id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101117.7 Rolnummer: 2008/AA/148 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2013-02-04 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 14:06 Fiche Indien de werkgever buiten het bedongen loon een extra loonsverhoging wil toekennen, mag hij voor die verhoging bij eenzijdige richtlijn de voorwaarden bepalen, in dit geval dat de werknemer 60 % van zijn arbeidstijd effectieve arbeidsprestaties moet leveren en derhalve maximum 40 % van zijn tijd mag besteden aan vakbondsactviteiten. De niet-toekenning van de extra-salarisverhoging aan de enige personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad door een bepaalde vakbond voorgedragen, die 70 % van zijn beschikbare tijd besteedt aan vakbondsactiviteiten, wegens het niet realiseren van de als voorwaarde gestelde merites, vormt in dit geval geen onrechtmatige inmenging in de vakbondsactiviteiten, noch vakbondsdiscriminatie, omdat de instructies van de werkgever over het arbeidsvolume redelijk zijn. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Organisatie van het bedrijfsleven - ontslagregeling van de wet van 19 maart 1991 - nleidende bepalingen - ontslagverbod en afwijkingen - arbeidsovereenkomst - loon - extra loonsverhoging - voorwaarden - eenzijdige bepaling - effectieve arbeidsprestaties - gelijke behandeling - ondernemingsraad - personeelsafgevaardigde - vakbondsactiviteiten - loonsverhoging - voorwaarde dat maximum 40 % van de arbeidstijd aan vakbondsactiviteiten wordt besteed - redelijkheidstoetsing. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2 § 4 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Annotaties Publicaties: RW 2012-13 - - nr. 15, blz. 585-588 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2008/AA/148 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN X, wonende te , appellant, vertegenwoordigd door mr. De Lepeleire loco mr. De Chaffoy, advocaat te 2300 Turnhout, tegen: NV, met maatschappelijke zetel te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. T. Van de Calseyde loco mr. H. Buyssens, advocaat te 2018 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 november 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 maart 2008, - de beschikking d.d. 6 november 2009 overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, - de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 november 2009 en 19 januari 2010 voor de NV en op 29 december 2009 en 26 februari 2010 voor X, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 april 2008 en 20 oktober
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 4 november 1998, vorderde X de veroordeling van de NV, hierna genoemd de NV, tot betaling van: - 500.000 Bef forfaitair achterstallig loon te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 en de gerechtelijke intrest - 1 Bef provisioneel saldo vakantiegeld vanaf 1990 meer de verwijlintrest - 1 Bef provisioneel saldo eindejaarspremie 1990 meer de verwijlintrest tenslotte de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 3 november 1999 stelde de NV een tegeneis in strekkende tot: de vordering van X toelaatbaar doch ongegrond te verklaren, hem ervan af te wijzen en tenslotte X te veroordelen tot de kosten van het geding. In meest ondergeschikte orde de verwijlintrest slechts toe te kennen op de opeisbare netto bedragen en te zeggen voor recht dat er geen aanleiding toe bestaat het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren. Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 2 oktober 2003 wijzigde X zijn vordering als volgt: - 12.395,00 euro provisioneel achterstallig loon te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 en de gerechtelijke intrest - 1,00 euro provisioneel saldo vakantiegeld vanaf 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 - 1,00 euro provisioneel saldo eindejaarspremie 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest en de gerechtelijke intrest tot de dag van volledige betaling tenslotte de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 19 maart 2007 breidde X zijn vordering uit als volgt: In ondergeschikte orde, de debatten te heropenen teneinde de werkgever te verplichten een juiste salarisberekening en een meriteverhoging naar voor te brengen, rekening houdend met de salarissen en merites die