← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101018.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101018.5 Rolnummer: 2009/AA/349 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-11-28 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-07-01 13:54 Fiche 1 De rechtsvordering van de werkgever tot terugvordering van tijdens de arbeidsovereenkomst onverschuldigd betaald loon is onderworpen aan de éénjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING - onverschuldigd betaald loon - rechtsvordering - verjaring Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 2 De CAO van 12 december 2003, gesloten in het paritair comité nr. 226 bepaalt op geen enkele wijze de samenstelling van de minimaal verschuldigde maandwedde, zodat iedere betaling van loon in geld, behoudens andere door de CAO verplicht te betalen geldelijke vergoedingen van andere aard zoals een eindejaarspremie, mee in aanmerking moet worden genomen om na te gaan of de werkgever de minimum verschuldigde maandwedde heeft betaald. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Collectieve arbeidsovereenkomsten - In paritair comité Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - minimum maandwedde - berekeningswijze Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 12-12-2003 - 3 Nota: II AAN - IV B Gerangschikt onder IV B - artikel 3 en onder II AAN - artikel 15 (andere korte inhoud). Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 2, blz. 84-86 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ___________________ ARREST A.R. 2009/AA/349 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN TIEN BVBA X., met maatschappelijke zetel te, appellante, vertegenwoordigd door mr. X, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen : X, wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer X, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 15 januari 2009 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 16 juni 2009, - de beschikking d.d. 8 september 2009, - de conclusie van de heer X, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 november 2009, - de conclusie van de BVBA X., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 29 januari 2010, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 september 2009 en 20 september 2010. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 1 februari 2008, vorderde de heer X de veroordeling van de BVBA X., hierna genoemd de BVBA, tot betaling van:

  1. a)528,90 EUR bruto achterstallig loon 2006 en 2007
  2. b)600,00 EUR bruto achterstallige toeslagen 2006 en 2007
  3. c)36,98 EUR bruto saldo eindejaarspremie 2006
  4. d)285,91 EUR bruto eindejaarspremie 2007
  5. e)134,55 EUR bruto saldo vakantiegeld 2007, vakantiedienstjaar 2006
  6. f)88,16 EUR bruto saldo vakantiegeld 2008, vakantiedienstjaar 2007
  7. g)6.614,94 EUR bruto opzeggingsvergoeding, verminderd met de wettelijk verplichte sociale en/of fiscale inhoudingen in de mate dat ze verschuldigd en betaald zijn, inhoudingen waarvan de BVBA moet doen blijken aan de hand van de door de wet voorgeschreven bescheiden en vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf hun eisbaarheid evenals met de kosten van het geding. Tevens vorderde de heer X de BVBA te veroordelen tot afgifte van de desbetreffende sociale en fiscale documenten en dit binnen de wettelijk voorziene termijn, zijnde: - de afrekening, meestal "loonbrief" genoemd, op het ogenblik van de betaling van de posten
  8. a)tot en met
  9. g)- een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na de betaling van de posten
  10. a)tot en met
  11. g)- een vakantieattest op het ogenblik van de betaling van de post
  12. e)en
  13. f)- de fiscale loonfichen nr. 281.10 vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de posten
  14. a)tot en met
  15. g)- het aangepaste formulier C4 op het ogenblik van de betaling van de post
  16. g)en dit telkens op verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag en per ontbrekend document nadat de wettelijk voorziene termijn met één maand zal overschreden zijn. Met conclusie van 30 april 2008 vorderde de BVBA in hoofdorde: - akte te verlenen aan de BVBA dat zij zich naar de wijsheid van de rechtbank gedraagt voor wat betreft de gevorderde loontoeslagen over de maanden september 2006-februari 2007 en het vakantiegeld hierop - de vordering van de heer X voor het overige toelaatbaar, doch volstrekt ongegrond te verklaren - de heer X ervan af te wijzen met veroordeling tot de kosten ervan. Uiterst ondergeschikt en enkel voor zover de rechtbank de vordering van de heer X in verband met de verbrekingsvergoeding geheel of gedeeltelijk per impossibile zou toewijzen vorderde de BVBA akte te verlenen dat zij alsdan een tegeneis stelt op basis van onverschuldigde betaling in terugbetaling van het bedrag van 694,17 EUR vermeerderd met de gerechtelijke rente en de kosten van de procedure. Met conclusie van 9 mei 2008 handhaafde de heer X zijn vordering, maar vorderde de tegeneis verjaard en onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Met vonnis van 15 januari 2009 werd de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd de BVBA veroordeeld tot het betalen van:
  17. a)528,90 EUR bruto achterstallig loon 2006 en 2007
  18. b)600,00 EUR bruto achterstallige toeslagen 2006 en 2007
  19. c)36,98 EUR bruto saldo eindejaarspremie 2006
