id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101213.2 Rolnummer: 2010/AA/209 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-12-30 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-07-02 09:35 Fiche Op grond van artikel 28 van de arbeidsongevallenwet heeft het slachtoffer recht op terugbetaling van de kosten voor prothesen en orthopedische toestellen, waaronder begrepen moeten worden de kunstmiddelen en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die door het ongeval noodzakelijk zijn geworden om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen. In toepassing van artikel 35, 1ste lid, 4° van het KB van 21 december 1971, in de versie zoals van toepassing sinds 22 juni 2007, is de wetsverzekeraar sinds de aanvulling van deze bepaling door artikel 3 van het KB van 5 juni 2007 uit hoofde van aanpassingswerken aan de woning enkel gehouden tot tussenkomst in de kosten voor de plaatsing van een traplift of monolift. Het nieuwe artikel 35 van het KB van 21 december 1971 is als gevolg van het principe van de onmiddellijke werking van de nieuwe rechtsregel van toepassing op het geschil dat aanhangig werd gemaakt voordat de wijziging doorgevoerd bij artikel 3 van het KB van 5 juni 2007 uitwerking had. Onder verwijzing naar het nieuwe tweede lid van genoemd artikel 35 van het KB van 21 december 1971, dient immers vastgesteld te worden dat er geen sprake kan zijn van reeds verkregen rechten zolang er geen definitieve beslissing is geveld over het recht op vergoeding voor de noodzakelijke aanpassingswerken aan de woning op grond van de arbeidsongevallenwet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval Vrije woorden: Beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - schadeloosstelling - geneeskundige verzorging - last van de kosten voor prothesen en orthopedische toestellen - wetswijziging - limitatief karakter - temporele werking van de wet - onmiddellijke werking - (VI A) Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 28 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Koninklijk Besluit - 21-12-1971 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1971122105 Tekst van de beslissing AR nr. 2010/AA/209 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN in de zaak: NV A, met zetel gevestigd te 1170 Watermaal-Bosvoorde - Brussel, Vorstlaan 25, KBO nr. 0404.483.367, appellante, verschijnend bij mr. D. Freriks loco mr. A. Diercxsens, advocaat te Antwerpen, tegen:
- WG, wonende te 2660 Hoboken, Heidestraat 196, eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. H. Van De Wal loco mr. P. Engels, advocaat te Antwerpen,
- NV AB, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, en met uitbatingszetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Borzestraat 10, KBO nr. 0403.258.197, oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij, tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. J. De Wit loco mr. G. Van Doosselaere, advocaat te Antwerpen, Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 10 mei 2010, 28 juni 2010 en 27 september
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van WG betekend aan de NV A, thans de NV A genoemd, door L. Verhelst, gerechtsdeurwaarder te Sint-Pieters-Woluwe, op 23 januari 2001; - het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van de NV ABI, thans de NV AB genoemd, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 april 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 21 juni 2007 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij, vooraleer verder recht te spreken, mevrouw E. Berger als deskundige werd aangesteld; - het deskundig verslag van mevrouw E. Berger, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 27 juni 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 1 oktober 2009 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij, vooraleer verder recht te spreken, de heer F. Van den Heurck als architect-deskundige werd aangesteld en waarvan geen bewijs van betekening werd bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep, uitgaande van de NV A, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 april 2010, regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de besluiten voor de NV A, neergelegd op de openbare terechtzitting van 27 september 2010; - het schriftelijk advies van de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 oktober
- Gelet op de regelmatige oproeping van partijen overeenkomstig artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 27 september
