← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101224.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101224.1 Rolnummer: 2009/AA/370 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht - Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-02-10 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-07-01 14:27 Fiches 1 - 4 Slechts hij die in de vennootschap geld heeft belegd en er werkelijk en bestendig werkt om kapitaal dat hem gedeeltelijk toebehoort te doen opbrengen kan als werkend vennoot beschouwd worden. Voor de hoedanigheid van werkend vennoot is bijgevolg vereist dat de activiteit wordt uitgeoefend om het kapitaal te doen renderen en dat de vergoeding (winstaandeel) ook om die reden wordt toegekend. Wanneer er over het statuut van werknemer of zelfstandige al een uitspraak werd gedaan in het kader van het geschil aanhangig gemaakt door de persoon die aanspraak maakt op de hoedanigheid van werknemer tegen de beweerde werkgever, dan heeft dit vonnis of arrest ook bewijskracht tegenover derden in die zin dat zij een dwingend bewijs vormt ten aanzien van de partij die geen betrokken partij was in die eerdere procedure, mits de mogelijkheid voor deze laatste om het tegenbewijs te leveren. Het betreft een wettelijk weerlegbaar vermoeden waarvan het tegenbewijs geleverd kan worden in het kader van een derdenverzet dat wordt ingesteld tegen de betrokken uitspraak. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT SOCIAAL RECHT Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - sociale zekerheid werknemers - bijdrageplicht - werkend vennoot - schijnzelfstandige - voorafgaande uitspraak arbeidshof - gezag van gewijsde inter partes - bewijskracht derden - dwingend bewijs - derdenverzet (I A) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 870 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870, I B - artikel 1315, VII A - artikel 1, § 1 en onder VIII A - artikel

  1. Tussenarrest van 18 juni 2010 werd opgenomen in de Nationale Documentatie. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - sociale zekerheid werknemers - bijdrageplicht - werkend vennoot - schijnzelfstandige - voorafgaande uitspraak arbeidshof - gezag van gewijsde inter partes - bewijskracht derden - dwingend bewijs - derdenverzet (I B) Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1315 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870, I B - atikel 1315, VII A - artikel 1, § 1 en onder VIII A - artikel
  2. Tussenarrest van 18 juni 2010 werd opgenomen in de Nationale Documentatie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - personen - bijdrageplicht - werkend vennoot - schijnzelfstandige - voorafgaande uitspraak arbeidshof - gezag van gewijsde inter partes - bewijskracht derden - dwingend bewijs - derdenverzet (VII A) Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870, I B - artikel 1315, VII A - artikel 1,§ 1 en onder VIII A - artikel
  3. Tussenarrest van 18 juni 210 werd opgenomen in de Nationale Documentatie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Zelfstandige - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOCIAAL STATUUT - toepassingsgebied - zelfstandigen - bijdrageplicht - werkend vennoot - schijnzelfstandige - voorafgaande uitspraak arbeidshof - gezag van gewijsde inter partes - bewijskracht derden - dwingend bewijs - derdenverzet (VIII A) Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870, I B - artikel 1315, VII A - artikel 1, § 1 en onder VIII A - artikel
  4. Tussenarrest van 18 juni 2010 werd opgenomen in de Nationale Documentatie. Tekst van de beslissing ARREST A.R. nr. 2009/AA/370 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak: X, met zetel gevestigd te X, X, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. X, advocaat te X, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. X, advocaat te X. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 18 juni 2010, 8 oktober 2010 en van 12 november 2010; Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: * het tussenarrest van 18 juni 2010 waarbij de heropening van de debatten werd bevolen; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 10 augustus 2010; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, per fax ontvangen op de griffie van het hof op 10 september 2010 en per post ontvangen op 13 september 2010; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 12 november 2010 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van verweerder. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 8 oktober 2010; Gehoord de lezing van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 12 november
