← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101214.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101214.9 Rolnummer: 2007/AA/582 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-01-10 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 14:20 Fiche Het gelijkheidsbeginsel komt niet in het gedrang, wanneer de reglementering van de Nomenclatuur door het objectief verloop van de tijd tussen de oude en de nieuwe regeling een verschil in behandeling rechtvaardigt die geen verband houdt met de intrinsieke eigenschappen van de aanvrager. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - COORDINATIE ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - nomenclatuur - weigering terugbetaling kosten contactlenzen - oude reglementering - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 34 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 14-09-1984 - 30 - 30 ELI link Pub nr 1984022288 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2007/AA/582 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak: J. D., wonend te appellant, op de zitting van 28 september 2010 persoonlijk aanwezig en bijgestaan door mr. R. S., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, Postbus 40, geïntimeerde, op de zitting van 28 september 2010 vertegenwoordigd door mr. E. D., advocaat te 2050 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 december 2007, 28 september 2010 en 26 oktober 2010; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 oktober 2007 (A.R. nr. 06/381.069/A); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 5 november 2007; - de 'beroepsconclusie' voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 23 juli 2008; - de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt door de voorzitter van de kamer op 22 september 2009 en ter kennis gebracht van partijen op 24 september 2009; - de 'beroepsconclusie' voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 26 oktober 2009; - de 'beroepsconclusie' voor appellant, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 4 november 2009; - de 'aanvullende tevens synthese beroepsconclusie' voor appellant, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 december 2009; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2010, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 26 oktober 2010; - de 'nota na advies Procureur-generaal' voor appellant, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 8 november
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van: - het administratief dossier van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen); - de stukkenbundel van de raadsman van J. D. bestaande uit 14 genummerde stukken, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 23 augustus
  3. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 28 september
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2010 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 5 november 2007, tekende J. D. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 oktober 2007, gekend onder A.R. nr. 06/381.069/A. Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 10 oktober
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer J. D. draagt sinds 1994 op het linkeroog een gasdoorlatende sclerale contactlens ter correctie van een onregelmatige vervorming van de cornea na transplantatie. Betrokkene heeft bij zijn ziekenfonds een aanvraag ingediend tot terugbetaling van een nieuwe harde gasdoorlatende sclerale contactlens; de lens werd voorgeschreven door dokter Koppens op 2 augustus 2004 en afgeleverd op 3 augustus 2004 door Contactlens Studio te Antwerpen; de kostprijs bedroeg 688 euro. Bij beslissingen van 20 oktober 2004, 3 november 2004, 31 januari 2005 en 9 mei 2005 van de Christelijke Mutualiteit Antwerpen werd deze aanvraag geweigerd op grond van artikel 30, §8 van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen (K.B. 14 september 1984). Met verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 augustus 2005 tekende J. D. beroep aan tegen voornoemde beslissingen. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 5 oktober 2007 werd(en): - de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gelegd; de kosten werden aan de zijde van J. D. vereffend op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding; aan de zijde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten werden de kosten niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 5 november 2007 tekende J. D. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  8. Eisen in hoger beroep J. D. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens de bestreden beslissingen te vernietigen en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten te veroordelen tot terugbetaling aan J. D. van de aan hem op 3 augustus 2004 afgeleverde sclerale contactlens ten bedrage van 688,00 euro; - de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten te veroordelen tot de kosten van het geding. Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep van appellant af te wijzen als ongegrond; - het bestreden vonnis te bevestigen in alle beschikkingen.
