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst werd vermeld dat beide partijen er zich toe verbonden "de afgesloten arbeidsovereenkomst correct uit te voeren en de wettelijke en reglementaire verplichtingen na te leven". In artikel 5 van de arbeidsovereenkomst werden een aantal zaken opgesomd tot naleving waarvan M.D. zich als speler toe verbond. In artikel 5 a) werd vermeld (" / verbindt de Speler zich ertoe") : "gevolg te geven aan de oproepingen en deel te nemen aan de door de Club georganiseerde wedstrijden, trainingen, stages, afzonderingen, conferenties, vergaderingen, enz. en zich op geen enkele wijze te mengen in het administratief, commercieel, financieel of sportief beleid van de club ; / ". In de bij artikel 11 van de arbeidsovereenkomst bijgevoegde gedetailleerde bezoldigingsregeling werd in de 'hoofdtabel' weliswaar een gedetailleerde opsomming vermeld inzake een "variabele vergoeding voor het eerste elftal" (met onder meer een "salaris per punt"), maar er werd bij deze bezoldigingsregeling eveneens melding gemaakt van "premies B kern". In artikel 18 van de arbeidsovereenkomst lag de mogelijkheid vervat voor K.R.C.G. om boetes of sancties op te leggen aan de speler die zich niet aan zijn verplichtingen hield. Uit deze tussen partijen geldende contractuele bepalingen weerhoudt het hof dat M.D. zich ertoe verbonden had om zijn prestaties als beroepsvoetballer ten dienste te stellen van K.R.C.G.. Nergens werd overeengekomen en zulks kan dan ook door M.D. niet als een op K.R.C.G. rustende verplichting of verbintenis worden aangevoerd dat M.D. recht zou hebben om zijn prestaties als beroepsvoetballer te presteren in de A kern van K.R.C.G.. De arbeidsovereenkomst tussen partijen voorzag er niet in dat M.D. recht had op een opname in de A kern, evenmin als op trainingen binnen deze A kern of op de verdere omkadering hiervan. In het kader van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst kon K.R.C.G. in principe zelf beslissen in welke ploeg of kern zij M.D. als beroepsvoetballer zijn prestaties liet verrichten. Zulks kon kaderen in de eigen vrij te bepalen prioriteiten van K.R.C.G., bijvoorbeeld op het vlak van haar sportief beleid (waarin M.D. zich niet mocht mengen cf. artikel 5 a/ van de arbeidsovereenkomst), of in de veruitwendiging van een opzichtens de speler gehanteerde disciplinaire maatregel (cf. artikel 18 van de arbeidsovereenkomst, hetgeen in de mogelijkheid van het opleggen van sancties voorzag). Er kan hier eveneens op dienende wijze verwezen worden naar hetgeen M.D. in zijn laatste synthese beroepsconclusies zelf heeft vermeld inzake de werking bij K.R.C.G. en waaruit toch duidelijk blijkt dat K.R.C.G. (en professionele voetbalclubs in het algemeen ?) de mogelijkheid had om M.D. al dan niet te selecteren voor de A kern (cf. deze conclusies, blz. 4) : " /
  36. / Jammer genoeg draaide het sportieve seizoen van de heer D. erg teleurstellend uit: de trainer van R.G. schonk hem amper vertrouwen en stelde hem slechts sporadisch of liet hem spelen op een veldpositie die niet de zijne was. Omdat hij uiteraard ook wel weet dat de trainer de verantwoordelijkheid en de vrijheid heeft om de spelers te selecteren die hij in de competitie wil opstellen, heeft de heer D. - beroepsvoetballer zijnde - zich bij deze penibele situatie neergelegd. De heer D. heeft zijn beroep sedertdien steeds op een ernstige en professionele wijze uitgeoefend door gans de week met de A-kern van R.G. te trainen waardoor de ploeg hem voor de officiële wedstrijden op het wedstrijdblad inschreef.
