id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101203.3 Rolnummer: 2008/AA/434 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-12-30 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 14:13 Fiche De hoedanigheid van werknemer of zelfstandige wordt bepaald door de lidstaat waar de activiteit wordt uitgeoefend. Een bewijs van hoedanigheid, afgeleverd door het door de bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen orgaan, bindt de sociale zekerheidsorganen van een andere lidstaat. Aangezien België wordt vermeld in bijlage VII van de Verordening 1408/71 en de betrokkene in België activiteiten anders dan in loondienst heeft verricht, is overeenkomstig artikel 14 bis, 2 Verordening 1408/71 de Belgische wetgeving van toepassing voor de activiteiten die de betrokkene verricht anders dan in loondienst voor zover hij in Nederland activiteiten als werknemer zou verrichten. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT Vrije woorden: Internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - verordening 1408/71 - bijdrageplicht - loontrekkende in Nederland - zelfstandige in België - bewijs (IX D 3) Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - 14 bis 2 - 01 Link Justel databank 19710614-01 Tekst van de beslissing AR nr. 2008/AA/434 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 6, doch woonst kiezend op het adres van de gewestelijke zetel te 2000 Antwerpen, Oudaan 8 - 10, appellante, incidenteel geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. Hertoghs, advocaat te Deurne - Antwerpen, tegen:
- PVT, wonende te 2630 Aartselaar, Groenenhoek 17,
- CVBA TTC, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2630 Aartselaar, Groenenhoek 17, met KBO nr. 0430.113.440, geïntimeerden, incidenteel appellanten, verschijnend bij mr. I. De Clerck loco mr. E. Thiers, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 7 november 2008, 6 november 2009 en 5 november
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (hierna: RSVZ), d.d. 24 maart 2005, gericht aan PVT en de CVBA TTC, bij het ambt van gerechtsdeurwaarder A. Luyten, met standplaats te Antwerpen; - het op tegenspraak gewezen eindvonnis d.d. 16 juni 2008 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (AR 06/379842/A), waarvan geen akte van betekening werd bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van het RSVZ, d.d. 26 september 2008, neergelegd ter griffie van dit hof en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de beschikking d.d. 12 december 2008 met toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor geïntimeerden, neergelegd ter griffie van dit hof op 12 maart 2009; - de conclusie voor appellante, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 juni
- Gelet op de regelmatige oproeping van partijen met toepassing van artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 5 november
- De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 5 november 2010, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep werden regelmatig ingesteld naar vorm en termijn en zijn ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging. Met inleidende dagvaarding d.d. 24 maart 2005 bij het ambt van gerechtsdeurwaarder A. Luyten, met standplaats te Antwerpen, vorderde het RSVZ, handelend in de hoedanigheid van Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, de solidaire veroordeling van de heer PVT en de CVBA TTC tot betaling van achterstallige sociale bijdragen, verhogingen en kosten ten bedrage van 37.321,79 EUR voor de kwartalen 1999/1 tot en met 2004/4, onder voorbehoud van wijzigingen van de bijdragen of van niet ontvangen bijdragen, te vermeerderen met een verhoging van 3% per kwartaal op de som van 27.037,32 EUR vanaf 1 januari 2005 en 0,00 EUR vanaf 1 januari 2005 tot het einde van het kwartaal voorafgaand aan datgene waarvan de dagvaarding van 24 maart 2005 werd betekend, de gerechtelijke intresten op 37.321,79 EUR en op de hierboven beoogde verhogingen van 3% vanaf de dagvaarding voormeld, de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding. Tenslotte vorderde het RSVZ het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg. Volgens het RSVZ was PVT, bestuurder van de Belgische vennootschap CVBA TTC, de totale som van 37.321,79 EUR verschuldigd wegens te late betaling van bijdragen in hoofdberoep, gezien hij geen andere activiteit in België heeft. Ingevolge de EU-verordeningen wordt eveneens rekening gehouden met activiteiten in een andere lidstaat, in casu Nederland. Om de aard van deze activiteiten te bepalen werd er in elke lidstaat een orgaan opgericht, in Nederland het Bureau voor Belgische Zaken (kort: BBZ). Het BBZ dient aan het RSVZ mee te delen in welke hoedanigheid betrokkene in Nederland werkzaam is om uit te maken in welke categorie betrokkene dient aangesloten te worden en hoe de bijdragen dienen te