  5. Wat voorafgaat Bij tussenarrest van deze kamer van 18 juni 2010 werd beslist: Indien de afstand, die de RSZ beoogt enkel een afstand van geding zou behelzen, dan zou, nadat de afstand is ingewilligd, het eindvonnis van de eerste rechters van 23 maart 2009 herleven. Uit de context en uit de repliek van de RSZ volgt dat de RSZ wel degelijk afstand wil doen van zijn oorspronkelijke vorderingen. De RSZ slaat de bal mis wanneer hij voorhoudt dat het hof thans de keuze heeft om ofwel in te gaan op zijn vordering tot afstand ofwel om de zaak ten gronde te beoordelen, zonder acht te slaan op de gedane afstand. Het hof merkt, net als het openbaar ministerie, op dat de zaak ten gronde, na de uitspraak van 10 november 2009, door de partijen niet in staat werd gesteld... en vervolgens: ...Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, wijst de vordering tot afstand van rechtsvordering, ingesteld door de RSZ, van de hand. Alvorens verder recht te doen ten gronde, heropent de debatten om de partijen toe te laten de zaak nader in staat te stellen in de huidige situatie. Verder beveelt het arbeidshof, met toepassing van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek, dat partijen hun schriftelijke opmerkingen hierover ter griffie zullen neerleggen uiterlijk op: - 13 augustus 2010 voor de RSZ - 10 september 2010 voor de X Dit alles op straffe van verwijdering van die opmerkingen uit het debat. Bepaalt de datum waarop de partijen en desgewenst het openbaar ministerie zullen worden gehoord en waarop de zaak in beraad wordt genomen op 8 oktober 2010, om 9,30 uur. Verdaagt de uitspraak over de vereffening van de kosten. Bij conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 augustus 2010, vordert de RSZ het hogere beroep van de X, indien ontvankelijk, ongegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen en de oorspronkelijke vordering van de RSZ ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Dienvolgens de X te veroordelen tot betaling van het bedrag: - enerzijds van 4.572,68 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 5 juli 2007 op 3.244,82 euro tot de datum van dagvaarding, waarna met de gerechtelijke intresten tot de dag der algehele betaling, - anderzijds van 45.012,03 euro (288,69 euro + 44.723,34 euro), te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 4 september 2007 op 258,87 euro en vanaf 5 september 2007 op 34.781,84 euro, tot de datum van dagvaarding, waarna met de gerechtelijke intresten tot de dag der algehele betaling. Tevens de X te veroordelen tot de kosten. Bij conclusies ontvangen op de griffie van dit hof per fax op 10 september 2010 en per post op 13 september 2010, verzoekt de X het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen van de RSZ als ongegrond af te wijzen. Tevens de RSZ te veroordelen tot de kosten. Volgens het recht In de mate dat de X het zelfstandige statuut van X wil verdedigen omdat hij de hoedanigheid van werkende vennoot zou hebben, sluit het hof zich aan bij de argumentatie van het openbaar ministerie onder punt 4.1 op bladzijde 3 van zijn schriftelijke advies van 12 november 2010: Werkend vennoot in de vennootschap is hij die in die vennootschap geld heeft belegd en er werkelijk en bestendig werkt om een kapitaal dat hem ten dele toebehoort te doen opbrengen.1 Daarenboven volstaat het niet aandelen van de vennootschap te bezitten, daarin een activiteit uit te oefenen en daarvoor een vergoeding te ontvangen, opdat men de hoedanigheid van werkend vennoot zou hebben. Daarvoor is vereist dat de activiteit wordt uitgeoefend om het kapitaal dat gedeeltelijk het zijne is te doen renderen en dat de vergoeding (winstaandeel) ook om die reden wordt toegekend.2 Het statuut van werkend vennoot kan echter niet aanvaard worden: * als er op geen enkel ogenblik wordt aangetoond dat de betrokken personen effectief eigenaar waren van een of meerdere aandelen van de vennootschap; * als zij in het aandelenregister niet voorkomen als eigenaar van één of meer aandelen; * als blijkt dat de betrokken personen geen winstuitkeringen ontvingen, noch verplicht werden deel te nemen in het eventuele verlies dat geleden werd en dat zij evenmin werden betrokken bij het nemen van beleidsbeslissingen; * als zij niet in mogelijkheid waren enige invloed uit te oefenen op het bedrijfsresultaat en niet in staat waren de verwezenlijking van het maatschappelijk te doel na te streven op voet van gelijkwaardigheid met de werkelijke of feitelijke zaakvoerder van de firma. Al deze gegevens leiden terecht tot de vaststelling dat de affectio societatis waarvan hoger sprake volledig ontbreekt in hoofde van de personen die 'werkend vennoot' worden genoemd. Dit laat toe vast te stellen dat de hoedanigheid van werkend vennoot, die de verzekeringsplicht als zelfstandige tot gevolg heeft, ten onrechte werd toebedeeld aan de heer X. Deze vaststelling sluit echter het bestaan van een samenwerking op zelfstandige basis niet uit. Er dient bijgevolg nog altijd aangetoond te worden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de prestaties van deze persoon geleverd werden in uitvoering van een arbeidsovereenkomst welke hem bond met appellante. * * * De beoordeling of X met de X al dan niet als zelfstandige samenwerkte, dient op de klassieke wijze te gebeuren. Wat het algemeen wettelijk kader betreft, de rechtsleer en rechtspraak, waarbinnen deze beoordeling moet gebeuren, verwijst het hof opnieuw naar de uiteenzetting door het openbaar ministerie onder het punt 4.2.
