← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101220.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101220.9 Rolnummer: 2009/AH/239 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-11-22 Raadplegingen: 327 - laatst gezien 2026-07-02 05:50 Fiches 1 - 3 De door de werknemer in een vlaag van zinsverbijtering en als escalatie van een stresstoestand op de werkplaats ondernomen zelfmoordpoging vormt een arbeidsongeval. Om aan de betaling van vergoedingen te kunnen ontsnappen, dient de verzekeraar het bestaan van opzet in hoofde van de werknemer te bewijzen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVESECTOR - begripsomschrijving - arbeidsongeval - bewijs - zelfmoordpoging - VI A Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 7 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Ongeval op de weg Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVESECTOR - begripsomschrijving - vermoeden van ongeval - zelfmoordpoging - VI A Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder VI A - artikel 7 - VI A - artikel 9 en onder VI A - artikel

  1. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVESECTOR - burgerlijke aansprakelijkheid - opzettelijk veroorzaakt ongeval - bewijs - zelfmoordpoging - VI A Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 48 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Annotaties Publicaties: Limb. Rl. 2011 - - blz. 247-261 Limb. Rl.2011 - - blz. 247-261 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2009/AH/239 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak: N.V. E, met maatschappelijke zetel gevestigd te , appellante, vertegenwoordigd door mr. , tegen: M V G, wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 28 mei 2009 gekend onder A.R. 07/2263/A uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift per post ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 juli 2009 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingsstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 22 november
  2. PROCESVERLOOP - ANTECEDENTEN Geïntimeerde M V G houdt voor op 23 oktober 2006, toen hij nog in dienst was van de Watering van het Grootbroek, het slachtoffer te zijn geworden van een arbeidsongeval. Na een vergadering ontstond er een woordentwist tussen V G en de ere-voorzitter van de Watering, waarna V G naar het toilet ging, zichzelf met benzine overgoot en voor de ogen van de voorzitter en de ondervoorzitter zichzelf in brand stak. De hulpdiensten kwamen ter plaatse, V G werd gered maar liep zware brandwonden op. V G werd in coma gehouden in het brandwondencentrum van het UZ Gasthuisberg te Leuven tot 28 januari
  3. Er werden door de politie Noord Limburg, afdeling Bree getuigen van de feiten gehoord. Op 12 april 2007 werd V G door de politie te Leuven verhoord omtrent de feiten, zijn verklaring luidde als volgt: "De feiten dewelke gebeurd zijn op 23.10.2006 vinden hun oorsprong in de aankoop van een perceel grond en een loods een drietal jaren geleden. Als ontvanger-griffier van het Openbaar Bestuur van de Watering van het Grootbroek kreeg ik de opdracht om in deze loods een bureel te bouwen. Ik kreeg toen van de toenmalige voorzitter S J, carte blanche om deze werken uit te voeren. Bij wisseling van de voorzitter vond ik dat ik de nieuwe voorzitter en ondervoorzitter bij de uitvoering van de werken moest betrekken. Wanneer wij samen kwamen en zij met de offertes geconfronteerd werden bleken deze te hoog te zijn. Daarop werd er een dringende bestuursvergadering belegd in de avond van 23.10.
  4. Een voorvergadering met de huidige voorzitter, ondervoorzitter en enkele bestuursleden was gepland op 23.10.2006 om 10.00 u in de gebouwen van het bestuur. De aanwezige leden in de voorvergadering waren verdeeld in twee kampen. De ene partij vond alles te duur, terwijl de andere groep vond dat het wel ging. Ik zei tegen de aanwezigen, dat wanneer het niet werd goedgekeurd, de officiële weg diende gevolgd te worden (bestek, aanbesteding en dergelijk meer). Dit zou voor alle partijen te lang duren. Niemand vond een uitweg. Zo werd uiteindelijk de vergadering besloten en toen zijn bij mij de stoppen doorgeslagen. Wat er nadien gebeurd is weet ik niet meer. Ik weet dat ik op 28.01.2007 uit de coma ontwaakte in het UZ Gasthuisberg te Leuven. Men had mij kunstmatig in coma gehouden om mijn genezingsproces te bevorderen." Op het bureel van V G werden door de politie Bree nog enkele brieven aangetroffen waaruit spanning bleek tussen V G en het Bestuur van De Watering van het Grootbroek. Appellante N.V. E erkende