worden berekend. Betrokkene kan genieten van een gunsttarief, maar het is aan hem om te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet. Met betrekking tot een eventuele kwijtschelding van de verhogingen en intresten, is dit de autonome bevoegdheid van het RSVZ en niet die van de arbeidsgerechten. Desgevallend kan betrokkene hiervoor een gemotiveerd verzoekschrift indienen, dat alsdan zal onderzocht worden nadat de bijdragen, de kosten en de gerechtskosten vereffend zijn. De gedagvaarde partijen waren van oordeel dat uit een attest van de Nederlandse belastingsdienst van 18 juni 2007 duidelijk bleek dat PVT in Nederland van 1999 tot en met 2002 als zelfstandige werd beschouwd, dat hij alle belastingen en premies op de aanslagen arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen betaalde en dat hij ook premies in de Volksverzekeringen betaalde door middel van de heffing van een aanslag. PVT werd met een brief van 16 september 2003 van het BBZ geïnformeerd over de problematiek van het sociaal statuut van de directeur - grootaandeelhouder in Nederland en slechts daarna werd hij verplicht door het RSVZ tot aansluiting bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen voor zijn bestuurdersactiviteit in bijberoep in België. Het RSVZ kon derhalve geen sociale bijdragen vorderen met terugwerkende kracht vanaf
- Minstens mocht het RSVZ geen verhogingen en intresten aanrekenen op de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen vermits de doorgevoerde regularisatie niet het gevolg is van een foutieve handeling of nalatigheid uit zijnen hoofde doch uitsluitend van een mededeling vanwege het BBZ op 16 september
- Met eindvonnis d.d. 16 juni 2008 verklaarden de eerste rechters de vordering van de RSVZ ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond omdat PVT in Nederland loontrekkende was en inderdaad in België, gelet op de inkomsten, het statuut had van zelfstandige in bijberoep. Volgens de eerste rechters kon het RSVZ evenwel geen verhogingen of intresten aanrekenen wegens onduidelijke standpunten. De doorgevoerde regularisatie was niet het gevolg van een foutieve handeling of nalatigheid vanwege de heer PVT, doch uitsluitend het gevolg van een mededeling vanwege het BBZ op 16 september
- Daarvoor waren er twee tegenstrijdige brieven. Het schrijven d.d. 3 juli 2003 van het RSVZ motiveert dit verband onvoldoende. Er werd geen concrete aanmaning tot betaling verstuurd door het RSVZ alvorens te dagvaarden, aldus de eerste rechters, behalve het aangetekend schrijven van 3 juli 2003, doch hierin werden geen bedragen vermeld dit was in tegenspraak met artikel 46 van het K.B. van 19 december
- De eerste rechters besloten dan ook dat de gewone verhogingen en de eenmalige verhoging van 7% slechts aangerekend konden worden vanaf het eerste kwartaal van
- De eerste rechters veroordeelden de gedagvaarde partijen dan ook solidair tot betaling van een bedrag van 28.528,37 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. De gedagvaarde partijen werden veroordeeld, solidair, tot de kosten van het geding. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 26 september 2008 tekende het RSVZ hoger beroep aan tegen voornoemd eindvonnis. Met conclusie, neergelegd ter griffie van dit hof op 12 maart 2009 tekenden PVT en de CVBA TTC incidenteel beroep aan tegen het eindvonnis d.d. 16 juni
- Eisen in hoger beroep. - Het RSVZ, appellante, incidenteel geïntimeerde, vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen inzake de verhogingen en zich onbevoegd te verklaren om te beslissen over het aanrekenen van verhogingen en het kwijtschelden ervan. - PVT en de CVBA TTC, geïntimeerden, incidenteel appellanten, vorderen in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en hun incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en de oorspronkelijke vordering integraal af te wijzen als ongegrond. Bijgevolg appellante te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vorderen geïntimeerden, minstens alvorens recht te spreken, appellante te bevelen om aan het BBZ verduidelijking te vragen omtrent haar in 2002 gewijzigde standpunt over de aard van de activiteit van een directeur/grootaandeelhouder in Nederland en waarom het BBZ van oordeel is dat dit nieuwe standpunt moet teruggaan tot 1 januari 1999 en hen toe te laten vervolgens hierover te concluderen. In deze hypothese de kosten aan te houden.
- Beoordeling. De heer PVT stelt dat hij ook in Nederland als zelfstandige dient beschouwd te worden terwijl hij tevens de bevestiging vraagt van het eerste vonnis ten aanzien van de kwijtschelding van de verhogingen en intresten. Het RSVZ stelt dat de heer PVT in Nederland beschouwd dient te worden als werknemer waardoor hij bijdragen verschuldigd is in België en meent dat de eerste rechters geen kwijtschelding mochten verlenen van de bijdrageopslagen. 4.
