id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101022.6 Rolnummer: 2009/AA/398 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-06-10 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-01 13:56 Fiches 1 - 2 De werkgever die na het beëindigen van de overeenkomst voor beroepsopleiding de verbintenis miskent om de cursist in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is de conventioneel bedongen forfaitaire schadevergoeding verschuldigd, ongeacht de omvang van de werkelijk door de cursist geleden schade. Deze vergoeding is loon in de zin van de Loonbeschermingswet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - bepaling van het loon - overeenkomst voor beroepsopleiding - miskenning tewerkstellingsverplichting - forfaitaire schadevergoeding - loonkarakter Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Beroepsopleiding SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Beroepsopleiding - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - beroepsopleiding - overeenkomst voor beroepsopleiding - miskenning tewerkstellingsverplichting - forfaitaire schadevergoeding - loonkarakter Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - 125 - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Nota: III H - V P Gerangschikt onder III H - artikel 2 en onder V P - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 1, blz. 34-36 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2009/AA/398 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TIEN NV, met maatschappelijke zetel te appellante, vertegenwoordigd door mr. I. Gleissner loco mr. J. Robbroeckx, advocaat te 2610 Wilrijk, tegen : M K, woonstkeuze doende bij het ABVV te 2018 Antwerpen, Ommeganckstraat, 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw I. Cuyvers, vakbondsafgevaardigde. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 5 maart 2009 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 8 juli 2009, - de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 14 juli 2009, 12 februari 2010 en 27 april 2010 voor de heer K en op 11 januari 2010 en 6 april 2010 voor de NV, - de beschikking d.d. 8 september 2009 overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 september 2009 en 24 september
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidend verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13 februari 2008, vorderde de heer K de veroordeling van de NV, thans de NV, hierna genoemd de NV, tot betaling van 9.300,00 euro vergoeding wegens niet naleving van de tewerkstellingsverbintenis IBO, te vermeerderen met de wettelijke intrest, de verwijl-, minstens de vergoedende intrest vanaf 22.02.2007, de gerechtelijke intrest en met de kosten van het geding. In zijn laatste conclusie neergelegd ter zitting van 5 februari 2009 vorderde de heer K tevens betaling van 418,44 euro als vergoeding van de kosten om de bijstand van een vakbondsafgevaardigde te bekomen. In haar conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 23 december 2008 vorderde de NV in hoofdorde de vordering van de heer K ongegrond te verklaren. Ondergeschikt verzocht de NV de heer K bevel op te leggen om alle arbeidsovereenkomsten door hem afgesloten vanaf 22.02.2007 tot en met 21.08.2007 met nieuwe werkgevers over te leggen. Meer ondergeschikt verzocht de NV haar toe te staan om met alle middelen van recht, getuigenverhoor inbegrepen, het bewijs te leveren dat tijdens de duur van de IBO overeenkomst: - K niet over voldoende intellectuele capaciteit beschikte om de opleiding tot een goed einde te brengen; - K geen begrip kom opbrengen voor kritiek i.v.m. zware fouten in hoofde van K tijdens zijn opleiding; - dat de houding van K tijdens de opleiding te wensen overliet vermits K geen enkel begrip toonde voor zijn monitors en de monitors uiteindelijk weigerden om K praktisch te onderrichten vermits K zich op een manier opstelde dat de opleiding onmogelijk werd gemaakt; - dat K niet slaagde in zijn praktische proef om het geschiktheidsbrevet van treinbestuurder te halen; - dat de toezichthoudende overheid zich had uitgesproken