de feiten van 23 oktober 2006 NIET als een arbeidsongeval, omdat V G zelf opzettelijk de wanhoopsdaad zou gepleegd hebben. V G is het met deze stelling niet eens en op 7 december 2007 dagvaardde hij E, onderlinge verzekeringsmaatschappij, thans N.V. E, voor de arbeidsrechtbank te Tongeren, om te horen zeggen voor recht dat hij op 23 oktober 2006 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. De tijdelijke volledige, de tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid alsook de consolidatiedatum en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid dienden nog bepaald te worden in de loop van het geding, rekening houdende met een basisloon van het wettelijke maximum. De N.V. E tevens te veroordelen in betaling van de medische, farmaceutische en behandelingskosten, de wettelijke intresten op de verschuldigde vergoedingen sedert de vervaldata en de gerechtelijke intresten. De N.V. E te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Tevens werd de uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd. Bij het bestreden vonnis van 28 mei 2009 verklaarden de eerste rechters de vordering van V G ontvankelijk en alvorens ten gronde te oordelen werd een deskundige aangesteld, met als opdracht: "(...) Na eerst kennis genomen te hebben van de stukken die partijen en/of hun raadslieden hem aanbrengen en na V G M eerst te hebben onderzocht, zijn advies te verlenen omtrent volgende vraagstelling. Te zeggen of het door hem ingeroepen arbeidsongeval letsels heeft veroorzaakt. De eventueel daaruit voortvloeiende functionele deficiëntie te beschrijven. Desgevallend zijn advies te geven, in de zin van artikel 22 en artikel 24 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, over de graad en de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, over de datum van consolidatie en over de graad van de blijvende arbeidsongeschiktheid. Afzonderlijk de louter fysische blijvende arbeidsongeschiktheid te bepalen, alsmede de economische ongeschiktheid, namelijk de definitieve gevolgen van het ongeval op de algemene arbeidsmarkt, rekening houdend ondermeer met de leeftijd, beroepsopleiding en aanpassingsmogelijkheden aan de algemene arbeidsmarkt." Tegen dit tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 28 mei 2009 komt, bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 juli 2009, E N.V. in hoger beroep. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het hoger beroep gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen. Opnieuw rechtdoende, de vordering van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. Desgevallend en in de mate dat het Hof zou oordelen dat geen bewijs voorligt dat de oorzaak van de wanhoopsdaad van V G buiten de uitvoering van zijn ambt ligt, een gerechtsdeskundige aan te stellen teneinde de psychische toestand van V G te onderzoeken ten tijde van de door hem gepleegde wanhoopsdaad, gekoppeld aan een onderzoek naar een eventuele vooraf bestaande toestand in hoofde van geïntimeerde. In uiterst ondergeschikte orde, indien het Hof zou oordelen dat er in casu wel sprake is van een arbeidsongeval en dat dit arbeidsongeval niet opzettelijk werd veroorzaakt door V G, een gerechtsdeskundige aan te stellen met de opdracht: "na studie van het dossier en het onderzoek van geïntimeerde, te bepalen welke fysische letsels van geïntimeerde het gevolg zijn van het ongeval; de pre-traumatische toestand in hoofde van geïntimeerde te beschrijven en te onderzoeken; te bepalen welke periodes van arbeidsongeschiktheid toe te schrijven zijn aan het ongeval; de datum van genezing of van consolidatie van de letsels te bepalen; de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid uitgedrukt in percentage waarvan geïntimeerde aangetast blijft te bepalen, wetende dat inzake de arbeidsongevallen, uitsluitend het verlies van het werkvermogen van het slachtoffer, geschat in overeenstemming met de arbeidsmarkt recht geeft op schadeloosstellingen, met uitsluiting van de fysiologische arbeidsongeschiktheid, dewelke geen recht op schadeloosstelling verleent; in ieder geval te bepalen of de weerhouden graad al dan niet het werkvermogen van het slachtoffer per verwijzing naar de algemene arbeidsmarkt, aantast". Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ongegrond te verklaren; dienvolgens het eerste vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. MOTIVERING - BEOORDELING
  5. Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden en het Hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het Hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige.