  37. In dat opzicht houdt de heer D. eraan te onderlijnen dat er in elke professionele voetbalclub een A-kern bestaat, die alle profspelers van de club bevat, en een B-kern, die beloftevolle jongeren bevat en in die zin de voorkamer van de A-kern uitmaakt. Zoals men verder zal zien, is het mogelijk dat een speler van de A-kern, hoewel hij steeds met de A-kern traint, in het week-end een officiële wedstrijd afwerkt met de B-kern, hetzij omdat hij herstelt van een blessure of omdat hij door de Koninklijke Belgische Voetbalbond (die het voetbalkampioenschap organiseert) disciplinair geschorst is, of omdat hij naar aanleiding van een officiële wedstrijd van de A-kern daarin eenvoudigweg niet werd opgenomen. In dit laatste geval gaat het dus om een door de trainer genomen sportieve beslissing zonder enig gevolg op lange termijn. Daarenboven moet eveneens gepreciseerd worden dat de A-kern van een profclub vaak wel 30 profspelers telt waarvan bij officiële voetbalwedstrijden slechts 18 spelers op het officiële wedstrijdblad mogen worden opgenomen. Van deze 18 spelers mogen 14 spelers er normaalgesproken van uitgaan dat zij effectief zullen worden opgesteld (11 startplaatsen, 3 wissels) / " En in de mate dat de bijgebrachte pers artikelen een accurate weergave vormen van het standpunt dat partijen opzichtens elkaar zouden hebben ingenomen en kenbaar zouden hebben gemaakt in de bewuste periode (januari 2008), kan op zijn minst worden gesteld dat hieruit evenzeer blijkt dat het de houding en handelwijze van M.D. zelf was die K.R.C.G. er bijna noodgedwongen toe heeft aangezet hem naar de B kern te verwijzen. Volgens deze persberichten, waarin letterlijk geciteerd wordt naar hetgeen M.D. daarbij zelf zegde, had M.D. toen zelf t.a.v. de beleidsmensen bij K.R.C.G. aangegeven dat hij na de verwijdering van zijn collega Gonzague Vandooren uit de A kern niet langer met trainer H. Broos wilde samenwerken, en dat hij zelf was opgestapt uit de A kern (citaten in de krant Het Belang van Limburg van 24 januari 2008 : "ik ben niet weggestuurd, ik ben zelf opgestapt", en : "ik moest niet weg, maar toen ik het nieuws over Gonzague vernam, ben ik zelf naar Harry Lemmens en Willy Reynders gestapt om te melden dat ik niet langer met Hugo Broos wil samenwerken" ; stuk 3 stukkenbundel K.R.C.G.). Waar M.D. kennelijk met een zekere stelligheid aangaf dat hij niet meer wilde samenwerken met H. Broos, de trainer van de A kern van K.R.C.G. en tevens degene die "de verantwoordelijkheid en vrijheid heeft om de spelers te selecteren die hij in de competitie wil opstellen" (volgens de eigen stellingname van M.D. ; zie het hiervoren vermelde citaat uit de eigen besluiten van M.D. zelf), had K.R.C.G. klaarblijkelijk op dat moment weinig keuze, en lag de verwijdering van M.D. uit de A kern en zijn verwijzing naar de B kern voor de hand. In het licht van deze bijkomende gegevens kan zeker niet worden volgehouden dat de verwijzing van M.D. naar de B kern, en de daarmee samenhangende gevolgen op het vlak van de trainingen en het spelen van wedstrijden, als aan K.R.C.G. toeschrijfbare ernstige tekortkomingen kunnen worden beschouwd. Bijkomend merkt het hof op dat uit niets blijkt dat de verwijzing van M.D. naar de B kern een blijvende toestand zou hebben uitgemaakt. De verwijzing naar de B kern vond plaats op 23 januari 2008, en uit niets blijkt dat deze verwijzing niet slechts als tijdelijke maatregel was bedoeld. Reeds op 28 januari 2008, amper 5 dagen nadat de maatregel was getroffen, is M.D. dan via een fax bericht van zijn raadsman overgegaan tot de kennisgeving aan K.R.C.G. van de definitieve beëindiging van hun samenwerking. Onwetend van het al dan niet definitieve karakter van de sedert 23 januari 2008 bestaande toestand m.b.t. de verwijzing naar de B kern, en rekening houdend met het gegeven dat K.R.C.G. contractueel het recht had om dergelijke toestand minstens tijdelijk in stand te houden, heeft M.D. ten onrechte al te voortvarend gehandeld door op 28 januari 2008 op grond van een aan K.R.C.G. verweten dringende reden de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kenbaar te maken. En inzake de door M.D. in de kennisgevingsbrief van 29 januari 2008 eveneens aan K.R.C.G. toegeschreven beledigende uitspraken die door K.R.C.G. zouden zijn gedaan M.D. gewaagt van het informeren van de pers bij de overplaatsing naar de B kern waarbij zij "werden uitgescholden voor "rotte appelen", wat ronduit beledigend is" is volgens het hof niet voldoende gebleken of aangetoond dat ze ook effectief op die wijze door K.R.C.G. zouden