← België

ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190717.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190717.5 Rolnummer: 2018/AH/175 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-10-26 Raadplegingen: 390 - laatst gezien 2026-06-29 06:56 Fiches 1 - 2 De nietigverklaring van de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord aangegaan door de beschermde werknemer onder voorlopig bewindvoering plaatst de partijen terug in de toestand die voorheen bestond. De arbeidsovereenkomst werd niet beëindigd en is blijven voortbestaan, zolang deze niet beëindigd is door een andere handeling. Het arbeidshof moet bij de beoordeling van de handelingen van partijen tot de datum van nietigverklaring ermee rekening houden dat zij op het ogenblik handelden zonder dat de nietigheid van de overeenkomst was uitgesproken. Zolang de nietigheid niet was uitgesproken staat het zich beroepen op die overeenkomst en het eisen van de uitvoering ervan niet gelijk met een wilsuiting tot ontslag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING Einde van de overeenkomst - beschermde werknemer - onder voorlopig bewindvoering - verzoekschrift tot erkenning van een dringende reden gevolgd door een overeenkomst van beëindiging in onderling akkoord - nietigverklaring met terugwerkende kracht - gevolgen - geen wil tot eenzijdige beëindiging Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN - ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19 MAART 1991 Ontslagverbod en afwijkingen - beschermde werknemer - onder voorlopig bewindvoering - verzoekschrift tot erkenning van een dringende reden gevolgd door een overeenkomst van beëindiging in onderling akkoord - nietigverklaring met terugwerkende kracht - gevolgen - geen wil tot eenzijdige beëindiging Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 32 en onder IV BIS C - artikel 2 Annotaties Publicaties: JTT 2019 - - nr. 1349, nr. 431-435 JTT 2019 - - nr. 1349, 431-43 Tekst van de beslissing Arbeidshof Antwerpen Afdeling Hasselt 17 juli 2019 2018/AH/175 K C, in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de heer V E, RRN, met kantoren te *, aanwezig ter zitting met als raadsman mr. V R, advocaat, die pleit tegen: B W V L VZW (B), ON, met maatschappelijke zetel te *, met als raadsman mr. G J, advocaat, die pleit Het hoger beroep is gericht tegen de vonnissen van 12 april 2018 en 24 mei 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. I. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Op 16 augustus 2016 legde mevrouw C K, advocate (hierna: mr. K) in haar hoedanigheid van voorlopige bewindvoerster over de goederen van de heer E V, een verzoekschrift neer opzichtens de vzw B W L (hierna: vzw B), bij de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt. Bij conclusie van 20 december 2017 vorderde mr. K: "Concluante akte te verlenen van haar wijzigingen in haar vorderingen aangaande de rechtsplegingsvergoeding, de intresten en de afgifte van sociale documenten; De (gewijzigde) vordering van concluante qq ontvankelijk en volledig gegrond te verklaren; De tegenvordering van verweerster onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; Dienvolgens verweerster te veroordelen tot het betalen aan concluante qq: - Een forfaitaire anciënniteitsvergoeding van euro 91.322,

  1. Bedrag te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 3 december 2015 en meer de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet vanaf de datum van neerlegging van dit verzoekschrift; - Een mandaatsvergoeding (variabele vergoeding) van euro 17.757,
  2. Bedrag te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 3 december 2015 en meer de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet vanaf de datum van neerlegging van dit verzoekschrift; Verweerster verder te veroordelen om aan concluante af te leveren binnen de 14 dagen na de betekening van dit vonnis: het verbeterend formulier C4 en een verbeterde fiche 281.10, onder verbeurte van een dwangsom van euro 25,00 per ontbrekend document en per dag vertraging vanaf de 15de dag na de betekening van het vonnis; Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluante bepaald op euro 9.000,00 (verhoogd); Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van enig rechtsmiddel." Bij conclusie van 24 januari 2018 vorderde vzw B: "
  3. In hoofdorde, de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
  4. In ondergeschikte orde, de vorderingen van de eisende partij te herleiden tot de gevorderde "anciënniteitsvergoeding", nl. de hoofdsom van euro 91.322,07, en de vordering van eiseres strekkende tot het bekomen van een "mandaatsvergoeding" als ongegrond af te wijzen.
  5. Tevens in bijkomende ondergeschikte orde, in het onmogelijke geval de arbeidsrechtbank B vzw zou veroordelen tot de betaling van enig bedrag, mevrouw K qq. voorlopig bewindvoerder van de heer V op tegenvordering te veroordelen tot de terugbetaling van de reeds ontvangen netto "beëindigingsvergoeding", namelijk het bedrag van 8.448,40 euro in hoofdsom, en dit vermeerderd met de wettelijke intrest sinds de datum van betaling, 7 december 2015 en de gerechtelijke intresten, te berekenen tot aan de datum van de effectieve betaling of compensatie. Vervolgens de compensatie toe te staan met de door de eisende partij terug te betalen hoofdsom en de daarop verschuldigde intresten enerzijds en enig bedrag waartoe B vzw per impossibile toe zou worden veroordeeld anderzijds.