  6. ALGEMENE PRINCIPES Artikel 7, tweede lid bepaalt: "Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst." Krachtens artikel 9 van die wet wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van een letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen. De wetgever heeft geen complete bepaling van het arbeidsongeval gegeven. Deze beslissing stoelde op de bekommernis de breedst mogelijke interpretatie toe te laten met het oog op de ruimst mogelijke bescherming van de fysische integriteit van de werknemer (J.R. RAUWS, De behoefte aan een definitie van het wettelijk begrip arbeidsongeval anno 1971, R.W. 1976-1977, 2008 e.v.; Parl. Besch., Senaat, 1969-1970, nr. 328, 10; Parl. Besch., Senaat, 1970-1971, nr. 215, 49; J. HUYS, De professionele risicoverzekering dekt ook de "gewone risico's" bij het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst, R.W. 1998-1999, 572). De uitvoering van de gewone en normale dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak of van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Artikel 9 geeft zelf geen concrete inhoud aan het begrip plotse gebeurtenis. Inzake arbeidsongevallen is het aangaande de bewijslast voldoende dat de getroffene of zijn rechthebbenden het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis (het bewijs moet zeker zijn) in tijd en ruimte situeerbaar, waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, aanwijzen (artikelen 870 Ger.W. en 1315 B.W.), zodat het letsel, alsdan met toepassing van artikel 9 Arbeidsongevallenwet, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Letsel en plotselinge gebeurtenis dienen overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Deze wettelijke principes resumerend meent het Hof dat, om als arbeidsongeval in de zin van de Arbeidsongevallenwet te kunnen worden beschouwd de aanwezigheid van drie constitutieve bestanddelen vereist is, waarvan het bestaan door de getroffene of zijn rechthebbenden moet worden bewezen, namelijk: a. een plotselinge gebeurtenis: het is niet vereist dat deze gebeurtenis een abnormaal karakter zou vertonen; b. die voorvalt tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (en alsdan vermoed wordt te zijn overkomen door het feit van de uitvoering van de overeenkomst behoudens tegenbewijs); c. die een lichamelijk of mentaal letsel veroorzaakt met als gevolg arbeidsongeschiktheid of de dood of ten minste geneeskundige verstrekkingen. Het Hof van Cassatie stelt dat "de plotse gebeurtenis moet kunnen worden gesitueerd in tijd en ruimte zodanig dat zij kan onderscheiden worden van de normale gang van prestaties" (Cass. 16 juni 1997, Soc. Kron. 1998, 9, Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron. 1998, 9, Cass. 19 februari 1990, R.W. 1990-91, 3936). Er dient derhalve in concreto te worden nagegaan of het bewijs is geleverd dat er tijdens de uitvoering van de gewone en normale dagtaak iets kan worden vastgesteld waardoor het letsel is kunnen ontstaan. Het letsel is het meest zekere element van het begrip "ongeval". Deze notie dient ruim geïnterpreteerd (L. Van Gossum en J. Van Molle, "Arbeidsongevallen", MIM, 1991, blz. 30). Het letsel moet niet plotseling zijn (Verslag Pede, Parl. St. Senaat, 1970/1971, nr. 215, 14, Persyn, Simoens en Van Eeckhoutte, Overzicht van rechtspraak, Arbeidsongevallen (1976-1983), T.P.R. 1984, 1065 en
  7. W. Rauws, "Langdurige blootstelling aan risico's, letsel, plotselinge gebeurtenis en arbeidsongevallen", Soc. Kron. 1987, blz. 109, nr. 12). Het letsel kan zich dus relatief langzaam veruitwendigen of stilaan verergeren. Het letsel kan bestaan zowel uit fysieke als uit psychische aandoeningen van de gezondheid (Memorie van Toelichting, Parl. St. Senaat, 1969/1979, nr. 328, 10; Verslag Pede, Parl. St. Senaat, 1970/1971, nr. 215, 5; Persyn, Simoens en Van Eeckhoutte, o.c. T.P.R. 1984, 1064). Reeds tijdens de voorbereidende werken van de wet van 24 december 1903 werd er op gewezen dat geenszins vereist was dat het letsel een traumatisch karakter zou hebben: ook een ziekte kon perfect in aanmerking komen voor vergoeding op grond van het arbeidsongevallenrecht, voor zover zij door een plotselinge en abnormale gebeurtenis werd veroorzaakt die noodzakelijk buiten het organisme van de getroffenen lag (M. Demeur, "Réparation et assurance des accidents du travail", Tamines, Duculot-Roulin, 1905, 133, R. Coppyn, "Commentaire législatif de la loi du 24 décembre 1903 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail", Brussel, Bruylant, 1904,