  6. en 4.2.
  7. (bladzijde 3-9) van zijn genoemde schriftelijke advies van 12 november
  8. Uit de gegevens van de zaak volgt dat de partijen niet betwisten dat voor de periode waarvoor de RSZ regulariseert, X en de X hun samenwerking hadden gekwalificeerd als een samenwerking op zelfstandige basis. De RSZ ging er echter van uit dat X opereerde als een schijnzelfstandige en dus dat hij in feite voor de X werkte in ondergeschikt verband. De RSZ is dus eisende partij in het geding waarin hij RSZ-bijdragen vordert van de X, die hij als werkgever bestempelt van X. Als eisende partij heeft de RSZ de bewijslast. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van het openbaar ministerie wat het bewijs door de RSZ betreft: Bewijslast en bewijsrisico Iedere gedingvoerende partij dient het bewijs te leveren van de feiten die ze aanvoert (art. 870 Ger.W). In feite gaat het hier om een formulering van het algemene principe vervat in artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek, dat stelt: " Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert vrij te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het teniet gaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht". Dit betekent dat de partij die zich beroept op een arbeidsovereenkomst de bewijslast draagt van de feiten die zij hiertoe aanvoert. De ambtshalve regularisatie Appellante is de mening toegedaan dat de er geen sprake was van enige vorm van schijnzelfstandigheid in hoofde van de heer X. In eerste instantie verwijst appellante hiervoor naar het arrest van de 3de kamer van het arbeidshof te Antwerpen van 10 november 2009 betreffende de vordering welke door de heer X aanhangig was gemaakt tegen appellante. In dit arrest werd voor recht gezegd dat het niet bewezen was dat de heer X in uitvoering van een arbeidsovereenkomst prestaties verrichtte voor appellante, zodat zijn aanspraken voortvloeiende uit het bestaan van een arbeidsovereenkomst werden afgewezen. Appellante verkondigt dat dit arrest gezag van gewijsde heeft tussen de betrokken partijen en dat hieruit volgt dat vermits geoordeeld werd dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid welke eveneens op het bestaan van een arbeidsovereenkomst gebaseerd is als ongegrond dient afgewezen te worden. Vooreerst moet er op gewezen worden dat het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uitstrekt dan tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, waarbij vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat zij tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Hieruit volgt dat de exceptie van het rechterlijk gewijsde betrekkelijk is en slechts tussen partijen kan ingeroepen worden. Maar dit belet niet dat de beslissing ook bewijskracht heeft tegenover derden, onverminderd de rechtsmiddelen die de wet aan laatstgenoemden toekent ten aanzien van deze beslissing (zoals derdenverzet). Deze bewijskracht moet gelezen worden als een weerlegbaar vermoeden, waaraan een wettelijke bewijswaarde toekomt, wat impliceert dat de ten aanzien van een partij in een geding ingeroepen (eerder gewezen) gerechtelijke uitspraak - waaraan die partij vreemd is - dwingend bewijs vormt. De rechter is verplicht de inhoud van het aangewende bewijsmiddel, de eerder gewezen uitspraak, voor waar aan te nemen, onder voorbehoud van de mogelijkheid van de derde om het tegenbewijs te leveren. Dit tegenbewijs kan uitsluitend geleverd worden nadat derdenverzet (hetzij op hoofdvordering, dan wel op incidentele wijze) werd ingesteld tegen de betrokken uitspraak. In de doctrine wordt het onderscheid dat in de cassatierechtspraak sinds 1966 werd gemaakt tussen enerzijds het gezag van gewijsde, waarmede de rechterlijke uitspraak inter partes bekleed is, en anderzijds de bewijswaarde via welke zich de werkzaamheid van de uitspraak tegenover derden veruitwendigt, vrij algemeen bijgetreden. Er is enkel de terugkerende kritiek op deze rechtspraak dat de werking tegenover derden niet mag toegeschreven worden aan de (wettelijke) bewijswaarde van de gerechtelijke beslissingen, vermits aan het daarin