id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20191004.5 Rolnummer: 2018/AA/226 Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2020-10-23 Raadplegingen: 154 - laatst gezien 2026-06-28 06:37 Fiches 1 - 2 Aangezien de Belgische internationale openbare orde zich niet verzet tegen de uitwerking van het tweede huwelijk op het vlak van pensioenrechten, is betrokkene, die met zijn tweede echtgenote samenleeft, gerechtigd op een gezinspensioen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT Zelfstandige - rustpensioen - bedrag - huwelijk tussen man en vrouw van Marokkaanse nationaliteit in Marokko - ontbinding door verstoting - tweede huwelijk met een vrouw van Marokkaanse nationaliteit in Marokko - toekenning van een rustpensioen als alleenstaande - beroep - erkenning van de verstoting door de familierechtbank - gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 570, 2de lid - 03 Link Justel databank 19671009-03 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Rustpensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN Rustpensioen - bedrag - huwelijk tussen man en vrouw van Marokkaanse nationaliteit in Marokko - ontbinding door verstoting - tweede huwelijk met een vrouw van Marokkaanse nationaliteit in Marokko - toekenning van een rustpensioen als alleenstaande - beroep - erkenning van de verstoting door de familierechtbank - gevolg Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 3 - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 570, 2de lid en onder VIII B - artikel 3 Annotaties Publicaties: JTT 2019 - - nr. 1347, blz. 399-402 Tekst van de beslissing Arbeidshof Antwerpen Afdeling Antwerpen 4 oktober 2019 2018/AA/226 B B, RRN, wonende te 2060 ANTWERPEN, , met als raadsman mr. P S, advocaat te ANTWERPEN, die pleit, tegen: RSVZ, ON, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, met als raadsman mr. V R, advocaat te ANTWERPEN, voor wie pleit mr. G S. Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 16 april 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. Substituut-generaal J E gaf namens het openbaar ministerie mondeling advies op de openbare zitting van 6 september
- FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN De heer B huwde op 2 september 1976 te Casablanca (Marokko) met mevrouw R N. Het huwelijk werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Antwerpen. Op 5 augustus 1986 werd het huwelijk in Casablanca ontbonden door verstoting. In de registers van de burgerlijke stand te Antwerpen werd genoteerd : "Ontbinding van het huwelijk op een bijzondere wijze te Casablanca/Marokko sinds 07.08.1986." Op 31 augustus 1989 huwde de heer B te Casablanca met mevrouw K B. Hij heeft momenteel vier kinderen. Met toepassing van artikel 133quiquies van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen onderzocht het RSVZ ambtshalve het rustpensioen van de heer B op zijn pensioenleeftijd. Met brief van 27 juni 2011 schreef de RVP(RVP) de heer B dat, in afwachting van de beslissing van de buitenlandse pensioeninstelling zijn pensioen aan het bedrag als alleenstaande zou worden berekend. De RVP motiveerde dit als volgt: " Uw pensioen wordt berekend als alleenstaande omdat u feitelijk gescheiden leeft en uw echtgenote geen aanvraag heeft ingediend om een deel van uw pensioen te verkrijgen." Met een administratieve beslissing van 20 juli 2011 kende het RSVZ de heer B een rustpensioen als zelfstandige toe. Het RSVZ berekende het rustpensioen als alleenstaande. Het gaf hierbij volgende toelichting: " Uw pensioen wordt berekend als alleenstaande omdat uw echtgenote een persoonlijk pensioen geniet, beroepsinkomsten heeft die de toegelaten grens overschrijden of vervangingsuitkeringen geniet (vergoeding wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, loopbaanonderbreking, vermindering van de arbeidsprestaties of brugpensioen)." Op 14 september 2011 tekende de heer B bij de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen beroep aan tegen de beslissing van 20 juli