  8. C. Persyn, "Het begrip ongeval en het bewijs ervan in de arbeidsongevallenwetgeving", Ministerie van Justitie, Vorming van de Magistraten, 4 maart 1999, blz. 10 en 11, nr. 13). Er is geen sprake van een plots letsel, wel van een plots feit dat een letsel veroorzaakt. Het letsel kan lichamelijk, mentaal, inwendig of uitwendig zijn (Aron "Arbeidsongevallen", Ced-Samson losbladig, Comm. 1.2./75). Uit artikel 9 Arbeidsongevallenwet blijkt dat het letsel en de plotselinge gebeurtenis onderscheiden bestanddelen zijn van het ongeval. Het "letsel" geeft aanleiding tot schadevergoeding. Het letsel is immers de schade en zonder schade geen vergoeding. De schade heeft wel een bepaalde betekenis nl. de schade die op de ene of de andere manier de fysische of mentale integriteit van de werknemer aantast. Die integriteit is aangetast zodra het letsel voor de werknemer kosten meebrengt nl. medische of farmaceutische kosten (Arbeidsongevallen, ARON, Kluwer, Hoofdst. 1, afd. 2, Comm. 1.2/75, nr. 3270). De bewijslast van het letsel berust op het slachtoffer. Het letsel hoeft niet plotseling te zijn; het moet wel en enkel veroorzaakt zijn door een plotselinge gebeurtenis. Luidens artikel 1349 Burgerlijk Wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Deze gevolgtrekkingen worden luidens artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek, in de gevallen waarin het bewijs door vermoedens is toegelaten, aan het beleid van de rechter overgelaten, voor zover hij hierbij het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" niet miskent door aan bekende feiten gevolgen te verbinden die er onverenigbaar mee zijn. Anders oordelen zou strijdig zijn met de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek door het regelmatig door geïntimeerde aangevoerd bewijs door vermoedens niet in acht te nemen. Het tegenbewijs van het bij artikel 9 Arbeidsongevallenwet bedoelde wettelijk vermoeden inzake het oorzakelijk verband tussen een bewezen letsel en een plotselinge gebeurtenis, wordt slechts geleverd wanneer wordt aangetoond dat het letsel zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder de bedoelde plotselinge gebeurtenis (oorzakelijkheidsbegrip). Het is in de bewijslastverdeling de wetsverzekeraar die het tegenbewijs dient te leveren (eventueel door middel van een onderzoek van haar inspectiediensten, ...). Daarnaast kan "in het kader van het door de wetsverzekeraar (wettelijk) te leveren tegenbewijs" een geneesheer-deskundige worden aangesteld. De causaliteit tussen een feit en een letsel wordt niet opgeheven door de loutere omstandigheid dat dit feit zich ook op een ander ogenblik en zonder aanwijsbare aanleiding had kunnen voordoen. Door deze vaststelling wordt immers niet aannemelijk gemaakt dat het letsel zich, zonder de door het slachtoffer aangewezen plotselinge gebeurtenis, ook en op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Het slachtoffer moet bovendien niet aanvoeren dat de plotselinge gebeurtenis "effectief" het letsel heeft veroorzaakt, maar wel het letsel "heeft kunnen" veroorzaken. Wanneer het Hof met betrekking tot het aspect "plotselinge gebeurtenis" de hoger aangehaalde wettelijke en jurisprudentiële principes toepast, dient besloten te worden dat het hoe dan ook moeilijk kan worden betwist dat de in casu aangehaalde bizarre gebeurtenis een aanwijsbaar element is dat het psychisch letsel heeft kunnen veroorzaken. De aangehaalde cassatierechtspraak stelt dat er een aanwijsbaar element moet zijn. Een speciaal element is een element dat vreemd is aan de normale uitvoering van de dagtaak. Een aanwijsbaar element daarentegen is een element dat in tijd en ruimte situeerbaar is. Het Hof is tenslotte van oordeel dat de plotselinge gebeurtenis zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Artikel 7 Arbeidsongevallenwet voert in dit verband het vermoeden dat elk ongeval dat is voorgevallen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, zal worden geacht door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te zijn veroorzaakt. Verder kan andermaal verwezen naar artikel 9 Arbeidsongevallenwet (cf. supra) Elke andere stelling in rechte strijdt met de arbeidsongevallenwet, alsmede met de rechtspraak en de rechtsleer, die het causaliteitsvermoeden laten bestaan, zelfs wanneer een langere tijd is verstreken tussen gebeurtenis en letsel.