  6. Alleszins de eisende partij te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van een RPV van 9.000 euro." Bij vonnis van 12 april 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt werd de hoofdvordering van mr. K ontvankelijk maar ongegrond verklaard en de tegenvordering van vzw B werd ontvankelijk maar zonder voorwerp verklaard. "Verwerende partij op hoofdvordering" werd tot de kosten van het geding veroordeeld, aan beide zijden begroot op 9.000 euro rechtsplegingsvergoeding. Bij verbeterend vonnis van 24 mei 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt werd de hoofdvordering van mr. K ontvankelijk maar ongegrond verklaard en de tegenvordering van de VZW werd ontvankelijk maar zonder voorwerp verklaard. "Aanleggende partij op hoofdvordering" werd tot de kosten van het geding veroordeeld. Tegen deze vonnissen van tekende mr. K op 18 juli 2018 hoger beroep aan. De vonnissen werden niet betekend. II. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 15 maart 2019 vordert mr. K: "Uitspraak doend aangaande het hoofdberoep: Het hoger beroep van concluante qq ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens de bestreden vonnissen d.d. 12 april 2018 en 24 mei 2018 te vernietigen en opnieuw rechtdoende; De oorspronkelijke vorderingen van concluante qq ontvankelijk en volledig gegrond te verklaren; Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot het betalen aan concluante qq: - Een forfaitaire anciënniteitsvergoeding van euro 91.322,
  7. Bedrag te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 3 december 2015 en meer de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet vanaf de datum van neerlegging van dit verzoekschrift; - Een mandaatsvergoeding (variabele vergoeding) van euro 17.757,
  8. Bedrag te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 3 december 2015 en meer de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet vanaf de datum van neerlegging van dit verzoekschrift; Geïntimeerde verder te veroordelen om aan concluante af te leveren binnen de 14 dagen na de betekening van dit vonnis: het verbeterend formulier C4 en een verbeterde fiche 281.10, onder verbeurte van een dwangsom van euro 25,00 per ontbrekend document en per dag vertraging vanaf de 15de dag na de betekening van het vonnis; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluante bepaald: - RPV eerste aanleg: euro 6000,00 (basis) - Rolrecht hoger beroep: euro 20,00 - RPV hoger beroep: euro 6.000,00 (basis); Uitspraak doend op het incidenteel beroep: Zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het incidenteel hoger beroep (of van de erin vervatte tegenvordering) of dit incidenteel beroep/deze tegenvordering onontvankelijk, ontoelaatbaar of minstens ongegrond te verklaren; In elk geval de door geïntimeerde begrote rechtsplegingsvergoedingen (in eerste aanleg en graad van beroep) te herleiden tot het basisbedrag, zijnde euro 6.000,00." Met conclusie van 16 april 2019 vordert vzw B: "
  9. In hoofdorde, het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt dd. 12 april 2018 (zoals verbeterd bij vonnis van 24 mei 2018) te bevestigen.
  10. In ondergeschikte orde, de vorderingen van appellante, oorspronkelijke appellante, te herleiden tot de gevorderde "anciënniteitsvergoeding", nl. de hoofdsom van euro 91.322,07, en de vordering van appellante, oorspronkelijke appellante, strekkende tot het bekomen van een "mandaatsvergoeding" als ongegrond af te wijzen.
  11. Daarnaast, in dezelfde ondergeschikte orde, in het onmogelijke geval het arbeidshof B vzw zou veroordelen tot de betaling van enig bedrag, mevrouw K qq. voorlopig bewindvoerder van de heer V op tegenvordering te veroordelen tot de terugbetaling van de reeds ontvangen netto "beëindigingsvergoeding", namelijk het bedrag van 8.448,40 euro in hoofdsom, en dit vermeerderd met de wettelijke intrest sinds de datum van betaling, 7 december 2015 en de gerechtelijke intresten, te berekenen tot aan de datum van de effectieve betaling of compensatie. Vervolgens de compensatie toe te staan met de door de appellante, oorspronkelijke appellante, terug te betalen hoofdsom en de daarop verschuldigde intresten enerzijds en enig bedrag waartoe B vzw per impossibile toe zou worden veroordeeld anderzijds.