- Op de inleidingszitting verzond de arbeidsrechtbank de zaak naar de bijzondere rol. Op 8 december 2015 werd zij ambtshalve van de rol weggegelaten. Op 20 april 2017 verzochten de partijen de arbeidsrechtbank om de zaak opnieuw vast te stellen. Met conclusie van 19 maart 2018 vorderde de heer B: " akte te nemen van huidige conclusie de vordering erin vervat toelaatbaar en gegrond te verklaren de beslissing van verweerster d.d. 20.07.2011 te vernietigen te zeggen voor recht dat concluant recht heeft op een gezinspensioen en dit vanaf 20.07.2011 verweerster veroordelen tot de kosten van het geding, alsmede de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van concluant begroot op 131,18 EUR." Met conclusie van 12 januari 2018 vorderde het RSVZ: " De vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen; Kosten als naar recht." Met vonnis van 16 april 2018 besliste de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen het volgende: " Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt derhalve de administratieve beslissing van het RSVZ van 20 juli
- Verwijst het RSVZ in de kosten van het geding; vereffent deze aan de zijde van de heer B op euro 131,18 rechtsplegingsvergoeding en laat deze aan de zijde van het RSVZ onvereffend wegens het niet indienen van een kostenstaat." Tegen dit vonnis tekende de heer B op 15 mei 2018 hoger beroep aan bij dit arbeidshof. Op 6 november 2018 legde de heer B een verzoekschrift neer op de griffie van de familierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Hij wilde de erkenning bekomen van de echtscheidingsakte van 5 augustus 1986 van de rechtbank van eerste aanleg te Cassablanca (Marokko). Met vonnis van 27 mei 2019 erkende de familierechtbank de echtscheiding door verstoting tussen de heer B en mevrouw R N. Het beschikkend gedeelte van dit vonnis luidt: " De rechtbank zegt voor recht dat elke Belgische overheid, de akte van herroepelijke echtscheiding op 6 augustus 1986 opgemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg te Cassablanca (Marokko) dient te erkennen, inzonderheid de RVP en het RSVZ."
- EISEN IN HOGER BEROEP Met verzoekschrift hoger beroep van 16 november 2018 vordert de heer B het volgende: " Akte te nemen van dit beroepsverzoekschrift De vordering erin vervat toelaatbaar en gegrond te verklaren dienvolgens te oordelen als volgt: - de beslissing van geïntimeerde d.d. 20.07.2011 te vernietigen - te zeggen voor recht dat concluant recht heeft op een gezinspensioen en dit vanaf 20.07.2011 - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, alsmede de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van concluant begroot op: ° eerste aanleg: 131,18 EUR ° beroep: 131,18 EUR." Met conclusie van 27 september 2018 vordert het RSVZ het volgende: " Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Kosten als naar recht." Met conclusie van 6 juni 2019 vordert de heer B B het volgende: " Akte te nemen van deze beroepsconclusie De vordering erin vervat toelaatbaar en gegrond te verklaren dienvolgens te oordelen als volgt: - de beslissing van geïntimeerde d.d. 20.07.2011 te vernietigen - te zeggen voor recht dat concluant recht heeft op een gezinspensioen en dit vanaf 20.07.2011 - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, alsmede de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van concluant begroot op: ° eerste aanleg: 131,18 EUR ° beroep: 192,94 EUR." Met conclusie van 6 mei 2019 vordert RSVZ het volgende: "Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Kosten als naar recht."
- ONTVANKELIJKHEID De heer B tekende tijdig en op regelmatige wijze beroep aan. Het hoger beroep is ontvankelijk.
- TEN GRONDE 4.
- Rechtsmacht en bevoegdheid Noch over de rechtsmacht noch over de bevoegdheid van het arbeidshof bestaat betwisting. Het arbeidshof stelt in dit verband geen middelen vast die het ambtshalve moet opwerpen. 4.
- Toelaatbaarheid van de eis Het RSVZ betwist de toelaatbaarheid van de eis van de heer B niet. Het arbeidshof stelt geen middelen van ontoelaatbaarheid vast die het ambtshalve moet opwerpen. De eis van de heer B is toelaatbaar. 4.