  9. Bijzondere principes Een fout van de werknemer, zoals bijvoorbeeld een grove onvoorzichtigheid of roekeloos gedrag, sluit de toepassing van de arbeidsongevallenwet niet uit. Alleen wanneer het slachtoffer het ongeval opzettelijk zou hebben veroorzaakt (bijvoorbeeld automutilatie), kan er geen beroep gedaan worden op de regeling inzake arbeidsongevallen. Ook daden van agressie, vechtpartijen, intoxicatie, dronkenschap, zelfmoord(pogingen), aanranding en ongewenst seksueel gedrag op het werk sluiten de toepassing van de arbeidsongevallenwet niet uit, tenzij de arbeidsongevallenverzekeraar kan bewijzen dat de feiten niets te maken hebben met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of dat de band met de arbeid doorbroken is. De fout, zelfs de zware fout, van het slachtoffer sluit derhalve de kwalificatie "arbeidsongeval" niet uit. Reeds tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1903 werd beklemtoond dat de wet in beginsel ook bij fout van de getroffene toepassing vindt, zelfs wanneer het een grove fout betreft. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt van deze regel afgestapt, namelijk als de onrechtmatige handeling het verband met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst opheft. In de praktijk blijkt een dergelijk bewijs moeilijk te leveren, aangezien de rechtspraak besluit tot een arbeidsongeval van zodra de activiteit of de inactiviteit van het slachtoffer, hoewel foutief of strijdig met de bekomen instructies, in feitelijk verband staan met het werk (Uitgaande van het basisbeginsel dat de zware - tot zelfs "zeer zware" - fout geen uitsluitingsgrond uitmaakt, kende de rechter ondermeer in de volgende casussen de bescherming van de arbeidsongevallenreglementering toe: niet- nakomen van de onderrichtingen en de bevelen van de werkgever of ingaan tegen een uitdrukkelijk verbod van zijnentwege; inbreuk op de bepalingen van de arbeidsovereenkomst; schending van één van de bedingen uit het arbeidsreglement; vechtpartijen; dronkenschap). Opzet vormt in rechte een uitsluitingsgrond. Het Hof van Cassatie geeft hieraan een vrij restrictieve inhoud, in die zin dat opzet veronderstelt dat degene die door het ongeval getroffen is, het willens heeft teweeggebracht, ook al heeft hij de gevolgen ervan niet gewild. Vanuit die optiek kan naar het oordeel van het Hof zeer grove onvoorzichtigheid of volkomen roekeloos gedrag niet met opzet worden gelijkgesteld. Zelfmoord of zelfmoordpoging wordt niet automatisch als opzet gekwalificeerd. Ook in casu kan de toekenning van prestaties in het raam van de arbeidsongevallenregeling, gelet op de feitelijke omstandigheden, niet worden geweigerd. Het ongeval dateert ten deze van 23 oktober 2006 en het bestaan van het fenomeen "psychologische intimidatie op de werkvloer" wordt niet langer ontkend, noch in de wetgevende initiatieven noch in de rechtspraak. Het fenomeen neemt de meest diverse vormen aan - houdingen, plagerijen, uitoefenen van druk, beledigingen, doodzwijgen - een heel arsenaal van handelingen die op het eerste gezicht onbelangrijk lijken, maar die vanwege hun ongerechtvaardigde herhaling de menselijke waardigheid aantasten. Men mag dit fenomeen naar het oordeel van het Hof niet banaliseren. Het slachtoffer kan soms uiteenlopende ziektebeelden gaan vertonen. Uit angst om ontslagen te worden, zal en kan een werknemer vaak gedurende lange tijd ellendige situaties blijven verdragen, wat tot zelfmoord kan leiden (zaak France Télécom). De voorbeelden in de gepubliceerde rechtspraak zijn legio: Vóór zijn zelfmoord was het slachtoffer 6 maal opeenvolgend slachtoffer geweest van agressie bij het uitoefenen van zijn functie, de laatste maal was deze erkend als een arbeidsongeval. Het getuigenverhoor en de expertise hebben de progressieve degradatie van zijn psychologische toestand aan het licht gebracht, ze hebben ook vastgesteld dat de zelfmoord een onvoorziene en onvrijwillige daad is geweest. De zelfmoord vormt dus een letsel, waarvan men veronderstelt dat het zijn oorsprong vindt in het arbeidsongeval. In dit geval slaagt De Post er niet in het vermoeden om te keren. Zij bewijst enerzijds immers niet dat er geen oorzakelijk verband is tussen de plotse gebeurtenis en het letsel, en anderzijds dat het letsel enkel een inwendige oorzaak heeft. (Arbh. Bergen (2de k.) nr. 16.011, 23 januari 2006, Soc. Kron. 2007, afl. 9, 543, noot). Zelfmoord kan een letsel uitmaken in de zin van een arbeidsongeval indien de rechthebbenden zijn onvrijwillig karakter bewijzen, namelijk dat het gaat om een gebeurtenis die niet beslist werd door toedoen van een menselijke wil, onvoorzienbaar en onweerstaanbaar was. (Arbh. Bergen (4de k.) 7 februari 2001, JTT 2001, 109). Het terechtkomen in het water vormt een plotselinge gebeurtenis, zodat de nabestaanden van een werknemer die op de arbeidsweg verdrinkt een beroep kunnen doen op het vermoeden uit artikel 9 Arbeidsongevallenwet. De wetsverzekeraar die terzake het tegenbewijs wenst te leveren kan er zich niet toe beperken te pogen aan te tonen dat de werknemer zelfmoord pleegde, maar dient bovendien te bewijzen dat de eventuele zelfmoord vrijwillig was en niet aan overmacht te wijten. (Arbh. Brussel 6 januari 1986, RW 1988-89, 341). Op basis van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens kan men het bewijs van opzet, namelijk het suïcidair inzicht, het bewust, weldoordacht en duidelijk voornemen het ongeval vrijwillig te veroorzaken, aanvaarden. (Arbh. Gent (1e k.) 20 juni 2002, T. Verz. 2004, afl. 2, 253, noot GHYSELS, Y). Wanneer het slachtoffer zelfmoord pleegt, dient de rechter te onderzoeken of de zelfmoord al dan niet vrijwillig is. Een onvrijwillige zelfmoord kan een ongeval zijn in de zin van de arbeidsongevallenwet. Voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt, krachtens artikel 7, eerste lid, van die wet als arbeidsongeval aangezien, elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt (Arbh. Bergen (3e k.) nr. 2008/AM/21108, 19 januari 2010 JTT, 2010, afl. 1064, 146). 4.
