id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2023:ARR.20230622.1 Rolnummer: 2021/AH/125 Zaak: A.B. tegen C.D. NV en K.L. NV Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 530 - laatst gezien 2026-06-18 06:33 Fiches 1 - 3 *1. Volgens de bepalingen van de Rome I-Verordening kiezen de partijen bij een arbeidsovereenkomst met een internationaal karakter in beginsel vrij het recht dat hun overeenkomst zal beheersen. Wanneer partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt wordt het toepasselijk recht bepaald volgens een cascadesysteem: 1. het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land tewerkgesteld is; 2. wanneer de werknemer niet gewoonlijk zijn arbeid verricht in een zelfde land, het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen; 3. tenzij uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land. Het criterium dat verwijst naar het land van gewoonlijke tewerkstelling moet ruim worden uitgelegd. Het criterium dat verwijst naar de zetel van de onderneming vindt alleen toepassing wanneer de rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht. *2. België moet worden beschouwd als het land van de gewoonlijke tewerkstelling omdat het zwaartepunt van de arbeidsprestaties hier lag. Dit blijkt o.m. uit het feit dat 1. de transportopdrachten voornamelijk vanuit België worden verricht, 2. de planning en de instructies vanuit België gebeuren, 3. de vrachtwagens van de chauffeurs ter beschikking worden gesteld in België, 4. het laden en lossen van de goederen voornamelijk in België gebeurt. Als een gewoon land van tewerkstelling kan worden aangeduid in toepassing van de Rome I-Verordening en er bijgevolg geen sprake is van een tijdelijke situatie, moet er geen toepassing worden gemaakt van de detacheringsrichtlijn. *3. De artikelen 162 en 167 van het Sociaal Strafwetboek stellen de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber strafbaar, die het loon of de financiële voordelen als aanvulling op het loon niet betalen. Het misdrijf moet aan de werkgever toerekenbaar zijn. Voor de toepassing van het sociaal strafrecht wordt onder werkgever verstaan, de personen die gezag over de werknemers uitoefenen. Om te bepalen of inbreuk werd gepleegd op de sociaal rechtelijke verplichtingen die het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de hoedanigheid van een werknemer vereisen, moet de strafrechter het bewijs van het bestaan van die overeenkomst beoordelen overeenkomstig de regels van het sociaal recht. Als België de gewoonlijke plaats van tewerkstelling is, moet volgens het Belgisch arbeidsrecht worden uitgemaakt of vervoerder en opdrachtgever door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Dit is het geval zodra vaststaat wie de feitelijke werkgever is, ook als de vervoerder formeel enkel een arbeidsovereenkomst heeft met een derde aangewezen partij. *4. De ‘diurna' of ‘per diem' naar Roemeens recht is een forfaitaire kostenvergoeding die meeruitgaven dekt omwille van verblijf in het buitenland. Deze kostenvergoedingen zijn geen loon, omdat zij geen tegenprestatie zijn van de geleverde arbeid. Bijgevolg moet met deze vergoeding geen rekening worden gehouden om te bepalen of het minimumloon naar Belgisch recht werd gerespecteerd. *** Ter informatie - Cassatie 16 februari 2026 (S.23.0076.N): verwerping cassatieberoep UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Internationale bevoegdheid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Strafbepalingen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Tekst van de beslissing Datum van uitspraak op 22 juni 2023 Rolnummer 2021/AH/125 -------------------------------------------------- Arbeidshof Antwerpen Afdeling Hasselt Kamer 3 -------------------------------------------------- A.B., RRN A.B., vrachtwagenchauffeur, wonende te adres A.B., met als raadsman mr. BUELENS Jan, advocaat te ANTWERPEN, die pleit en met als raadsman mr. MICHIELSEN Lies, advocaat te ANTWERPEN, voor wie pleit ADRIAENSENS Laura, advocaat te ANTWERPEN tegen: 1. C.D. NV, ON C.D. NV, met zetel te adres zetel C.D. NV, 2. K.L. NV, ON K.L. NV, met zetel te adres zetel K.L. NV, beiden met als raadsman mr. VANDEN BOGAERDE Frederik, advocaat te HOOGLEDE, die pleit -------------------------------------------------- Het hoger beroep is gericht tegen de vonnissen van 2 maart 2021 en 1 juni 2021 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren. Het arbeidshof sprak een arrest uit op 24 november 2022. Gelet op de onmogelijkheid om te zetelen in dezelfde samenstelling als ten tijde van het arrest van 24 november 2022, wordt de zaak hernomen door de nu anders samengestelde zetel van dit arbeidshof. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. I. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE Wat de feiten en de voorafgaande procedure betreft, verwijst het arbeidshof naar het arrest van 24 november 2022. Bij arrest van 24 november 2022 werd als volgt geoordeeld: “Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk. Alvorens verder ten gronde te oordelen, beveelt de heer A.B. in toepassing van artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek op 22 februari 2023 de volgende stukken bij het dossier van de rechtspleging toe te voegen: -een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau van 14 juni 2019; -het origineel van het certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de Brussel Ibis-verordening, uitgereikt door het Hof van Beroep te Bacau; -een vertaling in het Nederlands van de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau van 14 juni 2019 in toepassing van artikel 37, §2 van de Brussel Ibis-verordening. Beveelt in toepassing van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek de heropening der debatten ten einde partijen toe te laten conclusies te nemen met betrekking tot de overlegging van de stukken, en met betrekking tot de internationale rechtsmacht van het arbeidshof. Legt de volgende kalender vast voor het uitwisselen en het neerleggen van conclusies, op straffe van ambtshalve verwijdering uit het debat: - op 23 maart 2023 voor C.D. nv en K.L. nv; - op 24 april 2023 voor de heer A.B. . Stelt deze zaak voor verdere behandeling na de heropening van het debat op de openbare terechtzitting van 25 mei 2023 om 14u. Stelt de beslissing over de overige onderdelen van de vordering en de kosten uit tot na de verdere beoordeling van de zaak.” II. EISEN VAN PARTIJEN NA HET TUSSENARREST Bij conclusie van 23 maart 2023 vorderen C.D. nv en K.L. nv, hierna de nv’s genoemd: “Akte te nemen van het door concluanten geformuleerde voorbehoud; Het door appellant ingestelde beroep af te wijzen als onontvankelijk of minstens ongegrond; Het bestreden vonnis te bevestigen, behalve waar de exceptie van verjaring van de vordering als internationaal vrachtwagenbestuurder werd afgewezen; Diengevolge, opnieuw rechtdoende, de vordering van appellant af te wijzen als onontvankelijk, verjaard en minstens ongegrond; Minstens alvorens recht te doen, de geformuleerde prejudiciële vragen te stellen; Appellant te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van concluante begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 6.000 EUR in eerste aanleg en 6.000 EUR in graad van beroep.” Bij conclusie van 24 april 2023 vordert A.B.: “Het hoger beroep van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het incidenteel beroep van geïntimeerden af te wijzen. Volgende vonnissen te vernietigen: - het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren, dd. 2 maart 2021, AR nr. 20/159/A (repertoriumnummer 000989) op tegenspraak gewezen onder A.B. als aanlegger en C.D. NV en K.L. NV als verweerders. - het eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren, dd. 1 juni 2021, AR nr. 20/159/A (repertoriumnummer 002395) op tegenspraak gewezen onder A.B. als aanlegger en C.D. NV en K.L. NV als verweerders. Dienvolgens, In hoofdorde 1. Wat betreft het werk van concluant als vrachtwagenchauffeur voor geïntimeerden vanuit Genk, in de periode van 27.04.2011 t.e.m. 30.01.2015 Eerste en tweede geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot het betalen van het achterstallige loon, ARAB- en verblijfsvergoedingen voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur ten bedrage van een totaal van: € 179.379,12 brutoloon + € 22.964,34 nettoloon. Deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en vergoedende intresten vanaf datum opeisbaarheid tot aan datum van het arrest en vanaf de datum van het arrest met de gerechtelijke intresten. 2. Wat betreft het werk als stelplaatsmedewerker voor geïntimeerden in adres C.D., in de periode van 27.11.2011 t.e.m. 13.09.2013 Eerste en tweede geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot het betalen van het achterstallig loon voor zijn werk als stelplaatsmedewerker in adres C.D. in de periode van 27.11.2011 t.e.m. 13.09.2013 ten bedrage van: € 45.850,116 brutoloon en € 2.292,506 eindejaarspremies. Deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en vergoedende intresten vanaf datum opeisbaarheid tot aan datum van het arrest en vanaf de datum van het arrest met de gerechtelijke intresten. 