  12. De veroordeling van appellante, oorspronkelijke appellante, in graad van eerste aanleg tot de gerechtskosten, met inbegrip van een RPV van 9.000 euro, te bevestigen, en de appellante, oorspronkelijke appellante, eveneens te veroordelen tot de gerechtskosten in graad van hoger beroep, met inbegrip van een RPV ten belope van 6.000 euro." III. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. IV. TEN GRONDE
  13. Feiten E V treedt op 20 oktober 1997 in dienst van vzw B krachtens een arbeidsovereenkomst voor arbeiders voor onbepaalde tijd. Hij wordt aangeworven als chauffeur. E V behoort tot het omkaderingspersoneel. De vrederechter van het eerste kanton te Hasselt stelt mr. K bij beslissing van 11 juni 2007 aan als bewindvoerster van E V. Daarin beslist de vrederechter onder meer: "Overeenkomstig artikel 488bis f B.W. zal de voorlopige bewindvoerder de goederen van de betrokkene beheren als een goed huisvader. Zij vertegenwoordigt de betrokkene in alle rechtshandelingen en procedures, voor zover de wet geen bijzondere machtiging vereist. (...)" (stuk 2 van mr. K) E V is sinds de sociale verkiezingen van 2012 effectief lid van de ondernemingsraad van vzw B. Met een verzoekschrift van 20 november 2015 neergelegd bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt, vraagt vzw B de opheffing van de bijzondere ontslagbescherming van E V. De bewindvoerster wordt niet op de hoogte gesteld en niet in de procedure betrokken. In een beschikking van 2 december 2015 stelt de voorzitster van de arbeidsrechtbank vast dat de verzoening tussen de partijen niet mogelijk is en spreekt zij een schorsing van de arbeidsovereenkomst uit tijdens de procedure betreffende de erkenning van de dringende reden (stuk 9 van mr. K). Op 3 december 2015 sluiten E V en vzw B een "overeenkomst inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord" waarin ze in artikel 1 overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst in onderlinge overeenstemming wordt beëindigd op 3 december
  14. Vzw B verbindt zich ertoe een eenmalige beëindigingsvergoeding te betalen overeenstemmend met 23 weken loon. De partijen bij de overeenkomst doen vervolgens wederzijds afstand van rechten met betrekking tot geschillen over de arbeidsovereenkomst. Zij nemen een clausule met een discretieplicht op in de overeenkomst (stuk 1 van mr. K). Met een brief van 4 februari 2016 stelt mr. K vzw B in gebreke. Zij kaart aan dat zij niet op de hoogte is van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en vraagt overmaking van alle documenten in verband met deze beëindiging (stuk 10 van mr. K). Met een brief van 10 februari 2016 meldt vzw B dat "de arbeidsovereenkomst met Dhr. V werd beëindigd op 3/12/2015." Voor meer inlichtingen verwijst de vzw naar de juridische dienst van de vakorganisatie van E V, het ABVV (stuk 11 van mr. K). In een e-mail van 12 februari 2016 verwijst vzw B naar de achtergrond van de procedure tot erkenning van de dringende reden en de daaropvolgende regeling en meldt de vzw: "Deze regeling bestond uit een beëindiging in onderling akkoord van de arbeidsovereenkomst." (stuk 32 van mr. K). Deze vakorganisatie vraagt in een brief van 16 februari 2016 aan vzw B om te stoppen met "uw voornemen om E te ontslaan" (stuk 12 van mr. K). De vakorganisatie vraagt met een brief van dezelfde datum de opname van E V op de kiezerslijst voor de sociale verkiezingen 2016 (stuk 13 B van mr. K). Daarop wordt door de vzw niet ingegaan, waarna de vakorganisatie een gerechtelijke procedure opstart met een verzoekschrift van 3 maart
  15. De arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt oordeelt in een vonnis van 11 maart 2016 dat E V niet moet worden opgenomen op de kiezerslijst (stuk 14 van mr. K). Na machtiging daartoe door de vrederechter, leidt mr. K bij dagvaarding van 18 mei 2016 een procedure in voor de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt om de nietigheid te verkrijgen van de dadingsovereenkomst van 3 december
  16. Deze rechtbank oordeelt in een vonnis van 6 september 2017 dat de vordering gegrond is en: "Dienvolgens verklaart de schriftelijke overeenkomst inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord van 03.12.2015, afgesloten tussen geïntimeerde en de heer E V (stuk 1 in het bundel van eiseres qq.) integraal nietig. Zegt voor recht dat deze vernietiging terugwerkende kracht heeft." (stuk 36 van mr. K) De partijen hebben berust in dit vonnis. Ondertussen had mr. K op 16 augustus 2016 een zaak aanhangig gemaakt bij de arbeidsrechtbank, gesteund op de beweerde schending van de ontslagbescherming door vzw B.
  17. Beoordeling 2.
  18. Beschermingsperiode
  19. Op basis van artikel 2, § 1, eerste lid van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (hierna : Wet Ontslagbescherming Personeels-afgevaardigden) kunnen de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. De personeelsafgevaardigden zijn aldus tegen ontslag beschermd gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld (artikel 2, § 2 van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden) .
  20. Er is tussen partijen geen betwisting over het aanvangstijdstip van de ontslagbescherming. Vzw B toont met haar stuk 6 aan dat op 22 juni 2016 de installatievergadering van de nieuwe ondernemingsraad werd gehouden, waarbij onder meer de nieuwe leden kennis maakten met elkaar. Vanaf 22 juni 2016 genoot E V aldus niet meer van een ontslagbescherming als personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad.
  21. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten van dezelfde ontslagbescherming als de personeelsafgevaardigden zo het hun eerste kandidatuur betreft. Hetzelfde geldt voor wie reeds kandidaat was en werd verkozen bij de vorige verkiezingen (artikel 2, § 3 van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden). E V was geen kandidaat bij de sociale verkiezingen van
  22. Met een verzoekschrift gedagtekend 3 maart 2016 gericht aan de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt vorderde de vakorganisatie van E V, het ABVV, de veroordeling van vzw B om E V toe te voegen aan de kiezerslijsten (stuk 5 van vzw B). In een vonnis van 11 maart 2016 wijst de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt deze vordering af als ongegrond. Zij overweegt: "Zolang er evenwel geen vernietiging is van de (rechts) handelingen blijven zij bestaan. In casu heeft dit voor gevolg dat de overeenkomst van 3 december 2015, waarbij de beëindiging in onderling overleg op 3 december 2015 is bevestigd, bestaat en dat de rechtbank zich verplicht ziet hiermee rekening te houden." (stuk 14 van mr. K). In hetzelfde vonnis overweegt de rechtbank dat zij niet kan ingaan op het verzoek tot schorsing van de verkiezingsprocedure. E V heeft zich geen kandidaat gesteld bij de verkiezingen. Hij legt een e-mail voor van de secretaris van zijn vakorganisatie van 16 februari 2016, waarin deze schrijft: "Voor ons is E V nog steeds in dienst en hij is kandidaat." (stuk 13 B van mr. K). Deze e-mail is gevolgd door de procedure voor de arbeidsrechtbank teneinde E V op te nemen op de kiezerslijst. Nadat deze vordering werd afgewezen, zijn de vakorganisatie of E V zelf niet meer teruggekomen op een mogelijke kandidatuur bij de sociale verkiezingen, althans liggen daarvan geen stukken voor. E V genoot aldus niet van een ontslagbescherming als kandidaat-personeelsafgevaardigde bij de sociale verkiezingen van
  23. 2.
