← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101110.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101110.5 Rolnummer: 2009/AA/487 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2012-10-09 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-07-01 14:04 Fiches 1 - 3 De medische beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer in het kader van het K.B. van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemer kan slechts als het bewijs van de medische overmacht door de werkgever worden aanvaard voor zover de procedure voorgeschreven in de artikelen 55 e.v. van dit K.B. werd nageleefd en er geen twijfel kan over bestaan dat het onderzoek op objectieve wijze werd gevoerd. De omstandigheid dat de beslissing in beroep van de geneesheer-inspecteur niet meer voor verhaal vatbaar is en er door de werknemer geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid om een deskundigenonderzoek te vragen doet geen afbreuk aan het appreciatierecht van de arbeidsgerechten aangaande de bewijswaarde van deze beslissing. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Andere wijzen van beëindiging Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - door overmacht - beëindiging - medische overmacht - vaststellingen van de preventie-adviseur - bewijswaarde - beslissing in beroep van de geneesheer-inspecteur - toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32, 5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsreglementering - algemeen reglement arbeidsbescherming - arbeidsovereenkomst - beëindiging - medische overmacht - vaststellingen van de preventie-adviseur - bewijswaarde - beslissing in beroep van de geneesheer-inspecteur - toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-05-2003 - 55 - 35 ELI link Pub nr 2003012303 Koninklijk Besluit - 28-05-2003 - 57 - 35 ELI link Pub nr 2003012303 Nota: II AAN - III AA Gerangschikt onder II AAN - artikel 32,5° en onder III A - artikel 55 en

  1. Annotaties Publicaties: SRK 2012 - - nr. 1, blz. 17-20 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ___________________ ARREST A.R. 2009/AA/487 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN U., met maatschappelijke zetel te appellante, vertegenwoordigd door mr. C. Van Vliet, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen : I. V.D.H., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. I. Deforce loco mr. F. Tilleman, advocaat te 2000 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van de op 20 december 2005 en 9 april 2009 op tegenspraak gewezen vonnissen van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - de akte van gerechtsdeurwaarder M. Couvreur, betekend op 24 juni 2009, strekkende tot hoger beroep tegen het tussenvonnis van 20 december 2005 en het vonnis van 9 april 2009 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - de beschikking d.d. 14 september 2009 overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, - de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 oktober 2009, 26 februari 2010 en 30 juni 2010 voor de heer V.d.H. en op 31 december 2009 en 30 april 2010 voor het U., - de door de partijen neergelegde stukken, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 september 2009 en 13 oktober
  2. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 29 december 2004, vorderde de heer V.d.H. de veroordeling van de openbare instelling U., tot betaling van: - 126.436,00 euro bruto opzeggingsvergoeding (artikel 16 van de Wet van 19 maart 1991) - 15.000,00 euro netto morele schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intrest. De heer V.d.H. vorderde tevens het U. te veroordelen tot overlegging van de verbeterde sociale en fiscale documenten, o.a. het formulier C4, de individuele rekening en de fiscale loonfiche 281.10, binnen de 10 dagen vanaf de betekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 12,50 euro per dag vertraging en per ontbrekend document. Tenslotte vorderde de heer V.d.H. om het U. te veroordelen tot de kosten van het geding en het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren. Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 6 juni 2005 breidde de heer V.d.H. zijn vordering uit als volgt: "de heer V.d.H. verzoekt de rechtbank er akte van te verlenen dat hij op grond van artikel 807 Ger. W. deze vordering aangaande het misbruik van ontslagrecht uitbreidt tot de vernietiging van alle kopies van het document opgesteld door dr. R. (en dr. C.) (stuk 25), alsmede een rechtzetting van alle leugenachtige aantijgingen aan zijn adres zoals zij in onderhavige conclusie werden uiteengezet. In dit licht wenst de heer V.d.H. dan ook dat het U. dr. R. uitdrukkelijk verzoekt en er op naziet dat hij alleszins aan alle actoren van het overleg van 22 oktober 2004 (zijnde dr. M., dr. C., dr. L.) een schrijven stuurt waarin hij uitdrukkelijk afstand doet van de leugenachtige beweringen zoals geformuleerd in het stuk 25 (zoals in onderhavige conclusie werd uiteengezet) en hen uitdrukkelijk mededeelt dat dit document aangaande de ‘medische' toestand van de heer V.d.H. hoegenaamd niet met de werkelijkheid strookt: dat de heer V.d.H. geenszins de labiele, psychotische en agressieve persoon is zoals hij nochtans in het document stuk 25 wordt afgeschilderd" In ondergeschikte orde - voor zover de rechtbank het nodig zou achten - verzocht de heer V.d.H. de rechtbank een deskundige (geneesheer-psychiater) aan te stellen met als opdracht :
  3. de gezondheidstoestand van de heer V.d.H. te onderzoeken en in dit licht de labiele, psychische en agressieve toestand van de heer V.d.H. te beoordelen;