3. Wat betreft het werk van concluant als vrachtwagenchauffeur en als stelplaatsmedewerker voor geïntimeerden Geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het afleveren van volgende sociale documenten: - De loonafrekeningen/loonbrieven op het ogenblik van de betaling - Een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na de betaling - De fiscale loonfiche 281.10 voor 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling - Een C4-formulier op het ogenblik van de betaling, en dit telkens op verbeurte van een dwangsom van € 25 per dag en per ontbrekend document na de wettelijk voorziene termijn met 1 maand zal overschreden zijn. Eerste en tweede geïntimeerden in solidum te veroordelen tot Dimona-aangifte van de tewerkstelling van concluant van 27.04.2011 t.e.m. 30.01.2015 (voor werk als chauffeur) en tussen 27.11.2011 t.e.m. 13.09.2013 (voor werk als stelplaatsmedewerker) binnen een maand na de betekening van het tussen te komen arrest onder verbeurte van een dwangsom van € 50 per dag. Eerste en tweede geïntimeerden in solidum te veroordelen tot aangifte van de lonen en de gecorrigeerde lonen bij de RSZ, en tot betaling van de (gecorrigeerde) bijdragen voor concluant aan de RSZ, de RJV (vakantiegelden), de RVP (pensioen). Indien de aangifte bij de RSZ en de betaling van de gecorrigeerde bijdragen niet is gebeurd binnen de drie maanden na de betekening van het arrest, geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan concluant van € 7.500. 4. Wat betreft de kosten van het geding Eerste en tweede geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluant begroot als volgt: - Kosten dagvaarding: € 275,91 - RPV eerste aanleg: € 6.000 - RPV hoger beroep: € 6.000 - Betekeningskosten en beslagkosten van tussen- en eindvonnis door geïntimeerden: € 736,15 In ondergeschikte orde 1. Wat betreft het werk van concluant als vrachtwagenchauffeur voor geïntimeerden vanuit adres C.D., in de periode van 27.04.2011 t.e.m. 30.01.2015 Eerste en tweede geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op het gederfd loon en de gederfde ARAB-en verblijfsvergoedingen voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur ten bedrage van een totaal van: € 179.379,12 brutoloon + € 22.964,34 nettoloon. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke en vergoedende intresten vanaf datum opeisbaarheid tot aan datum van het arrest en vanaf de datum van het arrest met de gerechtelijke intresten. 2. Wat betreft het werk als stelplaatsmedewerker voor geïntimeerden in adres C.D., in de periode van 27.11.2011 t.e.m. 13.09.2013 Eerste en tweede geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op het gederfd loon en de gederfde voordelen verworven krachtens de overeenkomst voor zijn werk als stelplaatsmedewerker in adres C.D. in de periode van 27.11.2011 t.e.m. 13.09.2013 ten bedrage van: € 45.850,116 brutoloon en € 2.292,506 eindejaarspremies. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke en vergoedende intresten vanaf datum opeisbaarheid tot aan datum van het arrest en vanaf de datum van het arrest met de gerechtelijke intresten. 3. Wat betreft de kosten van het geding Eerste en tweede geïntimeerden in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluant begroot als volgt: - Kosten dagvaarding: € 275,91 - RPV eerste aanleg: € 6.000 - RPV hoger beroep: € 6.000 - Betekeningskosten en beslagkosten van tussen- en eindvonnis door geïntimeerden: € 736,15 In meest ondergeschikte orde, alvorens recht te doen Als getuigen op te roepen: - E.F. - G.H. - M.N. - O.P. - Q.R. - J.K. - U.V. - W.X. - Y.Z. - B.C. - D.A. - F.G. - H.E. Te dagvaarden op de zetel van geïntimeerden. Met de vraag of zij een arbeidsovereenkomst hadden met een van de geïntimeerden in de periode 27.04.2011-4.03.2015.” III. BEOORDELING 1. De debatten worden ambtshalve heropend om partijen standpunt te laten innemen over de bevoegdheid van het arbeidshof in het kader van de de plano erkenning Het arbeidshof werpt ambtshalve op dat een de plano erkenning van de beslissing van het Hof van Bacau van 14 juni 2019 mogelijk een probleem kan opleveren m.b.t. de materiële bevoegdheid van het arbeidshof. Artikel 570, §1 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doet, ongeacht de waarde van het geschil, over de eis tot erkenning of uitvoerbaarverklaring van een buitenlandse rechterlijke beslissing in overeenstemming met artikel 22 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht en een buitenlandse authentieke akte. Partijen hebben dit argument tot dusver niet opgeworpen in de syntheseconclusies, noch in de conclusies na tussenarrest. Dit kwam ook niet ter sprake tijdens de openbare zitting. De materiële bevoegdheid is van openbare orde. Dit heeft tot gevolg dat de rechter ambtshalve moet nagaan of hij materieelrechtelijk bevoegd is , zelfs indien partijen de bevoegdheid niet voorafgaandelijk hebben opgeworpen bij wijze van exceptie. Het arbeidshof is verplicht om deze bevoegdheidskwestie ambtshalve op te werpen. Het heropent ambtshalve de debatten, en nodigt partijen uit om hierover standpunt in te nemen. 2. Het arbeidshof heeft internationale rechtsmacht om kennis te nemen van de vordering van A.B. Vorderingen die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten, kunnen enkel worden gesteund op de artikelen 20 tot 23 van de Brussel Ibis-verordening. Artikel 21 van de Brussel Ibis-verordening luidt als volgt: “1. De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- a)voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, of
- b)in een andere lidstaat:
- i)voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt, of
- ii)wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen. 2. Een werkgever die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in overeenstemming met lid 1, onder b), worden opgeroepen voor het gerecht van een lidstaat.” Beide nv’s zijn in Genk gevestigd. Zij hebben bijgevolg woonplaats in België in de zin van artikel 21, 1,
- a)van de Brussel Ibis-verordening. Het arbeidshof heeft internationale rechtsmacht om te oordelen over de vordering van A.B.. 3. De grief over de materieelrechtelijke onbevoegdheid van de arbeidsrechtbank m.b.t. de vordering gesteund op het misdrijf mensenhandel moet niet worden beantwoord In zijn conclusies van 20 november 2020 stelde A.B. een vordering in gesteund op het misdrijf mensenhandel (artikel 433 quinquies van het Strafwetboek). De arbeidsrechtbank oordeelde hierover als volgt : “Tenslotte is de arbeidsrechtbank niet bevoegd om te oordelen over het misdrijf van mensenhandel (artikel 433 quinquies van het Strafwetboek), maar behoort dit tot de uitsluitende bevoegdheid van de strafrechter.” De nv’s wijzen erop dat A.B. hoger beroep aantekende tegen alle beschikkingen van het tussenvonnis van 2 maart 2021. Volgens de nv’s handhaaft A.B. zijn oorspronkelijke vordering in graad van hoger beroep, nu hij in zijn syntheseconclusies het volgende stelt: “Concluant stelt loonvorderingen. Tegelijk blijkt uit het feitenrelaas dat hij werd tewerkgesteld in een situatie in strijd met de menselijke waardigheid (zie de hogere verwijzingen naar het werk in “El Paradisio” gedurende lange tijd zonder enige vergoeding en erna tegen een forfait van 5 EUR, het rijden als chauffeur in de winter zonder verwarming in de vrachtwagen,…. Cf. supra nrs. 5 en 94). Loonvorderingen vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM, tewerkstelling in strijd met de menselijke waardigheid onder artikel 4 EVRM.” A.B. neemt hierover geen standpunt in. Het feit dat A.B. in het gedinginleidend verzoekschrift verklaarde hoger beroep aan te tekenen tegen alle beschikkingen van het tussenvonnis van 2 maart 2021 en het vonnis van 1 juni 2021, heeft niet tot gevolg dat de saisine van het hoger beroep zich uitstrekt tot alle beschikkingen. De beroepsakte moet op straffe van nietigheid de in artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen bevatten, waaronder de uiteenzetting van de grieven. Dit betekent dat de bezwaren moeten worden vermeld tegen de bestreden beslissing. Dit geeft de appelrechter de mogelijkheid om het voorwerp van het hoger beroep te vatten. A.B. ontwikkelde in het gedinginleidend verzoekschrift een grief over de beslissing van de arbeidsrechtbank waarin het zich materiaalrechtelijk onbevoegd verklaarde om zich uit te spreken over de vordering die is gesteund op het misdrijf mensenhandel. Hij stelde: “De eerste rechters meenden dat bepaalde van de tenlasteleggingen die verzoeker in hoger beroep aanhaalde verjaard waren en dat ze inzake mensenhandel geen rechtsmacht had. Evenwel is verzoeker in graad van hoger beroep het niet mee eens, o.a. omdat de tenlasteleggingen virtueel begrepen zijn in de initiële dagvaarding en de eerste rechter in het tussenvonnis ook de vordering inzake sociale zekerheid ontvankelijk verklaarde (die in verband staat met de loonvorderingen).” Het arbeidshof stelt vast A.B. in graad van beroep niet langer een vordering instelt gebaseerd op het misdrijf mensenhandel (of enig ander misdrijf anders dan artikel 162 van het Strafwetboek), niet in het dispositief van zijn syntheseconclusies, noch in het motiverend gedeelte. In het bijzonder verwijst het arbeidshof naar de volgende passage uit de syntheseconclusies van A.B. : “101. Tot slot dient het volgende te worden opgemerkt. Concluante stelde een vordering in op basis van artikel 162 van het sociaal strafwetboek, en bijkomende vorderingen tot aangifte aan de DIMONA voor deze periode en in de hoedanigheid van internationaal vrachtwagenchauffeur en tot betaling van de RSZ-bijdragen op deze lonen.” In de (synthese)conclusies wordt de grief over de beslissing van de arbeidsrechtbank waarin het zich materieelrechtelijk onbevoegd verklaarde, niet langer vermeld. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie mag de rechter geen rekening houden met argumenten die niet in de syntheseconclusies zijn opgenomen. In overeenstemming met de artikelen 748bis en 780 van Gerechtelijk Wetboek kan de rechter enkel rekening houden met de eisen en verweren die in de syntheseconclusies zijn opgenomen. Doet hij dit niet, maakt de rechter een inbreuk op het beschikkingsbeginsel. Hieruit volgt dat het arbeidshof niet moet antwoorden op de grief die A.B. formuleerde in het gedinginleidend verzoekschrift, m.b.t. de beslissing van de arbeidsrechtbank waarin het zich materieelrechtelijk onbevoegd verklaarde voor de vordering gesteund op het misdrijf mensenhandel. 4. Aanwijzing van het nationale recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst Partijen voeren een discussie over de verjaring, het werkgeverschap en de solidaire gehoudenheid, en ondergeschikt over de wet van 24 juli 1987 inzake uitzendarbeid, tijdelijke arbeid en terbeschikkingstelling. Zij hebben eveneens discussie over de verschuldigde bedragen. Vooraleer het arbeidshof kan oordelen over deze discussiepunten, moet vaststaan dat het Belgische recht van toepassing is in deze zaak. Er is immers sprake van een internationale tewerkstelling die beheerst werd door het Roemeense recht. 4.1. Principes Voor arbeidsovereenkomsten gesloten na 17 december 2009, zoals hier het geval is, wordt de vraag naar het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke recht beheerst door de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst afgekort de Rome I-verordening . Volgens de bepalingen van de Rome I-verordening kiezen de partijen bij een arbeidsovereenkomst met een internationaal karakter in beginsel vrij het recht dat hun overeenkomst zal beheersen. Artikel 3 van de Rome I-verordening bepaalt hierover: “1. Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.” Dit keuzerecht is niet absoluut. Specifiek wat arbeidsovereenkomsten betreft, mag deze rechtskeuze echter niet tot gevolg hebben dat de werknemer de bescherming verliest van het dwingend recht dat van toepassing zou zijn indien partijen geen rechtskeuze hadden gemaakt. Deze regel werd in artikel 8.1. van de Rome I-verordening als volgt geformuleerd: “Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebrek aan rechtskeuze.” Wanneer partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt in artikel 8 tweede, derde en vierde lid een cascadesysteem ingevoerd: “2. Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht. 3. Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. 4. Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.” Bij gebrek aan rechtskeuze wordt het toepasselijke recht bijgevolg als volgt bepaald: - het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land te werk is gesteld, of - wanneer de werknemer niet gewoonlijk zijn arbeid verricht in eenzelfde land: het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, - tenzij uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land. Specifiek wat de vervoerssector betreft, bevestigde het Hof van Justitie in de zaak Koelzsch , weliswaar in het kader van het EVO , dat als de werknemer zijn beroepswerkzaamheden in meer dan één lidstaat verricht, rekening moet worden gehouden met het streven naar een passende bescherming van de werknemer als sociaal zwakste partij. Daaruit volgt dat eerder het recht van de staat waarin hij zijn beroepswerkzaamheden verricht van toepassing is, dan dat van de staat van de zetel van de werkgever. De werknemer oefent immers zijn economische en sociale functies uit in de staat waar hij werkt. Zijn arbeid ondergaat ook in de werkstaat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat. Om dezelfde reden moet het criterium dat verwijst naar het land van gewoonlijke tewerkstelling ruim worden uitgelegd. Het criterium dat verwijst naar de zetel van de onderneming vindt alleen toepassing wanneer de rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht. Naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie, oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Voogsgeerd , specifiek in het kader van de scheepvaart, dat als de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, en van waaruit hij ook de instructies van zijn opdrachten ontvangt steeds dezelfde is, moet die plaats worden beschouwd als de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 6, tweede lid van het verdrag van Rome. Verder oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Koelzsch dat de volgende criteria belangrijk zijn om de plaats te bepalen waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de sector van het internationale transport: de plaats van waaruit de werknemer zijn transportactiviteiten verricht, de plaats van waaruit hij zijn instructies ontvangt en zijn werk organiseert, de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden, de plaats waar het vervoer hoofdzakelijk werd verricht, in welke plaatsen de goederen werden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert. Deze opsomming is niet limitatief. Om uit te maken of een arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met het recht van een ander land, moet de nationale rechter rekening houden met alle factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken. Bovendien moet de nationale rechter bepalen welke factoren daarvan het zwaarst doorwegen. Als belangrijke factoren waarmee rekening gehouden moet worden, somt het Hof van Justitie in een arrest van 12 september 2013 nog de volgende criteria op: de plaats waar de werknemer belastingen en heffing op inkomsten uit arbeid betaalt, het land waar hij is aangesloten bij de sociale zekerheid; en de criteria betreffende de vaststelling van het loon en de andere arbeidsvoorwaarden. Naast het recht dat normaal van toepassing is op grond van de voorgaande bepalingen, staat artikel 9 van de Rome I-verordening de rechter toe om dwingende bepalingen van zijn eigen land toe te passen. Wat onder dwingende bepalingen moet worden begrepen, wordt in artikel 9.1. gedefinieerd. Het volledige artikel 9 luidt als volgt: “1. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst. Niets in deze verordening beperkt de toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is. De rechter kan ook gevolg toekennen aan de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land waar de verbintenissen krachtens de overeenkomst moeten worden nagekomen of zijn nagekomen, voor zover die bepalingen van bijzonder dwingend recht de tenuitvoerlegging van de overeenkomst onwettig maken. Bij de beslissing of aan deze bepalingen gevolg moet worden toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard als doel alsmede met de gevolgen die de toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen zouden kunnen hebben.” De Rome I-verordening is eveneens van toepassing op nietige overeenkomsten, en op zuiver feitelijke arbeidsverhoudingen waarbij de wettelijke regels van contractenrechten die ertoe strekken de werknemers te beschermen, niet zijn nageleefd. Ten slotte stelt artikel 12.1,
- d)van de Rome I-verordening dat het toepasselijke recht de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan regelt, alsmede de verjaring en het verval van rechten als verstrijken van een termijn. In deze zaak moeten de voorgaande principes worden toegepast op de volgende drie discussiepunten: - het werkgeverschap en de strafbaarheidsstelling bij de betaling van het loon - de verjaring - het gevorderde achterstallig loon en de vergoedingen. 4.2. Toepassing Het hof van beroep te Bacau sprak zich niet uit over het toepasselijke recht overeenkomstig de Rome I-verordening. Het Hof van Beroep te Bacau beperkte zich tot enkele feitelijke vaststellingen en juridische beschouwingen om vervolgens te oordelen dat het geen internationale rechtsmacht had. In afwachting van een de plano erkenning van het arrest van het hof van beroep te Bacau van 14 juni 2019, kan het arbeidshof standpunt innemen over het toepasselijke recht. Er is evenmin beletsel om nu al rekening te houden met de vaststellingen die werden verricht in de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau. A.B. en I.J. Oradea, ondertekenden een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd van 27 april 2011 , die twee maal werd verlengd. Op 27 oktober 2011 resulteerde dit in een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd. Noch in de arbeidsovereenkomst, noch in de bijlagen is een bepaling opgenomen die verwijst naar het Belgische recht: niet uitdrukkelijk, noch impliciet. In de arbeidsovereenkomst wordt op verschillende plaatsen verwezen naar het Roemeense recht. De arbeidsovereenkomst werd in het Roemeens opgesteld en het loon werd in de Roemeense munteenheid uitgedrukt (Lei). Op basis van de voorliggende stukken, oordeelt het arbeidshof dat niet Roemenië, maar wel België het land van de gewoonlijke tewerkstelling was. A.B. legt een veelvoud van stukken neer met de bedoeling om aan te tonen dat hij tijdens zijn tewerkstelling hoofdzakelijk in België tewerkgesteld was. • Plaats