  24. Ontslag
  25. E V moet aldus aantonen dat hij door vzw B werd ontslagen voor 22 juni
  26. Hij draagt de bewijslast met toepassing van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek (vgl.: Cass. 15 januari 1996, Arr. Cass. 1996, 59) (het arbeidshof verwijst hieronder voor de leesbaarheid naar ‘E V' om de eiser in beroep aan te duiden, m.a.w. mr. K in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van E V. Voor de aanduiding van de stukken verwijst het arbeidshof wel naar het bundel van ‘mr. K'). Voor de toepassing van artikel 2, § 1 Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden geldt luidens het tweede lid van deze bepaling als ontslag: "1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in de §§ 2 of 3; 2° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wegens feiten die een reden uitmaken die ten laste van de werkgever kan gelegd worden; 3° het niet in acht nemen door de werkgever van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, genomen met toepassing van artikel 5, § 3 en waarin besloten wordt tot de voortzetting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten." Het geval bedoeld in artikel 2, § 1, 3° van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden is niet aan de orde. Artikel 2, § 1, 2° van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden betreft het ontslag om dringende redenen die aan de werkgever te wijten zijn. E V beroept zich erop dat vzw B zelf een einde aan de arbeidsovereenkomst heeft gesteld. Hij steunt zich dus op artikel 2, § 1, 1° van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden. Daarbij beroept hij zich op een ontslaghandeling door vzw B en niet op een impliciet ontslag. Hij heeft op geen enkel ogenblik tijdens de beschermde periode een impliciet ontslag door de vzw ingeroepen.
  27. Het arbeidshof oordeelt dat E V geen ontslag door vzw B aantoont. Het ontslag is een handeling waardoor een partij aan de andere ter kennis brengt dat zij de arbeidsovereenkomst wil beëindigen (vgl. bv.: Cass. 12 september 1988, Arr. Cass. 1988-89, 47 en zie: W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal compendium arbeidsrecht ‘18-‘19, Mechelen, Wolters Kluwer 2018, p. 2295 en de aldaar vermelde cassatierechtspraak). Het ontslag is niet afhankelijk van vormvereisten (zie o.a.: Cass. 6 januari 1997, Arr. Cass. 1997, 25). Wel moet sprake zijn van een definitieve wilsuiting. Vereist is dat de ontslaggevende partij werkelijk de wil heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen (zie: Cass. 16 juni 1976, JTT 1976, 349). De wil tot ontslag moet op een ondubbelzinnige wijze ter kennis worden gebracht van de partij die ontslagen wordt (zie: W. VAN EECKHOUTTE, o.c., p. 2298).
  28. De overeenkomst inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord van 3 december 2015 is door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt nietig verklaard met terugwerkende kracht (stukken 1 en 36 van mr. K). Deze nietigverklaring betekent dat aan deze overeenkomst geen enkel gevolg kan worden gehecht en dat zij juridisch moet worden geacht nooit te hebben bestaan. De nietigverklaring plaatst de partijen terug in de toestand die voorheen bestond (vgl. o.a.: Cass. 6 december 2007, Arr. Cass. 2007, afl. 12, 2413). De arbeidsovereenkomst tussen partijen werd door de overeenkomst niet beëindigd en is blijven voortbestaan, zolang deze niet is beëindigd door een andere handeling.
  29. Zolang de overeenkomst niet door de rechter nietig was verklaard, is zij blijven bestaan (vgl. o.a.: Cass. 21 mei 2007, Arr. Cass. 2007, afl. 5, 1066). Tot het vonnis van 6 september 2017 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt bestond de overeenkomst. Dat wijzigt niets aan het feit dat heden, na de nietigverklaring met terugwerkende kracht, met deze overeenkomst in haar geheel geen rekening kan worden gehouden en dat daarop geen juridische gevolgtrekkingen kunnen worden gebaseerd. De nietigheid treft de overeenkomst in haar geheel. Het arbeidshof volgt E V niet waar hij poogt te argumenteren dat enkel nog de wilsovereenstemming in hoofde van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te beëindigen overeind bleef en niet deze van hem, als pupil. De overeenkomst is nietig in haar geheel. Er kan niet slechts ten dele rekening mee worden gehouden om een wilsuiting in hoofde van één van de partijen uit af te leiden en die dan anders te interpreteren dan in het kader van de nietig verklaarde overeenkomst gold, met name als een wilsuiting tot eenzijdige beëindiging in plaats van een wilsovereenstemming tot beëindiging in onderling overleg. Een dergelijke redenering gaat regelrecht in tegen het wezen van een nietigverklaring met terugwerkende kracht van een overeenkomst. De argumentatie van E V dat vzw B de in de overeenkomst uitgedrukte wil tot ontslag zou hebben herhaald, bevestigd of hernieuwd houdt aldus geen steek. Uit de overeenkomst van 3 december 2015 kan na de nietigverklaring immers geen enkele wilsuiting meer worden afgeleid. De nietigverklaring met terugwerkende kracht betekent dat geen van de partijen zinsneden of bepalingen uit die overeenkomst kan isoleren om op basis daarvan, desgevallend na interpretatie, een beëindiging van de arbeidsovereenkomst of wil daartoe vast te stellen. De nietigheid van de overeenkomst houdt in dat deze in haar geheel als onbestaande moet worden beschouwd.