werden toegekend aan personeelsleden die een zelfde functie uitoefenden als X over dezelfde periode. In uiterst ondergeschikte orde de NV te horen veroordelen tot - een schadevergoeding gelijk aan tweemaal het achterstallig loon of een bedrag van 24.790,00 euro te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 en de gerechtelijke intrest - 1,00 euro provisioneel saldo vakantiegeld vanaf 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 - 1,00 euro provisioneel saldo eindejaarspremie 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest en de gerechtelijke intrest tot de dag van volledige betaling tenslotte de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met vonnis van 12 november 2007 werd de vordering van X ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd X veroordeeld tot de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van X strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de NV te veroordelen tot betaling van: in hoofdorde: - 12.395,00 euro provisioneel te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 en de gerechtelijke intrest - 1,00 euro provisioneel saldo vakantiegeld vanaf 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 - 1,00 euro provisioneel saldo eindejaarspremie 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest en de gerechtelijke intrest tot de dag van volledige betaling in ondergeschikte orde: de debatten te heropenen teneinde de werkgever te verplichten een juiste salarisberekening en een meriteverhoging naar voor te brengen, rekeninghoudend met de salarissen en merites die werden toegekend aan personeelsleden die een zelfde functie uitoefenden als X over dezelfde periode In uiterst ondergeschikte orde: - een schadevergoeding gelijk aan tweemaal het achterstallig loon of een bedrag van 24.790,00 euro te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 en de gerechtelijke intrest - 1,00 euro provisioneel saldo vakantiegeld vanaf 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 1990 - 1,00 euro provisioneel saldo eindejaarspremie 1990 te vermeerderen met de verwijlintrest en de gerechtelijke intrest tot de dag van volledige betaling tenslotte de NV te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Met conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 19 januari 2010 vordert de NV het hoger beroep van X ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, hem ervan af te wijzen en tenslotte X te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. In ondergeschikte orde de intrest slechts toe te kennen op de netto bedragen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten X was van 4 augustus 1964 tot en met 31 december 2003 in dienst van de NV als "material flow engineer basic" met loonberekening op basis van categorie
- Vanaf 1 januari 2004 is hij bruggepensioneerde. Tijdens zijn tewerkstelling was hij lid van ondernemingsraad voor ACLVB waarbij X zo'n 70% van zijn beschikbare arbeidstijd besteedde aan vakbondsactiviteiten. In een nota van 26 maart 1992 die een gesprek weergaf tussen een verantwoordelijke van de NV en X, blijkt dat de NV uitdrukkelijk heeft gesteld dat van een vakbondsafgevaardigde mocht verwacht worden dat hij minstens 60% van zijn tijd besteedde aan werkactiviteiten en slechts 40% aan vakbondsactiviteiten (stuk 1, bundel NV). Er wordt niet betwist dat X deze regels niet gevolgd heeft en dat hij zo'n 70% van zijn tijd aan de vakbondsactiviteiten is blijven besteden. Omdat hij te weinig tijd zou besteed hebben aan de uitoefening van zijn functie, zou hij niet meer in aanmerking zijn gekomen voor loonsverhogingen die gebaseerd zijn op "merites". In een brief van 3 juli 1996 stelde X dat hij het betwistte om geen "meriteverhogingen" meer te krijgen maar hierop werd door de NV geantwoord dat hij om in aanmerking te komen voor "meriteverhogingen" hij slechts 40% van zijn tijd aan vakbondsactiviteiten mocht besteden. In 1997 vorderde X achterstallig loon door het niet ontvangen van de "meriteverhogingen" en omdat hij van mening was dat hij betaald moest worden volgens looncategorie 11 in plaats van
- Omdat partijen niet tot overeenstemming kwamen, werd de NV gedagvaard.
- De beoordeling X vordert achterstallig loon omwille van de inschaling in een verkeerde looncategorie en omwille van het niet ontvangen van de "meriteverhogingen". 2.