zijn gedaan. Blijkbaar leidt M.D. de volgens hem beledigende uitspraken af uit een bepaalde persberichtgeving, maar op zich volstaat zulks niet als bewijs van de realiteit ervan. Uit nazicht van hetgeen dan in bedoelde pers artikelen werd vermeld, blijkt overigens niet dat M.D. op beledigende wijze door K.R.C.G. zou zijn "uitgescholden". In een bepaald pers artikel werd klaarblijkelijk melding gemaakt van navolgende aan trainer H. Broos toegeschreven uitlating : "Het klopt dat we D. een tweede kans wilden geven, maar hij heeft zichzelf daarna onmogelijk gemaakt. Of Vandooren dan de enige rotte appel was ? Het begint met één appel en vervolgens worden ook andere aangetast" (stuk 3 stukkenbundel K.R.C.G.). Op die wijze geformuleerd, ging het om een antwoord van trainer Broos van K.R.C.G. op een hem op die wijze door een journalist expliciet gestelde en op figuurlijke wijze geformuleerde vraag waarop door de bevraagde dan een even figuurlijk antwoord werd gegeven, echter zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat K.R.C.G. M.D. zou hebben "uitgescholden voor rotte appel". Volgens een ander pers artikel is het overigens M.D. zelf die ‘het figuurlijke' begrip van "rotte appel" gehanteerd blijkt te hebben : "Toen ik hoorde dat Vandooren gestraft werd, wou ik solidair zijn. Wij zijn geen rotte appels, zegt D. / " (stuk 3 stukkenbundel K.R.C.G.). Het hof is in het licht van deze gegevens van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden evenmin sprake is van beledigende uitspraken van K.R.C. opzichtens M.D., en dat het niet gaat om feitelijke gegevens die, indien al bewezen, als een aan K.R.C.G. toeschrijfbare foutieve gedraging zouden kunnen worden aangemerkt. Het hof is samenvattend van oordeel dat M.D. niet ten genoege van recht heeft aangetoond dat zijn verwijzing op/vanaf 23 januari 2008 naar de B kern van de spelersploeg van K.R.C.G., en de daarmee samenhangende omstandigheden en gevolgen ervan, als aan K.R.C.G. toeschrijfbare ernstige tekortkomingen kunnen worden aangemerkt, van zodanige aard dat de professionele samenwerking tussen partijen er onmiddellijk en definitief door onmogelijk zou zijn geworden.
  38. Inzake de tweede 'basisgrief' die door M.D. werd vermeld in zijn kennisgevingsbrief van 29 januari 2008 met de dringende reden voor ontslag, slaande op de houding die K.R.C.G. zou hebben aangenomen bij transferbesprekingen, kan het hof kort zijn. Tussen M.D. en K.R.C.G. was er een contract van bepaalde duur in voege vanaf 1 juli 2007 t/m 30 juni 2011 (zie hoger, sub V.B.a.). Of M.D. nu een subjectieve verzuchting koesterde om nog vóór 31 januari 2008 via een transfer naar een andere voetbalclub te vertrekken (31 januari 2008 was de uiterste dag waarop er volgens het reglement van de Voetbalbond nog geldige transfers van profvoetballers naar andere voetbalclubs konden worden doorgevoerd), is als zodanig niet relevant. K.R.C.G. was in het licht van de bestaande contractuele afspraken, met name een arbeidsovereenkomst die nog liep tot 30 juni 2011, niet verplicht om na een kortstondige samenwerking van amper een half jaar (de arbeidsovereenkomst nam een aanvang op 1 juli 2007) in januari 2008 gewillig mee te werken aan een transfer van M.D.. M.D. had in het licht van de aldus bestaande arbeidsovereenkomst geen 'recht op' een transfer. Normalerwijze diende hij zijn contract van bepaalde duur (lopend tot 30 juni 2011) te volbrengen bij K.R.C.G.. Dat K.R.C.G. zich in het kader van mogelijke transferbesprekingen eventueel niet 'gemakkelijk' heeft opgesteld en bepaalde financiële eisen heeft gesteld (m.b.t. een mogelijke transfersom) die een mogelijk geïnteresseerde voetbalploeg niet kon of wilde betalen, is mogelijk. Dit is echter geen element dat in het licht van de tussen K.R.C.G. en M.D. bestaande arbeidsovereenkomst, en de normaal voorziene looptijd ervan gedurende nog meer dan 3 jaren, van aard was om als een aan K.R.C.G. verwijtbare dringende reden voor ontslag te kunnen worden beschouwd. De in die zin door M.D. vermelde aanvoering en argumentatie in dit verband, met inbegrip van zijn verwijzingen naar 'het verkopen van werknemers' en 'onwettelijke handel in spelers', is vanuit het gegeven van de tussen hem en K.R.C.G. normalerwijze nog tot 30 juni 2011 bestaande arbeidsovereenkomst, niet relevant. Kortom : ook m.b.t. deze door M.D. aangevoerde tweede grief werd door hem in genendele aangetoond dat het ging om een aan K.R.C.G. toeschrijfbare ernstige tekortkoming waardoor de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk zou zijn gemaakt.