  30. Wel moet het arbeidshof bij de beoordeling van de handelingen van de partijen tot 6 september 2017 ermee rekening houden dat zij op dat ogenblik handelden zonder dat een nietigheid van de overeenkomst was uitgesproken. Met die omstandigheid moet rekening worden gehouden bij de beoordeling van de daden die vzw B stelde voor de nietigverklaring van de overeenkomst en tijdens de beschermde periode, dus tot 22 juni 2016, met name bij de vraag of deze daden kunnen worden beschouwd als de uiting van de werkelijke wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het te onderzoeken punt is daarbij of vzw B de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd in de beschermde periode. Het arbeidshof moet niet onderzoeken of vaststellen of de arbeidsovereenkomst heden al dan niet nog bestaat en/of na 22 juni 2016 nog bestond.
  31. Het arbeidshof volgt geen argumentatie op basis van eliminatie. E V kan het op hem rustende bewijs niet leveren door uit te gaan van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dan door eliminatie pogen aantonen dat die beëindiging enkel ingevolge een daad van vzw B kan zijn geweest. Op die wijze draait hij de bewijsvoering om. Immers staat niet vast dat de arbeidsovereenkomst beëindigd is en moet het arbeidshof die vraag op zich in het kader van deze zaak ook niet onderzoeken (zie hierboven randnummer 5).
  32. De elementen die E V aanvoert bewijzen geen uiting van de werkelijke wil tot ontslag door vzw B. Hij verwijst in de eerste plaats naar de aangetekende brieven en het verzoekschrift van 20 november 2015 waarmee vzw B de procedure aanvatte tot erkenning van een dringende reden. Deze procedure is precies erop gericht dat de ontslagbescherming van de personeelsafgevaardigde gewaarborgd blijft en dat hij slechts om dringende reden kan worden ontslagen na erkenning van de dringende reden door de arbeidsrechtbank. Erkent de arbeidsrechtbank de dringende reden niet, dan blijft de arbeidsovereenkomst voortbestaan. De stappen die de werkgever zet in het kader van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden om de erkenning van dringende reden te verkrijgen, kunnen aldus niet worden beschouwd als een wilsuiting tot ontslag. De personeelsafgevaardigde blijft in dienst wanneer de dringende reden niet wordt erkend en kan zich niet beroepen op de stappen uit de procedure om toch een ontslag vast te stellen.
  33. Vzw B is zich blijven beroepen op de overeenkomst tot beëindiging in onderling overleg van 3 december 2015, tot aan nietigverklaring ervan door de rechter. Zolang de nietigheid van de overeenkomst niet was uitgesproken, dus tot 6 september 2017, staat het zich beroepen op die overeenkomst en het eisen van de uitvoering daarvan, niet gelijk aan een wilsuiting tot ontslag. Het betreft immers handelingen die op dat ogenblik stroken met de (juridische) werkelijkheid. Van vzw B kan niet worden verwacht dat zij zich voor de nietigverklaring van de overeenkomst al gaat gedragen alsof deze al nietig is verklaard. De nietigverklaring moet immers worden gevorderd en uitgesproken worden door de rechter. Zolang de nietigverklaring niet is uitgesproken, bestaat de overeenkomst, zelfs wanneer de nietigverklaring naderhand met terugwerkende kracht gebeurt. Vzw B werd in haar houding bovendien bevestigd door de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt, die in een vonnis van 11 maart 2016 overweegt dat de rechtshandelingen blijven bestaan zolang ze niet zijn vernietigd (stuk 14 van mr. K). De rechtbank bevestigde vzw B in haar standpunt dat E V niet op de kieslijsten kon worden opgenomen. Het is een ongerijmd argument om de weigering tot opname - bevestigd door de rechtbank in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis - naderhand, na de nietigverklaring van de overeenkomst tot beëindiging een onderling akkoord, te interpreteren als een wilsuiting tot ontslag. Wat betreft de argumentatie die vzw B voerde in de procedure over de opname op de kieslijsten geldt bovendien voor zoveel als nodig nog dat dit een procedure betrof tussen vzw B en de vakorganisatie van E V, zodat de uitlatingen in het kader daarvan geen kennisgevingen aan deze laatste waren.