- Looncategorie 10 X vordert de betaling van achterstallig loon omdat hij effectief werk zou verricht hebben in looncategorie 11 en slechts betaald werd als bediende in looncategorie
- Aangezien X stelt dat hij te weinig loon ontvangen heeft, moet hij het bewijs leveren dat hij recht heeft op een loon in categorie 11 maar dit bewijs wordt niet geleverd. Weliswaar stelt hij dat hij aanvankelijk functiecode E 8048 had en dat hij looncategorie 10 kreeg, maar dat deze looncategorie binnen de functiecode E 8048 eigenlijk niet bestaat (stuk 21, bundel X). Hij zou slechts looncategorie 10 gekregen hebben omwille van zijn syndicale activiteiten maar van deze bewering wordt geen enkel bewijs voorgelegd en hiermee kan geen rekening gehouden worden. Vervolgens erkent hij dat hem vanaf 1994 een andere functiecode zou toegekend zijn, met name E8379 B (looncategorie 10, "Material Flow Engineer Basic" , stukken 14 en 22, bundel X). Hierbij stelt hij, zonder hiervan enig bewijs voor te leggen, dat de inhoud van zijn functie ongewijzigd zou gebleven zijn. Hij stelt verder dat aangezien hij in de vorige functiecode E 8048 niet in de laagste categorie zou gezeten hebben, hij ook in de nieuwe functiecode niet in de laagste looncategorie mocht ingedeeld zijn. Het loutere feit dat een werknemer aanvankelijk in een bepaalde functiecategorie niet in de laagste categorie zat en dat hij na de toewijzing van een nieuwe functiecode opnieuw in een lagere categorie zit (met behoud van dezelfde looncategorie 10), betekent evenwel niet dat hij recht heeft op betaling in een hogere looncategorie. Te meer daar hij zelf stelt dat zijn functie niet gewijzigd werd waardoor het niet onlogisch is dat hij in dezelfde looncategorie betaald wordt, zij het met een andere functiecode. Bovendien stelt de NV dat aangezien de verloningscategorieën gewijzigd werden (in plaats van looncategorie 8 t.e.m. 11 naar 10 t.e.m. 12), er ook vanuit mag gegaan worden dat de functies anders ingedeeld werden maar dit betekent niet dat X plots recht zou gehad hebben op de betaling in een hogere looncategorie. Ten slotte stelt X dat hij bovendien voldeed aan de specifieke vereisten van de functie "Material Flow Engineer Standard" waardoor hij recht zou hebben op looncategorie
- Deze bewering wordt door de NV uitdrukkelijk betwist. Als bewijs dat hij effectief arbeid leverde die overeen kwam met voormelde functie, verwijst hij naar de jaarlijkse beoordeling waarin als gerealiseerde output werd omschreven: "Coördinatie tussen Bell Geel en ACG betreffende recuperatie van herbruikbare materialen, zowel voor de fabriek van Geel als voor derden (oa MIETEC)". Hieruit kan evenwel niet afgeleid worden dat hij de functie van "Material Flow Engineer Standard" ook daadwerkelijk uitoefende (stukken 13 en 14, bundel X). Uit het loutere feit dat hij zorgde voor de coördinatie tussen bepaalde fabrieken, kan immers niet afgeleid worden dat hij zelfstandig projecten uitvoerde of dat hij voldeed aan de andere functievoorwaarden voor categorie
- Hij legt trouwens geen enkel bewijs voor dat voor het uitvoeren van voormeld project "een hoge graad van zelfstandigheid" vereist was. Evenmin wordt aangetoond dat er hierdoor contacten waren met aankoopdienst, leveranciers, enzovoort terwijl de bewijslast bij X berust. Andere stukken waaruit blijkt dat hij effectief een functie uitoefende die overeenstemt met een hogere looncategorie, worden niet voorgelegd. Evenmin toont hij aan dat hij door het loutere feit van twee jaar ervaring en de nodige anciënniteit te hebben, hij recht had op looncategorie