- De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 27 september 2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak werd meegedeeld aan het openbaar ministerie. De heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, legde zijn schriftelijk advies neer ter griffie van dit hof op 25 oktober 2010, hetwelk op diezelfde dag ter kennis werd gegeven aan de partijen overeenkomstig artikel 767, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Partijen repliceerden niet binnen de voorziene repliektermijn van één maand, waarna het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
- Feiten en voorgaanden. WG, verder in dit arrest het slachtoffer genoemd, werd op 14 januari 1998 om 14.50 uur getroffen door een arbeidsongeval toen hij in dienst was van de NV TS als arbeider. De NV A, verder in dit arrest de wetsverzekeraar genoemd, is de arbeidsongevallenverzekeraar van de NV TS. Tijdens wegenwerken op de N16 te Bornem liep hij op een kruispunt over het zebrapad naar de andere kant van de weg. Een personenwagen stopte, doch een achterop komende vrachtwagen van de NV TV, waarvan de NV ABI, thans de NV AB genoemd, de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid is, reed in op de personenwagen, waardoor deze naar voor werd geslingerd en WG aanreed, waarbij deze onder de vrachtwagen terechtkwam en circa dertig meter werd meegesleurd. WG werd zwaar gewond overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij meerdere heelkundige ingrepen diende te ondergaan, waaronder de amputatie van zijn rechterbeen en o.a. ook diverse huidtransplantaties. Hij bleef verder volledig arbeidsongeschikt. Met schrijven van 10 januari 2001 stelde de NV A dat het slachtoffer in staat was het werk te hervatten op 22 januari
- Aangezien het slachtoffer van oordeel was dat hij verder 100% arbeidsongeschikt bleef, dagvaardde hij de wetsverzekeraar op 23 januari 2001 voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen teneinde te horen zeggen voor recht dat hij op 14 januari 1998 in dienst van de NV TS het slachtoffer werd van een arbeidsongeval en vorderde de veroordeling van de wetsverzekeraar tot betaling van de wettelijke vergoedingen, meer bepaald de vergoedingen voor de periode van tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid en de hulp van derden, vast te stellen door een deskundige. Verder vorderde hij de wetsverzekeraar te veroordelen tot betaling van de medische, farmaceutische en behandelingsonkosten en de kosten van het geding. Bedragen te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Hij vorderde verder, alvorens recht te spreken, de aanstelling van een gerechtsdeskundige met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen, aangevuld met een onderzoek naar de noodzaak van de hulp van derden en de eventueel te gebruiken prothesen en orthopedische toestellen. Tenslotte vorderde hij de uitvoerbaarverklaring van het uit te spreken vonnis. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 april 2006, kwam de NV ABI, thans de NV AB, vrijwillig tussen en vorderde de bekrachtiging van de besluiten van de bij vonnis van de politierechtbank van Mechelen d.d. 9 november 1999 aangestelde gerechtsdeskundige, dr. R. Mathijs. Partijen verklaarden zich tijdens de procedure voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen akkoord met de besluiten van dr. R. Mathijs genomen in zijn verslag voor de politierechtbank te Antwerpen. Met tussenvonnis van 21 juni 2007 oordeelden de eerste rechters dat verbouwingswerken aan de woning in principe beschouwd kunnen worden als prothese en stelden vast dat partijen het eens waren over de gevolgen van het arbeidsongeval op volgende basis: - tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% van 14 januari 1998 tot en met 21 januari 2001, van 80% van 22 januari 2001 tot en met 15 mei 2002 en van 100% van 16 mei 2002 tot en met 8 juni 2002; - consolidatiedatum: 9 juni 2002; - blijvende arbeidsongeschiktheid: 75%; - hulp van derden: "conform het verslag van dr. Mathijs"; - prothesen en orthopedische toestellen: - 2 lichtgewicht rolstoelen, 1 voor binnenshuis en 1 voor buitenshuis, te vervangen om de 4 jaar en met een jaarlijks onderhoud, een handbike of vijfde wiel om langere afstanden te kunnen overbruggen en om recreatief te kunnen fietsen, te vervangen om de 7 jaar en ook met een jaarlijks onderhoud, een zitkussen van het type Jay, te vervangen om de 4 jaar, en met overtrek, jaarlijks te vervangen, 1 paar elleboogkrukken en zijn