vervatte negotium, de rechtsprekende handeling, geen enkele bewijswaarde toekomt, maar wel aan de bindende kracht van de beslissing. Bij de beslechting van een geschil door de rechter wordt immers een bepaalde regeling, een norm binnen de rechtsorde geïntroduceerd, die door een ieder moet worden gerespecteerd. Deze zienswijze heeft een belangrijk gevolg t.a.v. het al dan niet obligatoir karakter van het derdenverzet. Het is in deze optiek niet toegestaan dat een derde in een navolgend geding een beslissing zou uitlokken die rechtstreeks in strijd is met wat voorheen, in een andere procedure, door een rechter werd beslist, zonder tegen deze eerder gewezen uitspraak derdenverzet te hebben ingesteld. Dit alles lijdt tot het besluit dat appellante terecht kan verwijzen naar de bewijswaarde van datgene dat blijkt uit het arrest van de 3de kamer van het arbeidshof te Antwerpen van 10 november
  9. In dit arrest kwam het arbeidshof na de tewerkstelling van de heer X te hebben getoetst aan de criteria voorzien in de Arbeidsrelatieswet en met kennis van de gegevens van het onderzoek uitgevoerd door de inspectiediensten tot het besluit dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet bewezen was. Onder verwijzing naar dit arrest en rekening houdende met de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie bestaat er bijgevolg een wettelijk, weerlegbaar (mits het instellen van derdenverzet) vermoeden dat er van prestaties in uitvoering van een arbeidsovereenkomst door de heer X voor appellante geen sprake is. Geïntimeerde weerlegt deze bewijswaarde van het vermelde arrest niet, noch door het bestrijden van dit arrest met derdenverzet, noch door in het debat aanhangig voor dit Hof nieuwe elementen aan te brengen die niet gekend waren door het arbeidshof dat het arrest van 10 november 2009 heeft gewezen en het verantwoorden dat met betrekking tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst een andere, afwijkende uitspraak zou gedaan worden. Bijgevolg kan op die gronden besloten worden dat geïntimeerde niet het bewijs levert dat in de bewuste periode er door de heer X voor appellante arbeidsprestaties geleverd werden in uitvoering van een arbeidsovereenkomst, zodat zijn vordering tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen in het stelsel van de werknemers moet worden afgewezen. Het hof sluit zich bij deze argumentatie van het openbaar ministerie aan evenals bij zijn besluit dat de vorderingen van de RSZ ongegrond zijn. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de lezing door de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 12 november 2010, waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak en het tussenarrest van 18 juni 2010 verder uitwerkende: Verklaart het hoger beroep thans ook gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 23 maart
  10. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de RSZ, zoals ingesteld in de dagvaardingen van 7 september 2007 en van 26 oktober 2007 ongegrond en wijst de RSZ er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van de X op 2.500 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 2.500 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de RSZ op 144,10 euro dagvaarding, 96,50 euro dagvaarding, 187,99 euro betekening, 2.500 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 2.500 euro rehctsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen door de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN HOECKE, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer M. VAN THIELEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, bijgestaan door mevrouw L. VAN CALSTER, griffier M. VAN THIELEN M. VAN HOECKE L. VAN CALSTER J. VERHAVERT en uitgesproken door voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en tien 1 Cass. 26 januari 1987, Arr. Cass. 1986-1987, 660; Cass. 12 januari 1995, R.W. 1995-96, 309 2 Cass. 2 februari 1981, R.W. 1981-82, 2751 bladzijde 8 A.R. 2009/AA/370 PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101224.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.