  39. Voor zoveel als nodig merkt het hof op dat de verwijzingen van M.D. naar een uitspraak die zou zijn verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, zetelend als kortgeding rechter (uitspraak die overigens door M.D. niet bij zijn stukkenbundel werd gevoegd), slaande op een tussen hemzelf en de Voetbalbond gevoerde (kortgeding)procedure, hier niet bindend zijn voor dit hof. Bijgevolg worden ze, bij gebrek aan relevantie, voorts buiten beschouwing gelaten.
  40. Concluderend komt het hof tot de beoordeling dat M.D. op 28 januari 2008 zelf ten onrechte (onrechtmatig) is overgegaan tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van een aan K.R.C.G. toegeschreven dringende reden, waarvan het hof oordeelt dat deze dringende reden niet voorhanden was.
  41. Doordat M.D. ten onrechte opzichtens K.R.C.G. een verbreking van de arbeidsovereenkomst heeft aangevoerd omwille van een beweerde aan K.R.C.G. toegeschreven dringende reden, heeft M.D. zelf onrechtmatig een eenzijdig einde gesteld aan de arbeidsovereenkomst. M.D. kon zich daarnaast, nadat K.R.C.G. opzichtens hem een procedure had opgestart bij het arbeidsgerecht, niet nog eens met gunstig gevolg 'in ondergeschikte orde' beroepen op een andere beëindigingsfiguur, met name die van een volgens hem aan K.R.C.G. toeschrijfbare "daad die gelijkstaat met verbreking" (zie hoger, sub V.B.b.1.). Het is niet verenigbaar met de feiten zelf ten tijde van de contractbeëindiging op 28 januari 2008, evenmin als met de daarop 'in hoofdorde' gesteunde juridische kwalificatie en de daaropvolgende beoordeling hiervan door het geadieerde rechtscollege, dat dezelfde aspecten dan nog eens zouden moeten worden onderzocht in functie van een door M.D. daarnaast in ondergeschikte orde aangevoerde andere beëindigingswijze. Hier is de contractbeëindiging te situeren op het vlak van de onrechtmatig door M.D. opzichtens K.R.C.G. ingeroepen verbreking wegens dringende reden, zodat er daarnaast ('ondergeschikt') niet nog eens sprake kan zijn van een onafhankelijk daarvan bestaande andere beëindigingswijze. Het ene is niet verzoenbaar met het andere. Voor zoveel als nodig en ten overvloede merkt het hof op, in de veronderstelling dat er toch een inhoudelijk onderzoek zou worden doorgevoerd naar de in ondergeschikte orde door M.D. opgeworpen figuur, zijnde die van een contractbreuk door K.R.C.G. omwille van een haar beweerdelijk toegeschreven daad die gelijkstaat met verbreking, dat dan evenmin het standpunt van M.D. kan worden bijgetreden. Bij de hoger geschetste door K.R.C.G. op/vanaf 23 januari 2008 opzichtens M.D. aan de dag gelegde handelwijze kan namelijk op geen enkele wijze een bij K.R.C.G. bestaande wil worden onderkend om de arbeidsovereenkomst niet meer verder te zetten. Dus ook in deze hypothese kan het door M.D. ingenomen standpunt niet worden bijgetreden, en zou er, waar hij K.R.C.G. eveneens ten onrechte een contractverbreking verweet, eveneens sprake zijn van een aan M.D. zelf toeschrijfbare onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Kortom : de arbeidsovereenkomst is hoe dan ook op onrechtmatige wijze door M.D. zelf beëindigd. V.B.c. Beëindigingsvergoeding. Probleemstelling.