van waaruit de transportopdrachten werden verricht A.B. verrichte tijdens zijn tewerkstelling voornamelijk transportopdrachten vanuit België. Hij vertrok vanuit de ‘Headquarters’ C.D. te Genk. Het transport gebeurde voornamelijk in de buurlanden van België. In de periode na september 2013 reisde A.B. eveneens af naar landen als Italië, Griekenland, Bulgarije, Hongarije, Oostenrijk, om dan weer terug te keren naar Genk. Na afloop van de transportopdrachten keerde hij terug naar Genk. Er werden geen transportactiviteiten verricht vanuit Roemenië en na de transportactiviteiten was er geen terugkeer naar Roemenië. Het voorgaande blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit de boordcomputergegevens , en het trip report voor de volledige tewerkstelling van A.B. . Uit deze documenten blijkt dat hij tot 30 januari 2015 overwegend internationaal vervoer deed vanuit Genk. Steekproefgewijs verwijst het arbeidshof naar de volgende transportactiviteiten: - Tussen april en augustus 2011 reed A.B. vaak binnen België, en keerde hij dagelijks terug naar Genk. Daarnaast verrichtte hij nachttransporten tussen Genk en Reinbollen (Duitsland). Daags na vertrek keerde hij terug naar Genk. - In oktober 2011 reed hij voornamelijk van Genk naar Frankrijk, om diezelfde dag of de dag nadien terug te keren naar Genk. - In juni 2012 reed A.B. vanuit Genk naar Frankrijk, om de dag nadien terug te keren naar Genk. - In maart 2013 reed A.B. vanuit Genk naar Duitsland, om de dag nadien naar Genk terug te keren. - Op 6 maart 2014 reed A.B. vanuit Genk naar Duitsland en Italië om naar Genk terug te keren op 12 maart 2014. - Op 4 augustus 2014 reed A.B. vanuit Genk naar Frankrijk om naar Genk terug te keren op 14 augustus 2014. Volgens de arbeidsrechtbank is de band met Genk vanaf september 2013, het moment waarop hij stopte als stelplaatsmedewerker, gevoelig kleiner omdat A.B. een week of soms langer door Europa reed en diverse laad- en losplaatsen aandeed zonder terug te keren. Deze vaststelling lijkt te kloppen. Steekproefgewijs verwijst het arbeidshof naar de opdracht van 4 april 2014: hij begon zijn transportopdracht in Genk op 4 april 2014, en reed vervolgens naar Duitsland, Italië, Luxemburg, om vervolgens naar Genk terug te keren op 10 april 2014. Het arbeidshof deelt het standpunt van de arbeidsrechtbank dat A.B. sinds september 2013 langere trajecten maakte met zijn vrachtwagen, waardoor het zwaartepunt van de activiteiten in Genk kleiner werd. Het arbeidshof merkt wel op dat A.B. nog steeds consequent vertrok vanuit Genk, om na afloop van de transportactiviteiten terug te keren naar Genk. De diverse transportactiviteiten na september 2013 sloten naadloos op elkaar aan, met uitzondering van de transportactiviteit nr. 327 (die eindigde op 17 mei 2014) en nr. 328 (die begon op 31 juli 2014). In ieder geval is deze periode niet representatief voor de ganse duur van de tewerkstelling. Zoals blijkt uit de talrijke schriftelijke verklaringen , spendeerden de chauffeurs hun rusttijden en weekends in de stelplaats te Genk, genaamd El Paradisio. Voor vakanties werden de chauffeurs met een minibus naar Roemenië vervoerd. Ook al zouden de schriftelijke verklaringen niet aan alle volgens de artikelen 961/1 en 961/2 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vereisten voldoen, dan nog staat het de rechter vrij om de bewijswaarde van de verklaring te beoordelen, hierbij rekening houdende met alle elementen dienstig ter inschatting van de geloofwaardigheid ervan. De in artikel 961/2 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormvereisten zijn immers niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het ontbreken van een door die wetsbepaling vereiste vermelding in een schriftelijke verklaring verhindert daardoor niet dat de rechter die verklaring aanneemt, mits hij de redenen aangeeft waarom hij haar toch geloofwaardig acht, ondanks het feit dat zij niet aan alle gestelde vereisten beantwoordt. Het arbeidshof heeft geen reden om aan te nemen dat al deze verklaringen of sommigen ervan vals zouden zijn. Het arbeidshof kan in deze alleen maar vaststellen dat de schriftelijke verklaringen in eigen bewoordingen zijn opgesteld, en door henzelf werden ondertekend. Bovendien hebben zij de feiten zelf kunnen vaststellen. De schriftelijke verklaringen werden tijdens de procedure voorgelegd, zodat het tegenbewijs voor de nv’s open stond. Alle verklaringen zijn eenstemmig, vullen elkaar aan en worden op geen enkele manier tegengesproken door andere stukken in het dossier. Uit het Transics Trip rapport blijkt dat A.B. na 31 januari 2015 zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde vanuit Roemenië. Daarvan zegt A.B. zelf dat deze periode buiten de huidige vordering valt. Het Hof van Beroep te Bacau kwam in de beslissing van 14 juni 2019 tot de vaststelling dat bijna alle ritten in België of in de buurlanden werden verricht, en niet in Roemenië. Bijkomend stelde het Hof van Beroep te Bacau vast dat A.B. in de periode van 29 april 2012 t.e.m. 29 april 2015 gedurende 743 dagen in België werkte. De beslissing van het Hof van Beroep te Bacau mag dan wel (nog) niet de plano zijn erkend, dit neemt niet weg dat het arbeidshof met deze feitelijke vaststellingen rekening kan houden, vermits zij ondersteund worden door de stukken. Tijdens zijn rusttijd werd A.B. in de periode van 28 november 2011 t.e.m. 13 september 2013 tewerkgesteld als stelplaatsmedewerker op het hoofdkwartier ‘Headquarters C.D.’ te Genk. Dit wordt niet betwist tussen partijen. Als stelplaatsmedewerker deed hij overdag kantoor- en stelplaatswerk. De nv’s brengen geen stukken bij waaruit zou blijken dat de transportopdrachten niet begonnen en eindigden in Genk, maar wel in Roemenië. Volgens het trip report ging A.B. sporadisch naar Roemenië (op 18 januari 2014: trip nr. 313, op 24 maart 2014: trip nr. 320, op 4 augustus 2014: trip nr. 329 en op 24 december 2014: trip nr. 341). Van de 343 ritten die A.B. in totaal verrichtte, gebeurde dit dus slechts vier keer. Uit al deze gegevens blijken dat A.B. het grootste deel van zijn transportactiviteiten vanuit en naar België verrichte. • Plaats van waaruit de opdrachten werden gegeven en het werk werd georganiseerd Uit de stukken blijkt dat de planning van de transportactiviteiten en de instructies gebeurden vanuit het hoofdkwartier te Genk, en niet vanuit Roemenië. De nv’s erkennen dat de chauffeurs contact hadden met de Belgische planners. De chauffeurs stuurden hun prestaties door naar de HR Manager van de Oost-Europese vloot in Genk, E.F. . Technische richtlijnen werden vanuit Genk verstuurd. De instructies die in de boordcomputers binnenkwamen werden ingevoerd door Belgische planners in Genk. Dit wordt niet tegengesproken door de nv’s. Wanneer een verkeersboete werd opgelopen, werd dit gecommuniceerd aan het kantoor te Genk (E.F.). Op de vrachtbrieven stond C.D. nv als hoofdopdrachtgever vermeld en de Roemeense werkgever, I.J. Oradea, als onderaannemer. Op bepaalde vrachtbrieven werd K.L. nv als hoofdopdrachtgever vermeld. • Plaats waar de arbeidsinstrumenten zich bevonden De vrachtwagens waarmee de chauffeurs moesten rijden, werden in Genk ter beschikking gesteld. Volgens A.B. gebeurden de herstellingen in Genk en waren de trucks enkel in Roemenië voor technische controles. Dit wordt niet tegengesproken door de nv’s. Collega’s van A.B. verklaarden dat zij op de stelplaats te Genk tankten, de vrachtwagen onderhielden of van truck of trailer wisselden. Volgens een andere verklaring werden de tachograafkaarten in Genk uitgelezen. In Genk werden de vrachtwagens nagekeken en klaargemaakt voor de volgende rit. De nv’s wijzen erop dat de chauffeurs rondreden met een Roemeens kenteken. Het arbeidshof kan alleen maar vaststellen dat de vrachtwagens ter beschikking stonden van de chauffeurs en rijklaar werden gemaakt in Genk. De nv’s erkennen overigens dat de tachograaf van de Roemeense vrachtwagen waarmee A.B. reed, in Genk werd geijkt. • Plaats waar werd het vervoer hoofdzakelijk werd verricht A.B. verrichtte zijn transportactiviteiten in de desbetreffende periode voornamelijk in België, en in de buurlanden. Vanaf september 2013 reed A.B. een week of soms langer door Europa, en deed hierbij diverse laad- en losplaatsen aan. Buiten de beginperiode waar A.B. voornamelijk in België rondreed, blijkt uit de stukken niet dat hij hoofdzakelijk in één land transportactiviteiten verrichtte, en nog minder dat hij hoofdzakelijk in Roemenië reed. De kilometers die hij naar en in Roemenië heeft gereden zijn verwaarloosbaar. • Plaats waar de goederen werden gelost A.B. stelt in conclusies dat 90% van het laden en lossen in België gebeurde, en wordt hierin niet tegengesproken door de nv’s. Nergens uit de stukken blijkt dat hij in Roemenië moest laden en lossen. Tussenbesluit Het zwaartepunt van de arbeidsprestaties van A.B. lag duidelijk in België. Bijgevolg moet België als het land van de gewoonlijke tewerkstelling worden beschouwd. Het arbeidshof moet vervolgens beoordelen of er factoren zijn waardoor de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land dan het land van de gewoonlijke tewerkstelling, zodat het recht van het loon van de gewoonlijke tewerkstelling terzijde moet worden geschoven. Zoals hierboven reeds aangehaald, moet het arbeidshof rekening