  34. Het afleveren van het document C4, een attest van tewerkstelling, loonstaten, vakantie-attesten en het betalen van de beëindigingsvergoeding zijn, zolang dit gebeurde vóór de nietigverklaring van de overeenkomst, daden tot uitvoering van deze overeenkomst. De nietigverklaring met terugwerkende kracht betekent niet dat deze daden opnieuw kunnen worden geïnterpreteerd en ditmaal alsof de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord nooit heeft bestaan. Dat de verplichting om deze documenten af te leveren ook ingevolge de wet op de werkgever rust bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, doet er geen afbreuk aan dat vzw B deze daden in de voorliggende zaak stelde in uitvoering van de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord. Op deze documenten is, waar een dergelijke referentie vereist is, steeds vermeld dat het gaat om een beëindiging in onderling akkoord. Op de loonfiche voor december 2015 is bij de betaling van de beëindigingsvergoeding onder de omschrijving vermeld : "verg beëind gemeensch akkoord" (zie stuk 1c van vzw B). Dit is een verwijzing naar de beëindiging in onderling akkoord. Op het document C4 is aangekruist "De arbeidsovereenkomst werd beëindigd (...) in onderling akkoord tussen werkgever en werknemer op 03/12/2015" (stuk 2 van vzw B). Op de documenten waar de reden van de beëindiging niet moet worden vermeld, komen geen bewoordingen voor waaruit een wilsuiting tot ontslag door vzw B kan worden afgeleid. Zo bijvoorbeeld is op het vakantieattest van 20 juni 2016 enkel vermeld: "Uit dienst bij B sedert 03/12/2015" (stuk 33 van mr. K). Dat dit vakantieattest werd afgeleverd tijdens de beschermde periode en nadat de voorlopige bewindvoerder reeds had gedagvaard in nietigverklaring van de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat deze nietigverklaring nog niet was uitgesproken en dat op het vakantieattest geen bewoordingen voorkomen die kunnen worden gelezen als een duidelijke wilsuiting tot ontslag.
  35. De feiten in de voorliggende zaak zijn verschillend van het geval waarin een werkgever een document C4 aflevert na een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door hem, maar dan met een opzegging behept met formele problemen die tot nietigheid leiden. Dat in dat geval het eenzijdig ontslag is gegeven door de werkgever, is een redenering die niet kan worden doorgetrokken naar een beëindiging in onderling overleg die achteraf nietig wordt verklaard. Geen van beide partijen heeft dan immers een eenzijdige wilsuiting tot beëindiging gedaan. De daden van uitvoering van de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord - die op een wilsovereenstemming berust - kunnen niet als een eenzijdige wilsuiting tot beëindiging worden ge(her)ïnterpreteerd. Het essentiële verschil is dat na een nietige opzegging attesten met betrekking tot het einde van de tewerkstelling worden afgeleverd, al dan niet na verloop van de (op nietige wijze) gegeven opzeggingstermijn, waarin de werkgever naar deze opzegging verwijst als reden van de beëindiging, en dus naar een eenzijdige beëindiging. Dergelijk document kan, afhankelijk van de omstandigheden, worden gelezen als een wilsuiting tot ontslag (zie in die zin bv.: Arbh. Brussel 7 november 2017, AR 2016/AB/454, www.juridat.be; Arbh. Brussel 6 juni 2017, AR 2016/AB/1148, www.juridat.be). Hetzelfde geldt voor de eenzijdige vaststelling door de werkgever van een beëindiging omwille van overmacht, die er geen blijkt te zijn (vgl.: Arbh. Bergen 25 november 1993, JTT 1994, 363). In al deze gevallen is op het ogenblik van het afleveren van het document geen sprake van een akkoord tot beëindiging tussen partijen. Het is niet het afleveren van een document C4 op zich dat als een wilsuiting tot ontslag moet worden gezien, maar de vermelding die op dat document voorkomt kan dat zijn (vgl. in dezelfde zin: Arbh. Brussel 24 juni 2013, JTT 2013, 498). Uit de omstandigheden waarin het document C4 wordt afgeleverd, moet eenduidig en ondubbelzinnig kunnen worden afgeleid dat de werkgever de bedoeling heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen (zie: Arbh. Bergen 19 december 2008, Soc. Kron. 2010, 373). Wanneer is verwezen naar een beëindiging in onderling akkoord, op basis van een op het ogenblik van het opstellen van het document nog geldige overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord, is de aflevering van het document C4 geen wilsuiting tot ontslag. In de voorliggende zaak is de loutere verwijzing naar de beëindiging in onderling akkoord onvoldoende om te kunnen gelden als een wilsuiting tot ontslag door de werkgever. Tot de vernietiging van de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord bij vonnis van 6 september 2017 kan de vermelding van de beëindiging in onderling akkoord op het document C4 niet worden beschouwd als "manifest foutief", zoals E V ten onrechte aanvoert. Vanaf die datum is die vermelding foutief, en met terugwerkende kracht, maar dit betekent niet dat met terugwerkende kracht dit document C4 kan gelden als een eenzijdige en ondubbelzinnige wilsuiting tot ontslag. Tot die lezing lenen de omstandigheden zich niet. Opgemerkt weze dat ook E V sommige eigen daden, zoals het afleveren van het werkmateriaal, aanmerkt als gesteld in uitvoering van de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord, zodat er geen wilsuiting tot ontslag door hem aan kan worden gekoppeld (blz. 33 van zijn syntheseconclusie).
  36. Dezelfde redenering als hierboven uiteengezet in randnummers 9 en 10 geldt voor de brief en het e-mailbericht waarmee vzw B aan de voorlopige bewindvoerder de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bevestigde en meer toelichting gaf bij haar vragen. Deze communicatie dagtekent van voor de nietigverklaring van de overeenkomst (stukken 11 en 32 van mr. K). Uit de bewoordingen in die berichten kan niet eenduidig en ondubbelzinnig worden afgeleid dat vzw B de bedoeling heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. In de brief van 10 februari 2016 verwijst de vzw naar de beëindigingsovereenkomst en verwijst zij voor een afschrift daarvan naar de vakorganisatie van E V, omdat de discretieplicht een onderdeel is van deze overeenkomst (stuk 11 van mr. K). In het e-mailbericht van 12 februari 2016 geeft vzw B meer toelichting en schrijft "Deze regeling bestond uit een beëindiging in onderling akkoord van de arbeidsovereenkomst." Zij zendt deze overeenkomst mee en de brief die de vakorganisatie in aansluiting daarop aan de arbeidsrechtbank zond om de stopzetting van de procedure tot erkenning van de dringende reden te bevestigen (stuk 32 van mr. K).