  42. Gelet op het door hemzelf onrechtmatig om dringende reden gegeven ontslag, is M.D. opzichtens K.R.C.G. niet gerechtigd op een opzeggings of verbrekingsvergoeding (vgl. Cass. 16 maart 1992, J.T.T. 1992, 256 ; Arbh. Luik 17 november 2005, Soc. Kron. 2007, 281). De door M.D. opzichtens K.R.C.G. ingestelde vordering tot het bekomen van een schadevergoeding van 250.000,00 EUR, of van enige andere verbrekingsvergoeding, is derhalve ongegrond.
  43. K.R.C.G. is, als partij aan wie het onrechtmatig ontslag om dringende reden werd betekend, opzichtens de ontslagverlenende partij, M.D., wel gerechtigd op een beëindigingsvergoeding (vgl. VAN EECKHOUTTE W., Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2/ 2009 2010, Mechelen, Kluwer, nr. 4091).
  44. Gelet op de aard van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst ging het om een arbeidsovereenkomst waarop normalerwijze de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 'betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars' van toepassing waren.
  45. Artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 luidt als volgt: "Werd de overeenkomst gesloten voor een bepaalde tijd dan heeft de benadeelde partij wegens het verbreken daarvan zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn, recht op een vergoeding gelijk aan het bedrag van het tot het verstrijken van die termijn verschuldigd loon. Deze vergoeding mag echter niet meer belopen dan het dubbel van die bepaald in artikel 5, lid 2". Artikel 5, lid 2 van bedoelde wet luidt als volgt : "Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten, is de partij die de overeenkomst verbreekt ( / ), gehouden tot de betaling van een vergoeding waarvan het bedrag door de Koning zal worden bepaald op advies van het bevoegd Nationaal Paritair Comité. Bij ontstentenis van een koninklijk besluit is het bedrag van die vergoeding gelijk aan het lopende loon overeenstemmend met de nog verschuldigde lonen tot het einde van het sportseizoen met een minimum van 25 % van het jaarloon". Bij K.B. van 13 juli 2004 'tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars' (B.S. van 3 augustus 2004), in werking getreden op 1 augustus 2004 (cf. artikel 4 van het K.B.), werd dan bepaald (in artikel 1 van het K.B.) dat de vergoeding bij beëindiging van de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst gelijk is "aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend met : 1? indien het jaarlijks loon niet hoger is dan 15.106,00 euro: - vier en een halve maand indien de overeenkomst wordt verbroken tijdens de eerste twee jaren na de aanvang van deze overeenkomst; - drie maanden indien de overeenkomst wordt verbroken vanaf het derde jaar na de aanvang van deze overeenkomst; 2° indien het jaarlijks loon hoger is dan 15.106,00 euro zonder 24.631,52 euro te overschrijden: - zes maanden indien de overeenkomst wordt verbroken tijdens de eerste twee jaren na de aanvang van deze overeenkomst; - drie maanden indien de overeenkomst wordt verbroken vanaf het derde jaar na de aanvang van deze overeenkomst; 3° zes maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 24.631,52 euro zonder 32.842,03 euro te overschrijden; 4° twaalf maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 32.842,03 euro zonder 98.526,10 euro te overschrijden; 5° achttien maanden indien het jaarlijks loon 98.526,10 euro overschrijdt ." De vermelde bedragen zijn indexeerbaar (artikel 2 van het K.B.). K.R.C.G. heeft in beroepsbesluiten aangegeven dat het toepasselijke geïndexeerde bedrag van het hoogste loon 104.556,58 EUR (volgens artikel 1, 5? van het K.B.) bedroeg, zonder dat zulks door M.D. gecontesteerd werd. Het jaarloon dat M.D. genoot, overschreed (ruimschoots) dit bedrag (zie hoger, sub III.1.).