- Bedrag van het rustpensioen - verstoting eerste echtgenote en tweede huwelijk Volgens het RSVZ stemt zijn administratieve beslissing van 20 juli 2011 ook overeen "met de terzake geldende wettelijke en reglementaire bepalingen." Het tweede huwelijk van de heer B in Marokko met mevrouw K B, is geldig afgesloten conform de Marokkaanse wet. Het wordt als dusdanig in België erkend. Toch kunnen er volgens het RSVZ geen rechtsgevolgen aan worden verleend. Meer bepaald kan het niet leiden tot de toekenning van het gezinspensioen. Bij de bepaling van de pensioenrechten van de heer B houdt het RSVZ enkel rekening met zijn eerste huwelijk. Volgens het RSVZ heeft de heer B zo slechts recht op een rustpensioen als alleenstaande. Het RSVZ wijst erop dat de heer B ook in de werknemersregeling een rustpensioen als alleenstaande ontvangt. Verstoting is een vorm van ontbinding van een huwelijk die in het Marokkaanse Familierecht is opgenomen. Zij is gebaseerd op het islamitisch of Sharia-recht. Op 5 februari 2004 werd de figuur van de verstoting hervormd. Zij houdt sindsdien meer rekening met de rechten van vrouwen in een geëvolueerde maatschappij. Op 16 juli 2004 trad in België het nieuwe Wetboek van Internationaal Privaatrecht in werking. Het RSVZ acht deze nieuwe regelingen niet van toepassing. De heer B verstootte zijn eerste echtgenote immers in augustus
- Vandaar dat volgens het RSVZ vooraleer te beoordelen of de heer B recht heeft op een gezinspensioen, moet worden nagegaan of de verstoting door de heer B van mevrouw N R in België als een echtscheiding kan worden beschouwd. Dit moet gebeuren met inachtneming van de vereisten van het oude artikel 570, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel bepaalde: " Tenzij er reden bestaat tot toepassing van een verdrag tussen België en het land waar de beslissing is gewezen, onderzoekt de rechter, behalve het geschil zelf:
- of de beslissing niets inhoudt dat in strijd is met de beginselen van openbare orde of met de regels van het Belgisch publiek recht;
- of de rechten van verdediging geëerbiedigd werden;
- of de vreemde rechter niet enkel wegens de nationaliteit van de eiser bevoegd is;
- of de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan overeenkomstig de wet van het land waar zij gewezen is;
- of de overgelegde uitgifte van de beslissing volgens dezelfde wet voldoet aan de voorwaarden gesteld voor haar authenticiteit." Het RSVZ, daarin gevolgd door de eerste rechters, meent dat enkel als aan deze cumulatieve voorwaarden voldaan is, de verstoting in België als een echtscheiding kan worden erkend. Verstoting op de wijze zoals van toepassing in 1986 druist volgens het RSVZ in tegen de in België morele gevestigde orde. Het standpunt van het RSVZ is echter niet (meer) ter zake dienend. Met vonnis van 27 mei 2019 erkende de familierechtbank Antwerpen immers de echtscheiding door verstoting tussen de heer B en mevrouw R N. De familierechtbank nam deze beslissing op grond van het oude artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij overwoog: " Overeenkomstig art. 127 Wetboek Internationaal Privaatrecht (hierna WIPR) zijn de bepalingen van dit Wetboek niet van toepassing, aangezien de akte dateert van voor de inwerkingtreding van dit wetboek. Derhalve dient art. 570 Ger.W. toegepast te worden, zoals dit ten tijde van het opstellen van de buitenlandse akte bestond. Overeenkomstig het toenmalige artikel 570 Ger.W. doet de rechtbank van eerste aanleg uitspraak over de vordering tot uitvoerbaarverklaring van de beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door buitenlandse rechters. De rechter dient hierbij na te gaan of de beslissing niet in strijd is met de Belgische openbare orde of met de regels van het Belgisch publiek recht, of de rechten van verdediging geëerbiedigd werden, of de vreemde rechter niet enkel wegens de nationaliteit van verzoeker bevoegd is, of de beslissing in