houden met alle factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken. Bovendien moet de nationale rechter bepalen welke factoren daarvan het zwaarst doorwegen. A.B. bezit de Roemeense nationaliteit en was in de desbetreffende periode in Roemenië gedomicilieerd. Hij bleef ononderbroken aangesloten bij de Roemeense socialezekerheid. Zijn loon werd betaald in de Roemeense munteenheid en hij werd belast in Roemenië. De betaling van de zogenaamde ‘per diem’, of ‘diurna’, d.i. een dagelijkse kostenvergoeding, gebeurde in euro. Bovenop de ‘per diem’ conform het Roemeense contract, ontving A.B. van I.J. Oradea 5,00 euro per dag voor zijn werkzaamheden als stelplaatsmedewerker. Het feit dat I.J. Oradea belastingen en socialezekerheidsbijdragen betaalde in Roemenië was niet het gevolg van de keuze voor Roemenië als werkland, maar had enkel te maken met het feit dat A.B. In Roemenië woonde. De factoren die het arbeidshof vóór het tussenbesluit opsomde, wegen het zwaarste door. Er zijn onvoldoende redenen om de arbeidsovereenkomst te laten beheersen door het Roemeense recht. De detacheringsrichtlijn moet niet worden toegepast De arbeidsrechtbank maakte in het bestreden vonnis een zijsprong naar de toepassing van de Detacheringsrichtlijn , om vervolgens tot de vaststelling te komen dat er geen volledige overdracht van het werkgeversgezag had plaatsgevonden, en dat er geen onwettige terbeschikkingstelling kon worden weerhouden. A.B. formuleert hiertegen een grief. Hij houdt voor dat de eerste rechters ten onrechte hebben aangenomen dat de Detacheringsrichtlijn zonder meer kan worden toegepast op het internationaal vervoer. In de zaak FNV tegen Van den Bosch Transporten , oordeelde het Hof van Justitie dat de Detacheringsrichtlijn in principe van toepassing is op transnationale dienstverrichtingen in de sector van het wegvervoer. Het Hof van Justitie stelt de voorwaarden vast die moeten worden vervuld om te kunnen spreken van een detachering. Er moet een beoordeling gebeuren van alle factoren, rekening houdend met o.m. de kenmerken van de dienstverrichting en de aard van de werkzaamheden. Is evenwel ontoereikend om te stellen dat er sprake is van een detachering: “het feit dat een chauffeur die werkzaam is in het internationaal vervoer en door een in een lidstaat gevestigde onderneming ter beschikking is gesteld van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, die opdrachten begint of die opdrachten beëindigt op het hoofdkantoor van die tweede onderneming.” Voor deze beoordeling acht het Hof van Justitie het evenmin irrelevant dat de activiteiten in concernverband plaatsvinden. In de marge merkt het arbeidshof op dat de eigenlijke toepassing van de Detacheringslijn op de mobiele sector onduidelijk blijft omwille van de administratieve lasten die door de Handhavingsrichtlijn worden opgelegd. De herziene Detacheringsrichtlijn maakt melding van bijzondere interpretatie-en toepassingsmoeilijkheden in de wegvervoerssector. Het arbeidshof oordeelt dat de Detacheringsrichtlijn de regels met betrekking tot de aanduiding van het toepasselijk recht in principe onaangetast laat. Als een gewoon land van tewerkstelling kan worden aangeduid in toepassing van de Rome I-verordening, en er bijgevolg geen sprake is van een tijdelijke situatie, moet er geen toepassing worden gemaakt van de Detacheringsrichtlijn. Vermits België als het gewone werkland moet worden aangeduid in toepassing van de Rome I- verordening, moet het arbeidshof de Detacheringsrichtlijn niet toepassen. Toegespitst op de specifieke discussiepunten tussen partijen, komt het arbeidshof tot de volgende bevindingen met betrekking tot de toepassing van het Belgische recht. • De strafbaarheidsstelling van de werkgever bij de niet- betaling van het loon, de bepalingen van de loonbeschermingswet en het verbod van terbeschikkingstelling De strafbaarstelling van de werkgever of van de aangestelde of de lasthebber vloeit voort uit artikel 162 van het Sociaal Strafwetboek. Door deze bepaling wordt niet enkel de werkgever, maar ook iedere persoon die deelneemt aan de leidinggevende functies binnen de onderneming en die bekleed is met gezag, als dader van een inbreuk op de Loonbeschermingswet aangemerkt. De Loonbeschermingswet wordt door het Hof van Cassatie als een wet van politie en veiligheid beschouwd. De Loonbeschermingswet en de strafbaarstelling van de werkgever in het Sociaal Strafwetboek zijn bepalingen van bijzonder dwingende aard in de zin van artikel 9.1 van de Rome I-verordening. Het verbod van terbeschikkingstelling overeenkomstig de wet van 24 juli 1987 inzake uitzendarbeid, tijdelijke arbeid en terbeschikkingstelling is een wet van bijzonder dwingend recht (artikel 9.1. van de Rome I-verordening). Het zijn bepalingen waaraan de Belgische wetgever dermate belang hechtte voor de handhaving van de politieke, sociale of economische organisatie van België. • De verjaring Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet dat de verjaringstermijnen bepaalt voor de vorderingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, is een bepaling van bijzondere dwingende aard in de zin van artikel 9.1. van de Rome I-verordening. Deze bepaling wordt door het Hof van Cassatie als een wet van politie en veiligheid beschouwd. • Het sectorale minimumloon Bepalingen van algemeen verbindend verklaarde cao’s m.b.t. minimumlonen worden in de rechtspraak als wetten van politie en veiligheid beschouwd. Om die reden zijn ze een bepaling van bijzonder dwingende aard in de zin van artikel 9.1 van de Rome I-verordening. 5. Het werkgeverschap en de solidaire gehoudenheid A.B. sloot op 27 april 2011 een arbeidsovereenkomst met I.J. Oradea, een vennootschap naar Roemeens recht. Hij roept het werkgeverschap ten aanzien van beide nv’s in, en vraagt om beide vennootschappen in solidum te veroordelen. 5.1. Vooraf A.B. wijst erop dat in het arrest van het Hof van Beroep te Bacau definitief is komen vast te staan dat eerste geïntimeerde de werkelijke werkgever was, en niet I.J. Oradea. Zoals het arbeidshof hierboven aanhaalde (zie 1.), kan het arrest van het Hof van Beroep te Bacau in de huidige stand van de procedure nog niet de plano worden erkend, althans niet door het arbeidshof. Dit neemt niet weg dat het arbeidshof zich alsnog kan uitspreken over het werkgeverschap, en hiervoor de de plano erkenning niet moet afwachten. Het arbeidshof ziet geen beletsel om zich te baseren op de feitelijke en juridische vaststellingen die zijn gebeurd door het Hof van Beroep te Bacau. 5.2. Principes Artikel 162, 1° en 3° en artikel 167 van het Sociaal Strafwetboek stellen de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber strafbaar, die het loon of de financiële voordelen als aanvulling op het loon niet betalen. Het misdrijf moet aan de werkgever toerekenbaar zijn. Voor de toepassing van het sociaal strafrecht wordt onder werkgever verstaan de personen die gezag over de werknemers uitoefenen. Om te bepalen of een inbreuk werd gepleegd op een sociaalrechtelijke verplichting die het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de hoedanigheid van werknemer vereist, moet de strafrechter het bewijs van het bestaan van die overeenkomst beoordelen overeenkomstig de regels van het sociaal recht. Volgens de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie is de werkgever diegene die de juridische mogelijkheid heeft om het gezag uit te oefenen. Het uitoefenen van gezag houdt in dat de werkgever de bevoegdheid heeft om leiding en toezicht uit te oefenen op de activiteiten van de werknemer. De gezagsverhouding die de arbeidsovereenkomst kenmerkt bestaat zodra een partij zijn gezag kan doen gelden over de handelingen van een andere partij. Centraal element voor de beoordeling van het gezag is de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen , en om bevelen te geven over de organisatie en de uitvoering van het werk. Een werknemer kan in het kader van één arbeidsovereenkomst twee verschillende werkgevers hebben, wanneer deze de uitoefening van de werkgeversbevoegdheden delen en nauw met elkaar verbonden zijn. Dit kan blijken uit de wijze van uitvoering. 