  46. Wanneer de hiervoren geciteerde wetsbepalingen worden toegepast op de concrete gegevens van onderhavige zaak, dan zou zulks erop neerkomen dat M.D. ertoe gehouden zijn om aan K.R.C.G. een beëindigingsvergoeding te betalen, overeenstemmend met het lopende loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, ten belope van 36 maanden. Dit volgt uit de navolgende toepassing : tussen de effectieve beëindiging op 28 januari 2008 en de normale einddatum van het contract voor bepaalde duur, 30 juni 2011, lagen 41 maanden en 2 dagen ; bij lezing van de eerste zin van artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 zou dit dan leiden tot de betaling van een vergoeding overeenstemmend met het loon voor deze termijn ; overeenkomstig de bepalingen van de tweede zin van artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 mag de vergoeding echter niet meer belopen dan het dubbel van die bepaald in artikel 5, lid 2, hetgeen slaat op toepasselijke termijn in geval van de beëindiging van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst ; in de hypothese van de verbreking van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zou de in dit geval in aanmerking te nemen toepassing van artikel 1, 5? van het K.B. van 13 juli 2004 dat ter uitvoering van artikel 5, lid 2 van voormelde wet werd uitgevaardigd, een termijn van 18 maanden opleveren ; nu overeenkomstig artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 de vergoeding niet meer mag belopen dan het dubbel van die bepaald in artikel 5, lid 2 van de wet, impliceert zulks dat hier een termijn van 36 maanden (het dubbel van de hiervoren vermelde 18 maanden) in aanmerking zou moeten worden genomen. Volgens K.R.C.G. stemt hiermee een opzeggingsvergoeding overeen ten belope van 878.888,88 EUR bruto in hoofdsom (van : een vooropgesteld maandloon van 24.413,58 EUR x 36 maanden).
  47. M.D. heeft deze toepassing bekritiseerd en stelt dat hierdoor zijn fundamenteel recht op arbeid, dat voor alle burgers op identieke wijze gegarandeerd moet worden, manifest geschonden is omwille van dergelijke hoge omvang van de van hem gevorderde opzeggingsvergoeding. Benevens een miskenning van supranationale wetteksten die de vrijheid van arbeid als een fundamenteel recht garanderen (M.D. verwees naar artikel 23 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 6 van het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de economische, sociale en culturele rechten, artikel 1 van het Europees Sociaal Charter, artikel 12 van de Verklaring van de fundamentele rechten en vrijheden van het Europese Parlement, artikelen 15 en 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangenomen te Nice op 7 december 2000), verwees M.D. naar een schending van de door artikel 23 van de Belgische Grondwet gegarandeerde vrijheid van arbeid. Voorts bekritiseerde M.D. het toepasselijke wettelijke systeem dat dergelijke hoge vergoedingen mogelijk maakt. Volgens M.D. is de delegatie van de beslissingsmacht die door artikel 5, lid 2 van de wet van 24 februari 1978 aan de Koning werd toevertrouwd, om op eenvoudig advies van de paritaire commissie Sport de verbrekingsvergoedingen vast te stellen, onwettig, en zou het gaan om een flagrant geval van bevoegdheidsoverschrijding dat de artikelen 10, 11, 33 en 108 van de Grondwet schendt. M.D. verwees eveneens (daarbij vrij uitvoerig citerend) naar een bijdrage van R. BLANPAIN in diens boek getiteld "Het statuut van de betaalde sportbeoefenaar", waarin deze auteur stelde dat in het raam van de Wet van 24 februari 1978 de spelers aanvankelijk de mogelijkheid hadden om hun overeenkomst tijdelijk te beëindigen overeenkomstig artikel 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 met een maximum van 6 maanden loon, en dat nadien dan de verbrekingsvergoeding opgetrokken werd (bij K.B. van 10 maart 1997) tot en met 36 maanden loon voor sportbeoefenaars van wie het loon een bepaalde grens overschreed (vgl. eveneens R. BLANPAIN, "Het statuut van de sportbeoefenaar naar internationaal, Europees, Belgisch en Gemeenschapsrecht", Larcier, 2002, blz. 107 110). M.D. verzocht het hof om in functie van deze afwegingen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de problematiek.