- Hiervoor is immers de aard van het uitgeoefende werk van belang en hiervan worden geen bewijskrachtige stukken voorgelegd. Bij gebrek aan enig bewijs dat X effectief arbeid verrichtte als "Material Flow Engineer Standard", heeft hij dan ook geen recht op achterstallig loon. 2.2 Geen recht op meriteverhogingen X meent recht te hebben op een loonsverhoging op basis van merites. De NV stelt dat hij niet voldaan heeft aan één van de basisvoorwaarden, met name dat hij 60% effectieve arbeidsprestaties moest leveren voor de NV en 40% van zijn tijd mocht besteden aan de vakbondsactiviteit. Er wordt niet betwist dat X personeelsafgevaardigde was. Artikel 2, §4 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (hierna wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden) bepaalt dat het mandaat van de personeelsafgevaardigden voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen tot gevolg mag hebben. Niet behalen van de merites Er wordt niet betwist dat er maar sprake kan zijn van een loonsverhoging indien er voldoende merites werden behaald. Evenmin wordt betwist dat de merites pas toegekend worden na een goede evaluatie en na het behalen van een bepaald arbeidsvolume. Hierbij kan verwezen worden naar een nota van 26 maart 1992 waarin gesteld wordt dat de NV van X verwacht dat hij 60% van zijn arbeidstijd besteed aan werkactiviteiten en derhalve 40% kan besteden aan vakbondsactiviteiten (stuk 1, bundel NV). Nochtans geeft X, die op de hoogte was van deze regeling, toe dat hij slechts 30% van zijn arbeidstijd aan zijn werkactiviteiten besteedde. Hierdoor bouwde X niet de nodige ervaring op binnen zijn functie en konden de merites niet toegekend worden. X stelt nu dat hij toch steeds een gunstige beoordeling kreeg voor de uitvoering van de arbeidsprestaties. Hierop repliceert de NV dat het werk dat hij verrichtte goed werd uitgevoerd maar dat zijn prestatievolume dermate beperkt was en hij hierin nooit vooruitgang heeft geboekt, waardoor een loonsverhoging op basis van merites niet mogelijk was. De verwijzing naar de omzendbrief van de personeelsdienst ("Human Resources Management") waaruit blijkt dat de verloning gebeurt door toepassing van een functiewaarderingssysteem waarbij het salaris kan aangepast worden aan de hand van de prestatiebeoordeling, wijzigt deze vaststelling niet. Hoewel met X kan vastgesteld worden dat uit de omzendbrief niet kan afgeleid worden dat de loonsverhoging enkel kan toegekend worden indien de werknemer de volledige arbeidstijd aanwezig is op het werk, kan hieruit evenmin afgeleid worden dat er sprake is van een automatische salarisverhoging aangezien er steeds een beoordeling van de prestaties dient te gebeuren. Het salaris wordt immers aangepast aan het prestatieniveau waarbij het salaris gradueel kan evolueren (stuk 24, punt 7.2.3., bundel X). Uit de omzendbrief kan dan ook enkel afgeleid worden dat de werkgever een loonsverhoging kan toestaan indien er een gunstige prestatiebeoordeling wordt gegeven en zoals vermeld gebeurde de prestatiebeoordeling niet alleen op basis van de gepresteerde arbeid maar ook op basis van het gepresteerde volume en dat was voor X onvoldoende. Aangezien X op de hoogte was van wat van hem verwacht werd en hij deze doelstelling niet haalde en aangezien er geen andere rechtsgrond is om de merites toe te kennen, kan enkel vastgesteld worden dat X de merites niet haalde en hij geen recht heeft op een extra loonsverhoging. Hij stelt dat hij na 2000 zijn activiteiten voor de NV gevoelig verhoogd heeft en dan nog geen recht had op een merite maar deze bewering wordt door geen enkel stuk aangetoond noch biedt X aan om deze stelling te bewijzen waardoor hiermee geen rekening kan gehouden worden. In zijn overzicht van de gepresteerde uren maakt hij trouwens geen onderscheid tussen de periode voor en na 2000 waardoor deze bewering niet aanvaard wordt. Akkoord van X is niet vereist X laat gelden dat hij nooit akkoord is gegaan met de 60/40 verdeling en dat het derhalve een eenzijdig opgelegde voorwaarde betreft. Weliswaar dient een werkgever aan een werknemer de afgesproken lonen te betalen maar niets staat in de weg dat een werkgever een extra salarisverhoging wil toekennen op