← België

ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190206.40

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190206.40 Rolnummer: 2018/AH/28 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-08-13 Raadplegingen: 423 - laatst gezien 2026-06-28 06:05 Fiche De werkgever die een overeenkomst voor een individuele beroepsopleiding afsluit, is ertoe verbonden om onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur aan te bieden aan de cursist die in zijn onderneming een individuele beroepsopleiding heeft gevolgd. De werkgever die zijn verbintenis om de cursist in dienst te nemen niet is nagekomen, is een vergoeding verschuldigd gelijk aan het resterend gedeelte van het loon voor de periode die overeenstemt met de duur van de opleiding, inclusief eventuele verlengingen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Beroepsopleiding Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BEROEPSOPLEIDING : Arbeidsrecht - overeenkomst voor individuele beroepsopleiding - tewerkstellingsverbintenis werkgever - vergoeding gelijk aan de duur van de opleiding inclusief eventuele verlengingen Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 05-06-2009 - 94 - 62 ELI link Pub nr 2009035886 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2019 - - 2de kwartaal, blz. 146-147 Tekst van de beslissing Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt 6 februari 2019 3de kamer 2018/AH/28 L. V. NV, met maatschappelijke zetel te, , ingeschreven met KBO-nummer, met als raadsman mr. D.M.J., advocaat te voor wie pleit mr. G. P., advocaat te tegen: M. B., wonende te, , RRnr. vertegenwoordigd door mijnheer S. E., afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, met volmacht Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 5 december 2017 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. FEITEN EN PROCEDURE IN EERSTE AANLEG 1. De NV L. V. is een klein bedrijf dat actief is in klinker- en tuinaanleg. Op 23 maart 2015 startte de heer M. bij NV L.V., hierna de NV genoemd, een opleidingsstage voor 10 dagen, waarbij de heer M. een bepaald programma diende af te werken (stuk 1 bundel NV). Deze overeenkomst werd afgesloten tussen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, hierna de VDAB genoemd, de heer M. en de NV. Een opleidingsplan werd opgesteld en de heer M., de NV en de VDAB sloten daaropvolgend op 9 april 2015 een overeenkomst voor een individuele beroepsopleiding af voor een duur van 26 weken, ingaand op 10 april 2015 t.e.m. 31 oktober 2015 met een gemiddelde van 40 uren per week (stukken 2 en 3 bundel NV). Op 28 oktober 2015 werd geattesteerd: "Verlenging IBO van 5 weken omwille van veelvuldige afwezigheid cursist. De verlenging zal hoofdzakelijk gebruikt worden om te werken aan de afwerking die soms onvoldoende is", getekend door de NV en de consulente bij de VDAB (stuk 2 bundel NV). Omwille van deze afwezigheden werd er dan ook in akkoord van alle betrokken partijen besloten om de beroepsopleiding met 5 weken te verlengen t.e.m. 5 december 2015 (stuk 4 bundel NV). Op 30 november 2015 stuurde de consulente zonder succes een mail naar de NV teneinde een afspraak te beleggen omtrent de eindbespreking van de beroepsopleiding (stuk 8 bundel M.). Op 2 december 2015 volgde een telefonisch onderhoud dat in het verslag van de consulente als volgt is weergegeven: ‘Hij zegt dat hij Bart wel wil aanwerven, maar dan pas vanaf januari 2016 omwille van een wijziging in de wetgeving rond voordelen bij een eerste aanwerving. Werkgever is niet voor rede vatbaar en zegt dat de VDAB hem maar voor de rechter daagt'. (stuk 8 bundel M.) Op 7 december 2015 vulde de consulente van de VDAB het formulier C91-IBO in tot beëindiging van een beroepsopleiding, in te dienen door de heer M. bij zijn uitbetalingsinstelling (stuk 7 bundel M.) nu de NV hem niet in dienst wilde nemen (stuk 8 bundel M.). De heer M. was werkloos tot 27 december 2015, datum waarop hij arbeidsongeschikt werd tot 25 mei 2016 (stuk 16 bundel M.). Op 5 januari 2016 controleerde de consulente het dossier om na te kijken of er reeds een Dimona-aangifte was, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Zij nam contact op met de heer M. die aangaf ondertussen in het ziekenhuis te zijn opgenomen. De consulente adviseerde hem contact op te nemen met zijn vakorganisatie (stuk 8 bundel M.). 