5.3. Toepassing Uit de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau blijkt dat A.B. als derde partij naar Roemeens recht (artikel 1175 van het Roemeense Burgerlijk Wetboek) het bewijs leverde van het geveinsde karakter van de overeenkomst tussen I.J. Oradea en eerste geïntimeerde. Het Hof van Beroep te Bacau hanteerde vervolgens criteria die gelijkaardig zijn aan de Belgische criteria om het werkgeverschap te bepalen , om te besluiten dat eerste geïntimeerde als de eigenlijke werkgever van A.B. moest worden beschouwd. Omdat België de gewoonlijke plaats van tewerkstelling was, moet volgens het Belgische arbeidsrecht worden uitgemaakt of A.B. met de nv’s door een arbeidsovereenkomst was verbonden. Op basis van de gegevens die partijen hebben voorgelegd, kan worden besloten dat beide nv’s de feitelijke werkgevers van A.B. waren, ook al had hij formeel enkel een arbeidsovereenkomst met I.J. Oradea gesloten. De nv’s maken deel uit van de O.Z. groep wiens activiteiten op elkaar zijn afgestemd. Tweede geïntimeerde bezit 99% van de aandelen van eerste geïntimeerde. Zij hebben beiden dezelfde bestuurders, met name P.O. en R.O. . Het is een niet betwist gegeven dat P.O. ook bestuurder is van I.J. Oradea. Beide vennootschappen zijn gevestigd op het hetzelfde adres. Dat beide vennootschappen het resultaat zijn van allerlei fusies, en dat er nog andere vennootschappen deel uitmaken van de O.Z. groep, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Beide geïntimeerden beschikken immers over dezelfde NACE-code 49410 ‘Goederenvervoer over de weg’. Dit is niet zo bij de andere vennootschappen van de O.Z. groep. Bovendien was er een feitelijke vermenging tussen beide nv’s, die werden geleid als één geheel. Het arbeidshof steunt zich hiervoor op de volgende vaststellingen: - Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de instructies kwamen van managers die bij eerste en tweede geïntimeerde werden tewerkgesteld. Beide vennootschappen werden geleid als één geheel. Er was een duidelijke hiërarchische lijn, met aan het hoofd P.O. (de gedelegeerd bestuurder) en R.S. (de toenmalige COO), en daaronder G.H., verantwoordelijke voor de Oost-Europese vloot en E.F., de toenmalige HR Manager van de Oost-Europese vloot die nauw samenwerkten. In een Transics-bericht van 16 mei 2014, bijvoorbeeld, wordt G.H. aangeduid als ‘de baas’. Dit blijkt ook uit de afgelegde schriftelijke verklaringen van bijvoorbeeld T.Q. en S.T. . - E.F., HR Manager van de Oost-Europese vloot, was het centrale aanspreekpunt. Hij stond in voor de administratie en de planning. De chauffeurs stuurden de prestaties naar hem door. De nv’s beamen dit en stellen hierover: “Het lijkt daarbij correct te zij dat de heer E.F. als het ware een tussenpersoon was tussen appellant en zijn werkgever I.J. Oradea, doch dit bewijst opnieuw op geen enkele wijze dat concluanten elk op zich werkgeversgezag hebben uitgeoefend.” - De naam van zowel eerste als tweede geïntimeerde werden vermeld op de vrachtbrieven (als hoofvervoerder). Het klopt dat I.J. Oradea als onderaannemer op de vrachtbrieven wordt vermeld. Dit betekent niet dat er sprake was van een toegelaten aanneming. Zo wordt er geen schriftelijke aannemingsovereenkomst voorgelegd die o.m. uitdrukkelijk voorziet dat de onderaannemer zijn verplichtingen inzake het welzijn op het werk eigen aan de inrichting waar de activiteiten worden uitgevoerd zal naleven en doen naleven door zijn onderaannemers. - Technische richtlijnen werden vanuit adres C.D. verstuurd door de werknemers van de Oost-Europese vloot ‘Fleet Genk’ . Ook de Transics-berichten werden uitgestuurd door deze werknemers. A.B. leverde arbeidsprestaties voor de nv’s en kreeg nooit instructies of opdrachten vanuit I.J. Oradea. Dit blijkt in ieder geval niet uit de neergelegde stukken. - De loonadministratie gebeurde o.l.v. E.F. , HR Manger van de Oost-Europese vloot. De chauffeurs moesten op een formulier het aantal gereden kilometers vermelden, dat vervolgens werd bezorgd aan de medewerkers van de Oost-Europese vloot. E.F. legde de werkwijze uit in een e-mail van 15 januari 2014: “(…) de regel is dat chauffeurs betaald worden van de vrijdag dat ze in Genk. aankomen tot de vrijdag dat ze naar huis gaan.” - De betaling van de lonen en vergoedingen, zoals bijvoorbeeld de bonus en de diurna, werden georganiseerd vanuit Genk, zonder inbreng van I.J. Oradea. - Verlofmeldingen gebeurden volgens de voorgelegde stukken bij E.F. , en de goedkeuring gebeurde ook door hem of G.H. . - Werkinstrumenten werden door de nv’s ter beschikking gesteld. Om zijn taken als stelplaatsmedewerker uit te voeren, beschikte A.B. over een e-mail adres (fleetguest@O.
- be)met zijn naam en gegevens in de handtekening. Ook het logo van de O.Z. groep was hierop vermeld. Beide vennootschappen stelden A.B. dus voor als hun werknemer. Bepaalde chauffeurs beschikten over een tankkaart en DKV-kaart op naam van C.D. nv en van K.L. nv. - A.B. was een tijdlang de persoonlijke chauffeur van P.O. . Gelet op deze vaststellingen, ziet het arbeidshof geen meerwaarde in het door A.B. aangeboden getuigenverhoor. Het feit dat A.B. enkel I.J. Oradea en eerste geïntimeerde in de Roemeense gerechtelijke procedure heeft betrokken, is op zich onvoldoende om het werkgeverschap van tweede geïntimeerde en de solidaire gehoudenheid af te wijzen. Dat A.B. zich in eerste instantie tot I.J. Oradea (en tweede geïntimeerde) richtte van de O.Z. groep om betaling te vragen, belet niet dat beide nv’s medeschuldenaars zijn van de gevorderde vergoedingen. Meerdere schuldenaars kunnen zich immers verbinden tot de uitvoering van één verbintenis die op hen rust. Er is in geen geval sprake van rechtsverwerking. De eerdere houding van A.B. is niet onverenigbaar met zijn huidige aanspraken. Het is evident dat elke processuele actie de tewerkstelling van A.B. in het gedrang kon brengen. Dit is uiteindelijk ook gebeurd, vermits de arbeidsovereenkomst met I.J. Oradea op 15 februari 2021 werd beëindigd nadat de procedure werd ingeleid voor de arbeidsrechtbank. Doet evenmin iets af aan de vaststelling van het duaal werkgeverschap, het argument dat de sociale inspectie of het openbare ministerie niet zijn opgetreden naar aanleiding van de klacht van A.B. . Er kunnen immers diverse redenen zijn voor het niet-optreden van de sociale inspectie of het openbaar ministerie. Het is in ieder geval geen argument op zich om het werkgeverschap van beide vennootschappen af te wijzen. Het staat vast dat geïntimeerden het gezag over A.B. uitoefenden. Beide nv’s zijn solidair gehouden voor zowel het strafrechtelijk misdrijf als de contractuele verbintenis. A.B. wordt niet geacht in dienst te zijn genomen door I.J. Oradea, waarmee hij formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, maar wel door de nv’s die het feitelijk gezag over hem uitoefenden. Het arbeidshof moet zich bijgevolg niet uitspreken over het argument dat A.B. in ondergeschikte orde stelt m.b.t. de verboden terbeschikkingstelling. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. 6. Verjaring A.B. steunt zijn vordering tot betaling van het minimumloon, de eindejaarspremie, het vakantiegeld, de ARAB- en de verblijfsvergoeding op artikel 162 van het Sociaal Strafwetboek. Hij breidde zijn eis in graad van hoger beroep uit naar een contractuele vordering. De nv’s houden voor dat alle vorderingen zijn verjaard. Het arbeidshof oordeelde reeds dat de bepalingen over verjaringstermijnen naar Belgisch recht als bepalingen van bijzonder dwingende aard moet worden beschouwd (zie 4.2.), zodat geen rekening moet worden gehouden met het Roemeense recht. 6.1. De verjaringsstuitende werking van de gedinginleidende akte in de Roemeense procedure A.B. argumenteert dat zijn oorspronkelijke en de in hoger beroep uitgebreide vordering werden gestuit in overeenstemming met artikel 2244 van het Oud Burgerlijk Wetboek door de Roemeense gerechtelijke procedure. Deze procedure werd opgestart met de gedinginleidende akte neergelegd ter griffie van de rechtbank te Neamt (Roemenië) op 23 april 2015. Op dat ogenblik was de arbeidsovereenkomst nog niet beëindigd. Dit is gebeurd op 15 februari 2021. Volgens artikel 2244, eerste lid van het Oud Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Een dagvaarding moet ruim worden uitgelegd. Het omvat elke akte waaruit de wil van een partij blijkt om zijn rechten te laten gelden en te doen erkennen, ongeacht de vorm. Dit omvat conclusies die worden neergelegd ter griffie. Ook een dagvaarding in het buitenland valt hieronder. De verjaringstermijn begint pas opnieuw te lopen van zodra er een definitieve beslissing wordt uitgesproken. Dat de beslissing van de buitenlandse rechter (nog) niet de plano werd erkend, is hierbij zonder belang. Deze voorwaarde wordt immers niet opgelegd door het oud Burgerlijk Wetboek. Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring. Hierdoor wordt aan de stuiting een procedureel karakter verleend. Een dagvaarding voor een onbevoegde buitenlandse rechter stuit eveneens de verjaring. Artikel 2246 van het Oud Burgerlijk Wetboek maakt immers geen onderscheid naargelang werd gedagvaard voor een Belgische dan wel een buitenlandse rechter. Dit werd ondertussen bevestigd door het Hof van Cassatie. Er is geen enkele reden waarom het arbeidshof rekening zou moeten houden met het Roemeense recht dat niet voorziet in een stuitende werking van een dagvaarding. A.B. maakte de zaak na het doorlopen van de Roemeense procedure aanhangig voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren. Het arbeidshof oordeelde internationale rechtsmacht te hebben in toepassing van 21, 1,