basis van door de werkgever bepaalde voorwaarden. In zoverre de voorwaarden niet onredelijk zijn, mag een werkgever dan ook eenzijdig richtlijnen opleggen ten aanzien van het te presteren werkvolume voor het behalen van merites die aanleiding kunnen geven tot een loonsverhoging. Een akkoord van de werknemer is hierbij niet vereist. De verwijzing naar de brief van 3 juli 1996 waarin gesteld wordt dat hij niet akkoord was met de regeling (stuk 5, bundel X), is dan ook niet relevant en kan geen rechtsgevolgen met zich mee brengen. Ook kan hieruit geen eenzijdige herroeping van voormeld akkoord afgeleid worden aangezien er geen akkoord is afgesloten. In 1992 werd X immers meegedeeld dat van hem een effectieve arbeidstijd van 60% werd verwacht. In de brief van 3 juli 1996 wordt trouwens enkel gesteld dat X als standpunt heeft ingenomen dat de nota van 26 maart 1992 zou ingetrokken zijn maar uit de brief kan afgeleid worden dat dit louter een eenzijdig standpunt is van X. Deze stelling wordt immers verwoord na het woord "standpunt" en wordt door de NV betwist. Het getuigenverhoor over dit feit moet dan ook niet toegelaten worden aangezien het enkel kan bevestigen welk standpunt X tijdens dat gesprek heeft aangenomen maar geen bewijs kan leveren dat de nota inderdaad ingetrokken werd. Ook de loonsverhoging van 2% die zou toegekend zijn in november 1992 betreft een eenzijdig "standpunt" waarbij het zelfs niet duidelijk is of X deze verhoging nu opeist of niet. Evenmin is duidelijk of het hier gaat om een toezegging voor latere salarisverhogingen. Gelet op de bewoordingen in de brief en aangezien X niet op een nauwkeurige wijze aangeeft wat er precies in 1996 zou afgesproken zijn ten aanzien van een eventuele loonsverhoging in 1992 waardoor een getuigenverhoor niet kan toegelaten worden, kan hieruit niet afgeleid worden dat er afgesproken werd dat X niet langer zou beoordeeld worden volgens de 60/40 verdeling. Geen onrechtmatige inmenging in vakbondsactiviteiten X stelt dat deze eenzijdig opgelegde voorwaarden onverenigbaar zijn met het uitoefenen van de vakbondsactiviteiten en dat er hierdoor een ongerechtvaardigde inmenging zou zijn van de wijze waarop de syndicale opdrachten worden uitgeoefend maar deze stelling wordt niet bewezen. Wel integendeel. X geeft in zijn conclusies zelf aan dat hij zo'n 70% van zijn beschikbare tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten waarbij hij enkel door thuiswerk zijn opdracht kon vervolledigen. Hieruit blijkt dat de NV nooit verboden heeft dat X vakbondsactiviteiten heeft verricht en dat er derhalve geen sprake kan zijn van enige ongerechtvaardigde inmenging. Nergens blijkt dat de NV ooit belet zou hebben dat X zijn functie als personeelsafgevaardigde heeft kunnen uitoefenen waardoor artikel 2, §4 wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden niet geschonden wordt. Redelijke instructies van de werkgever Wel kan vastgesteld worden dat hij door het niet volgen van de instructies van de NV, de merites is misgelopen. Om deze te ontvangen moest hij immers goed presteren en een arbeidsvolume van 60% effectieve werktijd halen en het wordt niet betwist dat hij dit nooit gehaald heeft. Hoger werd aanvaard dat de werkgever eenzijdig bepaalde richtlijnen kan opleggen op basis waarvan een extra loonsverhoging kan toegekend worden. Deze richtlijnen zijn naar het oordeel van het arbeidshof niet onredelijk. Opdat een werknemer recht heeft op een loonsverhoging, mag verwacht worden dat hij een voldoende deel van zijn arbeidstijd besteed aan zijn activiteiten voor de NV aangezien hij enkel op die wijze de nodige ervaring kan opdoen en een meerwaarde kan leveren die een loonsverhoging verantwoorden. Deze richtlijnen blijken bovendien gebaseerd te zijn op de ervaring van de NV bij het uitoefenen van de activiteiten van andere personeelsafgevaardigden. Van deze bewering wordt weliswaar