- De heer PVT was werknemer in Nederland. Aangezien de heer PVT in twee lidstaten werkzaamheden heeft verricht, dient overeenkomstig de Europese wetgeving nagegaan te worden welk systeem van sociale zekerheid van toepassing is. De verordening 1408/71: principes. De verordening (EEG) 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna vo. 1408/71), die van toepassing was op het ogenblik dat de beslissing genomen werd en waarvan derhalve toepassing moet gemaakt worden, bevat een aantal aanwijzingsregels die bepalen welk stelsel van sociale zekerheid moet toegepast worden op personen die tewerkgesteld zijn als werknemer en als zelfstandige en op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is. De verordening kan enkel een rol spelen bij grensoverschrijdende situaties. Aangezien niet betwist wordt dat de heer PVT zowel in België als in Nederland gewerkt heeft, is de vo. 1408/71 van toepassing. De aanwijzingsregels hebben een exclusieve en sterke werking waarvan lidstaten niet kunnen afwijken (Y. JORENS, "Overzicht van rechtspraak van het Hof van Justitie over de sociale zekerheid van migrerende personen (1 januari 1999-1 juni 2001), TSR 2001, 746). De algemene aanwijzingsregel bepaalt dat de plaats waar de persoon zijn grensoverschrijdende werkzaamheden uitvoert in de regel de bevoegde lidstaat aanduidt. Dit wordt het "werklandprincipe" genoemd (art. 13 vo. 1408/71). Partijen voeren betwisting over de hoedanigheid die de heer PVT had bij zijn werkzaamheden in Nederland. Er is immers geen betwisting dat de heer PVT in België activiteiten als zelfstandige uitoefende. Artikel 14 quater, sub a vo. 1408/71 bepaalt dat degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden andere dan in loondienst uitoefent, ressorteert onder de wetgeving van de lidstaat waar hij zijn werkzaamheden in loondienst uitoefent. Evenwel stelt voormeld artikel dat bij lidstaten die in bijlage VII van de verordening vermeld worden, de betrokkene die werkzaamheden verricht anders dan in loondienst wanneer hij dergelijke werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefent, toepassing moet gemaakt worden van artikel 14 bis, punt 2, punt 3 of punt 4 van de vo. 1408/
- Aangezien België vermeld wordt in bijlage VII van de vo. 1408/71 en de heer PVT in België activiteiten anders dan in loondienst heeft verricht, is overeenkomstig artikel 14 bis, 2 vo. 1408/71 de Belgische wetgeving van toepassing voor de activiteiten die de heer PVT verricht anders dan in loondienst voor zover hij in Nederland activiteiten als werknemer zou verrichten. Wanneer evenwel zou aangetoond worden dat de heer PVT ook in Nederland als zelfstandige beschouwd wordt, dan ressorteert hij onder de wetgeving van de lidstaat waar hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht (artikel 14bis, tweede lid vo. 1408/71) en het RSVZ betwist niet dat dit dan Nederland zou zijn waardoor hij in België geen bijdragen zou moeten betalen. Toepassing in concreto Er wordt niet betwist dat de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige bepaald wordt door de lidstaat waar de activiteit wordt uitgeoefend. Ieder land waar personen grensoverschrijdende werkzaamheden uitvoeren, moet immers op grond van zijn eigen socialezekerheidswetgeving nagaan welke hoedanigheid de betrokkene bezit. (B. DE PAUW en G. VAN LIMBERGHEN, "Aanduiding van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving", TSR 2004, nr. 21). Artikel 4, lid 10 vo.