id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190619.18 Rolnummer: 2018/AA/501 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2020-10-26 Raadplegingen: 157 - laatst gezien 2026-06-28 06:27 Fiches 1 - 3 De gedetineerde, die een 'verlengd penitentiair verlof' krijgt, waarbij hij een week in de gevangenis en vervolgens een week buiten de gevangenis verblijft, heeft recht op een gedeeltelijke betaling van een inkomensgarantie voor ouderen. Voor de berekening van de ononderbroken periode van twaalf maanden hechtenis tijdens welke het rustpensioen moet worden betaald, dient rekening te worden gehouden met de toekenning van een 'verlengd penitentiair verlof'. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Overlevingspensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VAN DE WERKNEMERS - RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN Inkomensgarantie voor ouderen - toekenningsvoorwaarden - opsluiting in een gevangenis - toekenning van een 'verlengd penitentiair verlof' - werknemerspensioen - in een gevangenis opgesloten rechthebbende - schorsing van betaling - gevolg Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 70 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Overlevingspensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN Inkomensgarantie voor ouderen - toekenningsvoorwaarden - opsluiting in een gevangenis - toekenning van een 'verlengd penitentiair verlof' - werknemerspensioen - in een gevangenis opgesloten rechthebbende - schorsing van betaling - gevolg Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 22-12-1967 - 147 - 02 ELI link Pub nr 1967122203 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gewaarborgd inkomen bejaarde - Inkomensgarantie Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - INKOMENSGARANTIE VOOR OUDEREN Inkomensgarantie voor ouderen - toekenningsvoorwaarden - opsluiting in een gevangenis - toekenning van een 'verlengd penitentiair verlof' - werknemerspensioen - in een gevangenis opgesloten rechthebbende - schorsing van betaling - gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 22-03-2001 - 43 - 31 ELI link Pub nr 2001022200 Nota: Gerangschikt onder VII E - artikel 70, onder VIII B - artikel 147 en onder X CN - artikel 43 Annotaties Publicaties: JTT 2019 - - nr. 1350, blz. 441-443 Tekst van de beslissing Arbeidshof Antwerpen Afdeling Antwerpen 2018/AA/501 19 juni 2019 FEDERALE PENSIOENDIENST, met maatschappelijke zetel te BRUSSEL, Zuidertoren 3, ingeschreven met KBO-nummer 0206.738.078; met als raadsman mr. V. R., advocaat te ANTWERPEN, voor wie pleit mr. G. S., advocaat te ANTWERPEN, tegen: W. M., wonende te ***, RRN ***, verschijnend in persoon. Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 15 november 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. Advocaat-generaal J. D. gaf namens het openbaar ministerie mondeling advies op de openbare terechtzitting van 15 mei
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 december 2018, tekende de federale pensioendienst (hierna FPD genoemd) beroep aan tegen een vonnis van 15 november 2018 (AR 18/1754/A) van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het vonnis werd aan de partijen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 23 november
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure W. M., geboren op 21 december 1946, heeft recht op een pensioen als alleenstaande in de sector werknemer en in de sector zelfstandige vanaf 1 januari
- Op 28 november 2013 vraagt W.M. de toekenning van de inkomensgarantie voor ouderen (hierna IGO genoemd) aan. Met brief van 9 januari 2014 werd haar de IGO toegekend vanaf 1 december
- Op 7 december 2017 werd aan W.M. gevraagd om het bewijs te leveren van haar verblijf in België. Op 2 maart 2018 werd een herinneringsschrijven gestuurd. Op 26 maart 2018 verklaarde W.M. schriftelijk dat zij België niet heeft verlaten. De FPD vroeg in een brief van 4 april 2018 aan W.M. om haar verklaring van 26 maart 2018 te staven met de nodige bewijsstukken en dit binnen de 21 dagen. Indien zij niet tijdig zou reageren, werd de IGO geschorst vanaf 1 januari