  4. de resultaten van deze gezondheidsbeoordeling in hoofde van de heer V.d.H. te toetsen aan een definitieve medische arbeidsongeschiktheid in het licht van de toenmalige verdere uitoefening van zijn toegewezen functie als werknemer van de groendienst binnen het U.;
  5. te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen en derden; Bij conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 augustus 2005 bood de heer V.d.H. in ondergeschikte orde het bewijs met getuigen aan : - in hoofde van de heer B., teneinde zijn ‘gesprek' met dr. R. op 17 september 2004 aangaande de heer V.d.H. onder ede nader toe te lichten; - in hoofde van dr. L., teneinde zijn verklaring dd. 15 juli 2005 onder ede te bevestigen; - in hoofde van dr. M., teneinde haar verklaringen die ze persoonlijk aan de heer en mevrouw heeft verklaard, als zijnde dat "ze bang is van dr. R., die immers "overal" invloed/macht heeft en ze het haar niet kan permitteren tegen hem in te gaan; dat ze niet de verantwoordelijkheid op zich kon nemen "om de beerput binnen het U. bloot te leggen", onder ede te bevestigen. Bij derde en hernemende conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 6 september 2005, postuleerde het U. om de vordering van de heer V.d.H. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de gerechtskosten. Bovendien vorderde het U. om het door de heer V.d.H. in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek tot aanstelling van een deskundige af te wijzen. Met vonnis van 20 december 2005 verklaarde de arbeidsrechtbank te Antwerpen de vordering van de heer V.d.H.ontvankelijk. De eerste rechters overwogen verder het volgende: "De rechtbank dient vast te stellen dat de arbeidsgeneesheer Dokter R., bij het nemen van zijn beslissing van 24 september 2004 nagelaten heeft de bepalingen van artikel 57 van het hogervermelde KB toe te passen. Of de beslissing daarom nietig is blijkt niet uit het bewuste KB. Wel is het duidelijk dat de geneesheer sociaal - inspecteur nagelaten heeft hieromtrent een opmerking te maken aan de arbeidsgeneesheer. Verder blijkt thans uit de bijgevoegde documenten dat dokter L. de arbeidsgeneesheer verwijt dat deze hem woorden in de mond legt die hij nooit heeft gezegd. Nu de rechtbank vaststelt dat er geen overleg is geweest conform artikel 57 van het KB van 28 mei 2003 en er twijfel bestaat omtrent het document dat werd meegedeeld aan geneesheer sociaal - inspecteur Dokter M. op 22 oktober 2004 en de daarin opgesomde bevindingen van Dokter R. in het licht van de brief van Dokter L. dd. 15 juli 2005 kan uit de beslissing van de arbeidsgeneesheer dd. 24 september 2004 en de beslissing van de sociaal inspecteur van 22 oktober 2004 thans niet worden afgeleid dat de definitieve medische ongeschiktheid van eiser wordt bewezen. Het komt de rechtbank dan ook aangewezen voor een deskundige, geneesheer - psychiater, aan te stellen teneinde eiser te onderzoeken en daarbij na te gaan of eiser inderdaad definitief medisch arbeidsongeschikt is zoals door verweerster wordt voorgehouden." Vooraleer verder te oordelen werd dr. F. A. als deskundige aangesteld en werd de zaak naar de bijzonder rol verwezen met aanhouding van de kosten. De opdracht van de deskundige luidde als volgt: "- de heer V.D.H. te onderzoeken en zijn labiele, psychische en agressieve toestand te beoordelen; - de resultaten van deze gezondheidsbeoordeling in hoofde van de heer V.D.H. te toetsen aan een definitieve medische arbeidsongeschiktheid in het licht van de toenmalige verder uitoefening van zijn toegewezen functie als werknemer van de groendienst binnen het U." De deskundige legde zijn definitief deskundigenverslag neer ter griffie van de arbeidsrechtbank op 23 november
  6. Hij kwam tot het volgende besluit: "Na inzage van de ter beschikking gestelde documenten, na psychiatrisch en psychologisch (Raventest - MMPI-2) onderzoek is betrokkene wel nu en dan de laatste tijd agressief geworden op zijn werk in het U. Er zijn aanwijzingen voor een paranoïde persoonlijkheid zonder dat er duidelijk aanwijzingen zijn voor schizofrenie of voor zwakbegaafdheid. Er zijn geen aanwijzingen voor een definitieve arbeidsongeschiktheid in zijn functie als werknemer van de groendienst in het U. Vanaf begin november 2004 is betrokkene werkzaam bij R T, een koerierbedrijf in , waarbij hij fungeert als koerier per wagen. Dit werk zou zonder moeilijkheden verlopen met collega's en met zijn oversten. Betrokkene is tevreden over zijn huidige werksituatie. Betrokkene geeft aan dat hij ten onrechte ontslagen werd wegens medische overmacht en dat terwijl hij ook vakbondsafgevaardigde was voor het CCOD. Hij kreeg geen ontslagvergoeding." Met conclusies na deskundigenverslag ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 februari 2008 en op 3 november 2008 verzocht de heer V.d.H. om de in de dagvaarding geformuleerde vordering gegrond te verklaren. Met syntheseconclusie na deskundigenverslag ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 december 2008 vorderde het U. het deskundigenverslag, het deskundigenonderzoek en de vaststellingen nietig te verklaren, minstens niet-tegenwerpelijk aan het U., en het uit de debatten te weren en de deskundige het recht op enig ereloon te ontzeggen, minstens zijn ereloonstaat te verminderen.Vervolgens de vordering van de heer V.d.H. ongegrond te verklaren, hem ervan af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde een nieuwe deskundige aan te stellen. Bij eindvonnis van 9 april 2009 werd de vordering van de heer V.d.H. gedeeltelijk gegrond verklaard. Het U. werd veroordeeld tot betaling aan de heer V.d.H. van de som van 126.436,00 euro bruto, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke intrest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van algehele betaling. De kosten van het geding en de deskundige werden ten laste gelegd van het U. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van het U. strekt ertoe de bestreden vonnissen van 20 december 2005 en 9 april 2009 teniet te doen en, opnieuw rechtsprekend: - in hoofdorde de oorspronkelijke vordering van de heer V.d.H. ontoelaatbaar en ongegrond te verklaren; - in ondergeschikte orde en indien het hof toch de mening zou toegedaan zijn dat het bestreden vonnis van 20 december 2005 niet hervormd dient te worden en de aanstelling van een deskundige terecht was: - in hoofdorde het deskundigenverslag, het deskundigenonderzoek en de vaststellingen nietig te verklaren, minstens niet-tegenwerpelijk aan het U., uit de debatten te weren en de deskundige het recht op enig ereloon te ontzeggen, minstens zijn ereloonstaat te verminderen; - vervolgens de oorspronkelijke vordering van de heer V.d.H., ongegrond te verklaren en hem ervan af te wijzen, minstens te zeggen voor recht dat het U. geen wettelijke of gerechtelijke intrest verschuldigd is; - in ondergeschikte orde deskundige dokter A. te vervangen en een nieuwe deskundige aan te stellen; - de heer V.d.H. tot de gerechtskosten van beide aanleggen, met inbegrip van de kosten van het deskundigenonderzoek, te veroordelen; In haar synthesconclusie in hoger beroep vraagt het U. in uiterst ondergeschikte orde om haar toe te laten aan te tonen "door alle middelen van recht, het bewijs door getuigenverhoor van de volgende personen inclusief: - dhr. D D M, hoofd algemeen onderhoud - dhr. G. M, direct afdelingshoofd dat het door art. 57 van het KB van 28.05.2003 voorgeschreven overleg, werd gepleegd alvorens de beslissing van 24.09.2004 werd genomen - dhr. R R, arbeidsgeneesheer dat het door art. 57 van het KB van 28.05.2003 voorgeschreven overleg, werd gepleegd alvorens de beslissing van 24.09.2004 werd genomen en dat de heer V.d.H. definitief medisch arbeidsongeschikt is om bij het U. nog verder te worden tewerkgesteld." En rechtdoende op het incidenteel beroep van de heer V.d.H., dit ongegrond te verklaren en het eerste vonnis m.b.t. dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering te bevestigen en tenslotte de heer V.d.H. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Met conclusie (incidenteel beroep) ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 juni 2010 vordert de heer V.d.H. het hoger beroep van het U. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het incidenteel beroep van de heer V.d.H. ontvankelijk en gegrond te verklaren en het U. te veroordelen tot betaling van niet alleen 126.436,00 euro bruto vergoeding houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, maar bovendien 15.000,00 euro netto schadevergoeding ingevolge misbruik van ontslagrecht, bedragen te vermeerderen met de wettelijke respectievelijk vergoedende en gerechtelijke intrest tot de dag van algehele betaling. In ondergeschikte orde, voor zover het arbeidshof dit nodig acht, het getuigenverhoor te bevelen: - in hoofde van de heer B, teneinde zijn ‘gesprek' met dr. R op 17 september 2004 aangaande de heer V.d.H. onder ede nader toe te lichten; - in hoofde van dr. L., teneinde zijn verklaring dd. 15 juli 2005 onder ede te bevestigen; - in hoofde van dr. M, teneinde haar verklaringen die ze persoonlijk aan de heer en mevrouw heeft verklaard, als zijnde dat "ze bang is van dr. R, die immers "overal" invloed/macht heeft en ze het haar niet kan permitteren tegen hem in te gaan; dat ze niet de verantwoordelijkheid op zich kon nemen "om de beerput binnen het U. bloot te leggen", onder ede te bevestigen; - in hoofde van de heer R V teneinde zijn verklaring van 25 februari 2010 onder ede te bevestigen, meer bepaald teneinde aan te tonen dat er op 6 september 2004 geen risicoanalyse met betrekking tot de heer V.d.H. aangaande zijn werkpost op de groendienst is uitgevoerd geweest, er in het algemeen zelfs nooit een risicoanalyse van de groendienst heeft plaatsgevonden en hij in zijn hoedanigheid van preventieadviseur nooit in enig overleg conform artikel 57 van het KB van 28 mei 2003 betrokken is geweest; Tenslotte het U. te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  7. De feiten De heer V.d.H. trad op 1 oktober 1981 als arbeider in dienst van het U. met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Met ingang van 1 februari 1984 werd de heer V.d.H. tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor bedienden. In eerste instantie werkte hij als verpleeghulp op de dienst centrale sterilisatie. In 1995 werd hij gemuteerd naar de biotechnische dienst. In de loop van het jaar 2000 werd de heer V.d.H. overgeplaatst naar de groendienst binnen het U. met behoud van classificatie en loon. Met ingang van 16 maart 2004 tot en met 1 september 2004 was de heer V.d.H. arbeidsongeschikt wegens ziekte. Op 2 september 2004 wenste de heer V.d.H. het werk terug aan te vatten. Diezelfde dag werd de heer V.d.H. gevraagd zich aan te bieden bij de arbeidsgeneesheer (interne dienst voor preventie en bescherming op het werk), Dr. R, dewelke besliste om de heer V.D.H verder arbeidsongeschikt te verklaren tot en met 6 september