over K, zijnde dat K's gedrag ‘een treinbestuurder onwaardig was' en dat K geen enkele blijk gaf van enige vorm van appreciatie naar eender wie. Met vonnis van 5 maart 2009 werd de vordering van de heer K ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De NV werd veroordeeld tot betaling van 9.300,00 euro vergoeding wegens het niet naleven van de tewerkstellingsverbintenis, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 22.02.2007 tot 13.02.2008 en met de gerechtelijke intrest vanaf 13.02.2008 tot de datum van algehele betaling. De vordering tot het bekomen van een vergoeding tot delging van de kosten van bijstand ten bedrage van 418,44 euro werd ongegrond verklaard, de overige kosten van het geding werden ten laste gelegd van de NV. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de NV strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer K volledig ongegrond te verklaren. Ondergeschikt verzoekt de NV opnieuw de overlegging te bevelen van de arbeidsovereenkomsten die de heer K vanaf 22.02.2007 tot en met 21.08.2007 heeft afgesloten en nog meer ondergeschikt herhaalt zij het in eerste aanleg geformuleerde bewijsaanbod. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op 23 augustus 2006 sloten de NV, de heer K en de VDAB een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming, met verwijzing naar de bepalingen van de artikelen 120-129 van het Besluit van de Vlaamse regering van 21 december
- Deze overeenkomst werd gesloten voor een periode van 25 weken, beginnend op 24 augustus 2006 en eindigend op 21 februari
- In artikel 2 a van deze overeenkomst verbond de NV zich ertoe de heer K gedurende voormelde periode op te leiden tot aspirant-treinbestuurder, zoals voorzien in een programma, dat als bijlage werd gehecht aan de overeenkomst voor beroepsopleiding. In artikel 2 d van diezelfde overeenkomst verbond de NV zich ertoe: "de cursist vanaf de eerste kalenderdag na de opleiding in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten om een dringende reden, mag de onderneming aan voormelde arbeidsovereenkomst slechts een einde maken ten vroegste na verloop van de tijd overeenstemmend met de duur van de opleiding. De onderneming verbindt er zich toe de cursist die de opleiding in de onderneming beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming onder de voor dat beroep geldende voorwaarden en minstens aan hetzelfde arbeidsregime als tijdens de opleiding in de onderneming." Artikel 6 van die overeenkomst luidt als volgt: "Indien de onderneming de overeenkomst voor beroepsopleiding vroegtijdig en zonder geldige reden stopzet, eenzijdig en zonder akkoord van de VDAB, is hij/zij de cursist een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met de som van de premie voor het resterend gedeelte van de opleiding en het loon dat de onderneming, op basis van art. 2, d verschuldigd is voor de periode overeenstemmend met de duur van de opleiding. Indien de onderneming de tewerkstellingsverbintenis, zoals omschreven in art 2, d niet naleeft, is hij, onverminderd de wettelijke en conventionele bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomsten, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het resterend gedeelte van het loon dat de werkgever verschuldigd is voor de tewerkstelling gedurende een periode die overeenstemt met de periode van de opleiding. De VDAB kan in beide gevallen beslissen om de onderneming gedurende 3 jaar geen opleiding toe te staan." Op 15 februari 2007 nam de heer K deel aan het theoretisch gedeelte van een openbare proef voor een indienstneming als bestuurder rangeringen. De heer K slaagde niet in deze proef. Met brieven van 28 maart en 20 april 2007 eiste de vakorganisatie van de heer K betaling van een vergoeding gelijk aan 26 weken loon , wegens de beweerde miskenning door de NV van haar verplichting om de heer K in dienst te nemen, na het einde van de beroepsopleiding. In een brief van 25 april 2007 motiveerde de NV haar weigering om de heer K in dienst te nemen, waarbij zij aanvoerde dat de heer K niet was geslaagd voor hoger vermelde proef.