- Er wordt informatie verstrekt dat W.M. sinds 9 november 2017 werd opgenomen in de strafinrichting te Hoogstraten. De FOD Justitie bevestigt dit met een attest van 29 mei
- Met een beslissing van 4 juni 2018 werd aan W.M. meegedeeld dat haar IGO niet uitbetaald werd voor de duur van haar gevangenschap of opsluiting. Dit werd als volgt geformuleerd: "1/ indien uw situatie van detentie ongewijzigd blijft zal u vanaf 01.12.2018 niet meer voldoen aan de betaalvoorwaarden tot uitbetaling van uw rustpensioen werknemer en zelfstandige. 2/ vanaf 01.12.2017 voldoet u niet meer aan de betaalvoorwaarden tot uitbetaling van uw inkomensgarantie voor ouderen." Met administratieve beslissing van 7 juni 2018 werd aan W.M. meegedeeld dat zij ingevolge haar opsluiting in de gevangenis sedert 9 november 2017 de uitbetaling van IGO niet meer kan genieten sedert 1 december
- Een bedrag van 3.522,20 euro werd teruggevorderd door de FPD. W.M. tekende tegen de administratieve beslissing van 7 juni 2018 verhaal aan bij de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juni
- Met conclusie van 3 september 2018 stelde de FPD een tegeneis in teneinde over een uitvoerbare titel te beschikken om het ten onrechte ontvangen bedrag van 3.522,20 euro terug te vorderen, weliswaar onder aftrok van de reeds betaalde afkortingen. Bij vonnis van 15 november 2018 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond. De administratieve beslissing van 7 juni 2018 van de FPD werd vernietigd en er werd voor recht gezegd dat W.M. gerechtigd is op IGO vanaf 1 juni 2018 tot zolang haar verlengd penitentiair verlof loopt. De uitsluiting op IGO werd bevestigd vanaf 1 december 2017 tot en met 31 mei
- De tegenvordering van de FPD werd ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond verklaard. W.M. werd veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 3522,20 euro, waarbij zij werd gemachtigd om deze terug te betaling met maandelijkse afkortingen a rato van 60,00 euro De kosten van het geding werden, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., ten laste van de FPD gelegd. De FPD stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 18 december
- Eisen in hoger beroep Met conclusie van 9 mei 2019 vordert de FPD: "Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens het vonnis a quo te niet te doen, behalve wat betreft de gegrondverklaring van de tegenvordering van concluante; Dienvolgens de bestreden beslissing d.d. 7/06/2018 te bevestigen; Kosten als naar rechte." W.M. vraagt de toekenning van het IGO en het opnieuw ontvangen van haar pensioen.
- Ten gronde W.M. vordert het opnieuw betaalbaar stellen van haar pensioen en wenst ook de toekenning van de inkomensgarantie-uitkering voor ouderen (IGO) vanaf 1 juni
- 4.
- Schorsing van het pensioen De FPD heeft in de bestreden beslissing van 4 juni 2018 het werknemers- en zelfstandigenpensioen van W.M. geschorst omwille van een verblijf in de gevangenis van meer dan twaalf maanden. 4.1.
- Voorwerp W.M. laat in hoger beroep gelden dat ze de schorsing van haar pensioen ongedaan wil laten maken omdat ze stelt dat ze nooit gedurende twaalf maanden ononderbroken werd opgesloten in de gevangenis. Hoewel in haar oorspronkelijk verzoekschrift niet uitdrukkelijk werd gesteld dat ze ook tegen dit aspect van de beslissing beroep aantekende, is wel duidelijk dat ze tegen de beslissing van 4 juni 2018 beroep heeft aangetekend en dat in deze beslissing de uitbetaling van het rustpensioen werknemer en zelfstandige wordt geschorst wegens het niet voldoen aan de betaalvoorwaarden. Indien ze vervolgens vraagt om ook de schorsing van de andere pensioenen ongedaan te maken, is dit te beschouwen als een uitbreidende vordering die kan toegelaten worden hetgeen trouwens niet betwist wordt. 4.1.
