← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101027.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101027.1 Rolnummer: 2010/AA/399 Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2010-11-23 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-01 13:59 Fiches 1 - 3 Artikel 1057, 7° Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven vermeld. In zaken die vermeld zijn in artikel 704 Gerechtelijk Wetboek (sociale zekerheid/sociale bijstand), besliste het Grondwettelijk Hof dat het ongrondwettig zou zijn wanneer een hoger beroep om voormelde redenen onontvankelijk zou verklaard worden in het geval van rechtzoekende voor de arbeidsrechtbank een verzoekschrift kan neerleggen dat niet aan enige voorwaarde moet voldoen terwijl het verzoekschrift om hoger beroep aan te tekenen wel aan voorwaarden moet voldoen en de rechtzoekende hiervan niet op de hoogte wordt gesteld. Hoewel de zaken van collectieve schuldenregeling niet vermeld worden in artikel 704 Gerechtelijk Wetboek moet een verzoekschrift om deze procedure te starten weliswaar aan bepaalde voorwaarden voldoen maar deze voorwaarden kunnen door de rechter vervolledigd worden waardoor deze regeling mogelijk ongrondwettig is wanneer het hoger beroep dat niet aan de voorwaarden voldoet, toch onontvankelijk wordt verklaard zonder dat de rechtzoekende hiervan op de hoogte werd gesteld. Volgende prejudiciële vraag werd gesteld : Schendt artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het categorieën van rechtzoekenden die zich in een fundamenteel verschillende situatie zouden bevinden, gelijk behandelt : enerzijds de rechtzoekenden die reeds bij het instellen van hun vordering moesten voldoen aan artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek en wiens vordering in hoger beroep moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, en anderzijds de rechtzoekenden die zijn verwikkeld in een burgerlijke procedure in zaken bedoeld in artikel 578, 14° van het Gerechtelijk Wetboek en die aanvankelijk hun zaak op informele wijze aanhangig konden maken bij de arbeidsrechtbank en eventuele ontbrekende gegevens nog op verzoek van de rechter tijdens de procedure konden bijbrengen terwijl voor deze rechtzoekenden in graad van beroep geen afwijking werd voorzien op de bepalingen van artikel 1057 Gerechtelijk Wetboek en waarbij deze categorie van rechtzoekenden in de begeleidende brief waarmee de beslissing van de arbeidsrechtbank hen werd ter kennis gebracht geen melding maakt van het feit dat hun verzoekschrift in hoger beroep de vermeldingen van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek moet bevatten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Inleiding procedure Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - collectieve schuldenregeling - ontvankelijkheid hoger beroep - voorwaarden artikel 1057 Gerechtelijk wetboek - prejudiciële vraag - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 704 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 794, artikel 1057 en onder artikel 1675/4 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Hoger beroep GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Collectieve schuldenregeling Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - collectieve schuldenregeling - ontvankelijkheid hoger beroep - voorwaarden artikel 1057 Gerechtelijk Wetboek - prejudiciële vraag - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/4 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 704, artikel 1057 en onder artikel 1675/4 Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1057 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 704, artikel 1057 en onder artikel 1675/

  1. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2010/AA/399 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TIEN XXXXXXXX, wonende te appellant, ter openbare terechtzitting niet verschenen, noch iemand om hem te vertegenwoordigen. tegen:
  2. Mr. M. STEEL, schuldbemiddelaar, advocaat te 2140 Antwerpen, Arthur Matthyslaan 50, eerste geïntimeerde, ter openbare terechtzitting verschijnend in persoon,
  3. B. W. p/a D.,
  4. R. I. p/a D., tweede en derde geïntimeerde, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Vermeulen, advocaat te 2000 Antwerpen,
  5. T. M. p/a mr. P. H. vierde geïntimeerde, hebbende als raadsman Mr. P. Hectors, ter openbare terechtzitting niet verschenen,
  6. NV C. B.,
  7. NV A. wet. vert. C. V,
  8. VZW A. SOCIAAL VERZEKERINGSFONDS,
  9. NV P. T. B. vijfde tot en met achtste geïntimeerde, ter openbare terechtzitting niet verschenen, noch iemand om hen te vertegenwoordigen.