2. Bij brief van 26 april 2016 stelde de heer M., bij monde van zijn vakorganisatie, de NV in gebreke om een schadevergoeding te betalen gelijk aan de duurtijd van de IBO-overeenkomst of 31 weken nu hem geen arbeidsovereenkomst werd aangeboden na de beëindiging van de IBO overeenkomst (stuk 1 bundel M.). Hierop verwees de NV naar de talrijke afwezigheden en het feit dat de heer M. heeft verzwegen een drugs-en alcoholprobleem te hebben: "(...) De week na zijn einde IBO is Bart M. zonder verwittiging niet meer komen opdagen (...) Na 14 dagen moet ik van zijn moeder vernemen dat hij is opgenomen in het ziekenhuis Sint Jozef te Munsterbilzen voor drugs- en alcoholverslaving. Hij is/was hier opgenomen tot einde april 2016, wat dus als zeer ernstig kan beschouwd worden. Bart heeft altijd verzwegen dat hij een drugs- en alcoholprobleem heeft. Ook heeft de VDAB mij voor en tijdens de IBO nooit hiervan op de hoogte gebracht. Deze problemen verklaren zijn vele afwezigheden tijdens de IBO opleiding (ook 2x in de gevangenis gezeten, wegens vechten). Ik zie het achterhouden van deze informatie dan ook als een zware fout zowel van Bart als van de VDAB. Ondanks zijn vele afwezigheden (meer dan 30 dagen) heb ik Bart genoeg kansen gegeven om zich te bewijzen maar op een zeker moment houdt het op. Hierdoor is het vertrouwen ook helemaal weg en zie ik af hem een vast contract aan te bieden. (...)". (stuk 2 bundel M.) 3. Nu geen regeling mogelijk bleek legde de heer M. op 13 oktober 2016 een verzoekschrift neer bij de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren en vorderde de NV te veroordelen tot de betaling van een bedrag van 15.376 euro als vergoeding wegens het niet naleven van de tewerkstellingsverbintenis in het kader van de IBO-overeenkomst te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten. Tevens werd gevorderd de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met syntheseconclusie van 19 juni 2017 vorderde de heer M. om: - het door de NV gevraagde voorbehoud om de VDAB in de procedure te betrekken, af te wijzen, minstens al uitspraak te doen over zijn vordering; - de NV in hoofdorde te veroordelen tot betaling van een bedrag van 15.376 euro, in ondergeschikte orde een bedrag van 12.896 euro als vergoeding wegens het niet naleven van de tewerkstellingsverbintenis in het kader van de IBO-overeenkomst, meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten; - de NV te veroordelen tot betaling van het kosten van het geding; - in ondergeschikte orde, machtiging te bekomen om met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, te mogen bewijzen dat: • mevrouw B. S., op 2 december 2015 telefonisch contact had met de NV en dat de NV haar daarbij meedeelde de heer M. wel te willen aanwerven maar dan pas vanaf januari 2016 omwille van een wijziging in de wetgeving rond voordelen bij een eerste aanwerving; • de NV tijdens hat telefonisch contact met mevrouw B. S. op 2 december 2015 niet vatbaar voor rede was en bij haar standpunt bleef, en stelde dat de VDAB haar maar voor de rechter moest dagen; • ook mevrouw L. S. van de VDAB de NV contacteerde, doch met hetzelfde resultaat; • mevrouw B. S. na het telefoongesprek met de NV op 2 december 2015 dezelfde dag telefonisch contact nam met de heer M. en hem meedeelde dat de NV haar meegedeeld had hem niet in dienst te willen nemen vanaf de 1ste kalenderdag na de opleiding. Met syntheseconclusie van 19 juli 2017 verzocht de NV om: - de vordering van de heer M. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - alvorens recht te doen de heer M. overeenkomstig art. 877 Ger.W. te verplichten stukken bij te brengen omtrent de opnames in Sint-Jozef te Munsterbilzen m.b.t. zijn alcohol- en drugsverslaving; - een persoonlijke verschijning van partijen te bevelen en een getuigenverhoor omtrent de feitelijkheden in dit dossier, meer bepaald hoe de samenwerking verliep tussen partijen en de VDAB tijdens de opleiding en op welke wijze hiervan verslagen werden opgemaakt en partijen werden ingelicht omtrent hun verplichtingen en waarom niet alle feitelijkheden in de verslagen terug te vinden zijn, waarom de heer M. niet meer is komen opdagen bij de NV op het ogenblik dat hem een vast arbeidscontract zou aangeboden worden,...; - voorbehoud te verlenen om de VDAB in deze procedure te betrekken; - in ondergeschikte orde de gevorderde schadevergoeding te herleiden tot een bedrag van 12.896 euro; - de heer M. te veroordelen tot de kosten van het geding. 