  20. d)285,91 EUR bruto eindejaarspremie 2007
  21. e)134,55 EUR bruto saldo vakantiegeld 2007, vakantiedienstjaar 2006
  22. f)88,16 EUR bruto saldo vakantiegeld 2008, vakantiedienstjaar 2007
  23. g)6.614,94 EUR bruto opzeggingsvergoeding, verminderd met de wettelijk verplichte socialen en/of fiscale inhoudingen in de mate dat ze verschuldigd zijn en betaald zijn, inhoudingen waarvan de BVBA moet doen blijken aan de hand van de door de wet voorgeschreven bescheiden en vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf hun eisbaarheid en berekend op de netto-equivalenten, ervan afgeleid na afhouding van de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen. Tevens werd de BVBA veroordeeld tot afgifte van de desbetreffende sociale en fiscale documenten en dit binnen de wettelijke voorziene termijn, zijnde: - de afrekening, meestal "loonbrief" genoemd, op het ogenblik van de betaling van de posten
  24. a)tot en met
  25. g)- een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na de betaling van de posten
  26. a)tot en met
  27. g)- een vakantieattest op het ogenblik van de betaling van de post
  28. e)en
  29. f)- de fiscale loonfiches nr. 281.10 vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de posten
  30. a)tot en met
  31. g)- het aangepaste formulier C4 op het ogenblik van de betaling van de post g). De tegenvordering werd onontvankelijk verklaard en de dagvaardingskosten werden ten laste van de BVBA gelegd. De zaak werd naar de bijzondere rol met betrekking tot de te vereffenen rechtsplegingsvergoeding verzonden. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 29 januari 2010 vordert de BVBA het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre de BVBA werd veroordeeld tot de betaling van 528,90 EUR achterstallig loon over 2006 en 2007 en van 6.614,94 EUR bruto opzeggingsvergoeding en opnieuw rechtsprekend de vordering van de heer X op deze onderdelen toelaatbaar doch ongegrond te verklaren en dienvolgens de heer X hiervan af te wijzen met veroordeling tot de kosten van beide aanleggen. Ondergeschikt, en enkel voorzover het hof zou oordelen dat de heer X toch gerechtigd is op betaling van een verbrekingsvergoeding vordert de BVBA het bestreden vonnis waarbij de tegeneis van de BVBA in terugbetaling van de onverschuldigd betaalde sollicitatiedagen onontvankelijk werd verklaard te vernietigen en opnieuw rechtsprekend de oorspronkelijke tegeneis in die hypothese toelaatbaar en gegrond te verklaren. Dienvolgens de heer X te veroordelen tot terugbetaling van 694,17 EUR vermeerderd met de gerechtelijke rente vanaf 28.04.2008 en de procedurekosten. Met conclusie van 26 november 2009 vordert de heer X het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de BVBA te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE 1. De feiten De ter zake relevante feiten werden door de eerste rechters in het bestreden vonnis (blz. 3-4, sub "2. In feite") op correcte wijze weergegeven. Het arbeidshof verwijst daarnaar en aanziet die uiteenzetting hierbij als herhaald. Met vonnis van 15 januari 2009 beslisten de eerste rechters hetgeen hiervoor sub II is vermeld. Tegen dit vonnis tekende de BVBA op 16 juni 2009 beperkt hoger beroep aan. 2. De beoordeling 2.1. loontekorten en vakantiegeld daarop Tussen partijen wordt niet betwist dat de BVBA ressorteert onder het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel nr. 226 en dat de heer X behoorde tot de klasse 2 van de bedienden. Overeenkomstig de volgens de ter zake van toepassing zijnde minimum loonschalen tijdens de tewerkstelling van de heer X had hij recht op een minimum maandwedde van 1.691,77 EUR (maart tot augustus 2006) en van 1.715,45 EUR (september 2006 tot februari 2007). Volgens de heer X ontving hij in de betrokken periodes respectievelijk 1.648,00 EUR en 1.671,07 EUR per maand, zodat de BVBA hem in totaal 528,90 EUR te weinig loon zou betaald hebben. Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. De individuele arbeidsovereenkomst bepaalt in artikel 3 het volgende: "Artikel 3 Het bedrag van de bezoldiging per maand bedraagt: 1648 EUR bruto voor 37 uur per week. Dit wordt aangevuld met maaltijd cheques ten bedrage van 5,58 EUR per gepresteerde werkdag en een toeslag van 100 EUR bruto per maand. Uitbetaling van een dertiende maand maakt deel uit van het contract." (stuk 1 van de heer X) De eerste rechters hebben ten onrechte geweigerd de overeengekomen maandelijkse "toeslag" in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de vraag of de volgens de collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde minimum maandwedde werd betaald. Uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat maandelijks bovenop de gewone bezoldiging nog 100,00 EUR werd betaald, zonder dat daaraan enige voorwaarde was gekoppeld en zonder dat de mogelijkheid was voorzien dat die "toeslag" zou kunnen worden ingetrokken of verminderd. Die in geld betaalde toeslag maakte dan ook deel uit van de maandwedde, ongeacht de benaming die partijen daaraan gegeven hebben. De eertijds van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst van 12 december 2003 (KB 4 mei 2004, B.S. 23 september 2004) bepaalt op geen enkele wijze de samenstelling van de minimaal verschuldigde maandwedde, zodat iedere betaling van loon in geld, behoudens andere door de