  8. Op 7 september 2004 diende de heer V.d.H. zich opnieuw aan te bieden bij Dr. R, dewelke hem definitief arbeidsongeschikt verklaarde. De heer V.d.H. tekende bij aangetekend schrijven van 10 september 2004 beroep aan tegen deze beslissing van Dr. R. Hierbij werd de heer V.d.H. gesteund door zijn behandelend arts, dr. psychiater B. L, die in een schrijven van 8 september 2004 het volgende attesteerde: "Na kennis te hebben genomen van de betekende beslissing van 7-9-2004 door de arbeidsgeneesheer i.v.m. de definitieve arbeidsongeschiktheid van de heer I. V, ben ik bereid het beroep tegen die beslissing te steunen. U komt bij mij op consultatie sinds '95 met een complex klachtenpatroon weinig interfererend met uw arbeid. In 2000 ontstond een depressief syndroom o.a. gekenmerkt door moeheid, een verminderde belastbaarheid, psychosomatische klachten o.a. hals- en rugklachten, een anhedonie en anergie. Daarnaast is er een dermatologische ziekte t.h.v. beide handen. Stresssituaties op het werk doen u regelmatig decompenseren in depressieve en achterdochtige zin. Een aantal werkonbekwaamheidsperiodes werden voorzien om recuperatie mogelijk te maken. Uw plots ontslag, zonder overleg met al de betrokken partijen, is niet te verantwoorden gezien uw problematiek. Ik verzet me dan ook met klem tegen zulke beslissingen. Op 13 september 2004 legde de heer V.d.H. bovendien klacht neer bij de arbeidsinspectie tegen dr. R. wegens de volgende feiten: "1.Ik wordt naar de arbeidsgeneesheer gezonden zonder toelichting en zonder formulier "Verzoek om gezondheidstoezicht over de werknemers"(KB van 28 mei 2003) 2.Dr R vult 2 formulieren in die niet voldoen aan het KB van 28 mei
  9. 3.Dr R heeft tijdens deze 2 oproepingen geen enkel geneeskundig onderzoek gedaan, zowel niet door hemzelf en niet door een bevoegd medewerker. 4.Dr R heeft mij gebrutaliseerd, smalend uitgelachen en belachelijk gemaakt. 5.Op de achterkant van deze formulieren staat een foutief adres, waardoor ik mijn aangetekende brief naar een verkeerd adres had kunnen sturen en indien deze brief terugkomt de termijn van 7 werkdagen gemakkelijk overschreden zou worden. 6.Ik krijg het juiste formulier van de beroepsprocedure niet mee. (KB van 28 mei 2003) 7.Dr R weigerde herhaaldelijk een gesprek met mijn behandelende arts. Dr R zegde zelfs "met die man heb ik geen zaken meer." 8.Dr R heeft geen enkele poging gedaan of zelfs intentie gehad om op een van mijn werkposten risicoanalyse uit te voeren naar biologische, fysische of chemische agentia. 9.H H wil dat ik naar huis ga waardoor ik op dat moment onwettig afwezig zou zijn, ze geeft pas een schriftelijke bevestiging mee na aandringen (schriftelijk) van mijn vakbondsecretaris) 10.H H zegt mij dat ik in beroep kan gaan, maar dat Dr R de eerste 5 dagen niet aanwezig is. 11.H H zegt mij dat ik mijn beroep moet versturen naar het adres op de achterzijde van de oude formulieren. Ook zij bevestigde het verkeerde adres!" Bij beslissing van 14 september 2004 verklaarde Dr. M, in haar hoedanigheid van geneesheer sociaal inspecteur, de beslissing van Dr. R d.d. 7 september 2004 niet rechtsgeldig. Deze beslissing werd als volgt gemotiveerd: " 1.De tekst van artikels 64 tot 69 (beroepsprocedure) is verschillend van deze opgenomen in het tweede deel van bijlage II bij het K.B. van 28/05/
  10. 2.Art. 55 bepaalt dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, vooraleer een beslissing arbeidsongeschiktheid te nemen, een nieuwe risicoanalyse maakt en ter plaatse onderzoekt welke maatregelen en aanpassingen het mogelijk zouden maken om de werknemer zijn werkpost of activiteit te laten behouden. De werknemer kan zich hierbij laten bijstaan door een werknemersafgevaardigde van het comité. 3.De werkgever, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en andere preventieadviseurs, de werknemer en de afgevaardigde van het personeel in het comité plegen voorafgaandelijk overleg over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten. (Art. 57) 4.Alvorens het formulier voor de gezondheidsbeoordeling in te vullen, brengt de arbeidsgeneesheer de werknemer schriftelijk op de hoogte van zijn voorstel tot definitieve werkverandering. De werknemer beschikt over een termijn van 5 werkdagen om al dan niet zijn akkoord te geven. Indien de werknemer niet akkoord is wijst hij aan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer een behandelend arts naar keuze aan. De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer deelt die arts zij met redenen omklede beslissing mede. De twee artsen trachten tot een gemeenschappelijke beslissing te komen. (Art. 60) 5.Wanneer het overleg de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer schorst, wacht deze tot de procedure beëindigd is om het formulier voor de gezondheidsbeoordeling in te vullen. (Art. 61). 6.Wanneer de twee artsen er niet in slagen een gemeenschappelijk beslissing te nemen, of wanneer de overlegprocedure niet is kunnen beëindigen binnen een termijn van 14 werkdagen, handhaaft de arbeidsgeneesheer zijn eigen beslissing. (Art. 63)." Met schrijven van 23 september 2004 werden de heer V.d.H., en zijn behandelend geneesheer, dr. L, door de arbeidsgeneesheer uitgenodigd voor overleg in verband met zijn medisch dossier. Op 24 september 2004 verklaarde dr. R de heer V.d.H. opnieuw definitief arbeidsongeschikt. Bij aangetekend schrijven van 27 september 2004 ging de heer V.d.H. ook tegen deze beslissing in beroep. Dit beroep werd op 22 oktober 2004 behandeld door geneesheer sociaal inspecteur dr. M, die deze keer de beslissing van dr. R bevestigde. Met aangetekend schrijven van 25 oktober 2004 deelde het U. het volgende mee aan de heer V.d.H.: "Uit de kaart van medisch onderzoek die ons door de arbeidsgeneesheer werd bezorgd, blijkt dat u definitief arbeidsongeschikt bent. Uit het verslag van de F.O.D. Werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, afdeling Toezicht op het Welzijn op het Werk, Directie Antwerpen, dd. 22/10/2004, betreffende de Behandeling beroep tegen beslissing arbeidsgeneesheer, blijkt dat de beslissing van de arbeidsgeneesheer bevestigd wordt. Wij stellen dan ook vast dat uw arbeidsovereenkomst ontbonden is op grond van overmacht wegens medische redenen op 22/10/2004." Op 29 december 2004 liet de heer V.d.H. de inleidende dagvaarding in de voorliggende zaak betekenen.