  37. E V voert nog aan dat vzw B zich, door zich te beroepen op de naderhand met terugwerkende kracht vernietigde overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord, ook zou hebben beroepen op de nietige ontslaghandeling van hem als pupil. Dat zou overeenkomen met de hypothese waarbij een partij ten onrechte voorhoudt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd door de andere partij (blz. 23-24 van zijn syntheseconclusie). Deze redenering is al te kort door de bocht. Beide situaties zijn in de eerste plaats niet gelijk te stellen. De beëindiging in onderling akkoord is een eigen beëindigingswijze. Het houdt geen steek om na de nietigverklaring van een overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord toch rekening te houden met hetgeen in deze overeenkomst tot uitdrukking is gebracht en wat de partijen in aansluiting daarop hebben geargumenteerd of gedaan voorafgaand aan de nietigverklaring, om op dat geïsoleerde punt vervolgens theorieën inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst toe te passen die met een beëindiging in onderling akkoord niets te maken hebben. Daarnaast heeft vzw B op geen enkel ogenblik duidelijk en ondubbelzinnig een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door E V vastgesteld. Vzw B heeft consequent gehandeld en verwezen naar een beëindiging in onderling akkoord. Er kan haar tijdens de beschermde periode geen onregelmatig ontslag worden verweten op basis van het door haar inroepen van een ontslag door E V zelf.
  38. E V verwijst naar rechtspraak over de gevallen dat sprake is van een nietig ontslag door de werknemer of een nietige beëindigingsovereenkomst tussen werkgever en werknemer, omwille van dwang (blz. 28 van zijn syntheseconclusie). Hij wijst erop dat in die gevallen steeds tot een beëindiging door de werkgever wordt besloten. Ook uit deze situaties en rechtspraak kan het arbeidshof echter geen principes distilleren die op de huidige zaak moeten worden toegepast. Specifiek is immers dat de rechtbank van eerste aanleg de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord nietig verklaarde met terugwerkende kracht èn integraal (stuk 36 van mr. K). Aldus moet worden gehandeld alsof deze overeenkomst nooit heeft bestaan. Overigens argumenteert ook E V dat herhaaldelijk. Dat betekent dat uit de nietig verklaarde overeenkomst geen enkel rechtsgevolg kan worden afgeleid, ook niet een eenzijdige beëindiging door de werkgever.
  39. Het arbeidshof merkt daarbij op dat geen sprake kan zijn van het "sturend" zijn van de rechtspraak waarnaar E V op blz. 28 van zijn syntheseconclusie verwijst. Nog afgezien van het feit dat in een rechtssysteem zonder rechtspraak met precedentswaarde andere uitspraken niet bepalend kunnen zijn, zijn de gevallen die aan de geciteerde rechtspraak ten grondslag liggen ook fundamenteel verschillend. Ten onrechte voert E V aan dat ook in de voorliggende zaak sprake zou zijn van moreel geweld in hoofde van de werkgever. Dat is niet het geval. Vzw B startte op 20 november 2015 de procedure tot erkenning van een dringende reden, volgens de bepalingen van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden. E V werd van het begin en bij elke verschijning voor de rechter bijgestaan door een vertegenwoordiger van zijn vakorganisatie, de heer Toon Hendrickx. Dat was ook het geval bij het sluiten van de ondertussen vernietigde overeenkomst van 3 december
  40. E V riep op geen enkel moment dwang of moreel geweld in. Integendeel, hij ging over tot uitvoering van de overeenkomst door het afleveren van het werkmateriaal. Dat E V voor het sluiten van deze overeenkomst niet de vereiste machtiging had, met tussenkomst van de voorlopige bewindvoerder, kent een eigen sanctie in de vorm van de nietigverklaring van de overeenkomst door de rechter. De omstandigheid dat geen machtiging was verkregen, maakt geen morele dwang in hoofde van de werkgever uit. De nietigverklaring uitgesproken in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Limburg, afdeling Hasselt van 6 september 2017 is in het geheel niet gesteund op moreel geweld of dwang, maar vloeit voort uit specifieke regelgeving rond de vereiste van een voorafgaandelijke machtiging wanneer de beschermde persoon, E V, een dading sluit. Wanneer daaraan niet is voldaan, moèt de rechter de overeenkomst nietig verklaren, en de gehele overeenkomst, aangezien het een "nietigheid rechtens" betreft. Het is daarbij zonder belang of de overeenkomst tot voor - of nadeel van E V heeft gestrekt (zie stuk 36, blz. 12 van mr. K). De nietigheid moet wel worden gevorderd. Uit de stukken die E V neerlegt met betrekking tot de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg in Limburg, afdeling Hasselt, blijkt dat de vordering tot het uitspreken van de nietigheid door vzw B ten gronde werd betwist (stukken 34 en 36 van mr. K). Uit de argumentatie die in het kader van een dergelijke betwisting wordt gevoerd, en dus voor de nietigverklaring, kan geen ontslaghandeling worden afgeleid. Overigens verwijst E V met zijn stuk 34 naar een conclusie van vzw B van 14 april 2017, dus van na het verstrijken van de beschermde periode. De nietigheid beschermt enkel E V en kan dus ook enkel door hem worden gedekt, niet door vzw B. Er is dus geen sprake van dat de vzw B de nietigheid zou hebben gedekt, wat dan volgens E V zogenaamd nog enkel haar wil tot ontslag zou hebben betroffen. Dat de vakorganisatie, althans volgens hetgeen E V beweert, ervan uitging dat hij na de beëindiging in onderling overleg recht zou hebben op een werkloosheidsvergoeding en een ontslagcompensatievergoeding, berust niet op misleiding door vzw B, maar is een misvatting bij de vakorganisatie (stukken 29 en 30 van mr. K). Uit geen enkel feit of stuk blijkt immers dat vzw B aan de vakorganisatie of aan E V zou hebben voorgehouden dat hij wel recht had op deze vergoedingen of dat zij op het document C4 zou aangeven dat de werkloosheid het gevolg was van een ontslaghandeling door de werkgever.