  10. CVBA E., negende geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. F. Erdman, ter openbare terechtzitting niet verschenen.
  11. NV T.,
  12. NV B,
  13. B,
  14. NV D.
  15. OCMW A,
  16. ONTVANGER DER PENALE BOETEN ANTWERPEN, Italiëlei 4, 2000 Antwerpen,
  17. KANTOOR DER DOMEINEN, Italiëlei 4 bus 3 lokaal 0c28, 2000 Antwerpen,
  18. E. D. DNB, tiende tot en met zeventiende geïntimeerde, niet verschenen ter openbare terechtzitting, noch iemand om hen te vertegenwoordigen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.
  19. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Het arbeidshof heeft kennis genomen van volgende stukken van rechtspleging: - het verzoekschrift om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 september 2009; - het afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid waarbij mr. Michiel Steel als schuldbemiddelaar werd aangesteld, gewezen en uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 8 september 2009; - het eensluidend afschrift van het vonnis, gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 juni 2010, waarbij voormelde beschikking van toelaatbaarheid werd herroepen; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 7 juli 2010; - de kennisgeving van het verzoekschrift tot hoger beroep, bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek aan geïntimeerden verzonden op 8 juli 2010; - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 22 september 2010 en 27 oktober
  20. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Bij beschikking, gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 september 2009, werd het verzoek van appellant om te worden toegelaten tot de collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaard en werd mr. Michiel Steel aangesteld als schuldbemiddelaar. Op 29 maart 2010 legde de schuldbemiddelaar een verzoek neer ter griffie van de arbeidsrechtbank tot herroeping van bovenvermelde beschikking van toelaatbaarheid omdat het bij gebrek aan enige accurate informatie over het inkomen van appellant niet mogelijk was voor de schuldbemiddelaar om enig constructief plan van minnelijke aanzuiveringsregeling op te stellen. Bovendien moest het absolute gebrek aan medewerking van, het naast zich neerleggen van bepaalde regels inherent aan de schuldbemiddeling door appellant in het algemeen en zijn onwil om duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomsten volgens de schuldbemiddelaar beschouwd worden als procedurele kwade trouw. Bij vonnis, gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 juni 2010, werd het verzoek tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid van 8 september 2009 toelaatbaar en gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank oordeelde dat appellant door zijn houding zijn baten had verminderd en zijn lasten doen toenemen waardoor hij gelden aan de collectieve schuldenregeling en bijgevolg aan de schuldeiseres heeft onttrokken. De houding van appellant getuigde volgens de eerste rechter van een manifest gebrek aan medewerking aan de collectieve schuldenregeling. Bij gebrek aan deze medewerking was het dan ook niet mogelijk de procedure verder te zetten. Bij voormeld vonnis, gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 juni 2010, werd tevens de staat van kosten en ereloon zoals voorgedragen door de schuldbemiddelaar, ten beloop van 1.338,18 EUR. uitvoerbaar verklaard, ten laste gelegd van het batig saldo op de rubriekrekening en voor het saldo ten laste van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast.
  21. EISEN IN HOGE BEROEP Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 7 juli 2010 verklaart de heer R. H. S. niet akkoord te gaan met de uitspraak van 10 juni 2010 en een normaal leven zonder schuld te willen starten. Hij voegt tevens het bestreden vonnis als bijlage waardoor alle partijen konden opgeroepen worden.
  22. ONTVANKELIJKHEID De schuldbemiddelaar werpt op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1057, 7° Ger.W. bepaalt dat de akte van hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven vermeld. Weliswaar wordt in het verzoekschrift enkel melding gemaakt van het feit dat hij zonder schulden wil starten maar hierin wordt geen enkele grief ontwikkeld ten aanzien van het bestreden vonnis waardoor artikel 1057, 7° Ger.W. geschonden wordt waardoor het niet ontvankelijk moet verklaard worden. Wel dient vastgesteld dat de heer Rafat in de begeleidend brief van de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen niet op de hoogte wordt gebracht van het feit dat het hoger beroep aan bepaalde wettelijke vormvereisten moet voldoen. Het niet ontvankelijk verklaren van het hoger beroep is nochtans mogelijk ongrondwettig. 4.