  11. De beoordeling 2.1 Algemeen: medische overmacht als beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst Overeenkomstig artikel 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan een arbeidsovereenkomst eindigen door overmacht. Overmacht leidt slechts tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst indien hij de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk maakt (Cass. 10 januari 1994, J.T.T. 1994,209). Een blijvende arbeidsongeschiktheid waarbij een werknemer definitief in de onmogelijkheid verkeert de bedongen arbeid te hervatten, kan overmacht uitmaken waardoor de arbeidsovereenkomst is beëindigd. De overmacht mag enkel worden beoordeeld op grond van de overeengekomen arbeid (Cass. 2 oktober 2000, R.W. 2000-01,1457). De bewijslast van de overmacht ligt bij diegene die er zich op beroept. In de voorliggende zaak is dit het U.. De definitieve ongeschiktheid voor de werknemer om de overeengekomen arbeid te verrichten, die de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht tot gevolg heeft, is een rechtsfeit dat de werkgever voor het arbeidsgerecht door alle middelen van recht kan bewijzen. Hoewel niets de werkgever weerhoudt zich op de vaststellingen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer te beroepen om de definitieve arbeidsongeschiktheid van de werknemer te bewijzen, mag niet uit het oog worden verloren dat de onderzoeken die de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer in het kader van het K.B. van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemer uitvoert, in het belang van de werknemer moeten worden verricht, aangezien de doelstelling van dit K.B. is "de gezondheid van de werknemers te bevorderen en te behouden door risico's te voorkomen". Gelet op het belang van de beslissing van de arbeidsgeneesheer, zowel voor de gezondheid van de betrokken werknemer, als voor het behoud van zijn tewerkstelling, werden in het A.R.A.B. en later in het K.B. van 28 mei 2003, een aantal procedurestappen voorgeschreven opdat de beslissing van de arbeidsgeneesheer uiterst zorgvuldig zou onderbouwd zijn. Het mogelijk gevolg dat de definitieve arbeidsongeschiktheid van de werknemer op de wijze van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan hebben vereist dat de arbeidsgeneesheer, bij de uitvoering van het geneeskundig onderzoek, nauwgezet deze voorschriften opvolgt. Eén en ander zal hem bovendien in staat stellen zijn onafhankelijkheid te behouden (S. Lossy, "Bewijswaarde van het geneeskundig onderzoek van de arbeidsgeneesheer, tot stand gekomen zonder naleving van de procedure voorgeschreven in het A.R.A.B.", Soc. Kron. 1995,p. 209 en 211). Er kan dan ook worden gesteld dat, wanneer komt vast te staan dat het geneeskundig onderzoek ondeugdelijk werd gevoerd, bijvoorbeeld omdat de preventieadviseur -arbeidsgeneesheer zich niet onafhankelijk heeft opgesteld of omdat hij inbreuken heeft begaan op de procedure die voorgeschreven is door het K.B. van 28 mei 2003, de medische beslissing onvoldoende bewijskrachtig is, zodat deze ook niet de grondslag kan leveren voor het bewijs van de medische overmacht door de werkgever. In het bijzonder moet de aandacht gevestigd worden op de bepalingen van artikelen 55 en 57 van het K.B. van 28 mei 2003, vermeld onder de onderafdeling "Voor elke beslissing te nemen maatregelen" . Artikel 55 luidt: "Vooraleer een tijdelijke of definitieve werkverandering van een werknemer voor te stellen of een beslissing tot arbeidsongeschiktheid te nemen, voert de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer gepaste bijkomende onderzoeken uit, die ten laste vallen van de werkgever, inzonderheid wanneer de werknemer een aandoening heeft waarvan vermoed wordt dat ze beroepsgebonden is en waarvan de diagnose niet afdoende kon worden gesteld met de middelen bepaald voor de periodieke gezondheidsbeoordeling. Daarnaast doet de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer navraag naar de sociale toestand van de werknemer, maakt hij een nieuwe risicoanalyse en onderzoekt hij ter plaatse welke maatregelen en aanpassingen het mogelijk zouden maken om de werknemer zijn werkpost of activiteit te laten behouden, rekening houdend met zijn mogelijkheden. De werknemer kan zich daarbij laten bijstaan door een werknemersafgevaardigde van het Comité of bij ontstentenis door een syndicale vertegenwoordiger van zijn keuze." Artikel 57 schrijft voor: "De werkgever, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, en in voorkomend geval andere preventieadviseurs, de werknemer en de afgevaardigden van het personeel in het Comité, of bij ontstentenis van het Comité, de door de werknemer gekozen vertegenwoordigers van de vakbond, plegen voorafgaandelijk overleg over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten." Uit deze bepalingen blijkt vooreerst dat de preventieadviseur- arbeidsgeneesheer de resultaten van zijn geneeskundig onderzoek in samenhang moet brengen met een onderzoek naar de sociale toestand van de werknemer, een nieuwe risicoanalyse en een studie ter plaatse van de werkpost van de werknemer. Het spreekt vanzelf dat de werknemer hierbij betrokken moet worden, al dan niet bijstaan door een werknemersafgevaardigde in het Comité. Op basis van deze algehele bevindingen zal de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer vervolgens overleg moeten plegen met de andere preventieadviseurs indien deze er zijn, de werkgever, de werknemer en de afgevaardigden van het personeel in het Comité om na te gaan of de mogelijkheid bestaat van ander werk of de aanpassing van de werkpost. Deze procedurestappen dienen plaats te vinden vooraleer de beslissing tot definitieve arbeidsongeschiktheid wordt genomen. 