geen bewijs voorgelegd maar X, die zijn vordering moet bewijzen, levert geen enkel bewijs dat deze verdeling niet zou gelden voor de andere personeelsafgevaardigden. Weliswaar maakt hij aannemelijk dat hij veel tijd aan vakbondsactiviteiten heeft besteed en dat de verplaatsingen naar Antwerpen voor de voorbereiding en het bijwonen van de ondernemingsraad veel tijd in beslag namen, maar dit betekent niet dat de 60/40 verdeling onredelijk zou zijn. Te meer daar hij zelf stelt dat weliswaar veel van de werknemersafgevaardigden in Antwerpen tewerkgesteld waren en dus minder tijd aan de verplaatsingen moesten besteden, maar hieruit kan meteen afgeleid worden dat andere werknemersafgevaardigden die niet in Antwerpen werkten dezelfde verplaatsingen moesten maken en er blijkbaar wel in slaagden hun merites te halen. Het tegendeel wordt alvast niet aangetoond en hij biedt niet aan om te bewijzen dat er voor de andere personeelsafgevaardigden andere regels zouden bepaald zijn. Hoewel de NV de opportuniteit van de verplaatsingen buiten de zetel te Geel in het kader van de vakbondsactiviteiten niet mag beoordelen en er derhalve niet moet ingegaan worden op de discussie of deze verplaatsingen zoals het beluisteren van de opnamen die gemaakt werden op de ondernemingsraad overbodig zijn, betekent dit niet dat de NV geen redelijke richtlijnen mag uitvaardigen op basis waarvan werknemers recht hebben op een bijkomende loonsverhoging. Het is immers niet omdat X bijzonder veel tijd besteedde aan zijn vakbondsactiviteiten, mogelijk omdat de voorbereiding van de vergaderingen al dan niet op het secretariaat te Antwerpen moest gebeuren en documenten het secretariaat niet mochten verlaten, dat de richtlijn van de NV, met name de 60/40 verdeling hierdoor onredelijk zou zijn. Te meer daar dit voor de andere personeelsafgevaardigden blijkbaar geen problemen stelde. X was enige afgevaardigde X stelt verder dat hij meer tijd moest steken in zijn vakbondsactiviteiten omdat hij de enige personeelsafgevaardigde was van zijn vakbond voor de ondernemingsraad. Bovendien zou hij ook meer tijd aan andere vakbondsactiviteiten hebben besteed omdat het ACLVB geen syndicale delegatie, geen hoofdafgevaardigden noch syndicale woordvoerders had in de vestiging te Geel welke volledig zijn vrijgesteld van arbeidsprestaties en zou hij in vele andere comités hebben moeten zetelen. Dat hij 70% van zijn tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten en dat dit eigenlijk meer dan een normale dagtaak was, kan dan ook aanvaard worden. Uit voormelde verklaring leidt het arbeidshof af dat X bewust heeft gekozen voor een ruime invulling van zijn vakbondsactiviteiten en bovendien kan hieruit afgeleid worden dat hij erkent dat het feit dat hij veel tijd in vakbondsactiviteiten moest steken het gevolg was van de vaststelling dat de andere vakbonden meer personeelsafgevaardigden hadden en dat hij dit werk alleen moest verrichten en van het feit dat hij zijn taak ruim invulde. Aangezien het aantal personeelsafgevaardigden evenwel het gevolg is van een groter aantal verkozen mandaten die ook meer personeel dienden te vertegenwoordigen, betekent dit niet dat de door de NV opgelegde 60/40 verdeling onredelijk zou zijn wanneer een personeelsafgevaardigde dit werk alleen moest doen omdat er slechts één verkozen mandaat in de wacht werd gesleept. De verklaring van de heer D S die blijkbaar de voorganger was van X maar die in 1982 het bedrijf zou verlaten hebben, bevestigt dat een personeelsafgevaardigde van het ACLVB veel werk had maar nu aanvaard wordt dat X veel tijd besteedde aan zijn vakbondswerk, brengt deze verklaring niets nieuws. Het is trouwens de vraag in hoeverre een verklaring van een werknemer die in 1982 het bedrijf verlaten heeft, nog relevant kan zijn om de situatie tien tot twintig jaar later nog te beoordelen. De bewering als zou aan de ACLVB geweigerd zijn