(EEG) nr. 574/72 van de raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de w?ze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, bepaalt dat b?lage 10 de organen of instellingen die door de bevoegde autoriteiten z?n aangewezen vermeldt krachtens onder meer artikel 14 quater vo. 1408/71 waarbij niet betwist wordt dat dit voor Nederland op het ogenblik van de beslissing het Bureau voor Belgische Zaken in Nederland is, hierna BBZ (zie ook stuk 3, bundel PVT). In een brief van 16 september 2003 deelde het BBZ mee dat de heer PVT tot 31 december 1998 beschouwd dient te worden als zelfstandige en vanaf 1 januari 1999 als loontrekkende (stuk 4, bundel PVT). Er wordt niet betwist dat het bevoegde orgaan dat door de verordening nr. 574/72 werd aangeduid, met name het BBZ, gesteld heeft dat de heer PVT vanaf 1 januari 1999 een werknemer is. Aan het Hof van Justitie werd de vraag gesteld of en in welke mate een bewijs, afgegeven door het door de bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen orgaan in de zin van verordening nr. 574/72, de socialezekerheidsorganen van een andere lidstaat bindt. In een arrest van 10 februari 2000 heeft het Hof van Justitie uitdrukkelijk gesteld dat een dergelijke verklaring het bevoegde orgaan van een andere lidstaat dan die onder wiens gezag zij is afgegeven bindt, zolang zij niet door het afgevende orgaan is ingetrokken (HvJ 10 februari 2000, nr. C-202/97 (Fitzwilliam Technical Services), www.curia.eu.) en deze rechtspraak wordt bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 2 juni 2003, www.cass.be en R.C.J.B. 2007, 24). In een arrest van 26 januari 2006 voegde het Hof van Justitie eraan toe dat zo lang de verklaring (het betrof in deze zaak de aflevering van een E-101 formulier) niet is ingetrokken of ongeldig werd verklaard door de autoriteiten van de lidstaat van afgifte, de bevoegde organen en de rechterlijke instanties van de lidstaat hierdoor gebonden zijn (HvJ 26 januari 2006, nr. C-2/05 (Herbosch Kiere NV), www.curia.eu). Uit deze rechtspraak kan enkel afgeleid worden dat het RSVZ noch het arbeidshof de verklaring van het BBZ in vraag kunnen stellen. Aangezien de Belgische rechter zelfs geen marginaal toetsingsrecht behoudt, kan het arbeidshof zelfs niet nagaan of de beslissing onwettig zou zijn. De heer PVT stelt weliswaar dat de beslissing van het BBZ onduidelijk of innerlijk tegenstrijdig zou zijn maar niet alleen is dit een foutieve vaststelling, het BBZ stelt immers vast dat de heer PVT tot 31 december 1998 zelfstandige was en vanaf 1 januari 1999 loontrekkende, maar bovendien had er beroep moeten aangetekend worden tegen de beslissing van het BBZ in Nederland. Zo lang de beslissing immers niet ingetrokken wordt, is het arbeidshof hierdoor gebonden. Er kan dan ook niet ingegaan worden op de argumenten dat de heer PVT naar Nederlands recht beschouwd moet worden als een zelfstandige en niet als een werknemer en dat hij fiscaal als zelfstandige zou beschouwd worden. Evenmin kan nagegaan worden of uit de feitelijke arbeidsomstandigheden niet kan afgeleid worden of er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst aangezien de beslissing van het BBZ niet door het arbeidshof kan getoetst worden. Of de beslissing van het BBZ strijdig zou zijn met de Nederlandse wetgeving kan dan ook niet onderzocht worden. In een arrest van 3 juni 2003 oordeelde het Hof van Cassatie immers dat de Belgische rechter hiertoe geen rechtsmacht heeft (Cass. 2 juni 2003, www.cass.be en R.C.J.B. 2007, 24). Er kan dan ook enkel vastgesteld worden dat het bevoegde orgaan in Nederland, met name het BBZ, heeft geoordeeld dat de heer PVT vanaf 1 januari 1999 werknemer was. Door toepassing van artikel 14 quater, sub a vo. 1408/71 en aangezien België vermeld wordt in bijlage VII van deze verordening, vallen de activiteiten die de heer PVT in België heeft geleverd onder de toepassing van de Belgische wetgeving voor zover deze activiteiten kunnen beschouwd worden als zelfstandige activiteiten. 4.
- De heer PVT was zelfstandige in België. Het wordt niet betwist dat de heer PVT een zelfstandige activiteit heeft uitgeoefend. Hij was immers afgevaardigd bestuurder van de Belgische vennootschap TTC en oefende geen andere activiteit uit in België. Hij is dan ook bijdrageplichtig aangezien niet betwist wordt dat hij in België inkomsten uit een zelfstandige activiteit heeft genoten (artikel 3 van het KB nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen). De vordering van het RSVZ is gegrond. 4.