kracht van gewijsde gegaan is overeenkomstig het buitenlands recht en of de overgelegde uitgifte van de beslissing voldoet aan de voorwaarden gesteld voor haar authenticiteit. Op dat moment was er niet voorzien in een exequaturprocedure voor vonnissen aangaande de staat en bekwaamheid van personen, omdat er geen dwanguitvoering nodig was. Zij werden in principe de plano erkend, maar er diende wel telkens een controle te gebeurden of voldaan was aan de voorwaarden van art. 570 Ger.W. Een zuivere verstoting naar Marokkaans recht is een procedure waarbij een man eenzijdig laat noteren dat hij zijn vrouw verstoten heeft. De vrouw wordt niet betrokken in deze procedure. Om deze reden kunnen dergelijke beslissingen in beginsel niet erkend worden in de Belgische rechtsorde. Toch dient er rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden. (zie in deze zin waar de rechtbank zich bij aansluit Cass. 29 april 2002,S. 01.0035.F, Arr. Cass. 2002, 1144, concl. J. LECLERCQ.) Het openbaar ministerie wijst op volgende concrete elementen: > Hoewel beide echtgenoten op het moment van de echtscheiding in België woonden, ging het om de ontbinding van een huwelijk dat in Marokko was afgesloten en hadden zij beiden de Marokkaanse nationaliteit. De ontbinding van een huwelijk op deze wijze was toendertijd perfect normaal binnen de eigen cultuur van beide echtgenoten. > De rechten van verdediging van de vrouw werden weliswaar niet geëerbiedigd, maar zij had zich duidelijk geen bezwaar tegen de ontbinding van het huwelijk, zoals zij ook bevestigt in het kader van deze procedure. Er waren meerdere aanknopingspunten met Marokko, zodat de Marokkaanse rechter zich niet uitsluitend op basis van de nationaliteit van verzoeker bevoegd verklaard heeft. »: De beslissing heeft duidelijk kracht van gewijsde, hiervan wordt niet alleen een attest bijgebracht, maar in de huwelijksakte van het tweede huwelijk van B K wordt ook vermeld dat hij gescheiden is. »: Er zijn geen redenen om eraan te twijfelen dat er een probleem zou zijn met de authenticiteit van de akte overeenkomstig hat Marokkaans recht. De Marokkaanse akte is ook zonder problemen erkend door de ambtenaar van burgerlijke stand die ze heeft overgeschreven in zijn registers en die ook het tweede huwelijk van verzoeker heeft overgeschreven, hetgeen uiteraard niet mogelijk was zonder de erkenning van de ontbinding van het eerste huwelijk. In deze zaak is het Openbaar Ministerie van oordeel dat het zou botsen met de Belgische openbare orde om na 30 jaar de geldigheid van de verstoting en bij gevolg ook het tweede huwelijk van verzoeker onderuit te halen, zodat het verzoek kan ingewilligd worden. De rechtbank kan zich bij dit standpunt aansluiten om de hierboven aangehaalde redenen." Op deze gronden zegde besliste de familierechtbank voor recht "dat elke Belgische overheid, de akte van herroepelijke echtscheiding op 6 augustus 1986 opgemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg te Cassablanca (Marokko) dient te erkennen, inzonderheid de RVP en het RSVZ." Het arbeidshof treedt deze gronden bij. Anders dan de eerste rechters is het arbeidshof dus van oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van de heer B met mevrouw R N door de verstoting van deze laatste niet strijdig is met de Belgische internationale openbare orde. De ontbinding ressorteert dus wel rechtsgevolgen in het Belgisch rechtssysteem, net zoals het huwelijk van de heer B met mevrouw K B. Volgens het Marokkaans recht had de heer B het recht een tweede huwelijk (met mevrouw B) aan te gaan, ook al was zijn eerste huwelijk nog niet ontbonden. Naar Marokkaans rechts was bigamie in hoofde van hem immers toegelaten. Het arbeidshof stelt samen met het openbaar ministerie vast dat de discussie over de al dan niet erkenning van de verstoting van mevrouw R N irrelevant is geworden voor de oplossing van dit geschil. Er is niet alleen de hoger weergegeven beslissing van de familierechtbank. De heer B beroept zich ook niet op zijn huwelijk met mevrouw N om aanspraak te maken op een gezinspensioen. Hij meent hierop recht te hebben wegens zijn huwelijk met mevrouw B. In conclusie erkent het RSVZ dat dit tweede huwelijk in Marokko geldig is gesloten conform de Marokkaanse wet en als dusdanig in België wordt erkend. Zelfs als het eerste huwelijk niet zou ontbonden zijn, dan verwijst het arbeidshof naar recente rechtspraak van het Hof van Cassatie, waaronder het arrest van 15 december