4. Bij vonnis van 5 december 2017 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren verklaarden de eerste rechters de vordering van de heer M. ontvankelijk en deels gegrond. De NV werd veroordeeld tot de betaling van een bedrag van 12.896 euro als forfaitaire schadevergoeding meer de intresten alsook tot betaling van de kosten van het geding. Tegen dit vonnis tekende de NV op 5 februari 2018 hoger beroep aan. De heer M. tekende incidenteel beroep aan. EISEN IN HOGER BEROEP 5. Met conclusie van 31 augustus 2018 vordert de NV: "Het ingestelde beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen, minstens te hervormen en opnieuw rechtdoende de ingestelde vordering van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en geïntimeerde af te wijzen; Alvorens recht te doen geïntimeerde te verplichten stukken voor te leggen omtrent de opnames in Sint-Jozef te Munsterbilzen met betrekking tot zijn alcohol- en drugsverslaving; Een persoonlijke verschijning van partijen te bevelen en een getuigenverhoor omtrent de feitelijkheden in dit dossier, meer bepaald hoe de samenwerking verliep tussen partijen en de VDAB tijdens de opleiding en op welke wijze hiervan verslagen werden opgemaakt en partijen werden ingelicht omtrent hun verplichtingen en waarom niet alle feitelijkheden in de verslagen terug te vinden zijn, waarom geïntimeerde niet meer is komen opdagen bij concluante op het ogenblik dat hem een vast arbeidscontract zou aangeboden worden en waarom hij na 5.12.2015 niets meer van zich heeft laten horen; Voorbehoud te verlenen aan concluante dat zij VDAB in huidige procedure zal betrekken; Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg als in hoger beroep." 6. Met conclusie van 8 november 2018 vordert de heer M.: "Het principaal hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; In hoofdorde het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dientengevolge appellante te veroordelen om aan geïntimeerde te betalen een bedrag van: - 15.376 EUR, te vermeerderen met de vergoedende dan wel wettelijke intresten vanaf 6/12/2015, als vergoeding wegens het niet naleven van de tewerkstellingsverbintenis conform de bepalingen van het Besluit dd. 5/6/2009 van de Vlaamse Regering én de afgesloten IBO-overeenkomst; In ondergeschikte orde het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen; Appellante bijkomend te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. In ondergeschikte orde Voor zover het Hof dit nuttig en aangewezen acht geïntimeerde toe te laten de hierna bepaalde feiten te bewijzen door alle middelen van recht en inzonderheid door getuigen: • Dat Mevr. B. S., op 2/12/2015 telefonisch contact had met appellante, en dat appellante haar daarbij meedeelde geïntimeerde wel te willen aanwerven, maar dan pas vanaf januari 2016 omwille van een wijziging inde wetgeving rond voordelen bij een eerste aanwerving; • Dat appellante tijdens het telefonisch contact met Mevr. B. S. op 2/12/2015 niet vatbaar voor rede was en bij zijn standpunt bleef, en stelde dat de VDAB hem maar voor de rechter moest dagen; • Dat ook Mevr. L. S. van de VDAB appellante contacteerde, doch met hetzelfde resultaat; • Dat Mevr. B. S., na het telefoongesprek met verweerster op 2/12/2015, dezelfde dag telefonisch contact nam met geïntimeerde en hem meedeelde dat appellante haar meegedeeld had geïntimeerde niet in dienst te willen nemen vanaf de 1ste kalenderdag na de opleiding." ONTVANKELIJKHEID 7. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. TEN GRONDE Wettelijke bepalingen inzake individuele beroepsopleiding 8. Het Besluit dd. 5 juni 2009 van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding bepaalt o.a.: Artikel 91 : "De VDAB beslist over de verlenging of voortijdige beëindiging van de individuele beroepsopleiding." Artikel 94 : "De werkgever verbindt er zich toe met de cursist die in zijn onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een individuele beroepsopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur te sluiten. Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten om een dringende reden mag de werkgever aan de arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, op zijn vroegst een einde maken na verloop van de tijd die overeenstemt met de duur van de opleiding. De werkgever verbindt er zich toe de cursist die de opleiding in de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid onder de voorwaarden die voor dat beroep gelden en minstens tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke golden gedurende de periode dat de cursist de opleiding volgde. De werkgever verbindt er zich toe de cursist een attest met de vermelding van de verworven competenties te geven bij het einde van de opleiding" (onderlijning arbeidshof) 9. In artikel 2

  1. e)van de IBO-overeenkomst verbond de NV zich ertoe: "de cursist vanaf de eerste kalenderdag na de opleiding in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten om een dringende reden, mag de onderneming aan voormelde arbeidsovereenkomst slechts een einde maken ten vroegste na verloop van de tijd overeenstemmend met de looptijd van de IBO-overeenkomst, inclusief eventuele verlengingen. De onderneming verbindt er zich toe de cursist die de opleiding in de onderneming beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming onder de voor dat beroep geldende voorwaarden en minstens aan hetzelfde arbeidsregime als tijdens de opleiding in de onderneming." (stuk 4 bundel M.) Artikel 6 van die overeenkomst luidt als volgt: "Indien de onderneming de overeenkomst voor beroepsopleiding vroegtijdig en zonder geldige reden stopzet, eenzijdig en zonder akkoord van de VDAB, is hij de cursist een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met de som van de premie voor het resterend gedeelte van de opleiding en het loon dat de onderneming, op basis van art. 2, e verschuldigd is voor de periode overeenstemmend met de duur van de opleiding. Indien de onderneming de tewerkstellingsverbintenis, zoals omschreven in art 2, e niet naleeft, is hij, onverminderd de wettelijke en conventionele bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomsten, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het resterend gedeelte van het loon dat de werkgever verschuldigd is voor de tewerkstelling gedurende een periode die overeenstemt met de periode van de opleiding. De VDAB kan in beide gevallen beslissen om de onderneming gedurende 3 jaar geen opleiding toe te staan." Artikel 18 van de IBO-overeenkomst bepaalt: "Een vordering die voortvloeit uit deze overeenkomst voor beroepsopleiding verjaart 1 jaar na het einde van de overeenkomst." Niet nakoming van de tewerkstellingsverbintenis 10. De IBO biedt, conform hogervermelde dwingende bepalingen, werkzekerheid. De werkgever verbindt er zich namelijk toe om onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur af te sluiten met de cursist. Die tewerkstelling gebeurt onder de voor het aangeleerde beroep in de onderneming geldende voorwaarden en minstens tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden als tijdens de opleidingsperiode. Tenzij wegens dringende redenen, mag de werkgever aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd slechts een einde maken ten vroegste na verloop van de tijd overeenstemmend met de duur van de opleiding. De tewerkstellingsverplichting wordt enkel ten aanzien van de werkgever opgelegd. Op de werknemer rust geen enkele verplichting om in dienst te blijven gedurende een bepaalde periode. Wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst onreglematig beëindigt tijdens de werkzekerheidsperiode, dan gelden enkel de regels inzake de beëidinging zoals omschreven in de Arbeidsovereenkomstenwet (zie Ahof Gent, 11 januari 1995, RW 1995-96, 1058). 11. Het arbeidshof stelt vast dat de NV haar tewerkstellingsverplichting, opgenomen in artikel 2