  23. GwH 11 maart 2009 In een arrest van 11 maart 2009 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 1057 Ger.W. de artikelen 10 en 11 Gw. schendt wanneer de partij die hoger beroep aantekent niet op de hoogte wordt gesteld van de vermeldingen in artikel 1057 Ger.W. in die zaken waarin er geen vormvoorwaarden verbonden zijn aan het instellen van de oorspronkelijke vordering. In de zaak die voorgelegd werd aan het Grondwettelijk Hof werd een hoger beroep ingesteld tegen een beslissing die genomen werd in een zaak die vermeld wordt in artikel 704, §2 Ger.W. waarbij het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de wetgever het mogelijk heeft gemaakt om, in afwijking van het gemeen recht, een zaak voor de arbeidsrechtbank te brengen volgens een uiterst vereenvoudigde procedure zonder enige formele voorwaarde waarbij de wetgever rekening heeft gehouden met het specifieke karakter van het betrokken contentieux waarin het auditoraat tussenkomt, alsook met de bijzondere situatie van de rechtzoekenden (GwH 11 maart 2009, www.cass.be, overweging B4). Door de rechtzoekende niet op de hoogte te stellen dat het instellen van hoger beroep wel aan vormvoorwaarden gebonden is en vervolgens artikel 1057 Ger.W. toe te passen door het hoger beroep onontvankelijk te verklaren, worden de artikelen 10 en 11 Gw. geschonden aldus het Grondwettelijk Hof. 4.
  24. Regeling collectieve schulden is gelijkaardig De regeling tot het indienen van een vordering bij de arbeidsrechtbank in het kader van de collectieve schuldenregeling, kan met voormelde situatie vergeleken worden. Weliswaar voorziet artikel 1675/4 Ger.W. aan welke voorwaarden een vordering tot het bekomen van de collectieve schuldenregeling moet voldoen maar in paragraaf 3 van voormeld artikel wordt gesteld dat indien de vermeldingen onvolledig zijn, de rechter binnen de acht dagen aan de verzoeker vraagt om het verzoekschrift te vervolledigen. Een verzoekschrift dat derhalve niet voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in de artikelen 1027 tot 1034 Ger.W. kan dan ook niet zonder meer onontvankelijk verklaard worden indien bepaalde vermeldingen niet zijn opgenomen. Het arbeidshof acht deze situatie dan ook gelijkaardig aan de regeling in de zaken die vermeld zijn in artikel 704, §2 Ger.W. De verzoekschriften tot het bekomen van de collectieve schuldenregeling zijn derhalve vergelijkbaar met de verzoekschriften die bedoeld worden in artikel 704, §2 Ger.W. zij het dat de eventuele niet-vermelding van bepaalde formaliteiten niet meteen met onontvankelijkheid kan bestraft worden. De verzoekschriften tot het bekomen van de collectieve schuldenregeling worden evenwel niet vermeld in artikel 704,§ 2 Ger.W. waardoor het onzeker is of er ook in de zaken van collectieve schuldenregeling waarin hoger beroep wordt aangetekend, het ongrondwettig zou zijn om een verzoekschrift dat niet voldoet aan de vormvoorwaarden van artikel 1057 Ger.W. onontvankelijk te verklaren. Bovendien moeten de verzoekschriften inzake collectieve schuldenregeling wel aan voorwaarden voldoen maar kunnen de eventuele onvolledigheden recht gezet worden. 4.