wagen aan te passen volgens het CARA-attest; - aanpassing woning: bredere deuren, natte cel met brede zitplank en handgrepen "alsmede een keuken aangepast aan de noden van een rolstoelgebruiker". De eerste rechters namen kennis kregen van het verslag van de door de politierechtbank van Mechelen aangestelde ingenieur - architect, mevrouw Berger (die de precieze verbouwingswerken diende aan te duiden), maar zij waren evenwel van oordeel dat dit verslag op onvoldoende wijze duidelijk maakte welke precies de aanpassingen van het gelijkvloers van de woning van het slachtoffer dienden te zijn. Zij verklaarden de vordering van het slachtoffer ontvankelijk, verleenden akte aan de NV AB van haar vrijwillige tussenkomst, en stelden, vooraleer verder recht te spreken, ing.- arch. Berger aan als deskundige met de opdracht na te gaan en mee te delen: - "welke aanpassingen aan de gelijkvloerse verdieping precies nodig zijn ten gevolge van het arbeidsongeval dd. 14 januari 1998 en dit ten behoeve van een rolstoelgebruiker en de kostprijs hiervan te ramen (de meerkost die de woning geschikt maakt voor een rolstoelgebruiker), - meer specifiek tevens na te gaan welke aanpassingen van de keuken precies nodig zijn voor een rolstoelgebruiker en de kostprijs hiervan te ramen (een duidelijke opsplitsing te maken tussen de gewone renovatiekost ter aanpassing van de keuken aan de standaardnorm van normaal hedendaags comfort voor een doorsnee gebruiker en de zuivere meerkost in rechtstreeks verband met het rolstoelgebruik van het slachtoffer." Op 27 juni 2008 legde mevrouw Berger haar verslag neer ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen waarbij zij als volgt onderhavige zaak besprak: "Om te antwoorden op de vraag welke de meerkost is die de woning geschikt maakt voor een rolstoelgebruiker is het aangewezen gebruik te maken van de criteria zoals beschreven in de 'ontwerpgids levenslang wonen'. Aan de hand van deze criteria kunnen de noodzakelijke ingrepen met bijhorende kosten worden vastgesteld;" De deskundige komt tot de volgende bevindingen: "Algemeen besluit: De totale kost om het pand rolstoelklaar te maken, Exclusief de renovatiekost welke reeds aanwezig was bedraagt 136.965,200 Euro + 1.985,00 Euro = 138.950,00 Euro." Er werden verschillende opmerkingen geformuleerd op het verslag van gerechtsdeskundige Berger, o.a. door architect Fimmers voor de NV AB, de vrijwillig tussenkomende partij en de raadgevend architect Van de Velde voor het slachtoffer, waarbij een discussie ontstond tussen de raadgevende architecten en de gerechtsdeskundige. Doch ing.-arch. Bergers bleef bij haar standpunt. Met tussenvonnis van 1 oktober 2009 stelden de eerste rechters vast dat de deskundige uitging van een ideale, comfortabele woning waarin iedereen kan leven, maar dat zij in concreto en zeer precies diende na te gaan welke aanpassingen aan de woning (gelijkvloerse verdieping) nodig zijn ten gevolge van het arbeidsongeval van 14 januari 1998 en dit ten behoeve van een rolstoelgebruiker zoals voorzien in de opdracht gegeven in het tussenvonnis van 21 juni
- Zij waren van oordeel dat er geen duidelijk zicht was op de precieze aanpassingen aan de woning van het slachtoffer waardoor het deskundig verslag van de gerechtsdeskundige Berger niet dienstig werd bevonden. Het door de NV A en de NV AB in ondergeschikte orde gevraagde plaatsbezoek werd afgewezen als zijnde zinloos. De eerste rechters stelden de heer F. van den Heurck, ingenieur-architect, aan als nieuwe gerechtsdeskundige die kennis diende te nemen van het verslag van mevrouw E. Berger en na te gaan en mee te delen: - "welke aanpassingen aan de gelijkvloerse verdieping precies nodig zijn ten gevolge van het arbeidsongeval dd. 14 januari 1998 en dit ten behoeve van een rolstoelgebruiker en de kostprijs hiervan te ramen (de meerkost die de woning geschikt maakt voor een rolstoelgebruiker), - meer specifiek tevens na te gaan welke aanpassingen van de keuken precies nodig zijn voor een rolstoelgebruiker en de kostprijs hiervan te ramen (een duidelijke opsplitsing te maken tussen de gewone renovatiekost ter aanpassing van de keuken aan de standaardnorm van normaal hedendaags comfort voor een doorsnee gebruiker en de zuivere meerkost in rechtstreeks oorzakelijk verband met het rolstoelgebruik van het slachtoffer)." Het voormelde vonnis werd gemeen verklaard aan de NV AB en de beslissing betreffende de kosten werd aangehouden. Bovendien werd het uitgesproken tussenvonnis van 1 oktober 2009 voorlopig uitvoerbaar verklaard. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 april 2010, tekende de NV A hoger beroep aan tegen voormelde tussenvonnissen van 21 juni 2007 en 1 oktober