  41. In de omstandigheden eigen aan deze zaak, kan het feit dat vzw B zich tot aan de nietigverklaring daarvan op de beëindigingsovereenkomst heeft beroepen, niet gelden als een ontslaghandeling door de vzw B. Dat uit een arrest van het Hof van Cassatie kan worden afgeleid dat de werknemer het kan beschouwen als een onregelmatige beëindiging wanneer de werkgever zich ten onrechte beroept op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens (medische) overmacht, leidt op geen enkele wijze ertoe dat in de voorliggende zaak moet worden besloten dat vzw B wel een ontslaghandeling stelde door zich op de beëindigingsovereenkomst te beroepen (E V verwijst naar Cass. 19 mei 2008, AR S.07.0068.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.5, www.cass.be).
  42. Vzw B is tenslotte uitdrukkelijk niet ingegaan op de vraag van de vakorganisatie van E V van 20 januari 2016 om het ontslag op het document C4 te kwalificeren als een ontslag door de werkgever (stukken 29 en 30 van mr. K en stuk 3 van vzw B). Daaruit blijkt voor zoveel als nodig dat zij op geen enkel moment de wil had tot een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst (buiten het kader van een erkende dringende reden). Er ligt dus een bewijs voor dat er geen wilsuiting tot eenzijdige beëindiging was.
  43. Vzw B heeft in de periode van de ontslagbescherming geen wilsuiting tot ontslag ter kennis gebracht. De vzw heeft de arbeidsovereenkomst niet eenzijdig beëindigd. Aan E V zijn geen vergoedingen verschuldigd op basis van de Wet Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden. Zijn oorspronkelijke vorderingen zijn correct als ongegrond afgewezen door de eerste rechters. Het hoger beroep is ongegrond. 2.
  44. Incidenteel hoger beroep Vzw B stelt slechts in subsidiaire orde een incidenteel hoger beroep in, "in het onmogelijke geval het arbeidshof het vonnis a quo zou hervormen en B vzw zou worden veroordeeld tot enige beschermingsvergoeding (...) (blz. 48 van de syntheseconclusie van vzw B). Aangezien het arbeidshof niet besluit tot een dergelijke hervorming, is niet aan de voorwaarden voldaan opdat vzw B incidenteel hoger beroep instelt en is dat incidenteel hoger beroep zonder voorwerp. De ontvankelijkheid ervan moet niet worden onderzocht. 2.
  45. Gedingkosten
  46. E V is de in het ongelijk gestelde partij en dient de gedingkosten te dragen.
  47. In eerste aanleg kenden de eerste rechters aan vzw B als in het gelijk gestelde partij een rechtsplegingsvergoeding toe van 9.000 euro, zoals door de vzw gevorderd in haar syntheseconclusie van 24 januari
  48. Ook E V vorderde in eerste aanleg een rechtsplegingsvergoeding van 9.000 euro. Hij motiveerde het verhoogde bedrag met verwijzing naar de waarde van de vorderingen en tegenvorderingen samen, de juridische complexiteit en bijzonderheden van de zaak (syntheseconclusie van 20 december 2017). Thans werpt hij op dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg in elk geval ook op het basisbedrag moet worden berekend, waarbij het verhoogde bedrag door de eerste rechters ten onrechte zou zijn toegekend. De eerste rechters hebben echter toegekend wat was gevorderd. E V voerde voor de eerste rechter geen betwisting over het verhoogde bedrag van de rechtsplegingsvergoeding die vzw B vorderde, maar vorderde integendeel zelf dat verhoogde bedrag. Er is geen grond om het vonnis op dat punt te hervormen. Dat geldt des te meer aangezien E V in graad van beroep geen middelen aanvoert op basis waarvan de beslissing van de eerste rechters over het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zou moeten worden hervormd. Ook op dat punt is het beroep van E V ongegrond. BESLISSING Het arbeidshof, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep zonder voorwerp. Bevestigt de vonnissen van 12 april 2018 en 24 mei 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt. Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek mr. K in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de heer E V tot de gerechtskosten. Vereffent deze kosten aan de zijde van mr. K in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de heer E V op 20 euro bijdrage begrotingsfonds en 6.000 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze kosten aan de zijde van vzw B op 6.000 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. PDF document ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190717.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.