  48. Bekeken vanuit de 'Belgische bril', d.w.z. rekening houdend met de nationale wetgeving, stelt het arbeidshof vast dat er kennelijk sprake is van een gedifferentieerde behandeling tussen verschillende categorieën van werknemers bedienden, naar gelang zij onder het algemene systeem vallen, zijnde de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (de Arbeidsovereenkomstenwet), dan wel of zij onder de toepassing vallen van de Wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars. In de algemene regeling van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt in artikel 40 § 1 het navolgende bepaald : "Is de overeenkomst voor bepaalde tijd ( / ) aangegaan, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen, die gelijk is aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het bereiken van die termijn, zonder echter het dubbel te mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten". Deze bepaling is inhoudelijk gelijk aan deze van artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 (hiervoren geciteerd ; cf. sub V.B.c.4.). Het systeem dat volgens de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is voor de bepaling van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn in geval van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door een 'hogere' bediende wiens jaarlijks loon het bedrag van 32.200 EUR overschrijdt (geïndexeerd voor het jaar 2008 : 57.162 EUR), ligt vervat in artikel 82, § 3, laatste lid : "Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, mag de opzeggingstermijn niet langer zijn dan vier en een halve maand indien het jaarlijks loon hoger is dan 16.100 EUR zonder 32.200 EUR te overschrijden, noch langer dan zes maanden indien het jaarlijks loon 32.200 EUR overschrijdt". Dit staat in schril contrast met het voor de betaalde sportbeoefenaars (die eveneens als 'bediende' moeten worden aanzien ; cf. artikel 3 van de wet van 24 februari 1978) conform artikel 5, lid 2 van de wet van 24 februari 1978 door het K.B. van 13 juli 2004 uitgewerkte systeem (voor de integrale weergave hiervan, zie hoger, sub V.B.c.4.) : naar gelang de hoogte van het loon, bedraagt alsdan de in aanmerking te nemen vergoeding in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mogelijk zelfs 18 maanden. Een opzeggingsvergoeding van 6 maanden (systeem Arbeidsovereenkomstenwet), dan wel 18 maanden (systeem wet van 24 februari 1978), vormt een wereld van verschil. Dit verschil wordt nog groter in geval van een beëindiging door de werknemer van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst. Geëxtrapoleerd naar de gegevens van onderhavige zaak leidt dit namelijk tot de navolgende conclusie : indien hier de algemene regeling van de Arbeidsovereenkomstenwet (artikelen 40 en 82, § 3) zou worden toegepast, dan zou M.D. een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden loon verschuldigd zijn aan K.R.C.G. (het dubbel van de maximaal in aanmerking te nemen opzeggingstermijn van 6 maanden in geval van opzegging/beëindiging door de werknemer van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst); bij toepassing van het systeem voor betaalde sportbeoefenaars (de wet van 24 februari 1978), zou de beëindigingsvergoeding 36 maanden loon omvatten (zie hoger, sub V.B.c.5.). Het hof stelt zich de vraag of dergelijk onderscheid tussen de door de werknemer te betalen beëindigingsvergoeding in geval van de beëindiging door de werknemer van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, enerzijds wanneer deze beëindiging uitgaat van een werknemer bediende vallend onder het systeem van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 en anderzijds wanneer deze uitgaat van de sportbeoefenaar( bediende) vallend onder het systeem van de Wet van 24 februari 1978 voor de betaalde sportbeoefenaars, wel in redelijkheid verantwoord en/of verantwoordbaar is, en of er hier geen sprake is van een ongelijke behandeling die strijdig is met de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De vraag rijst eveneens of dergelijk systeem niet neerkomt op een mogelijke schending van de door M.D. vooropgestelde nationale en supranationale normen die het recht op vrijheid van arbeid regelen (en die vermeld werden bij de door hem gesuggereerde prejudiciële vraag, zie hoger sub IV.1.). Vraag is namelijk of het hiervoren vermelde systeem dat door de Belgische wetgever werd uitgewerkt inzake de door de betaalde sportbeoefenaar te betalen beëindigingsvergoeding wanneer deze zelf overgaat tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, op financieel vlak niet zodanig onevenredig is voor de betaalde sportbeoefenaar, dat de facto de vrijheid van arbeid van de betaalde sportbeoefenaar erdoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Het hof acht het, alvorens verder recht te doen en alvorens zich verder uit te spreken over de hoogte van de door M.D. aan K.R.C.G. te betalen beëindigingsvergoeding, aangewezen om in toepassing van artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof in te gaan op het verzoek van M.D. tot het stellen van een prejudiciële vraag (vragen) aan het Grondwettelijk Hof. Het hof gaat over tot herformulering van de door M.D. vooropgestelde vraagstelling, rekening houdend met de bepalingen van artikel 26 § 4 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en met de overwegingen die het arbeidshof hiervoren zelf heeft kenbaar gemaakt inzake een vergelijking van de wet van 24 februari 1978 met de bepalingen van artikelen 40 en 82, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De door M.D. gesuggereerde vraagstelling wordt door het hof, verwijzend naar de voorgaande overwegingen, als volgt aangepast (geherformuleerd) : " Schendt artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat uit de toepassing ervan volgt dat de betaalde sportbeoefenaar die zijn voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst verbreekt vóór het verstrijken van de termijn ervan en wiens jaarloon meer dan 98.526,10 EUR bedraagt, in voorkomend geval een beëindigingsvergoeding dient te betalen die kan oplopen tot 36 maanden loon, daar waar de bediende die in dezelfde situatie verkeert maar die onder de toepassing valt van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden loon dient te betalen ? Schendt artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 artikel 23 van de Grondwet en meer in het bijzonder het recht op vrije arbeid van de werknemer, doordat uit de toepassing ervan beëindigingsvergoedingen worden bepaald die kunnen oplopen tot 36 maanden loon ?"