- Eisen in hoger beroep. - De NV A, appellante, vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, vervolgens het onderdeel van de bestreden tussenvonnissen waarin werd geoordeeld dat de verbouwings- of aanpassingswerken aan de woning zouden gelijk te stellen zijn met prothesen die op grond van artikel 28 Arbeidsongevallenwet ten laste zouden vallen van de arbeidsongevallenverzekeraar teniet te doen en opnieuw rechtsprekend: te zeggen voor recht dat op grond van dit artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet juncto artikel 25, § 1 4° van het K.B. van 10 december 1987 wat de woonaanpassingen betreft enkel de traplift en monolift als prothese te erkennen zijn, welke in casu niet aan de orde zijn, en aldus ieder gevorderde met betrekking tot deze verbouwingswerken van de woning als ongegrond af te wijzen, alsook het vonnis gemeen te horen verklaren aan de vrijwillig tussenkomende partij, de NV AB. Daarnaast vordert appellante voor recht te zeggen dat de gevolgen van het arbeidsongeval waarvan WG het slachtoffer is geweest op 14 januari 1998 vergoed dienen te worden, rekening houdende met de vaststaande en door de betrokken partijen aanvaarde gegevens inzake tijdelijke arbeidsongeschiktheid, hulp van derden, prothese orthopedische toestellen en het basisloon, die in detail worden weergegeven op bladzijde 7 van de beroepsconclusies, neergelegd ter zitting d.d. 27 september
- In ondergeschikte orde, indien de vordering van geïntimeerde inzake de woonaanpassingen ten haren opzichte toch principieel gegrond zou verklaard worden, de kostprijs van deze aanpassingswerken, welke noodzakelijk worden door de gevolgen van het arbeidsongeval en het verplicht rolstoelgebruik van het slachtoffer, zou begroot worden op 50.000 EUR in hoofdsom en intrest, alles inbegrepen. Tevens vraagt appellante de uitspraak gemeen te verklaren aan de NV AB. - WG, eerste geïntimeerde, legde geen conclusie neer en gedroeg zich op de zitting van 27 september 2010 naar de wijsheid van het hof. - De NV AB, tweede geïntimeerde, legde geen conclusie neer en gedroeg zich op de zitting van 27 september 2010 naar de wijsheid van het hof.
- Beoordeling. 4.
- Voorwerp van de betwisting. Het geschil beperkt zich tot de vraag of appellante als arbeidsongevallenverzekeraar op basis van de arbeidsongevallenwetgeving al dan niet gehouden is om de kosten van de door het arbeidsongeval noodzakelijk geworden aanpassingswerken aan de woning van het slachtoffer ten laste te nemen. Over de andere tussenkomsten op basis van de arbeidsongevallenwetgeving door de wetsverzekeraar bestaat er geen betwisting tussen partijen. Daarbij wordt verwezen naar het deskundig verslag van dr. Mathys, die als gerechtsdeskundige inzake de behandeling van de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding in gemeen recht werd aangesteld, en de daarin bepaalde tijdelijke arbeidsongeschiktheid, consolidatiedatum, blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, hulp van derden en de limitatieve lijst van prothesen en orthopedische toestellen. Ook over het bedrag van het basisloon bestaat er geen betwisting tussen partijen (cfr. het tussenvonnis van 21 juni 2007). In het genoemde deskundig verslag met betrekking tot de vordering in gemeen recht van het slachtoffer werd evenwel ook voorzien dat een "aanpassing van de woning, zijnde bredere deuren, natte cel met brede zitplank en handgrepen, alsmede een keuken aangepast aan de noden van een rolstoelgebruiker" als een noodzakelijk hulpmiddel kon toegekend worden. Uit de motivering van het tweede tussenvonnis van 1 oktober 2009 blijkt dat huidig appellante voor de eerste rechters voorhield dat zij helemaal niet gehouden was tot tussenkomst in deze aanpassingswerken van de woning. Zij argumenteerde dat op grond van artikel 35, eerste lid, 4° van het K.B. van 10 december 1987 (lees: 21 december 1971), zoals toegevoegd bij artikel 3 van het K.B. van 5 juni 2007, "het duidelijk moge zijn dat in het kader van de Arbeidsongevallen, verbouwingswerken aan de woning als dusdanig niet onder het begrip "prothese" vallen, met uitzondering thans van die aanpassingen zoals expliciet en limitatief in dit (K.B.) van 05.06.2007 werden vermeld, met name enkel een traplift en een monolift." (bestreden tussenvonnis dd. 1 oktober 2009, p. 20). 4.