- De beoordeling De NV besluit primair tot de ongegrondheid van de vordering op grond van de overweging dat de heer K zijn vordering steunt op artikel 125 van het Besluit van 21 december 1988 van de Vlaamse Executieve houdende organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, hierna Besluit van 21 december 1988 genoemd, terwijl genoemde bepaling on(grond)wettig is en bijgevolg niet kan worden toegepast. Meer concreet doet de NV in dit verband gelden dat artikel 125 van het Besluit van 21 december 1988 een beperking inhoudt van het ontslagrecht van de werkgever, wat niet behoort tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap. Dit arbeidshof stelt vast dat de heer K zijn aanspraak op betaling van de gevorderde schadevergoeding stoelt op een dubbele rechtsgrond en dat hij zijn vordering evenzeer steunt en kan steunen op de miskenning door de NV van haar contractuele verbintenis, opgenomen in artikel 2,d van de overeenkomst voor beroepsopleiding dd. 23 augustus 2006 en de in artikel 6 overeengekomen schadevergoeding, die verschuldigd is wanneer de NV haar verbintenis niet naleeft. Wat de geldigheid van genoemde contractuele bepalingen betreft moet eraan herinnerd worden dat de Arbeidsovereenkomstenwet overwegend dwingende bepalingen bevat ter bescherming van de werknemer en dat het de contracterende partijen in de regel vrijstaat in hun overeenkomst bepalingen op te nemen die gunstiger zijn voor de werknemer dan de bepalingen uit de Arbeidsovereenkomstenwet. Naar het oordeel van dit arbeidshof bestaat er geen enkele wettelijke bepaling die zich verzet tegen het aangaan van verbintenissen door een werkgever, zoals opgenomen in de artikelen 2, d en 6 van de tussen partijen gesloten overeenkomst voor beroepsopleiding. Anders dan de NV voorhoudt beïnvloedt het antwoord op de vraag of artikel 125 van het Besluit van 21 december 1988 on(grond)wettig is, de geldigheid van de contractuele verbintenissen die de NV tegenover de heer K is aangegaan in de artikelen 2, d en 6 van de overeenkomst voor beroepsopleiding niet, zodat hierop niet verder moet worden ingegaan. De NV is zich kennelijk bewust van deze leemte in haar besluitvorming en tracht dit te omzeilen door aan te voeren: "Uiteraard stelt zich hierbij de vraag van de wilsovereenstemming tussen partijen bij de afsluiting van de IBO overeenkomst, vermits artikel 125 van het Besluit van de Vlaamse Executieve niet kan worden toegepast. De N.V. wenst de dwaling op te werpen in hoofde van de wilsovereenstemming om de artikelen d.
- en 6 van de IBO overeenkomst af te sluiten". Het arbeidshof meent uit deze argumentatie te begrijpen dat de NV aanvoert dat de overeenkomst voor beroepsopleiding, die zij op 23 augustus 2006 heeft afgesloten, nietig is omdat haar toestemming was aangetast door een wilsgebrek, inzonderheid door dwaling. In dit kader moet er op gewezen worden dat een strikte toepassing van de wilsleer ertoe zou leiden dat elke dwaling door één van de partijen begaan, tot nietigverklaring van het contract kan leiden. Teneinde het rechtsverkeer en de rechtszekerheid niet in het gedrang te brengen, heeft de wetgever dan ook de restrictie ingebouwd dat het moet gaan om een dwaling nopens de zelfstandigheid van de zaak of, bij overeenkomsten die hoofdzakelijk worden gesloten met in aanmerkingneming van de persoon van de wederpartij, om een dwaling nopens de persoon van de wederpartij. Het Hof van Cassatie heeft verduidelijkt wat onder de ‘zelfstandigheid van de zaak' moet worden verstaan: ‘... de zelfstandigheid van de zaak is ieder element dat de partij er hoofdzakelijk toe bepaald heeft het contract aan te gaan, zodanig dat zonder dit element het contract niet zou zijn gesloten'. Onder zelfstandigheid van de zaak moet daarbij worden verstaan ieder element dat doorslaggevend is geweest voor de partij om het contract aan te gaan, zodat het contract zonder dat element niet zou zijn gesloten'. Opdat de vergissing als een rechtens relevante dwaling in aanmerking komt, is dus vereist dat ze betrekking heeft op een element dat determinerend (doorslaggevend) is voor de toestemming van de partij, zodanig dat zonder dat element, het contract niet zou zijn gesloten. Indien de schuldenaar van een verbintenis de juiste toedracht had gekend en/of ingeschat, dan wel zijn werkelijke wil correct had weten uit te drukken, dan zou hij m.a.w. geen of een andere verbintenis hebben aangegaan; zou hij toch dezelfde verbintenis hebben aangegaan (om andere redenen), dan kan het wilsgebrek dwaling niet worden ingeroepen. In die zin is dan ook een ‘essentiële dwaling' vereist. (A. DE BOECK, Wilsgebreken. Dwaling, in X, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar Verbintenissenrecht, Titel II, Hfdst. 