  49. Het hof is er zich van bewust dat het niet vermag te worden uitgesloten dat het Grondwettelijk Hof zich niet ten gronde over de gestelde vraag zal uitspreken, en dat het Grondwettelijk Hof tot de conclusie zou kunnen komen dat de toets van de ter discussie staande norm niet tot zijn bevoegdheid behoort. Dit betreft uiteraard een beoordeling die primordiaal aan het Grondwettelijk Hof zelf toekomt. In de veronderstelling dat het Grondwettelijk Hof de gestelde prejudiciële vragen niet ten gronde zou beantwoorden om reden dat eveneens de beoordeling van de bepalingen van het K.B van 13 juli 2004 aan de orde zouden zijn, dan verhindert zulks in voorkomend geval niet dat dit arbeidshof nadien alsnog de eventuele (niet ?)toepasselijkheid van deze bepalingen dient te toetsen in het licht van de bepalingen van artikel 159 van de Grondwet. Deze laatste bedenking wordt thans als hypothetische opmerking geformuleerd, zulks in afwachting van de uitspraak die door het Grondwettelijk Hof zal worden verleend inzake de hem hierbij door dit arbeidshof voorgelegde prejudiciële vragen. OP DIE GRONDEN : Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Voegt de zaken AR nrs. 2009/AH/199 en 2009/AH/280 samen onder nummer 2009/AH/
  50. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Zegt voor recht dat M.D. degene is die op onrechtmatige wijze op 28 januari 2008 de tussen hem en K.R.C.G. VZW bestaande arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd beëindigd heeft, en die ten gevolge hiervan aan K.R.C.G. VZW een beëindigingsvergoeding verschuldigd is, Zegt voor recht dat de door M.D. opzichtens K.R.C.G. VZW geformuleerde tegeneis ongegrond is. Bevestigt, zij het op grond van een aangepaste redengeving, het bestreden vonnis d.d. 25 mei 2009 van de arbeidsrechtbank te Tongeren in zoverre erdoor in dezelfde zin uitspraak werd verleend. Alvorens verder recht te doen, en specifiek alvorens zich verder uit te spreken over de hoegrootheid van de door M.D. aan K.R.C.G. VZW verschuldigde beëindigingsvergoeding, Verzendt de zaak naar het Grondwettelijk Hof, met verzoek uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vragen : " Schendt artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat uit de toepassing ervan volgt dat de betaalde sportbeoefenaar die zijn voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst verbreekt vóór het verstrijken van de termijn ervan en wiens jaarloon meer dan 98.526,10 EUR bedraagt, in voorkomend geval een beëindigingsvergoeding dient te betalen die kan oplopen tot 36 maanden loon, daar waar de bediende die in dezelfde situatie verkeert maar die onder de toepassing valt van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden loon dient te betalen ? Schendt artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 artikel 23 van de Grondwet en meer in het bijzonder het recht op vrije arbeid, doordat uit de toepassing ervan beëindigingsvergoedingen worden bepaald die kunnen oplopen tot 36 maanden loon ?" Verzoekt het Grondwettelijk Hof om zijn beslissing te laten kennen. Gelast overeenkomstig artikel 27 § 1 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof de overzending aan het Grondwettelijk Hof van een door de voorzitter en door de griffier van dit arbeidshof ondertekende expeditie van onderhavig arrest tot verwijzing. Schorst in afwachting de huidige procedure. Houdt ondertussen de uitspraak over de gerechtskosten aan. Aldus gewezen door de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw N. VANHEES, griffier, PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100622.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.