om per vestiging een vertegenwoordiger van de ondernemingsraad aan te duiden blijkt het gevolg van een vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (stuk 26, bundel X) waardoor X moeilijk kan stellen dat dit een eenzijdige beslissing van de NV zou geweest zijn. Met deze bewering kan geen rekening gehouden worden. Beoordeling van merites X verwijst verder naar de beoordeling voor het behalen van de merites door de NV en stelt dat er enkel zou rekening mogen gehouden worden met de effectief gepresteerde arbeidstijd voor de NV. Hoger werd aanvaard dat uit de regeling betreffende de merites kan afgeleid worden dat de NV deze beoordeling liet afhangen van de effectief gepresteerde arbeid maar dat tevens aanvaard kan worden dat een bepaald percentage aan arbeidsvolume werd bepaald. Wanneer de NV bij de beoordeling verwijst naar het feit dat X veel tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten, wordt enkel vastgesteld dat hij niet in aanmerking kwam voor een loonsverhoging omdat hij onvoldoende arbeidsvolume had gepresteerd. Dit betekent niet dat hij een mindere beoordeling kreeg omwille van het uitgevoerde werk maar wel omwille van zijn lager arbeidsvolume terwijl werd vastgesteld dat het opleggen van een bepaald arbeidsvolume door de werkgever mogelijk is en in dit geval een redelijke verdeling werd vastgesteld. Geen discriminatie Nu aanvaard werd dat X veel tijd heeft besteed aan het vakbondswerk en hierbij door de NV nooit belet werd om veel tijd in zijn vakbondsactiviteiten te steken, heeft dit tot gevolg dat hij niet het gevraagde arbeidsvolume presteerde waardoor hij geen recht heeft op de merites. Er anders over oordelen zou betekenen dat een personeelsafgevaardigde van een andere vakbond, die beschikt over meer personeelsafgevaardigden en medewerkers, enkel recht had op merites als hij de 60/40 verdeling nakwam terwijl een personeelsafgevaardigde van een kleinere vakbond voor het behalen van dezelfde merites minder effectieve arbeid moest presteren. Te meer daar het aantal medewerkers wordt bepaald op basis van de stemmen van de werknemers bij de sociale verkiezingen en een groter aantal medewerkers verantwoord is door het feit dat een vakbond met meer verkozen mandaten, ook meer syndicaal werk zal hebben. De stelling van X als zou hij de enige vertegenwoordiger geweest zijn voor 3567 bedienden kan niet aanvaard worden. Ook ten aanzien van andere werknemers zou het trouwens een discriminatie uitmaken indien een werknemer die vakbondsactiviteiten uitvoert minder arbeid moet presteren dan door de werkgever bepaald en toch recht heeft op merites en dus op een extra loonsverhoging terwijl een gewone werknemer wel de richtlijnen van de werkgever moet volgen om recht te hebben op deze merites. Aangezien het mandaat van de personeelsafgevaardigden voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen mag opleveren zou het strijdig zijn met artikel 2, §4 wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden om toch merites toe te kennen hoewel de werknemer de voorwaarden om een extra loonsverhoging te krijgen niet is nagekomen. Zeker wanneer de voorwaarden om de merites te bekomen niet kennelijk onredelijk zijn. De vordering is ongegrond. De debatten moeten dan ook niet heropend worden voor een berekening te maken van het baremastelsel en evenmin is er recht op enige schadevergoeding bij gebrek aan het bewijs van enige fout door de NV. BESLISSING OP TEGENSPRAAK, De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 12 november 2007 wordt bevestigd. X wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: Voor X begroot op: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 1.100,00 euro Voor de NV begroot op: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 1.100,00 euro PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101117.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div