2, Afd. 1, 4-30 , en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Niets in dit dossier laat toe te besluiten dat het oordeel omtrent de regelmatigheid van artikel 125 van het Besluit van 21 december 1988 enige invloed heeft uitgeoefend op de besluitvorming en de wilsuiting van de NV bij het afsluiten van de overeenkomst van 23 augustus
- A fortiori ligt niet het minste bewijs voor dat de NV niet of anders zou hebben gecontracteerd indien zij geweten had dat artikel 125 van het Besluit van 21 december 1988 on(grond)wettig was, vooropgesteld dat dit al het geval zou zijn. De argumentatie van de NV kan dan ook niet worden bijgetreden. Evenzeer ten onrechte houdt de NV voor "dat de voorwaarde tot afsluiting van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur niet werd bereikt vermits de doelstelling van de opleiding niet werd bereikt en bijgevolg de opleiding niet werd beëindigd". Nergens in de overeenkomst werd bepaald dat de opleiding van de heer K automatisch een einde zou nemen op het ogenblik dat hij niet slaagde in een proef of een examen, georganiseerd met het oog op het behalen van een geschiktheidsbrevet tot het besturen van treinen in België. Dat het integendeel niet de bedoeling is geweest van de ondertekenende partijen om het verder zetten van de opleiding afhankelijk te maken van het slagen in bepaalde proeven, blijkt uit volgende bepalingen uit het IBO opleidingsplan, dat als bijlage werd gevoegd aan de overeenkomst voor beroepsopleiding: "-De theoretische kennis van de kandidaten wordt regelmatig mondeling of schriftelijk getoetst door de docent. De kandidaat moet op deze toetsen minstens een score van 60 om te slagen. Dit garandeert zeker niet dat de kandidaat zal slagen in het eindexamen van treinbestuurder georganiseerd door Infrabel. Wanneer de kandidaat een score van minder dan 45 % behaald, kan dit aanleiding geven tot onmiddellijke verbreking van het IBO contract. Ligt de score tussen 45 % en 60 % maakt het verder zetten van de IBO opleiding deel uit van een evaluatie tussen cursist, VDAB stagebegeleider en opleidingsverantwoordelijke. -Tijdens de praktijkstage staat de kandidaat onder toezicht van, en is ondergeschikt aan de bevoegde stage meester. Wanneer de kandidaat naar mening van de stage meester over voldoende kennis of maturiteit beschikt kan hij deze geheel of gedeeltelijk taken ontzeggen. De stage meester kan schriftelijk of mondeling zijn bevindingen kenbaar maken aan de opleidingsverantwoordelijke. -Op regelmatige tijdstippen zal de opleidingsverantwoordelijke, rekening houdende met de toetsen en de evaluaties van de stagemeesters en docenten, en algemene evaluatie maken van de kandidaat. Dit resulteert dan in een advies naar directie en VDAB.S Bovendien kan een beroepsopleiding niet voortijdig worden stopgezet zonder instemming van de VDAB, instemming welke in casu niet werd gegeven.(vgl. stuk 4 dossier de heer K) Dit arbeidshof stelt bovendien vast dat de NV in haar brief van 25 april 2007 gericht aan de vakorganisatie van de heer K uitdrukkelijk vermeldde dat de opleiding van de heer K eindigde op 21 februari 2007, zodat zij thans bezwaarlijk kan voorhouden dat de beroepsopleiding reeds eerder een einde had genomen. De NV kan evenmin gevolgd worden waar zij voorhoudt dat haar verbintenis tot aanwerving en tewerkstelling van de heer K, zoals opgenomen in artikel 2.d. van de overeenkomst voor beroepsopleiding, gekoppeld werd aan de voorwaarde dat de heer K tijdens zijn beroepsopleiding de doelstellingen zou behalen geformuleerd in het IBO opleidingsplan, inzonderheid het behalen van het geschiktheidsbrevet tot het