  10. Appellante verwijst in rechte naar de uitsluitingsgrond van de FOUT (artikel 48 Arbeidsongevallenwet). Met de uitdrukking "poging tot zelfmoord" (tentamen suicidii of TS) bedoelt men de poging die niet leidt tot de dood, inclusief soortgelijke handelingen waarbij het soms niet echt de wens van het slachtoffer is om te overlijden; soms gaat het om een kreet om hulp, of om een manier om anderen zich schuldig te laten voelen en zo iets te bewegen. Deze beide vormen van poging tot zelfmoord, waartussen de grens niet scherp is, komen vaker voor dan een werkelijke zelfmoord. Mensen met deze neiging noemt men in de psychiatrie ook wel parasuïcidaal. Parasuïcide slaat dus op de niet-dodelijke handeling(en) van een persoon die zich opzettelijk verwondt (automutilatie) of zeer riskant gedrag vertoont om een noodkreet aan de omgeving te geven. Hierbij is niet direct een bewuste doodswens aanwezig. Deze handelwijze komt veel voor bij personen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Het Hof stelt vast dat de psychiatrische literatuur de zelfverbranding als zeldzaam kwalificeert omdat het een zeer pijnlijke en wrede dood is. De methode wordt wel soms gekozen om publieke aandacht te trekken. 4.
  11. Een ongeval wordt opzettelijk door de getroffene veroorzaakt wanneer hij het opzettelijk heeft uitgelokt, zelfs indien hij de gevolgen ervan niet heeft gewild (artikel 48, lid 1 Arbeidsongevallenwet). Ook al volgt uit de overwegingen van het bestreden arrest dat de getroffene volgens het Arbeidshof de vechtpartij waarbij hij gewond raakte opzettelijk heeft veroorzaakt, kan het bestreden arrest op grond van die overwegingen niet wettig beslissen dat de getroffene opzettelijk het ongeval heeft veroorzaakt, dat, blijkens de vaststellingen van het Hof, is gebeurd toen hij ernstig aan de rug gewond werd door een messteek die hem door een werkmakker was toegebracht (artikel 48, lid 1 Arbeidsongevallenwet). (Cass. (3e k.) AR S.01.0172.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021125.13, 25 november 2002 (F.A./Axa Royale Belge), Arr. Cass. 2002, afl. 11, 2554, concl. LECLERCQ, J.; http://www.cass.be (23 januari 2003), concl. LECLERCQ, J.; JTT 2003, afl. 854, 164, concl. LECLERCQ, J.; NJW 2003, afl. 17, 58; Pas. 2002, afl. 11, 2240, concl. LECLERCQ, J.; Soc. Kron. 2003, afl. 7, 320, noot HUBAIN, P; T. Verz. 2003, afl. 2, 317). 4.
  12. Op dit punt komt de bewijslast scherp naar boven. Deze zware last berust bij appellante. 4.
  13. De werknemer die op de weg van of naar het werk door verdrinking overlijdt, wordt, behoudens tegenbewijs vermoed door een arbeidsongeval te zijn omgekomen (artikel 9 Arbeidsongevallenwet). (NJW 2003, 17, 58; Pasicrisie 2002, 2002/11, 2240; Cass. AR 3309, 21 december 1981 (Desserano / De Federale Verzekeringen); Arr. Cass. 1981-82, 550; Bull. 1982, 540; JTT 1982, 155; Pas. 1982, I, 540; RW 1982-83, 1373; TSR 1982, 367). 4.
  14. Artikel 48 Arbeidsongevallenwet 10 april 1971, krachtens hetwelk de bij die wet ingevoerde vergoedingen niet verschuldigd zijn wanneer het ongeval opzettelijk is veroorzaakt door de getroffene, wordt door de rechter niet geschonden, wanneer hij het recht op vergoeding wegens een dodelijk ongeval op de weg naar of en van het werk erkent en beslist dat, ook al heeft de getroffene zelfmoord gepleegd, die daad, gelet op de abnormale psychische toestand van de getroffene, niettemin een gebeurtenis uitmaakt die de menselijke wil niet heeft kunnen voorzien noch bezweren. (Cass. AR 3314, 25 januari 1982 (Eendracht en Voorzorg N.V. / De Sadeleer); Arr. Cass. 1981-82, 661; Bull. 1982, 658, noot; Pas. 1982, I, 658, noot). 4.