  25. Prejudiciële vraag Omdat de situatie van de verzoekers die een verzoekschrift indienen in een materie vermeld in artikel 704, §2 Ger.W. en in een zaak van collectieve schuldenregeling gelijkaardig maar niet volledig dezelfde is, er is immers geen onmiddellijke onontvankelijkheid indien niet aan alle vormvoorwaarden voldaan is, in beide zaken kan het arbeidsauditoraat tussenkomen en de heer Rafat werd niet op de hoogte gesteld dat zijn verzoekschrift om hoger beroep aan te tekenen aan bepaalde vormvoorwaarden moest voldoen, kan het niet ontvankelijk verklaren van dit verzoekschrift een schending uitmaken van de artikelen 10 en 11 Gw. Door het hoger beroep immers onontvankelijk te verklaren, worden de verzoekers die een aanvraag hebben ingediend om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling immers mogelijk anders behandeld dan de verzoekers die een gelijkaardig verzoek overeenkomstig artikel 704, §2 Ger.W. hebben ingediend aangezien hun verzoekschrift niet onontvankelijk wordt verklaard. Eveneens worden de verzoekers die een aanvraag hebben ingediend om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling gelijk behandeld met de verzoekers wiens oorspronkelijk verzoekschrift bij de arbeidsrechtbank wel aan bepaalde vormvoorwaarden moet voldoen op straffe van onontvankelijkheid. Voor de oplossing van dit geschil is het derhalve noodzakelijk dat eerst nagegaan wordt of het niet ontvankelijk verklaren van het hoger beroep van de heer Rafat in het kader van de collectieve schuldenregeling, niet ongrondwettig is. Alvorens recht te doen dient er volgende prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het categorieën van rechtzoekenden die zich in een fundamenteel verschillende situatie zouden bevinden, gelijk behandelt : enerzijds de rechtzoekenden die reeds bij het instellen van hun vordering moesten voldoen aan artikel 1034ter van het Gerechtelijk wetboek en wiens vordering in hoger beroep moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, en anderzijds de rechtzoekenden die zijn verwikkeld in een burgerlijke procedure in zaken bedoeld in artikel 578, 14° van het Gerechtelijk Wetboek en die aanvankelijk hun zaak op informele wijze aanhangig konden maken bij de arbeidsrechtbank en eventuele ontbrekende gegevens nog op verzoek van de rechter tijdens de procedure konden bijbrengen terwijl voor deze rechtzoekenden in graad van beroep geen afwijking werd voorzien op de bepalingen van artikel 1057 Gerechtelijk Wetboek en waarbij deze categorie van rechtzoekenden in de begeleidende brief waarmee de beslissing van de arbeidsrechtbank hen werd ter kennis gebracht niet op de hoogte werden gebracht van het feit dat hun verzoekschrift in hoger beroep de vermeldingen van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek moet bevatten." OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak ten opzichte van de schuldbemiddelaar en tweede en derde geïntimeerde, Doet uitspraak bij verstek ten opzichte van de heer R en vierde tot en met zeventiende geïntimeerde. Alvorens recht te spreken over de grond van de zaak, Verzendt de zaak naar het Grondwettelijk Hof met verzoek uitspraak te doen over volgende prejudiciële vraag: "Schendt artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het categorieën van rechtzoekenden die zich in een fundamenteel verschillende situatie zouden bevinden, gelijk behandelt : enerzijds de rechtzoekenden die reeds bij het instellen van hun vordering moesten voldoen aan artikel 1034ter van het Gerechtelijk wetboek en wiens vordering in hoger beroep moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, en anderzijds de rechtzoekenden die zijn verwikkeld in een burgerlijke procedure in zaken bedoeld in artikel 578, 14° van het Gerechtelijk Wetboek en die aanvankelijk hun zaak op informele wijze aanhangig konden maken bij de arbeidsrechtbank en eventuele ontbrekende gegevens nog op verzoek van de rechter tijdens de procedure konden bijbrengen terwijl voor deze rechtzoekenden in graad van beroep geen afwijking werd voorzien op de bepalingen van artikel 1057 Gerechtelijk Wetboek en waarbij deze categorie van rechtzoekenden in de begeleidende brief waarmee de beslissing van de arbeidsrechtbank hen werd ter kennis gebracht geen melding maakt van het feit dat hun verzoekschrift in hoger beroep de vermeldingen van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek moet bevatten." Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, bijgestaan door M. VAN LOO, griffier. en uitgesproken door voormelde voorzitter van de achtste kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend en tien. M. VAN LOO D. TORFS PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101027.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.