- Principes Artikel 70 van het Koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers bepaalt: "§
- De rust- en overlevingspensioenen worden geschorst voor de duur van hun opsluiting ten aanzien van de gerechtigden die in de gevangenissen zijn opgesloten of de gerechtigden die in gestichten tot bescherming van de maatschappij of in bedelaarskoloniën zijn opgenomen. §
- Het genot van hun pensioen kan hun nochtans worden behouden zolang zij geen ononderbroken opsluiting van twaalf maanden hebben ondergaan. §
- De gerechtigden zullen aanspraak mogen maken op hun pensioen voor de duur van hun voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat zij doen blijken dat zij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling." Een gelijkaardige bepaling is terug te vinden in de regeling voor zelfstandigen (artikel 147 KB 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen) dat bepaalt: "§
- Het rustpensioen, het overlevingspensioen, de overgangs-uitkering en het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden geschorst tijdens de duur van hun hechtenis of hun plaatsing ten opzichte van de gerechtigden die zijn opgesloten in de gevangenissen of geplaatst zijn in de instellingen van sociaal verweer. §
- Het genot van de uitkering kan hun nochtans behouden blijven zolang ze geen ononderbroken periode van twaalf maand hechtenis of plaatsing hebben ondergaan. §
- De gerechtigden kunnen op een uitkering aanspraak maken voor de periode van hun voorlopige hechtenis op voorwaarde dat zij bewijzen dat er ontslag van rechtsvervolging is geweest, dat zij buiten de zaak werden gesteld of dat zij werden vrijgesproken door een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is getreden." Op 30 april 2018 werd aan W.M. een vorm van wat "penitentiair verlof" genoemd wordt, toegekend. Uit de stukken die neergelegd worden blijkt dat W.M. vanaf juni 2018 gedurende langere tijd de gevangenis mocht verlaten. Meer bepaald moest ze een week in de gevangenis verblijven en vervolgens tijdens het weekend en in de daaropvolgende week buiten de gevangenis. Door toe te laten dat W.M. telkens een week in de gevangenis moest verblijven maar daarna een week elders moest/mocht verblijven, kan enkel vastgesteld worden dat zij sedert juni 2018 niet langer "ononderbroken opgesloten was in de gevangenis" in de zin van voormelde wettelijke bepalingen. Te meer daar haar verblijf buiten de gevangenis niet aan enige voorwaarde zoals het dragen van een enkelband was onderworpen. Door deze vaststelling is zij niet gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden opgesloten in de gevangenis nu haar gevangenschap pas op 1 december 2017 gestart is. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 70 KB 21 december 1967 en artikel 147 KB 22 december
- Het doel van deze bepalingen is immers niet langer een pensioen toe te kennen aan personen die langer dan twaalf maanden ononderbroken opgesloten zitten, nu er dan mag vanuit gegaan worden dat ze niet langer vaste kosten hebben zoals het betalen van huur en dergelijke. Nu W.M. wel moet zorgen voor huisvesting en meer dan de helft van de maand ook buiten de gevangenis verblijft, heeft ze recht op een rustpensioen. De beslissing tot schorsing van het pensioen moet dan ook vernietigd worden en dit pensioen moet opnieuw betaalbaar gesteld worden. 4.
- Inkomensgarantie-uitkering voor ouderen Bovendien vordert W.M. ook een inkomensgarantie-uitkering (IGO) voor ouderen als bijpassing op haar pensioen. 4.2.
- Principes Artikel 43 van het Koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen bepaalt: "De inkomensgarantie wordt niet uitbetaald voor de duur van hun gevangenschap of van hun opsluiting, aan de gerechtigden die in gevangenissen zijn opgesloten of die in een instelling van sociaal verweer zijn opgenomen. De gerechtigden mogen evenwel aanspraak maken op de inkomensgarantie die betrekking heeft op de periode van hun voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat zij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buiten vervolgingstelling of van buitenzaakstelling." Het IGO wordt derhalve niet uitbetaald voor de duur van de gevangenschap hetgeen logisch is omdat wanneer een persoon opgesloten is, hij geen uitgaven moet doen en bed, bad en brood ontvangt. 4.2.
- "Verlengd" penitentiair verlof W.M. geniet sedert juni 2018 van een "verlengd" penitentiair verlof. Het penitentiair verlof wordt normaal geregeld door de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en aan de slachtoffers toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Dit penitentiair verlof laat de veroordeelde toe om de gevangenis te verlaten maar artikel 6, § 3 van de wet van 17 mei 2006 bepaalt dat de uitvoering van de vrijheidsstraf voort loopt tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof. Indien W.M. de gevangenis mocht verlaten in het kader van een penitentiair verlof, werd de beslissing tot schorsing van de pensioenen terecht genomen. Uit de neergelegde stukken blijkt dat haar aanvankelijk penitentiair verlof werd toegestaan. Later werd haar blijkbaar een "verlengd penitentiair verlof" toegekend dat zou gebaseerd zijn op een maatregel van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van 20 juni 2017 om de overbevolking tegen te gaan in de gevangenissen. Deze maatregel zou ondertussen ingetrokken zijn maar W.M. kan er wel van blijven genieten. De FPD laat gelden dat W.M. het bewijs moet leveren dat ze van deze maatregel kon gebruik maken maar uit het stuk dat door het auditoraat-generaal werd neergelegd ter zitting van 3 april 2019 blijkt dat W.M. vanaf juni 2018 de gevangenis gedurende een langere periode dan vermeld in de wet van 17 mei 2006 mocht verlaten. Uit dit niet betwiste stuk blijkt immers dat W.M. een week in de gevangenis en vervolgens een week buiten de gevangenis verbleef. Deze maatregel is, in tegenstelling tot wat de FPD stelt, niet gebaseerd op de wet van 17 mei 2006 dat immers dit "verlengd penitentiair verlof" niet kent. De duur van het penitentiair verlof in de wet van 17 mei 2006 is beperkt tot het verlaten van de gevangenis gedurende drie maal zesendertig uren per trimester (artikel 6) en voorziet dus niet in een "week om week" regeling. Dat de maatregel "verlengd penitentiair verlof" zou worden genoemd, heeft dan ook niet tot gevolg dat er hier sprake is van een penitentiair verlof in de zin van de wet van 17 mei
- Een dergelijk penitentiair verlof kan immers enkel toegekend worden overeenkomstig de voorwaarden van deze wet en een week om week regeling is in deze wet niet voorzien. Het loutere feit dat er in de beslissing tot toekenning van het penitentiair verlof wordt verwezen naar de wet van 17 mei 2006 wijzigt dit niet nu deze maatregelen niet voorzien zijn in voormelde wet en blijkbaar enkel gebaseerd is op een maatregel van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van 20 juni
- Er kan dan ook geen toepassing gemaakt worden van artikel 6 van de wet van 17 mei 2006 dat bepaalt dat de uitvoering van de vrijheidsstraf voort loopt tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof nu deze maatregel waar W.M. kon van genieten niet onder deze wet valt. 4.2.