2.2 Bewijs definitieve arbeidsongeschiktheid van de heer V.d.H. Het U. is van oordeel dat de definitieve medische ongeschiktheid van de heer V.d.H. om met ingang van 22 oktober 2004 zijn taken op de groendienst uit te oefenen genoegzaam bewezen wordt door het formulier voor de gezondheidsbeoordeling in het kader van het K.B. van 28 mei 2003, ingevuld door preventieadviseur- arbeidsgeneesheer dr. R. R op 24 september 2009, en later bevestigd in beroep door dr. L. M, geneesheer sociaal inspecteur, wat door de heer V.d.H. wordt betwist. Na een grondig onderzoek van het dossier komt het arbeidshof samen met de heer V.d.H., daarin gedeeltelijk gevolgd door de eerste rechters, tot het besluit dat de arbeidsgeneesheer-preventieadviseur, dr. R, bij het nemen van zijn beslissing van 24 september 2004 de onder punt 2.1 vermelde procedurestappen op flagrante wijze heeft miskend. Bij deze beoordeling is het niet onbelangrijk dat, zoals uit het voormeld feitenrelaas is gebleken, een eerste gezondheidsbeoordeling van deze arbeidsgeneesheer -preventieadviseur d.d. 7 september 2004 door dr. M, in haar hoedanigheid van geneesheer - sociaal inspecteur, op 14 september 2004 "niet rechtsgeldig" verklaard werd, niet alleen omdat dr. R een verouderd formulier gebruikte, zoals het U. ten onrechte wil doen uitschijnen, maar ook omdat hij de bepalingen van de voornoemde artikelen 55 en 57 van het K.B. van 28 mei 2003 niet had nageleefd. Het arbeidshof stelt vast dat dr. R in het tweede formulier van gezondheidsbeoordeling d.d. 24 september 2004 de volgende opmerking noteerde: "risicoanalyse van huidige werkpost werd uitgevoerd, constructief overleg met behandelend arts Dr. L heeft niet geleid tot éénzijdig besluit". Nader onderzoek van het stukkenbundel van het U. leert dat de zogenaamde risicoanalyse waarvan sprake in deze gezondheidsbeoordeling een document is dat op 6 september 2004 opgesteld werd door een zekere heer G. M, een hiërarchisch overste van de heer V.d.H., die geen preventieadviseur is. Afgezien van de vaststelling dat, zoals het U. zelf met zoveel woorden in haar syntheseconclusie in hoger beroep stelt (p.16), enkel de preventieadviseur-geneesheer bevoegd is om de nieuwe risicoanalyse zoals bedoeld in artikel 55 van het K.B. van 28 mei 2003 op te maken, zodat het door het U. bijgebrachte stuk niet als risicoanalyse kan worden aanvaard, wordt bovendien op geen enkele wijze aangetoond dat dr. R de arbeidspost van de heer V.d.H. zelf heeft bezocht om er ter plaatse, zoals artikel 55 voorschrijft, te onderzoeken of de heer V.d.H., rekeninghoudende met zijn mogelijkheden, zijn functie op de groendienst kon behouden. Tenslotte blijkt ook nergens uit dat de heer V.d.H. bij dit onderzoek naar verdere tewerkstellingsmogelijkheden betrokken werd. Van onafhankelijke vaststellingen met betrekking tot de absolute onmogelijkheid in hoofde van de heer V.d.H. om zijn functie op de groendienst nog verder te kunnen uitoefenen, is bijgevolg geen sprake. Daarenboven dient het arbeidshof samen met de eerste rechters vast te stellen dat het U. in gebreke blijft te bewijzen dat het door artikel 57 van het K.B. van 28 mei 2003 voorgeschreven overleg werd gevoerd, alhoewel dit overleg het middel bij uitstek is om de objectiviteit van de gezondheidsbeoordeling aan te tonen. Het U. beaamt in dat verband dat dit overleg noodzakelijk was en stelt onomwonden dat dr. R. daarom overleg heeft gepleegd met de werkgever. Zelfs indien het U. deze bewering met getuigen zou bewijzen, volstaat dit niet om van een overleg zoals voorgeschreven in artikel 57 van het K.B. te kunnen spreken. Met deze bepaling is duidelijk bedoeld een gezamenlijk overleg met alle daarin vernoemde actoren, dit wil zeggen ook met de werknemer, andere preventieadviseurs indien deze er zijn en de afgevaardigden van het personeel in het comité voor preventie en bescherming op het werk. Dat de andere preventieadviseurs niet bij het overleg betrokken werden kan duidelijk worden afgeleid uit de verklaring van de heer V, toenmalige preventieadviseur arbeidsveiligheid (stuk 48 van de heer V.d.H.). Het arbeidshof ziet geen enkele aanleiding om deze verklaring uit de debatten te weren temeer daar het U. zelf erkent dat de heer V niet bij het overleg betrokken was. Het U. bewijst evenmin dat de heer V.d.H. en/of de afgevaardigden van het personeel in het comité met het oog op het in artikel 57 van het K.B. bedoelde overleg uitgenodigd zijn geweest. De uitnodiging die bij aangetekend schrijven van 24 september 2004 aan de heer V.d.H. en zijn behandelend arts werd gestuurd is terzake niet dienend aangezien deze betrekking heeft op de (medische) overlegprocedure bedoeld in artikel 60 e.v. van het K.B.. Dat dr. R een gesprek heeft gehad met de heer B, afgevaardigde van het CCOD, wordt door deze laatste in een schrijven van 22 september 2004 aan dr. M (stuk 26 van de heer V.d.H.) niet ontkend doch dit onderhoud van 17 september 2004 had duidelijk geen betrekking op het in het kader van artikel 57 van het K.B. van 28 mei 2003 bedoelde overleg. De inhoud van dit schrijven luidt als volgt: "Op vrijdag 17/09/04 werd ik door arbeidsgeneesheer Dr. R geroepen. Het ontslag van Dhr. I V.D.H. werd mij hier meegedeeld, met inbegrip van de reden, nl. agressief gedrag in het verleden en nu. Vermits het hier gaat om ontslag om medische redenen en dit de volledige verantwoordelijkheid en een beslissing is van de arbeidsgeneesheer, wil ik hierbij niet betrokken worden, omdat: - ik hoofdafgevaardigde van de CCOD ben en het hier om één van onze militanten gaat - ik geen kennis wil hebben van de medische achtergrond van betrokkene Ik vind het deontologisch niet kunnen, dat ik betrokken wordt in een ontslag van iemand om medische redenen en waarbij men feiten en personen gebruikt die niets met de zaak te maken hebben." Uit dit schrijven kan integendeel worden afgeleid dat het niet de bekommernis van dr. R was om overleg te plegen en dat zijn besluit om de heer V.d.H. definitief arbeidsongeschikt te verklaren reeds op dat ogenblik vaststond. Tevergeefs houdt het U. voor dat eventuele onregelmatigheden bij de beslissing van dr. R gedekt zijn door de definitieve beslissing van de geneesheer-inspecteur dr. M dd. 22 oktober