collectieve arbeidsovereenkomst verplicht te betalen geldelijke vergoedingen van andere aard zoals een eindejaarspremie, mee in aanmerking moet worden genomen om na te gaan of de werkgever de minimum verschuldigde maandwedde heeft betaald. Rekening gehouden met de maandelijks door de BVBA betaalde "toeslag" van 100,00 EUR bovenop het betaalde vast loon, blijkt dat steeds meer werd betaald dan de volgens de collectieve arbeidsovereenkomst minimaal verschuldigde maandwedde. Er is door de BVBA aan de heer X dan ook niet minder betaald dan het loon dat de BVBA op grond van de in de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst voorziene loonschaal minimaal diende te betalen. Uit het voorgaande volgt dat voor wat dit onderdeel betreft het hoger beroep gegrond is. 2.2. opzeggingsvergoeding Op goede gronden naar dewelke het arbeidshof verwijst, en die hierbij als herhaald worden beschouwd, hebben de eerste rechters in het bestreden vonnis (blz. 6-7, sub "3.1.3. opzeggingsvergoeding") terecht de BVBA veroordeeld tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 6.614,94 EUR. De overige door de BVBA aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk. Het hoger beroep is voor wat dit onderdeel betreft ongegrond. 2.3. de tegenvordering - onverschuldigde betaling - verjaring Met conclusie van 30 april 2008 stelde de BVBA een tegenvordering in, strekkend tot veroordeling van de heer X tot betaling van ten onrechte door hem tijdens de opzeggingsvergoeding ontvangen loon voor de dagen waarop hij compensatieverlof zoals bedoeld in de artikelen 41 en 85 van de Arbeidsovereenkomstenwet had genoten. De eerste rechters hebben die vordering niet ontvankelijk verklaard wegens verjaring in toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De BVBA voert aan dat de eenjarige verjaringstermijn van artikel 15 niet van toepassing is op het loon dat betaald werd voor de dagen waarop de heer X compensatieverlof had opgenomen, omdat dit een onverschuldigde betaling zou zijn. Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. De betaling van het loon tijdens het opgenomen compensatieverlof kan niet beschouwd worden als een onverschuldigde betaling in de zin van artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek. Luidens artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek, onderstelt iedere betaling een schuld: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd. Luidens artikel 1376 van hetzelfde wetboek, is hij die bij vergissing of met zijn weten iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, verplicht het terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was. Krachtens die artikelen moet degene die bij vergissing een som geld ontvangen heeft waarop hij geen aanspraak kan maken, die som geld teruggeven. Het enkele feit dat de heer X sollicitatieverlof heeft opgenomen hoewel hij daar strikt genomen niet op gerechtigd was, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat het loon tijdens die dagen door de BVBA onverschuldigd werd betaald, vermits beide partijen ervan uitgingen dat een opzeggingstermijn lopende was en bovendien uit niets blijkt dat het sollicitatieverlof zonder medeweten en instemming van de BVBA werd genomen. In de mate dat de betaling van het loon voor het opgenomen compensatieverlof toch onverschuldigd werd betaald, is de vordering verjaard. Luidens artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. De rechtsvordering van de werkgever tot terugvordering van de lonen die hij onrechtmatig aan de werknemer heeft uitbetaald voor het einde van de arbeidsovereenkomst, is een rechtsvordering die in de zin van die bepaling uit die overeenkomst ontstaat. (vgl.: Cass. 18 december 2006, S.06.0038.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061218.5, www.juridat.be, op datum; R.W. 2008-2009, 955, noot L. ELIAERTS; RAUWS, W., "De verjaring in het arbeidsrecht", in CBR (red.), De verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2007, blz. 13) Bijgevolg is artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet daarop van toepassing en is de tegenvordering van de BVBA verjaard, nu ze meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst werd ingesteld. Het hoger beroep is voor wat dit onderdeel betreft ongegrond. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk en als volgt gegrond. Het vonnis van 15 januari 2009 van de de arbeidsrechtbank te Antwerpen, voorzover bestreden, wordt vernietigd in de mate dat het de BVBA heeft veroordeeld om aan de heer X 528,90 EUR loonachterstallen te betalen over 2006 en 2007. Het arbeidshof oordeelt daarover opnieuw en verklaart die vordering ongegrond. De BVBA en de heer X worden respectievelijk veroordeeld tot 92% en 8% van de de kosten van de rechtspleging voor beide aanleggen die als volgt worden vereffend: - voor de BVBA : 900,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 900,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor de heer X begroot op 103,74 EUR kosten dagvaarding. Aldus gewezen door: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer K. MAGERMAN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. LAUWERYSEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101018.5 Gerelateerde publicatie(
  32. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061218.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.