  15. Wanneer een ongeval op de weg van en naar het werk door de getroffene opzettelijk is veroorzaakt, sluit dit het bestaan van een arbeidsongeval niet uit. De rechter die weigert na te gaan of de zelfmoord van de getroffene, gelet op de psychische toestand van het slachtoffer, al dan niet een vrijwillige zelfmoord was, miskent het begrip arbeidsongeval en schendt de artikelen 7, 8 en 9 Arbeidsongevallenwet. (Cass. AR S.98.0041.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981102.11, 2 november 1998 (Corbeel/A.G.); http://www.cass.be (18 oktober 2001); Arr. Cass. 1998, 1020; Bull. 1998, 1089; T. Verz. 1999, 34, noot GHIJSELS, Y.; JTT 1998 (verkort), 474; RW 1999-00, 97 en http://www.rw.be (12 juli 2006), noot RAUWS, W.; Soc. Kron. 2000, 119).
  16. Recapitulerend dient derhalve besloten dat, zoals de wetsverzekeraar stelt, indien geïntimeerde het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt, geen wettelijke vergoedingen kunnen betaald worden. Een opzettelijk ongeval is een ongeval dat de dader bewust (intentioneel element) heeft gewild en onderscheiden dient te worden van een zware fout of zware onvoorzichtigheid Poging tot zelfmoord zou men prima facie als een voorbeeld van opzet kunnen zien, maar de rechtspraak eist in het kader van de bewijslastverdeling een sluitend bewijs door de verzekeraar. Bovendien kan het ongeval te wijten zijn aan overmacht (onvrijwillige zelfmoord) door de psychische toestand van het slachtoffer en kan er derhalve een duidelijk oorzakelijk verband zijn tussen een zelfmoord en een ongeval, bijvoorbeeld omdat het arbeidsongeval de getroffene fysisch heeft uitgeput en diepgaande neurose veroorzaakte 6.
  17. Dat het in casu gaat om een onvoorziene en onweerstaanbare gebeurtenis, kan naar het oordeel van het Hof niet worden ontkend. Geïntimeerde verklaarde zelf: "Zo werd uiteindelijk de vergadering besloten en toen zijn bij mij de stoppen doorgeslagen. Wat er nadien gebeurd is weet ik niet meer." (zie PV van verhoor van de heer V G). Hieruit blijkt duidelijk dat de poging tot zelfmoord in een vlaag van zinsverbijstering (waanzin) of depressie werd gepleegd en zeker niet wel overdacht zoals de wetsverzekeraar tracht voor te houden. Een plotselinge gebeurtenis kan bestaan uit een psychologische of emotionele schok of een stresstoestand, zelfs post-traumatische stress komt in aanmerking. 6.
  18. Op basis van de feitelijke omstandigheden kan alleen worden besloten dat geïntimeerde geen enkele intentie (fout-connotatie) had om zelfmoord te plegen, noch een poging hiertoe te ondernemen. Tijdens de vergadering van 23 oktober 2006 werd geïntimeerde immers hard aangepakt (om het met de woorden van K, bestuurslid, te zeggen "onder de vergadering is het één woord al harder gevallen dan het ander" dat zijn stoppen doorsloegen met de gekende gevolgen. In toepassing van de reeds aangehaalde principes dient naar het oordeel van het Hof aangenomen dat het aanwijsbare element in de uitvoering van de gewone en normale dagtaak dat de plotse gebeurtenis oplevert het hoogtepunt van de aanzienlijke stresssituatie is, met name het zich in brand steken. Uit de verklaringen K en S blijkt ten genoege van recht dat de stress-situatie waarin geïntimeerde zich bevond in de loop van de vergadering en na afloop ervan is geëscaleerd met als hoogtepunt de zelfmoordpoging. Verklaring K: "S vertrok en V G volgde hem tot aan de deur. V G heeft in het deurgat nog staan schreeuwen tegen S. S vertrok heel langzaam met zijn wagen. Hierop toonde V ons een rode aansteker in de hand en zei: "Hier en ik rook niet". Ik schonk hier geen aandacht aan en wist in de verste verte niet wat V hiermee bedoelde". Uit deze verklaring blijkt de escalatie van de stresstoestand waarin geïntimeerde zich bevond. 6.