besturen van treinen in België. Een dergelijke voorwaarde is noch expliciet, noch impliciet terug te vinden in de begeleidingsovereenkomst en, zoals ook door de VDAB werd aangegeven in briefwisseling naar aanleiding van de weigering om de heer K tewerk te stellen na het einde van de beroepsopleiding, werd tussen partijen niet bedongen dat de heer K reeds tijdens zijn beroepsopleiding een dergelijk geschiktheidsbrevet moest behalen. Samenvattend moet worden vastgesteld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst voor beroepsopleiding niet voortijdig werd beëindigd, dat de NV bijgevolg uitvoering moest geven aan de verbintenis opgenomen in artikel 2,d. van die overeenkomst en dat de NV deze verbintenis heeft miskend, terwijl zij niet het bewijs levert dat zij ingevolge overmacht bevrijd was. De heer K heeft dan ook recht op de in artikel 6 van de overeenkomst voor beroepsopleiding bedongen forfaitaire schadevergoeding wegens de miskenning door de NV van haar tewerkstellingsverplichting, opgenomen in artikel 2,d. van de overeenkomst voor beroepsopleiding, waarvan de becijfering als zodanig niet werd betwist. Gelet op het overeengekomen forfaitaire karakter van deze vergoeding, is verder onderzoek naar de reële schade geleden door de heer K overbodig. Op het door de NV geformuleerde verzoek de overlegging van de arbeidsovereenkomsten te bevelen die de heer K heeft afgesloten in de periode 22 februari tot 21 augustus 2007 moet dan ook niet worden ingegaan. Vermits het door de NV geformuleerde bewijsaanbod geen betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, afbreuk zouden kunnen doen aan hoger vermelde overwegingen en besluitvorming, moet hierop niet worden ingegaan. Samen met de heer K is dit arbeidshof van oordeel dat de toegekende vergoeding loon is in de zin van de Loonbeschermingswet, zodat hierop van rechtswege intrest verschuldigd is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van genoemde wet. Tevergeefs doet de NV in dit verband gelden dat tussen partijen nooit een arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen. In dit verband kan nuttig verwezen worden naar artikel 1 van de Loonbeschermingswet, waarvan de inhoud luidt als volgt: "Deze wet is van toepassing op de werknemers en op de werkgevers. Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld 1° met werknemers: de leerlingen, alsook de personen, die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon; 2° met werkgevers: de personen die de onder 1° bedoelde personen tewerkstellen. Ieder die geheel of gedeeltelijk beloond wordt met fooien of bedieningsgeld wordt, behoudens tegenbewijs, geacht werknemer te zijn in de zin van dit artikel. Deze wet doet geen afbreuk aan gunstiger bijzondere regelingen die voor bepaalde categorieën van werknemers zijn of zullen worden getroffen door of krachtens een andere wet." Als respectievelijk cursist en ondernemer in het kader van de op 23 augustus 2006 gesloten overeenkomst voor beroepsopleiding vallen partijen ontegensprekelijk onder de personele toepassingssfeer van de Loonbeschermingswet en kan de overeenkomst voor beroepsopleiding worden gekwalificeerd als een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van diezelfde wet. Verder is de aan de heer K toegekende vergoeding een geldsom waarop hij ingevolge zijn overeenkomst voor beroepsopleiding recht heeft ten laste van de NV. Dat deze vergoeding geen tegenprestatie is voor arbeid doet daaraan geen afbreuk. BESLISSING OP TEGENSPRAAK De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 5 maart 2009 wordt bevestigd. De NV wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: Voor de NV begroot op: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 euro Voor de heer K begroot op: expeditie: 6,75 euro betekening: 146,97 euro Aldus gewezen door : mevrouw L. Boeykens, eerste voorzitter, de heer I. Biegs, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. Van Nespen, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw M. Dockx, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 22 oktober
- PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101022.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.