- Volgens deze rechtspraak "(verzet) de Belgische internationale openbare orde (...) zich in de regel niet tegen de erkenning, in België van de gevolgen van een huwelijk dat de echtgenoten in het buitenland geldig hebben aangegaan overeenkomstig hun nationale wet als één van hen, op het ogenblik van dat huwelijk, in het buitenland reeds in dezelfde omstandigheden een nog niet ontbonden huwelijk had aangegaan met een persoon van wie de nationale wetgeving polygamie erkent." (Cass. 14 februari 2011, Arr.Cass. 2011, afl. 2, 487; http://www.cass.be (28 februari 2011); JTT 2011, concl. J. LECLERCQ, noot; Cass. 18 maart 2013, Arr.Cass. 2013, afl. 3, 761; http://www.cass.be (5 april 2013), concl. J. GENICOT; JTT 2013, 281; Cass. 15 december 2014, Arr.Cass. 2014, afl. 12, 2974; http://www.cass.be (25 januari 2015), concl. J. GENICOT; JTT 2015, 219) Het arbeidshof sluit zich aan bij deze rechtspraak. Zij deelt de kritiek van het RSVZ op de toepassing ervan niet. Naar Marokkaans recht is er in hoofde van de heer B immers geen sprake van polygamie. Zijn eerste huwelijk was naar Marokkaans recht geldig ontbonden op het ogenblik van het tweede huwelijk. Als de Belgische internationale openbare orde een naar buitenlands recht geldig polygaam huwelijk toelaat, verzet zij zich zeker niet tegen de erkenning van een naar buitenlands recht monogaam huwelijk. De andersluidende rechtspraak waarnaar het RSVZ verwijst, dateert van vóór de vermelde cassatiearresten. Het arbeidshof acht ze dan ook niet meer ter zake dienend. Gelet op de vaststelling dat de heer B naar Marokkaans recht wettig gehuwd is met mevrouw B en er ook mee samenleeft, wat het RSVZ niet betwist, en aangezien de Belgische internationale openbare orde zich niet verzet tegen de uitwerking van dat tweede huwelijk op het vlak van pensioenrechten, is de heer B gerechtigd op een gezinspensioen. De verdere argumenten van partijen, ontwikkeld in conclusies of op de zitting, en voor zover niet beantwoord in dit arrest, doen niets af aan deze besluitvorming. Het hoger beroep is gegrond. Het arbeidshof preciseert wel dat het de ingangsdatum van het pensioen 1 augustus 2011 is en niet 20 juli 2011 zoals de eis van de heer B vermeldt. 4.
- Kosten van het geding Het arbeidshof verwijst het RSVZ met toepassing van artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten. Het herleidt de rechtsplegingsvergoedingen die de heer B toekomen tot de toepasselijke bedragen conform het Koninklijk besluit van 26 oktober
- BESLISSING Het arbeidshof, Beslist op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 16 april 2018 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Vernietigt de bestreden administratieve beslissing van het RSVZ van 20 juli 2011 en zegt voor recht dat de heer B recht heeft op een rustpensioen als zelfstandige berekend als een gezinspensioen vanaf 1 augustus 2011, op grond van zijn huwelijk met mevrouw K B. Verwijst het RSVZ met toepassing van artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek in de gerechtskosten. Vereffent de kosten van de heer B op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 131,18 euro; - rechtsplegingsvergoeding arbeidshof 174,94 euro. Laat de kosten van het RSVZ onvereffend omdat het er geen opgave van deed. PDF document ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20191004.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div