- De toepasselijke wettelijke bepalingen en hoe deze dienen te worden geïnterpreteerd. Artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt dat de getroffene recht heeft op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen en, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, op de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn. Artikel 35 van het K.B. van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, luidt in zijn huidige versie als volgt: "Worden als prothese of orthopedisch toestel aangezien: 1° de eigenlijke prothese of het eigenlijke orthopedisch toestel; 2° alle functionele bijhorigheden; 3° het reservetoestel, naargelang van de aard van de letsels. 4° De volgende aanpassingen aan de woning: - de traplift; - de monolift. Het slachtoffer heeft recht op prothesen of orthopedische toestellen waarvan de noodzakelijkheid erkend wordt op het ogenblik van de bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen of van de beslissing bedoeld in artikel 24 van de wet of op elk ander ogenblik." Het vierde punt van het eerste lid van dit artikel, alsook het tweede lid ervan zijn ingevoegd bij artikel 3 van het K.B. van 5 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake arbeidsongevallen. Overeenkomstig artikel 22 treedt dit besluit in werking op de dag dat het bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad, zijnde 22 juni
- Voor de toepassing van artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet wordt onder prothese of orthopedisch toestel begrepen de kunstmiddelen en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die als gevolg van het arbeidsongeval nodig zijn om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen (Cass. 15 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 180, R.W. 1990-91, 1166, concl. H. LENAERTS en Soc. Kron. 1991, 54; Cass. 23 januari 1995, Arr. Cass. 1995, 59, en R. W. 1995-96, 499). De beoordeling of een prothese noodzakelijk is, gebeurt niet in functie van enige professionele activiteit maar in functie van de mogelijkheid om adequaat de overblijvende lichaamsfuncties te gebruiken. De rechter beschikt bijgevolg over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid inzake de noodzakelijkheidsvoorwaarde voor het slachtoffer om te beschikken over deze of gene prothese. In die context oordeelt de gevestigde rechtspraak sinds meerdere jaren dat de noodzakelijkheid van een prothese eveneens moet worden beoordeeld in functie van het criterium van een aangepast sociaal leven waarop ieder recht heeft. De toestellen en hulpmiddelen die nodig zijn ten gevolge van het ongeval kunnen ook tot doel hebben de herinschakeling van de getroffene in een zo normaal mogelijk leven te bevorderen. De problematiek van het ten laste nemen als prothese van de aanpassingen aan de woning van het slachtoffer heeft, naast een meer gematigde rechtspraak (Zie o.a. Arbrb. Brussel 14 januari 2003, De Verz. 2004, 73 (nr. 346), geleid tot een zeer sociale rechtspraak waarbij sommige rechtbanken besloten om belangrijke structuuraanpassingen aan een onroerend goed ten laste te leggen van de wetsverzekeraar. Het openbaar ministerie verwijst in dit verband naar recente cassatierechtspraak waarin bevestigd wordt dat de bouw van een aangepaste badkamer in bepaalde omstandigheden een hulpmiddel kan zijn dat nodig is om het gebruik of de functies van de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen van het slachtoffer van een arbeidsongeval te bevorderen, zodat het middel dat er van uitgaat dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van de getroffene in geen geval kan beschouwd worden als prothese, faalt naar recht (Cass. 22 juni 2009, A.R. nr. S.08.0139.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.8, www.juridat.be). Deze evolutie in de rechtspraak naar een ruime interpretatie van het begrip 'prothesen en orthopedische toestellen' werd in de rechtsleer op kritiek onthaald. Door dergelijke kosten ten laste te leggen van de arbeidsongevallenverzekeraar zou het forfaitair karakter van het vergoedingssysteem van de arbeidsongevallenwetgeving en het beoogde noodzakelijk financieel evenwicht tussen de vergoeding waarop het slachtoffer recht heeft en de economische last die deze vertegenwoordigt voor zijn werkgever kunnen miskend worden (L. VAN GOSSUM, "Opmerkingen over de tussenkomst van de wetsverzekeraar in de onroerende aanpassingen van de woning van het slachtoffer", De Verz. 2009, 35). De wetgever heeft met de aanvulling van artikel 35 van het uitvoeringsbesluit door artikel 3 van het K.B. van 5 juni 2007 duidelijk een einde willen maken aan de ruime interpretatie welke voordien in bepaalde rechtspraak aan het begrip 'prothesen of orthopedische toestellen' werd gegeven inzake aanpassingswerken van de woning van het slachtoffer (L. VAN GOSSUM, o.c, 36). In deze aanvulling wordt immers gepreciseerd dat enkel een traplift en een monolift als aanpassingen van de woning kunnen beschouwd worden als de "prothesen of orthopedische toestellen" geviseerd in artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet. Uit het voorgaande volgt ook onbetwistbaar dat artikel 35 van het KB van 21 december 1971 zoals aangevuld door artikel 3 van het K.B. van 5 juni 2007 een limitatief karakter heeft (G. HULLEBROECK., "Arbeidsongevallen Verzekering - De schadeloosstelling", in X, Kluwers Verzekeringshandboek, II.4.5 - 30a, waarin wordt gesteld dat de andere aanpassingen van de woning - andere dan een trap- of monolift - niet in aanmerking komen voor vergoeding op basis van de arbeidsongevallenwetgeving, waarbij er aan toegevoegd wordt dat het slachtoffer voor de vergoeding van deze kosten zich kan wenden tot andere overheidsinstellingen, zoals bvb. het Vlaams Fonds voor reclassering van personen met een handicap, thans het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap). Het hof oordeelt dan ook dat voor wat de aanpassingen aan de woning betreft, de tussenkomst van de wetsverzekeraar beperkt is tot de kosten voor plaatsing van een traplift of monolift gelet op de duidelijke tekst van artikel 35, eerste lid, 4° van het K.B. van 21 december 1971(Arbh. Antwerpen 20 oktober 2008, De Verz. 2009, 31). Nu de arbeidsongevallenwetgeving van openbare orde is, dringt zich overigens een strikte interpretatie op van de litigieuze bepaling. De eerste rechters waren van oordeel dat niets toelaat dat de Koning bij besluit een limitatieve lijst zou opstellen van deze prothesen en orthopedische toestellen om tot het besluit te komen dat de lijst opgenomen in artikel 35, eerste lid, 4° van het K.B. van 21 december 1971 niet beperkend kan zijn met betrekking tot de aanpassingswerken welke ten laste van de wetsverzekeraar kunnen gelegd worden. Het hof treedt dit standpunt niet bij. Artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet geeft immers juist het mandaat aan de Koning om de voorwaarden te bepalen van de vergoedingsplicht in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving met betrekking tot de 'prothesen of orthopedische toestellen' die ingevolge het ongeval nodig zijn. De wetgever heeft op dat vlak zijn bevoegdheid gedelegeerd aan de Koning, zodat niets er aan in de weg staat dat in een uitvoeringsbesluit ook beperkende voorwaarden worden geformuleerd voor wat het recht op deze 'prothesen of orthopedische toestellen' aangaat. 4.
- De toepassing van de wet in de tijd. De vraag stelt zich of het oude dan wel het nieuwe artikel 35 van het K.B. van 21 december 1971 van toepassing is op huidig geschil. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel, waarbij retroactiviteit, eerbiedigende en uitgestelde werking de uitzonderingen zijn die uitdrukkelijk moeten bepaald zijn of minstens duidelijk blijken uit de bewoordingen of de strekking van de norm. Uitgangspunt is daarbij dat de regelgever de principiële vrijheid geniet om zijn regelgeving te wijzigen en zijn beleid aan te passen aan de wisselende omstandigheden van het algemeen belang (P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, reeks A.P.R., Antwerpen, E. Story-Scientia, 1999, 39 (nr. 57) en de aldaar geciteerde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof). In de eerste plaats moet de norm zelf worden onderzocht op aanwijzingen over de temporele functie en het door de normgever determinerend geachte aanknopingspunt. Wanneer het evenwel onduidelijk is welk aanknopingspunt de regelgever als meest relevant beschouwde, moet teruggegrepen worden naar het rechtsfeit dat gewoonlijk in rechtspraak of rechtsleer wordt beschouwd als het juridisch zwaartepunt van de rechtsverhouding (P. POPELIER, o.c., 41 (nr. 60). Het nieuwe, door artikel 3 van het K.B. van 5 juni 2007 ingevoegde tweede lid van artikel 35 van het KB van 21 december 1971 is in dat opzicht relevant. Daarin wordt immers aangegeven dat het slachtoffer van een arbeidsongeval recht heeft op prothesen en orthopedische toestellen waarvan de noodzakelijkheid erkend wordt op het ogenblik van de bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen of van de beslissing bedoeld in artikel 24 van de wet of op elk ander ogenblik. Hieruit kan afgeleid worden dat het meest relevante aanknopingspunt ter zake het ogenblik is waarop het recht op prothesen en orthopedische toestellen in het juridisch verkeer definitief wordt vastgelegd (de homologatie van het tussen partijen tot stand gekomen akkoord of de definitieve beslissing van de bevoegde rechtbank over de vergoedingen waarop aanspraak kan gemaakt worden door het slachtoffer naar aanleiding van het ongeval). Zoals het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies preciseert, valt dit aanknopingspunt trouwens te rijmen met het standpunt dat op dit vlak ook gehanteerd wordt door de rechtspraak en de rechtsleer in de materie van de onrechtmatige daad. Voor het vaststellen van de toepasselijke wet om de aansprakelijkheid te bepalen en de vraag te beantwoorden of al dan niet een schadeloosstelling verschuldigd is geldt als relevant rechtsfeit (aanknopingspunt) de schadeveroorzakende daad. Maar voor wat de betalingsmodaliteiten en de berekening van de vergoeding betreft wordt gekeken naar het moment waarop de betaling wordt gedaan of de vergoeding definitief wordt vastgesteld, ongeacht het ogenblik waarop het schadeverwekkend feit zich heeft voorgedaan (P. POPELIER, o.c., 41 (nr. 60) en de aldaar geciteerde rechtspraak). Het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke werking van de nieuwe rechtsregel heeft in onderhavige zaak derhalve tot gevolg dat toepassing moet gemaakt worden van artikel 35 van het KB van 21 december 1971, zoals gewijzigd en aangevuld door het K.B. van 5 juni 2007, daar er geen definitieve beslissing werd genomen of uitspraak werd gedaan over het recht op vergoeding voor de noodzakelijke aanpassingswerken aan de woning op grond van de Arbeidsongevallenwet en er geen sprake kan zijn van reeds verkregen rechten (Zie ook Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 20 oktober 2008, De Verz. 2009, 31). 4.
- De vordering tot vergoeding van de aanpassingswerken aan de woning van het slachtoffer op grond van de Arbeidsongevallenwet. De aanpassingswerken aan de woning van WG hebben geen betrekking op een traplift of monolift. Nu artikel 35, eerste lid, 4° van het K.B. van 21 december 1971 voorziet dat het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van de arbeidsongevallenwet ten aanzien van de wetsverzekeraar enkel recht heeft op een vergoeding voor aanpassingswerken van zijn woning wanneer deze slaan op het installeren van een traplift of monolift, dient de oorspronkelijke vordering van WG op dit punt afgewezen te worden als ongegrond. Er bestaat dan ook geen aanleiding toe een gerechtsdeskundige aan te stellen ter beschrijving en begroting van welke verbouwingswerken aan de woning in onderhavige procedure voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. 4.
- De (resterende) oorspronkelijke vordering van WG. Vermits de bestreden tussenvonnissen van de arbeidsrechtbank er zich toe beperkt hebben de vordering ontvankelijk te verklaren en alvorens verder recht te spreken een deskundigenonderzoek te bevelen over de raming van de kosten van de noodzakelijke aanpassingswerken aan de woning van het slachtoffer, en het hof de door de eerste rechters bevolen onderzoeksmaatregel zelfs niet gedeeltelijk bevestigt, moet het hof ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep uitspraak doen over de oorspronkelijke vordering van het slachtoffer. Zoals hoger reeds werd vermeld, bestaat er buiten het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de aanpassingswerken aan de woning, geen betwisting tussen de partijen. In dit verband wordt verwezen naar de vaststellingen gedaan door gerechtsdeskundige dr. Mathys in gemeen recht. Rekening houdend met de beoordelingscriteria zoals van toepassing in de arbeidsongevallenwetgeving, bepaalt het hof de gevolgen van het arbeidsongeval waarvan WG het slachtoffer werd op 14 januari 1998 als volgt: - tijdelijke arbeidsongeschiktheid: - 100% van 14 januari 1998 tot 21 januari 2001; - 80% van 22 januari 2001 tot 15 mei 2002; - 100% van 16 mei 2002 tot 8 juni 2002; - datum van consolidatie: 9 juni 2002; - blijvende (economische) arbeidsongeschiktheid: 75%; - hulp van derden: - dagelijks vier uur familiale hulp voor bereiden van de maaltijden en licht huishoudelijk werk, zonder aanpassingen van de keuken; - bij aanpassing van de keuken kan de familiale hulp beperkt worden tot 2 uur licht huishoudelijk werk per dag; - 8 uur per week poetshulp; - ofwel uitgedrukt in percentages: 50%, zonder aanpassingen van de keuken of 25% met de nodige aanpassing van de keuken; - prothesen en orthopedische toestellen: - 2 lichtgewicht rolstoelen, 1 voor binnenshuis alsmede 1 voor buitenshuis te vervangen om de 4 jaar, jaarlijks onderhoud; - een handbike of 5° wiel om langere afstanden te kunnen overbruggen alsmede om recreatief te kunnen fietsen, te vervangen om de 7 jaar, jaarlijks onderhoud; - fietskussen type Jay met overtrek: het zitkussen om de 4 jaar te vervangen, de overtrek jaarlijks te vernieuwen; - 1 paar elleboogkrukken; - wagenaanpassing volgens het attest Cara; - basisloon: 23.921,97 EUR, zijnde het wettelijk plafond voor het jaar
- Gelet op wat voorafgaat, komt het hoger beroep gegrond voor en bestaat er aanleiding toe de bestreden tussenvonnissen te vernietigen. 4.