- Geen kwijtschelding van verhogingen en intresten. De arbeidsrechtbank heeft de wettelijk voorziene verhogingen en intresten kwijtgescholden tot en met 2003 omdat ze van mening was dat het RSVZ onduidelijke standpunten zou ingenomen hebben. Artikel 48 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat in bepaalde gevallen verzaakt kan worden aan een bijdrageverhoging. Dit artikel stelt evenwel dat de RSVZ hierover beslist. Het arbeidshof kan dan ook niet beslissen om vrijstelling te verlenen van de bijdrageverhogingen. Het verweer van de heer PVT als zou het niet ernstig zijn dat er sociale bijdragen worden teruggevorderd met terugwerkende kracht vanaf 1999 wijzigt dit niet. De bepalingen inzake het sociaal statuut der zelfstandigen zijn immers van openbare orde (Cass. 8 oktober 1979, Arr. Cass. 1979-80, 159) waardoor het RSVZ, wanneer zij informatie ontvangt over een persoon die bijdragen moet betalen, niet anders kan dan deze bijdragen en de verhogingen innen. Ook de stelling als zou de wet handvest sociaal verzekerde tot gevolg zou hebben dat het arbeidshof plots zou kunnen beslissen om de verhogingen kwijt te schelden, kan niet aanvaard worden. Ongeacht de vraag of de wet handvest sociaal verzekerde een bepaling uit het KB nr. 38 zonder meer opzij kan schuiven, dient vastgesteld dat de wet handvest sociaal verzekerde geen toepassing kan vinden. Zo dient de verwijzing naar een schending van artikel 3 wet handvest sociaal verzekerde afgewezen worden. Voormeld artikel bepaalt dat de instellingen aan de sociaal verzekerde die erom verzoekt alle dienstige inlichtingen moet verschaffen en zo nodig alle bijkomende informatie moet verschaffen maar er wordt nergens aangetoond dat het RSVZ deze verplichting niet zou hebben nageleefd. Het RSVZ heeft immers op basis van de informatie van het BBZ een beslissing genomen en nergens wordt aangetoond dat het RSVZ verkeerde informatie zou verstrekt hebben of bepaalde informatie niet zou verstrekt hebben aan de heer PVT. Dit afgezien van de vraag of de niet naleving van de informatieverplichting de mogelijkheid geeft aan het arbeidshof om de verhogingen kwijt te schelden. Ook de verwijzing naar artikel 17 wet handvest sociaal verzekerde kan niet aanvaard worden. De beslissing van het RSVZ is immers niet aangetast door een juridische of materiële vergissing. Het RSVZ heeft enkel gevolg gegeven aan een beslissing van een buitenlandse instelling waardoor het RSVZ niet kan verweten worden enige fout begaan te hebben. Er wordt trouwens geen fout aangetoond die door het RSVZ zou begaan zijn. Bij gebrek aan een vergissing of fout van het RSVZ kan voormeld artikel dan ook niet toegepast worden waardoor artikel 48 van het KB van 19 december 1967 moet toegepast worden en het arbeidshof de verhogingen niet kan kwijtschelden. Ten overvloede kan vastgesteld worden dat het RSVZ niets verweten kan worden waardoor de verhogingen, zo dit mogelijk moest zijn, niet kwijtgescholden hadden kunnen worden. Ten aanzien van de vraag tot kwijtschelding van de intresten, kan enkel vastgesteld worden dat ook hier geen kwijtschelding kan verleend worden aangezien het hier wettelijke intresten betreft en er geen rechtsgrond is op basis waarvan de intresten kunnen kwijtgescholden worden. Zoals vermeld kan de wet handvest sociaal verzekerde hier geen toepassing vinden. Weliswaar kunnen gerechtelijke intresten niet worden toegekend wanneer het uitblijven van de gerechtelijke beslissing te wijten is aan de nalatigheid van de eiser (Cass. 27 juni 1994, Arr. Cass. 1994, 663) maar in deze zaak kan het RSVZ geen nalatigheid verweten worden waardoor ook niet kan ingegaan worden op de kwijtschelding van de gerechtelijke intresten. De rechter mag geen rechtsplegingsvergoeding toekennen die lager is dan de door het KB 26 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat) vastgestelde vergoedingen. Aangezien partijen geen afwijking vragen van het basisbedrag en er ook geen redenen worden aangegeven om hiervan af te wijken, dient het basisbedrag toegekend te worden. Gelet op de grootte van het gevorderd bedrag, dient een rechtsplegingsvergoeding van 2.000 euro vastgesteld te worden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van het RSVZ ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de heer PVT ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 maart 2008 (AR 06/379842/A) behoudens wat de ontvankelijkheid en de kosten betreft. Opnieuw rechtsprekend, veroordeelt de heer PVT en de CVBA TTC hoofdelijk om aan het RSVZ het bedrag van 37.321,79 euro te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Veroordeelt de heer PVT en de CVBA TTC, hoofdelijk, in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek tot betaling van de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van het RSVZ 2.000 EUR rechtsplegingsvergoeding. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerden op 2.000 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door: mevrouw M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer D. TORFS, raadsheer, de heer W. MACHIELS, raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier. P. DEVOCHT W. MACHIELS D. TORFS M. ZEGERS en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 3 december
- PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div