  19. Belangrijk element in dit traumatisch verhaal is ook dat B, eigenaar van het gebouw waar de kantoren van "De watering van het Grootbroek" ondergebracht waren, verklaart dat de bewuste gele kruik met benzine al enkele jaren in de toiletruimte stond. Het feit dat geïntimeerde in paniek, volledig overgoten door benzine, uit het toilet is gelopen, maakt zijn wanhoopsdaad derhalve niet berekend, intentioneel.... Hetzelfde geldt voor de woorden van geïntimeerde en zijn lichamelijke toestand op het ogenblik dat hij zich juist in brand gestoken had. Hieruit blijkt dat hij buiten zinnen was en zoals hij zelf verklaarde aan de verbalisanten "de stoppen waren doorgeslagen". Achteraf kon geïntimeerde zich van deze gebeurtenissen niets meer herinneren (verklaring strafdossier, stuk 1 geïntimeerde). 6.
  20. Uit de verklaringen L (voorzitter van het Grootbroek) en K (ondervoorzitter van het Grootbroek) blijkt dat het niet om een gewone vergadering ging, belegd als voorvergadering ter voorbereiding van de avondvergadering van het voltallige bestuur. Sommige bestuursleden vonden de kosten van de opgerichte nieuwbouw (waarvoor geïntimeerde volledig verantwoordelijk was) te hoog opgelopen. Geïntimeerde had het gevoel dat het bestuur hem met die speciale vergadering "het mes op de keel zette". Dat gevoel was bij geïntimeerde in de loop van de voorgaande weken geleidelijk aan opgebouwd. Dit blijkt uit de verklaring K: "Ongeveer 10 à 14 dagen geleden kwamen V, L en ik samen in de woning van L. V had een optelling gemaakt van de betaalde facturen van de bouw en van de nog openstaande facturen. Hij had ook een plan en twee offertes bij van het meubilair. Dit was voor een bedrag van ongeveer 24.000 euro, btw inclusief. Ik ging hiermee niet akkoord, ik wilde deze beslissing aan het bestuur overlaten. Voor L mocht de zaak doorgaan nadat wij een bod deden aan één firma, S Interieurbouw uit O. Ik bleef bij mijn gedacht. V G (wilde) de zaak niet voor het bestuur brengen om het bureel zo snel mogelijk klaar te hebben. Hij wilde perse de eerstvolgende bestuursvergadering in het nieuwe, ingerichte kantoor laten doorgaan. Wij zijn uit elkaar gegaan zonder beslissing. Volgens V G had hij de goedkeuring van de oud-voorzitter S al de beslissing omtrent de verbouwing te nemen". Tijdens deze vergadering werd geïntimeerde aansprakelijk gesteld voor de te hoge kosten: "Onder de vergadering is het één woord al harder gevallen dan het ander".
  21. Er is derhalve een plotselinge gebeurtenis, in oorzakelijk verband met de letsels.
  22. De bewuste vergadering werd gehouden in de kantoren van de werkgever, waardoor de plotse gebeurtenis in casu tijdens de uitoefening van het ambt voorviel. Appellante suggereert dat de zelfmoordpoging van geïntimeerde zijn oorzaak vond in een andere problematiek dan professionele en haalt eventuele bijkomstige persoonlijke problemen van geïntimeerde aan om op basis daarvan het ongeval niet als arbeidsongeval te aanvaarden.
  23. Lezing van het integrale strafdossier leidt tot de conclusie dat blijkbaar bij geïntimeerde de stoppen doorsloegen omwille van de vergadering van 23 oktober 2006 als rechtstreekse aanleiding. De argumentatie van appellante dat het ongeval opzettelijk werd veroorzaakt, zodat zij conform artikel 48 Arbeidsongevallenwet niet gehouden zou zijn tot uitkering, wordt door het Arbeidshof niet bijgetreden, omdat de wetsverzekeraar dient aan te tonen dat het ongeval bewust geschiedde of veroorzaakt werd en dat zulks in casu niet geschiedt. Onder verwijzing van de uitgebreid geciteerde rechtspraak dient ten deze besloten tot een act ingegeven door een moment van zinsverbijstering zonder begin van bewijs van opzettelijk of bewust element in hoofde van geïntimeerde.
  24. Gelet op het voorgaande, oordeelt het Hof dat op die gronden de bevolen onderzoeksmaatregel geheel bevestigd dient te worden. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 28 mei 2009, gekend onder rolnummer 07/2263/A. Verwijst de zaak met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, naar de eerste rechter om haar toe te laten haar onderzoeksmaatregel uit te voeren en nadien op dat onderdeel te beslissen. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep overeenkomstig artikel 68 Arbeidsongevallenwet. Vereffent de kosten aan de zijde van appellante op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Aldus gewezen door: Dhr. J. M, kamervoorzitter, Dhr. J. M, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. R. U, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, bijgestaan door dhr. E. N, griffier, E. N R. U J. M J. M en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 20 december
  25. PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101220.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981102.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021125.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.