  12. De omstandigheid dat deze laatste beslissing niet meer voor verhaal vatbaar is en de vaststelling dat de heer V.d.H. geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om aan de geneesheer -inspecteur een deskundigenonderzoek te vragen doen geen afbreuk aan het appreciatierecht van de arbeidsgerechten over de bewijswaarde van deze beslissing m.b.t. de definitieve arbeidsongeschiktheid van de heer V.d.H.. Het arbeidshof treedt terzake het standpunt van de eerste rechters bij dat er in casu gerede twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of de geneesheer-inspecteur zich op een objectieve wijze een beeld heeft kunnen vormen van de definitieve arbeidsongeschiktheid van de heer V.d.H. Naast de vaststelling dat de beslissing van geneesheer-inspecteur dr. M op een onbruikbare risicoanalyse is gebaseerd, welke bovendien niet begeleid werd door het in artikel 57 van het K.B. van 28 mei 2003 voorgeschreven overleg, is het naar het oordeel van het arbeidshof niet uitgesloten dat dr. M zich bij haar beoordeling heeft laten leiden door onjuiste feitelijke en medische gegevens. Vooreerst legt dr. R, die zelf geen psychiater is, in het verslag dat hij in het kader van de beroepsprocedure aan dr. M overmaakte (stuk 25 van de heer V.d.H.), een diagnose in de mond van de behandelende psychiater van de heer V.d.H., dr. L, die door deze laatste uitdrukkelijk tegengesproken wordt. Bovendien getuigt dit verslag allerminst van de vereiste onafhankelijkheid die van een preventieadviseur -arbeidsgeneesheer mag worden verwacht. Eerder dan een medisch standpunt is dit verslag een samenvatting van fouten en verwijten aan het adres van de heer V.d.H. waarover deze laatste geen tegenspraak heeft kunnen voeren en die naar het oordeel van het arbeidshof geen bevestiging vinden in andere objectieve elementen van het dossier. Op grond van deze overwegingen, en zonder acht te moeten slaan op de stukken 49 en 50 van de heer V.d.H., waarvan de wering uit de debatten wordt gevraagd door het U., is het arbeidshof van oordeel dat aan de gezondheidsbeoordeling van dr. R dd. 24 september 2004, alhoewel bevestigd in beroep, geen waarde kan worden gehecht en komt het, net zoals de eerste rechters, tot de conclusie dat het U. niet slaagt in het bewijs van de definitieve arbeidsongeschiktheid in hoofde van de heer V.d.H. De eerste rechters hadden zich in principe tot deze vaststelling kunnen beperken, aangezien de bewijslast van de overmacht bij het U. ligt en gelet op het gegeven dat het U. in eerste instantie met betrekking tot de definitieve arbeidsongeschiktheid van de heer V.d.H. geen bijkomend bewijsaanbod deed. De bevolen onderzoeksmaatregel was in dat opzicht in feite overbodig. Nu de bij vonnis van 20 december 2005 aangestelde geneesheer-deskundige, psychiater dr. A, evenwel eveneens tot de bevinding kwam dat er in hoofde van de heer V.d.H. geen aanwijzingen zijn voor een definitieve arbeidsongschiktheid in zijn functie van werknemer bij de groendienst van het U., leidt de bevolen onderzoeksmaatregel tot hetzelfde resultaat: de door het U. voorgehouden blijvende arbeidsongeschiktheid in hoofde van de heer V.d.H. is niet bewezen. Tevergeefs tracht het U. aan te tonen dat het deskundigenonderzoek nietig, minstens niet tegenwerpelijk, is omdat de rechten van verdediging niet werden gerespecteerd. De terzake door het U. geformuleerde bezwaren werden door de eerste rechters op juiste gronden terzijde gesteld in het vonnis van 9 april 2009 (p.4 -6), welke door het arbeidshof worden bijgetreden. Voor zover als nodig voegt het arbeidshof hieraan nog het volgende toe. Overeenkomstig het bepaalde van artikel 973, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek worden de partijen opgeroepen om aanwezig te zijn bij alle verrichtingen van de deskundige, tenzij zij hem ervan ontslagen hebben hen te verwittigen. Deze regel heeft tot doel het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek te waarborgen, doch is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het komt bij een vastgestelde onregelmatigheid aan de rechter toe om na te gaan of in de gegeven omstandigheid een bepaalde partij verhinderd werd zijn recht van verdediging uit te oefenen. Het arbeidshof is van oordeel dat dit laatste in de voorliggende zaak niet het geval is. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het bundel met stukken dat door de raadsman van de heer V.d.H. aan de deskundige werd overgemaakt dezelfde stukken zijn als diegene waarvan het U. reeds kennis had in de procedure voor de arbeidsrechtbank. Het U. en haar raadsman kunnen bovendien niet ernstig betwisten dat zij uitgenodigd waren op het eerste deskundigenonderzoek van 24 april
  13. Dit blijkt niet alleen uit de convocatiebrieven van de deskundige, die weliswaar niet aangetekend werden verzonden, maar wordt ook bevestigd door het schrijven van de raadsman van het U. van 22 juli 2006 aan de deskundige, waarvan de inhoud als volgt luidt:"In deze zaak zou uw eerste onderhoud met Dhr. V.D.H. plaatsgehad hebben op 24 april jl. Mag ik u verzoeken mij mede te delen of u reeds een voorverslag kon opstellen". Minstens kan uit dit schrijven worden afgeleid dat de raadsman van het U. geen bezwaar had tegen de neerlegging van een voorlopig verslag, niettegenstaande zij en haar cliënte niet aanwezig waren op het onderzoek van 24 april