  9. Ten gronde Het voorwerp van het geschil betreft de ongunstige beslissingen van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten waarbij de aanvraag van appellant tot terugbetaling van de kosten van een sclerale contactlens - afgeleverd op 3 augustus 2004 - werd geweigerd op grond van artikel 30 van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeits-verzekering. Overeenkomstig artikel 34 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, betreffen de geneeskundige verstrekkingen zowel de preventieve als de curatieve verzorging. Zij bestaan onder meer uit 'verstrekken van brillen en andere oogprothesen, hoortoestellen, implantaten, wagentjes, bandagen, orthesen en uitwendige prothesen' (artikel 34, eerste lid 4° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). Overeenkomstig artikel 35 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 stelt de Koning de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vast. Die nomenclatuur somt de verstrekkingen op, bepaalt de betrekkelijke waarde ervan en stelt met name de toepsassingsregelen ervan vast, alsook de bekwaming waarover de persoon dient te beschikken die gemachtigd is om elk van die verstrekkingen te verrichten. Uit samenlezing van de artikelen 34 en 35, §1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 volgt dat de verzekering voor geneeskundige verzorging enkel de geneeskundige verstrekkingen dekt die voorkomen in de door de Koning vastgestelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen. Overeenkomstig artikel 30, §8 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals van toepassing op datum van aanvraag, mogen contactlenzen slechts worden vernieuwd als ze tenminste 1 dioptrie verschillen, waarbij het verschil wordt geëvalueerd volgens het brekend vermogen van de contactlens. Evenwel mogen de harde lenzen worden vernieuwd na een termijn van vijf jaar na de datum van de vorige levering; voor de zachte lenzen wordt die termijn teruggebracht tot drie jaar. Partijen betwisten niet dat appellant op 21 mei 2003 een vergoeding heeft ontvangen van de geneeskundige verzorging voor een harde gasdoorlatende sclerale lens, dewelke werd voorgeschreven door dokter Koppen op 18 april
  10. De aflevering van een nieuwe lens, eveneens voorgeschreven door dokter Koppen, gebeurde op 3 augustus
  11. Vermits er slechts 15 maanden liggen tussen de vorige levering en de huidige vraag tot tegemoetkoming en er ook geen verschil in dioptrie was, heeft geïntimeerde de vraag tot terugbetaling van de sclerale harde lens terecht geweigerd. Appellant laat tevergeefs gelden dat er geen toepassing kan gemaakt worden van het koninklijk besluit van 22 november 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 januari 1991 voorhoudende dat hierdoor afbreuk zou gedaan worden aan een reeds verworven recht op terugbetaling ingevolge vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 6 februari
  12. Immers, de aanvraag tot tussenkomst naar aanleiding van de recentste aflevering van de lens op 3 augustus 2004 is een nieuw rechtsfeit dat moet beoordeeld worden aan de hand van de reglementering van toepassing op datum van de aanvraag. De temporele functie van de nieuwe reglementering (K.B. 22 november 1999) bepaalt de toepassing van de wet in de tijd: onmiddellijke werking op de rechtsfeiten die zich voordoen sedert de inwerkingtreding. Het verkregen recht van appellant op een tussenkomst in het verleden wordt niet aangetast door op zijn nieuwe aanvraag de nieuwe reglementering toe te passen. Het arbeidshof sluit zich aan bij volgende overwegingen van het openbaar ministerie (stuk 3 dossier rechtspleging arbeidshof: schriftelijk advies van 26 oktober 2010 van P. Van Den Bon): "Het is eigen aan de evolutie van de wetgeving dat door een wijziging van een bestaande regeling, of de invoering van een nieuwe regeling, steeds een onderscheid wordt gemaakt tussen rechtzoekenden die onder de oude regeling vallen en zij die onder de nieuwe regeling vallen. Het is niet omdat appellant bij een vorige afgewerkte "behandeling" onder een andere, voor hem meer voordelige regeling viel, dat hij bij een nieuwe "behandeling" van dezelfde voordelige regeling moet kunnen blijven genieten, zelfs als die niet meer bestaat. Het tegendeel is geen discriminerende behandeling. Het verloop van de tijd wordt als een objectief gegeven beschouwd dat een verschil in maatregelen rechtvaardigt. Het gelijkheidsbeginsel komt niet in het gedrang, wanneer, zoals in casu, de reglementering wordt aangepast om redenen die vreemd zijn aan appellant, maar die verband houden met objectieve gegevens zoals het verloop van de tijd tussen de oude en de nieuwe regeling. Zie, mutatis mutandis: Grondwettelijk Hof nr. 86/95, 21 december 1995, B.S., 19 januari 1996 en nr. 20/96, 21 maart 1996, B.S., 3 mei
  13. In die optiek heeft ook het vonnis van 6 februari 1998 in deze geen enkele relevantie, laat staan dat het hof er op één of andere wijze zou door gebonden zijn." De nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vormt een formele regel die aan de rechter geen vrijheid laat om een uitspraak te doen naar 'billijkheid' of op grond van 'sociale overwegingen'. De nomenclatuur raakt de openbare orde en moet bijgevolg strikt geïnterpreteerd worden. De strikte naleving van de nomenclatuur, situeert zich in het breder perspectief van de problematiek van de betaalbaarheid van de gezondheidszorg en de continuïteit van de verzorgingsstaat. Het door appellant in ondergeschikte orde ingeroepen adagium 'nood breekt wet' is in deze niet van toepassing. Appellant kreeg een aangepaste medische verzorging en was klaarblijkelijk in de mogelijkheid om zijn gasdoorlatende sclerale lens te vernieuwen zodat er geen sprake is van een 'noodsituatie'. Samenvattend besluit het arbeidshof dat appellant niet voldoet aan artikel 30, §8 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor genees-kundige verzorging en uitkeringen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 22 november 1999, zodat het hoger beroep ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 26 oktober
  14. De raadsman van appellant heeft op 8 november 2010 schriftelijk gerepliceerd op het advies. Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 oktober 2007 (A.R. nr. 06/381.069/A). Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van geïntimeerde worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever, R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, J. VERELST R. DE SCHUTTER J. DE GRAEF G. ADRIAENSENS en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend en tien. PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101214.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.