- Toepassing Omdat W.M. aantoont dat ze meer dan de helft van de maand niet in gevangenschap verblijft of opgesloten is, heeft ze in de periodes dat ze vrij is, recht op een IGO. De FPD laat gelden dat er geen recht is op een IGO zo lang W.M. zich in eender welk regime bevindt waarin ze van haar vrijheid wordt beroofd. De FPD voegt er aan toe dat deze maatregel genomen werd om te beletten dat een persoon tweemaal ten laste van de maatschappij zou vallen. Evenwel blijkt uit het stuk dat door het auditoraat-generaal ter zitting van 3 april 2019 werd neergelegd dat W.M. gedurende meer dan de helft van de maand huisvesting moet voorzien en dus een woning moet huren (en dat ook doet). W.M. moet bovendien de vaste kosten van huisvesting en energie voor een ganse maand betalen. In de periodes dat ze niet in de gevangenis verblijft, moet ze ook de kosten van voeding, drank en kleding betalen. Gedurende de helft van de maand is ze immers niet ten laste van de penitentiaire instelling en krijgt ze hiervoor geen uitkering of tegemoetkoming. Hieruit volgt dat zij recht heeft op een IGO. Aangezien ze evenwel gedurende de helft van de maand geen uitgaven moet doen voor voeding maar wel maandelijks de vaste kosten moet betalen, heeft ze recht op 75% van de uitkering. Er dient immers rekening gehouden te worden met het feit dat ze tijdens het verblijf in de gevangenis voeding en huisvesting ontvangt. De FPD laat nog gelden dat artikel 40 KB 23 mei 2001 bepaalt dat de IGO verworven is per twaalfden en betaalbaar is per maand maar dit sluit niet uit dat zij elke maand recht heeft op het IGO dat voor 75% wordt uitbetaald. Er wordt immers enkel vereist dat het IGO betaalbaar is per maand en door maandelijks het IGO voor 75% te betalen, worden er geen wettelijke bepalingen geschonden. Aangezien de maatregel van het "verlengd penitentiair verlof" inging vanaf 1 juni 2018, mocht het IGO teruggevorderd worden in de periode die hieraan voorafging. Het eerste vonnis kan desbetreffend bevestigd worden. 4.
- Besluit W.M. heeft recht op haar pensioen als werknemer en als zelfstandige vanaf 1 december 2017 en heeft recht op 75% van het IGO vanaf juni 2018 tot aan haar volledige vrijlating. BESLISSING Het arbeidshof, Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 15 november 2018 maar enkel in zoverre beslist wordt dat W.M. vanaf 1 juni 2018 recht heeft op een volledig bedrag van de inkomensgarantie-uitkering voor ouderen. Opnieuw beslissend, zegt voor recht dat W.M. recht heeft op 75% van het bedrag van inkomensgarantie-uitkering voor ouderen vanaf 1 juni
- Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 15 november 2018 voor het overige. Verder beslissend over de uitbreidende vordering, stelt het rustpensioen werknemer en zelfstandige opnieuw betaalbaar en vernietigt derhalve de beslissing van 4 juni 2018 waarin dit pensioen geschorst werd. Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de Federale Pensioendienst tot de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van W.M., die niet vertegenwoordigd werd door een advocaat en evenmin een omstandige opgave heeft gedaan van de kosten op nihil. PDF document ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190619.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div