- Rechtsplegingsvergoeding. Het hof stelt vast dat enkel aan de zijde van WG de rechtsplegingsvergoeding werd begroot voor de procedure in eerste aanleg. Aangezien er geen redenen zijn om af te wijken van het basisbedrag zoals voorzien in artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S., 9 november 2007), vereffent het hof de gevorderde rechtsplegingsvergoeding op 218,64 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gelezen het eensluidend schriftelijk advies van substituut-generaal F. SLACHMUYLDERS, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 oktober 2010, waarop partijen niet repliceerden. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt de bestreden tussenvonnissen van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 21 juni 2007 en 1 oktober 2009 (AR 06/383432). Trekt de zaak aan zich ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep overeenkomstig artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Opnieuw rechtsprekend over de oorspronkelijke vordering van WG: Verklaart deze vordering ongegrond in zoverre zij betrekking heeft op de verbouwings- en aanpassingswerken aan de woning. Verklaart deze vordering voor het overige gegrond. Zegt voor recht dat de gevolgen van het arbeidsongeval waarvan WG het slachtoffer werd op 14 januari 1998 dienen vergoed te worden door de NV A op volgende basis: - tijdelijke arbeidsongeschiktheid: - 100% van 14 januari 1998 tot 21 januari 2001; - 80% van 22 januari 2001 tot 15 mei 2002; - 100% van 16 mei 2002 tot 8 juni 2002; - datum van consolidatie: 9 juni 2002; - blijvende (economische) arbeidsongeschiktheid: 75%; - hulp van derden: - dagelijks vier uur familiale hulp voor bereiden van de maaltijden en licht huishoudelijk werk, zonder aanpassingen van de keuken; - bij aanpassing van de keuken kan de familiale hulp beperkt worden tot 2 uur licht huishoudelijk werk per dag; - 8 uur per week poetshulp; - ofwel uitgedrukt in percentages: 50%, zonder aanpassingen van de keuken of 25% met de nodige aanpassing van de keuken; - prothesen en orthopedische toestellen: - 2 lichtgewicht rolstoelen, 1 voor binnenshuis alsmede 1 voor buitenshuis te vervangen om de 4 jaar, jaarlijks onderhoud; - een handbike of 5° wiel om langere afstanden te kunnen overbruggen alsmede om recreatief te kunnen fietsen, te vervangen om de 7 jaar, jaarlijks onderhoud; - fietskussen type Jay met overtrek: het zitkussen om de 4 jaar te vervangen, de overtrek jaarlijks te vernieuwen; - 1 paar elleboogkrukken; - wagenaanpassing volgens het attest Cara; - basisloon: 23.921,97 EUR, zijnde het wettelijk plafond voor het jaar
- Verklaart het arrest gemeen aan de NV AB. Verwijst appellante in de kosten van beide aanleggen met toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Vereffent deze kosten aan de zijde van WG op 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober
- Laat de kosten aan de zijde van de NV A en de NV AB onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Legt de kosten van de deskundige mevr. E. BERGER, begroot op 4.723,24 EUR, ten laste van de NV A. Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, C. SERROYEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier R. VAN TRIEST C. SERROYEN P. DEVOCHT M. ZEGERS en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 13 december
- PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101213.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div