  2. e)van de overeenkomst voor beroepsopleiding, niet is nagekomen. Het argument van de NV dat dit niet haar schuld is doch komt omdat de heer M. geen of onvoldoende medewerking heeft verleend om een arbeidsovereenkomst aan te gaan en niet meer is komen opdagen, kan niet worden gevolgd. Dit verweer staat immers in schril contrast met de eigen bewering, in conclusie bevestigd, dat zij een contract heeft willen aanbieden ‘maar dan pas vanaf januari 2016 omwille van een wijziging in de wetgeving rond voordelen bij een eerste aanwerving' (zie beroepsconclusie p. 8 laatste alinea). Zelfs indien de heer M. zich zou hebben aangeboden, dan nog zou er geen overeenkomst zijn afgesloten onmiddellijk na de beëindiging van de IBO-overeenkomst. Dit wordt ook bevestigd door de vermeldingen die in het verslag van de VDAB-consulente zijn opgenomen: ‘(...): ‘Hij zegt dat hij Bart wel wil aanwerven, maar dan pas vanaf januari 2016 omwille van een wijziging in de wetgeving rond voordelen bij een eerste aanwerving. Werkgever is niet voor rede vatbaar en zegt dat de VDAB hem maar voor de rechter daagt. Telefonisch contact met Linda Smeuninx. Ook zij contacteert hem, met maar hetzelfde resultaat'. (stuk 8 bundel M.) De inbreuk op de tewerkstellingsverplichting staat met andere woorden vast, los van het feit dat de heer M. op 27 december 2015 ziek is gevallen en werd gehospitaliseerd, om welke reden dan ook. Het hof gaat dan ook niet in op de vraag om de moeder van de heer M. op te roepen, naast de consulente van de VDAB nu de weigering om onmiddellijk na de IBO-overeenkomst een arbeidsovereenkomst af te sluiten blijkt uit de eigen verklaringen, bevestigd in conclusies. Het hof gaat evenmin in op de vraag om de heer M. te verplichten stukken neer te leggen omtrent de reden van zijn hospitalisatie, noch om een persoonlijke verschijning te bevelen nu dit volstrekt irrelevant is in het kader van huidig geschil. Weze ten andere opgemerkt dat de NV zich zelf heeft geëngageerd om een IBO-overeenkomst af te sluiten. De overeenkomst is in een zeer duidelijke niet mis te verstane bewoording opgesteld en er is duidelijk te lezen dat de werkgever er zich toe verbindt ‘de cursist die de opleiding in de onderneming beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming onder de voor dat beroep geldende voorwaarden en minstens aan hetzelfde arbeidsregime als tijdens de opleiding in de onderneming' (stuk 4 bundel M.). 12. De NV laat verder uitschijnen dat zij de vele afwezigheden van de heer M. tijdens de opleidingsdagen heeft gemeld aan de VDAB doch verder onvoldoende werd ondersteund en onvoldoende wist wat haar rechten en plichten waren. Zij vraagt voorbehoud te verlenen dat zij de VDAB in de zaak zal betrekken. Het hof stelt vast dat niets de NV ervan kon weerhouden de VDAB in de zaak te betrekken, hetgeen zij echter nog steeds niet heeft gedaan. De vraag tot het verlenen van enig voorbehoud komt het hof dan ook ongegrond voor nu er nog steeds geen initiatief hiertoe is genomen. Bovendien hebben de eerste rechters correct geoordeeld dat er ook geen noodzaak is om de VDAB vooralsnog in de zaak te betrekken, nu de VDAB geen onzorgvuldig handelen kan worden verweten. Met betrekking tot de uitvoering van de IBO-overeenkomst stelt het hof immers vast dat de heer M. inderdaad veel afwezigheidsdagen heeft gekend. De meesten, op 1 uitzondering na, werden echter als ‘ziektedagen' aangegeven zodat het om gerechtvaardigde afwezigheden ging. Maandelijks bezorgde de NV de VDAB een overzicht van de gewerkte en afwezige dagen, zonder hierbij enige vermelding aan toe te voegen. Er is één mail terug te vinden, deze van 15 juni 2015, waarin de NV zich beklaagde over de 2e afwezigheid binnen één week met de melding dat, indien dit nog eens gebeurt, zij de samenwerking wenste stop te zetten (stuk 5 bundel NV). De consulente heeft hierop onmiddellijk gereageerd en is op 17 juni 2015 naar de werf gegaan (stuk 8 bundel M.). Achteraf beweren dat zij de overeenkomst eigenlijk had willen stopzetten, maar niet wist hoe dit moest, is al te gemakkelijk. De feitelijke gang van zaken toont echter aan dat dit geenszins de intentie was van de werkgever nu de situatie op 9 oktober 2015 tussen de VDAB en de NV is besproken (‘werkgever is niet te spreken over de veelvuldige afwezigheid van Bart') en er is overeengekomen hem nog een kans te geven (‘Toch is de werkgever overtuigd van zijn kunnen en blijft erbij dat hij hem wil aanwerven (...) en wil een verlenging van IBO. Er is duidelijk verbetering in zijn werk, maar arbeidsattitude is een serieus aandachtspunt (...))'