  14. Dat de deskundige onachtzaam is geweest, door het U. en haar raadsman niet op de hoogte te stellen van het bijkomende medische onderzoek op 8 mei 2006, kan worden bijgetreden, doch uit dit gegeven kan niet worden afgeleid dat de zaak oneerlijk werd behandeld, aangezien de deskundige na de vaststelling van zijn vergetelheid de gepaste maatregelen heeft genomen om het tegensprekelijk karakter van het onderzoek, alvorens het definitief verslag neer te leggen, alsnog te waarborgen. Door principieel hun medewerking aan deze regularisatie te weigeren kunnen het U. en haar raadsman er zich thans niet over beklagen dat zij op geen enkele wijze hebben kunnen bijdragen aan de besluitvorming van de deskundige. Bovendien verliest het U. uit het oog dat zij in elk geval voor het rechtscollege, dat ten gronde uitspraak moet doen, de mogelijkheid heeft om het deskundigenonderzoek te betwisten, niet enkel betreffende de aangevoerde onregelmatigheden, doch ook betreffende de vaststellingen en besluiten van de deskundige (cfr. Cass. 22 mei 1978, Arr.Cass. 1978, 1109; Cass. 15 maart 1985, Arr.Cass. 1984- 1985, 967). Het arbeidshof stelt dienaangaande vast dat het U. geen enkel overtuigend (medisch) argument aanvoert waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de inhoudelijke besluitvorming van de deskundige verkeerd is. De vaststelling dat het definitief verslag eerst op 16 november 2007 werd neergelegd, terwijl de gezondheidsbeoordeling door dr. R in september 2004 plaatsvond, is niet terzake dienend, aangezien het voorwerp van het onderzoek de definitieve arbeidsongeschiktheid van de heer V.d.H. ten aanzien van zijn job op de groendienst was. De raadsman van de heer V.d.H. merkt in dat verband terecht op dat het U., door te suggereren dat er mogelijk een evolutie is opgetreden in de arbeidsongeschiktheid van de heer V.d.H., in feite zelf aangeeft dat de arbeidsongeschiktheid op het ogenblik van de beoordeling door de arbeidsgeneesheer niet definitief was. Het arbeidshof besluit dan ook dat de medische vaststellingen en de gemotiveerde besluitvorming van de deskundige, zoals geformuleerd in het eindrapport kunnen worden bijgetreden. Aangezien het arbeidshof het tegendeel bewezen acht, dient niet te worden ingegaan op het door het U. in ondergeschikte orde aangeboden getuigenbewijs, voor zover dit al toegelaten zou zijn, van het feit dat de heer V.d.H. definitief medisch arbeidsongeschikt was om nog op het U. te worden tewerkgesteld. 2.3 Forfaitaire vergoeding van artikel 16 van het K.B. van 19 maart 1991 Aangezien het U. het bewijs van de ingeroepen overmacht niet heeft geleverd, heeft de heer V.d.H. terecht de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst in hoofde van het U. vastgesteld, zodat hij, als effectief lid van de ondernemingsraad, aanspraak maakt op de door hem gevorderde en door de eerste rechters toegekende forfaitaire schadevergoeding van artikel 16 van het K.B. van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, waarvan de becijfering ook in graad van beroep niet ter discussie staat. 2.4 Misbruik van ontslagrecht- incidenteel hoger beroep De bijzondere vergoeding bedoeld in artikel 16 van de Wet van 19 maart 1991 is verschuldigd, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken, en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade. De bijzondere vergoeding vervangt voor de beschermde werknemers de gewone opzeggingsvergoeding in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, tenzij het bedrag van deze laatste vergoeding hoger zou liggen (Parl.St, Senaat, 1990-1991, 1105-1, 17). Nu de gewone opzeggingsvergoeding op forfaitaire wijze alle schade dekt die uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele (Cass.7 mei 2001, S.00.0047.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6, www.juridat.be), dekt de bijzondere beschermingsvergoeding alle schade, zowel de materiële als de morele, die uit een onregelmatig ontslag van een beschermde werknemer voortkomt. Hieruit volgt dat de beschermingsvergoeding kan gecumuleerd worden met een schadevergoeding die een buitengewone schade dekt die niet werd veroorzaakt door het ontslag zelf. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering behoort het bijgevolg aan de heer V.d.H. om de realiteit van een fout van het U. te bewijzen die losstaat van de fout die werd begaan door het feit zelf van dit ontslag en van de schade die losstaat van die welke hersteld wordt door de forfaitaire beschermingsvergoeding. Samen met de eerste rechters is ook het arbeidshof van oordeel dat de heer V.d.H. faalt in deze op hem rustende bewijslast. De elementen die de heer V.d.H. inroept, met name de "malafide praktijken" die enkel en alleen tot doel hadden de heer V.d.H. als effectief lid van de ondernemingsraad buiten te zetten zonder enige vergoeding, hebben betrekking op de foutieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Evenmin bewijst de heer V.d.H. het bestaan (noch de omvang) van een bijzondere morele schade die in al haar bestanddelen te onderscheiden is van die welke gedekt wordt door de forfaitaire beschermingsvergoeding. In die omstandigheid werd dit onderdeel van de vordering terecht als ongegrond afgewezen door de eerste rechters. Het incidenteel hoger beroep van de heer V.d.H. is ongegrond. 2.5 Intresten en gerechtskosten De bijzondere beschermingsvergoeding is loon in de zin van de Loonbeschermingswet zodat krachtens artikel 10 van die wet van rechtswege intresten verschuldigd zijn met ingang van het tijdstip waarop de vergoeding eisbaar wordt. Bovendien bewijst het U. in hoofde van de heer V.d.H. geen fout in de procesvoering zodat deze laatste tevens aanspraak maakt op gerechtelijke intresten. Het arbeidshof is tenslotte van oordeel dat de zaak een gemiddelde moeilijkheidsgraad heeft, zodat er geen aanleiding toe bestaat af te wijken van het basisbedrag van de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING OP TEGENSPRAAK, De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk doch ongegrond. De vonnissen van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 december 2005 en 9 april 2009 worden bevestigd. Het U wordt tot de kosten van het hoger beroep veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de heer V.d.H. vereffend op 187,41 euro kosten van betekening vonnissen en 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en aan de zijde van het U. op 82,66 euro dagvaarding in hoger beroep en 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door : mevrouw A. Ariën, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. Biegs, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer F. Geerts, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw M. Dockx, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101110.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.