. (stuk 8 bundel M.) In plaats van de IBO-overeenkomst stop te zetten werd deze, met toestemming van de drie partijen, verlengd met vijf weken. Indien de NV niet tevreden was en de overeenkomst had willen beëindigen, dan zou er geen verlenging zijn afgesproken. In dit geval diende zij de VDAB een rapport met feiten te bezorgen, op basis waarvan de VDAB kon oordelen over de al dan niet stopzetting van de opleiding. Met kennis van zaken werd de opleiding evenwel verlengd met vijf weken én na afloop met vrucht afgerond (zie formulier C91-IBO - stuk 7 bundel M.). De argumentatie met betrekking tot de vele afwezigheden van de heer M. werd door de eerste rechters dan ook terecht als irrelevant afgewezen nu zij enkel konden vaststellen dat de NV geen arbeidsovereenkomst heeft aangeboden. In die zin kan er ook geen sprake zijn van een beëindiging omwille van een dringende reden aangezien de arbeidsovereenkomst nooit was afgesloten. Enige gebeurtenis na 6 december 2015, dit is de eerste kalenderdag na de opleiding, is niet relevant voor de vaststelling van de niet naleving van de bepalingen van de IBO-overeenkomst én begroting van de verschuldigde vergoeding. Uit wat voorafgaat volgt dat de NV haar verbintenis om de heer M. in dienst te nemen, niet is nagekomen op basis waarvan de heer M. terecht de betaling van de vergoeding zoals bepaald in artikel 6 van de overeenkomst voor beroepsopleiding vordert. Het hoger beroep dient als ongegrond te worden afgewezen. Begroting van de vergoeding 13. Voor wat de begroting van de vordering betreft verwijst de heer M. naar de bepaling van artikel 2,2 van de IBO-overeenkomst dat bepaalt dat de werknemers dient aangeworven te worden vanaf de 1ste kalenderdag na de opleiding, en er een tewerkstelingsverbintenis wordt aangegaan gelijk aan de duur van de opleiding, inclusief verlengingen (stuk 4 bundel M.). Artikel 6 van deze overeenkomst bepaalt verder dat ingeval de tewerkstellingsverbintenis niet wordt nageleefd, er een vergoeding is verschuldigd, gelijk aan het loon van de duur van de opleiding. Hij vordert de betaling van een vergoeding, overeenkomstig de duur van de opleiding inclusief verlengingen, zijnde in casu 31 weken en tekent incidenteel beroep aan tegen het vonnis van de eerste rechters die een vergoeding gelijk aan 26 weken hebben toegekend. 14. Het wordt niet ontkend dat de duur is verlengd met vijf weken en de opleiding derhalve 31 weken beliep in plaats van 26 weken. De wettelijke bepalingen zijn duidelijk en er wordt in de IBO-overeenkomst geen uitzondering bepaald met betrekking tot de reden van een eventuele verlenging. De heer M. heeft recht op een vergoeding gelijk aan de duur van de opleiding, inclusief verlenging, hetzij 15.376 euro. Het incidenteel beroep is gegrond. BESLISSING Het arbeidshof, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het vonnis van 5 december 2017 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren, met uitzondering van de begroting van de toegekende schadevergoeding en de veroordeling tot betaling ervan, welk onderdeel wordt vernietigd. Opnieuw oordelend, Veroordeelt de NV tot betaling aan de heer M. van een bedrag van 15.376 euro ten titel van forfaitaire schadevergoeding wegens de niet naleving van de tewerkstellingsverbintenis, te vermeerderen met de verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 5 december 2015 tot aan de dag van algehele betaling. Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek de NV tot de gerechtskosten in hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van de NV op 1.440 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof en 20 euro bijdrage begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand. Vereffent deze kosten aan de zijde van de heer M. op ‘nihil'. PDF document ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190206.40 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.