- a)van de Brussel Ibis-verordening (zie 2.). De vordering moet worden behandeld overeenkomstig de procedureregels eigen aan het nationale recht van de rechtsinstantie die over het geschil uitspraak doet. Het Belgische procesrecht is van toepassing. Het stuitend karakter van de dagvaarding werkt slechts voorwaardelijk. Overeenkomstig artikel 2247 van het Oud Burgerlijk Wetboek wordt de stuiting immers voor niet bestaande gehouden indien de dagvaarding nietig is, indien de eiser afstand doet van zijn eis, of indien de eis wordt afgewezen. Het Hof van Beroep te Bacau oordeelde op basis van artikel 1071 van het Roemeense Wetboek van de Burgerlijke Procedure en de artikelen 20 e.v. van de Brussel Ibis-verordening niet te beschikken over internationale rechtsmacht. Gelet op de duidelijke bepaling van artikel 2246 van het Oud Burgerlijk Wetboek, verhindert de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau niet de verjaringsstuitende werking. Het Hof van Beroep heeft de oorspronkelijke eis van A.B. geenszins afgewezen. De verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 4 mei 2009 door de nv’s is niet relevant. In dit geschil ging het immers om de afwijzing van een eis. Het feit dat A.B. een delictuele vordering instelde, is evenmin relevant voor de toepassing van de artikelen 2244 en 2246 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Het gaat immers niet over de verjaring van de strafvordering zelf, maar wel over de verjaring van een burgerlijke vordering die volgt uit een misdrijf. Hieruit volgt dat artikel 26 V.T.Sv. van toepassing is en niet artikel 22 V.T.Sv. Artikel 26 V.T.Sv. schrijft uitdrukkelijk voor dat de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek. De artikelen 2244 en 2246 van het Oud Burgerlijk Wetboek zijn wel degelijk van toepassing. Hiermee staat nog niet vast dat op 14 januari 2019 , datum van de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau, een nieuwe verjaring is beginnen te lopen. Een dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die ze instelt en voor de vordering waarvan het voorwerp virtueel in de dagvaarding is inbegrepen. Het is vereist dat zowel het voorwerp en de oorzaak van die vorderingen dezelfde zijn. De oorzaak van de vordering is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt zoals deze aan de rechter worden voorgelegd, hetzij rechtstreeks aangevoerd of niet. Het voorwerp van de vordering heeft betrekking op het resultaat dat door de eiser wordt beoogd. Dit is een logisch gevolg van de toepassing van artikel 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek dat toelaat om in de loop van het geding de oorspronkelijke vordering uit te breiden of te wijzigen op voorwaarde dat deze uitbreiding of wijziging berust op een feit of een akte die in de dagvaarding werd aangevoerd. De oorzaak van de vordering in de Roemeense procedure is dezelfde als deze in de Belgische procedure. A.B. verwijst in de gedinginleidende akte van de Roemeense procedure naar zijn Belgische en Roemeense werkzaamheden. De werkzaamheden als stelplaatsmedewerker komen in de Roemeense procedure expliciet aan bod. Het voorwerp van de vordering is zowel in de Roemeense als de Belgische procedure gelijk, met uitzondering van de periode die wordt gevorderd. Er wordt met name een geldschuld gevorderd. A.B. vorderde in de Roemeense procedure loon, een ARAB-vergoeding (bonuses related to difficult conditions, special and hazardous work conditions) en aanverwante vorderingen. In de beslissing van het Hof van Beroep te Bacau is er ook sprake van verblijfvergoedingskosten (accommodation costs). De oorspronkelijke vordering in de Roemeense procedure was dus niet beperkt tot de overlegging van stukken alleen. In de Belgische procedure vordert A.B. eveneens een geldschuld, zijnde loon (contractueel), en een schadevergoeding begroot op het bedrag van het gevorderde loon en de vergoedingen gesteund op een misdrijf. Dat A.B. in de Roemeense procedure niet uitdrukkelijk een schadevergoeding vorderde is zonder belang. Het voorwerp van de vordering wordt immers feitelijk ingevuld in de zin van het resultaat dat door de eisende partij wordt beoogd. Wanneer het voorwerp van de vordering hetzelfde is, maar gebaseerd op een andere rechtsgrond, belet dit niet de verjaringsstuitende werking van een dagvaarding. Er is een verschil m.b.t. de periode die wordt gevorderd. In de Roemeense procedure is deze beperkt tot de periode 29 april 2012 t.e.m 29 april 2014. Tweede geïntimeerde was weliswaar betrokken partij in de contractuele arbeidsrelatie met A.B. (zie 5.), maar de gedinginleidende akte in de Roemeense procedure werd niet tegen haar uitgebracht, zoals de nv’s pertinent opmerken. Om die reden heeft de gedinginleidende akte in de Roemeense procedure geen stuitende werking t.a.v. tweede geïntimeerde. Op 14 januari 2019 is dus een nieuwe verjaring beginnen te lopen ten aanzien van eerste geïntimeerde voor de vordering m.b.t. periode 29 april 2012 t.e.m 29 april 2014. Op 29 januari 2020 leidde A.B. de Belgische procedure in. Echter, ook zonder de verjaringsstuitende werking is de vordering in zijn totaliteit niet verjaard, ook niet ten aanzien van tweede geïntimeerde. 6.2. De contractuele vordering is niet verjaard. In de gedinginleidende dagvaarding van 29 januari 2020 stelde A.B. enkel een delictuele vordering in voor de periode van 27 april 2011 t.e.m. 30 januari 2015 t.a.v. beide nv’s. Hij breidde zijn eis in graad van hoger beroep uit naar een contractuele vordering. Dit gebeurde in de beroepsconclusies van 13 juni 2022. Zoals hierboven opgemerkt (zie 6.1.) stuit een dagvaarding de verjaring voor de vordering die ze instelt en voor de vordering waarvan het voorwerp virtueel in de dagvaarding is inbegrepen. Ook in graad van hoger beroep kan een werknemer de grondslag van zijn vordering voor de eerste maal wijzigen. Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het einde van deze overeenkomst. Vermits de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 15 februari 2021, had A.B. zijn contractuele vordering moeten instellen uiterlijk op 15 februari 2022. Door het instellen van de delictuele vordering vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van artikel 26 V.T.Sv., werd de verjaring onder artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet tijdig gestuit. De contractuele vordering was immers virtueel in de gedinginleidende dagvaarding van 29 januari 2020 inbegrepen. Het is nuttig om te verwijzen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 27 maart 2017, waarin het volgende werd geoordeeld : “Krachtens artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek stuit de gedinginleidende akte de verjaring voor de vordering die deze akte inleidt, ongeacht de middelen die worden aangevoerd tot staving van die vordering. Het arrest stelt vast dat de verweerders sinds de inleiding van de zaak in eerste aanleg, de veroordeling van de eisers vorderen om hen een provisioneel bedrag te betalen als voorschot op het verschil in wedde waarop zij recht menen te hebben en de betaalde wedde, en dat ze die vordering voor de eerste maal in hoger beroep steunen op de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het arrest dat oordeelt dat “de rechtsgronden die worden aangevoerd tot staving van de vordering niet in het voorwerp van de vordering worden geïncorporeerd en dat “het voorwerp van de vordering (….) ongewijzigd blijft”, verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de gedinginledende akte de in artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde verjaring gestuit heeft.” De contractuele vordering voor de periode van 27 april 2011 t.e.m. 30 januari 2015 m.b.t. de functie van vrachtwagenchauffeur, die eveneens t.a.v. tweede geïntimeerde is gericht, is niet verjaard. Het incidenteel beroep is ongegrond. 6.3. De delictuele vordering is niet verjaard A.B. vordert achterstallig minimumloon, eindejaarspremies en vakantiegeld en steunt zijn vordering op artikel 162, 1° van het Sociaal Strafwetboek. Op die manier wil hij aanspraak maken op de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing op burgerlijke vorderingen die voortvloeien uit misdrijven. Het niet-betalen van loon is strafbaar op basis van artikel 162, 1° van het Sociaal Strafwetboek, en het niet-betalen van vakantiegeld is strafbaar op grond van artikel 162, 3° van het Sociaal Strafwetboek. Het Sociaal Strafwetboek is van toepassing vanaf 1 juli 2011. A.B. vordert eveneens een ARAB- en een verblijfsvergoeding. Hij lijkt zijn vordering eveneens te steunen op het misdrijf van het niet betalen van het loon (artikel 162, 1° van het Strafwetboek. In het Sociaal Strafwetboek zijn een aantal loonelementen opgenomen die onder het loonbegrip van de Loonbeschermingswet vallen, maar toch het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke strafbaarstelling. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de verplaatsingskosten (artikel 165 van het Sociaal Strafwetboek) en voordelen ter aanvulling van het loon zonder dat ze een kostenvergoeding betreffen (artikel 167 Sociaal Strafwetboek). In de memorie worden de koudepremie en de ARAB-vergoeding in de transportsector als voorbeeld vermeld. De ARAB- en de verblijfsvergoeding zijn loon in de zin van de Loonbeschermingswet. Loon in de zin van de Loonbeschermingswet bevat alle geldelijke en in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking ten laste van de werkgever recht heeft. De vergoeding voor reiskosten, waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking ten laste van de werkgever recht heeft, valt onder het begrip loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Zelfs indien de vergoeding een terugbetaling is van kosten die de werknemer werkelijk heeft gemaakt, is deze vergoeding alleszins een voordeel waarop de werknemer ten laste van de werkgever recht heeft ingevolge de dienstbetrekking . Bijgevolg moeten deze vergoeding als loon worden beschouwd in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Vóór 1 juli 2011 werd dit misdrijf strafbaar gesteld door artikel 42,1° van de Loonbeschermingswet, sinds 1 juli 2011 door de hoger genoemde bepalingen uit het Sociaal Strafwetboek. Indien het voordeel werd opgelegd door een algemeen verbindend verklaarde cao, werd de niet-betaling ook strafbaar gesteld door artikel 56, eerste lid, 1° van de cao-wet, thans door artikel 189 van het Sociaal Strafwetboek. De niet-betaling van vakantiegeld werd strafbaar gesteld door artikel 54, 2° van de gecoördineerde vakantiewetten van 28 juni 1971. Het bewijs van het bestaan van deze misdrijven wordt geregeld door de bewijsregels die gelden in het strafrecht. De feitenrechter beoordeelt in feite de bewijswaarde van de elementen waarop de werknemer zijn vordering steunt, die hem op regelmatige wijze werden voorgelegd en die de partijen vrij hebben kunnen tegenspreken. De rechter waarbij een vordering aanhangig is wegens een misdrijf kan de bewijsregels in burgerlijke zaken niet toepassen. De bewijslast van het misdrijf rust op de partij die zich op het misdrijf wil beroepen, als gevolg van het vermoeden van onschuld dat inherent is aan strafzaken. A.B. kan zich enkel baseren op een misdrijf als hij aantoont dat de nv’s de minimumlonen, de ARAB-vergoeding, de verblijfsvergoeding, de eindejaarspremies en het vakantiegeld effectief niet hebben betaald (materieel element), de niet-betaling toerekenbaar was aan de nv’s, en dat zij schuld hadden. Zoals voor elk sociaalrechtelijk misdrijf moeten een materieel en een moreel element worden aangetoond. Tevens moet het sociaal misdrijf toerekenbaar zijn aan de werkgever. Wat de toerekenbaarheid betreft, kan worden verwezen naar het oordeel van het arbeidshof onder 5.2. en 5.3. Het is niet betwist dat A.B. de sectoraal toepasselijke minimumlonen, de ARAB- en de verblijfsvergoedingen, de eindejaarspremies en het vakantiegeld niet heeft ontvangen, reden waarom hij deze vergoedingen thans vordert. De inbreuk op de sectorale cao’s staat vast. Het materieel bestanddeel van het misdrijf is bewezen. De artikelen 162, 1° en 3° en 167 van het Sociaal Strafwetboek, en artikel 42 van de Loonbeschermingswet verduidelijken de schuldvorm niet. Bij misdrijven waarvan in de omschrijven geen sprake is van enig opzet of onachtzaamheid, bestaat het moreel bestanddeel uit de volwaardige wil om de materiële handeling of nalatigheid te stellen. Er moet geen bijzonder opzet worden bewezen. Het volstaat dat de dader de materiële handeling of het verzuim heeft willen stellen, zonder dat hij noodzakelijk de eraan verbonden schadelijke gevolgen heeft gewild. Bij dergelijke misdrijven wordt het bewijs van het moreel bestanddeel beheerst door de techniek van het weerlegbaar vermoeden. Dit vermoeden bestaat uit het afleiden van het moreel bestanddeel uit het bestaan van het materieel bestanddeel en kan worden weerlegd door eventuele rechtvaardigingsgronden of schulduitsluitingsgronden. Een rechtvaardigingsgrond zoals een onoverwinnelijke dwaling wordt niet aangehaald door de nv’s. De niet-betaling was een bewuste keuze van de nv’s. De door de wet vereiste schuldvorm van onachtzaamheid is bewezen. Artikel 26 V.T.Sv. bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Volgens artikel 2262bis van het Oud Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De niet-betaling van loon is een ogenblikkelijk misdrijf. Dit betekent dat de verjaringstermijn onmiddellijk begint te lopen vanaf het plegen van het misdrijf. Wanneer de werkgever herhaaldelijk het loon niet betaalde, en deze herhaling voortvloeit uit eenzelfde misdadig opzet, is er sprake van een voortgezet misdrijf. Elk strafbare gedraging maakt op zichzelf een misdrijf uit, maar moet als één misdadige activiteit en dus als één misdrijf beschouwd worden. Het voortgezet misdrijf begint te verjaren op het moment waarop het laatste strafbaar feit is gepleegd. Het arbeidshof is van oordeel dat de nv’s de aangehouden, voortgezette wil hadden om de sectoraal vastgelegde minimumlonen en vergoedingen niet te betalen voor de transportactiviteiten van A.B. . Het arbeidshof aanvaardt de eenheid van opzet voor de gehele periode vanaf 27 april 2011 tot aan het laatste strafbaar feit. Bij elke loonbetaling, heeft A.B. niet de sectoraal verschuldigde minimumlonen en vergoedingen ontvangen. De verjaringstermijn is geëindigd op het moment dat de verschuldigde minimumlonen en vergoedingen de laatste keer niet werden betaald, zijnde op datum dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Dat er sinds september 2013 geen strafbare feiten werden gepleegd, treedt het arbeidshof niet bij. Het is niet betwist dat A.B. ook nà september 2013 tot aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen betaling van de sectorale minimumlonen en de vergoedingen heeft ontvangen. De nv’s hadden de mogelijkheid om deze toestand te regulariseren. Zij werden herhaaldelijk in gebreke gesteld door A.B. . De nv’s hebben er bewust voor gekozen om hieraan geen gevolg te geven. Deze opeenvolgende misdrijven zijn verbonden door een eenheid van opzet. De delictuele vordering voor de periode van 27 april 2011 t.e.m. 30 januari 2015 m.b.t. de functie van vrachtwagenchauffeur, die eveneens t.a.v. tweede geïntimeerde is gericht, is niet verjaard. Dezelfde redenering moet worden doorgetrokken naar de delictuele vordering voor de arbeidsprestaties geleverd als stelplaatsmedewerker vanaf 27 november 2011 t.e.m. 13 september 2013. A.B. had een arbeidsovereenkomst (met I.J. Oradea) voor de functie van vrachtwagenchauffeur. Er werd geen aparte arbeidsovereenkomst gesloten voor de arbeidsprestaties die werden geleverd als stelplaatsmedewerker. Het was een bijkomende taak die A.B. moest verrichten naast zijn functie van vrachtwagenchauffeur. Het is niet omdat A.B. op 13 september 2013 niet langer als stelplaatsmedewerker werd ingeschakeld, dat hiermee het misdadig opzet verdween. Het niet betalen van het loon voor de prestaties als stelplaatsmedewerker kadert in hetzelfde misdadig opzet, en kan hier niet los van worden gezien. Het is duidelijk dat de nv’s niet de bedoeling hadden om een volwaardig loon te betalen voor de arbeidsprestaties geleverd als stelplaatsmedewerker. Het is pas vanaf september 2012 dat hij bovenop de ‘per diem’ vergoeding conform het Roemeense contract een toeslag kreeg van 5,00 euro per dag. De nv’s hadden de mogelijkheid om een volwaardig loon te betalen, ook nà 13 september 2013. De verjaringstermijn is geëindigd op het ogenblik dat het laatste loon niet werd betaald, d.i. op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Het arbeidshof volgt niet standpunt van de eerste rechters dat er sprake zou zijn van een andere oorzaak of voorwerp. De delictuele vordering voor de periode van 27 november 2011 t.e.m. 13 september 2013 voor de arbeidsprestaties geleverd als stelplaatsmedewerker, die eveneens t.a.v. tweede geïntimeerde is gericht, is niet verjaard. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. 6.4. De redelijke termijn van artikel 6.1 van het EVRM is niet geschonden De nv’s roepen in dat de redelijke termijn van artikel 6.1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (afgekort EVRM) is geschonden. Zij vragen om de verjaringstermijnen niet toe te passen, minstens om de onrechtvaardige uitkomst te matigen. Artikel 6.1 van het EVRM waarborgt het recht op een eerlijk proces. Volgens deze bepaling heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. De verjaring vormt een beperking aan het recht op toegang tot de rechter. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (afgekort EHRM) sprak zich in verschillende arresten uit over de vraag of verjaringsregels een ongeoorloofde inbreuk uitmaken op artikel 6.1. EVRM. Het EHRM erkent dat verjaringsregels een legitieme doelstelling nastreven, zoals het bewerkstellingen van rechtszekerheid (het privaat belang) en het algemeen belang. De samenleving heeft er immers baat bij dat situaties uit het verleden niet meer opgehaald worden. Omdat deze doelstellingen een groot maatschappelijk belang hebben, vereist het EHRM zwaarwichtige redenen om de nationale regels terzijde te schuiven. De houding van de rechtzoekende kan hierin een belangrijke rol spelen. Ook kan rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden eigen aan de zaak. In een Belgische zaak oordeelde het EHRM dat het recht op toegang tot de rechter geschonden kan zijn als er slechts een theoretische en geen reële mogelijkheid van toegang tot de rechter bestaat. Een verjaringstermijn kan het recht op toegang tot de rechter in de kern aantasten wanneer de rechtzoekende wordt verhinderd gebruik te maken van een beschikbaar rechtsmiddel. De correctiemechanismes waarvan hierboven sprake worden in beperkte mate aanvaard door het EHRM. Zij dienen evenwel de belangen van de schuldeiser, niet die van de schuldenaar. Indien het onbehoorlijk of frauduleus gedrag van de schuldenaar aan de oorsprong ligt van de verjaring, is het voor de rechter geoorloofd om deze correctiemechanismen toe te passen. Zo kan de schuldeiser beroep doen op het adagium “Fraus omnia corrumpit” als het bedrog van de schuldenaar de schuldeiser heeft verhinderd om zijn vorderingsrecht tijdig in te stellen. Ook het verbod van rechtsmisbruik kunnen de toepassing van verjaringsregels temperen. Indien het gedrag van de schuldenaar niet aan de oorsprong ligt, is een buiten toepassing laten van de verjaringsregels of de tempering ervan in het licht van de rechtspraak van het EHRM uitgesloten. Het arbeidshof oordeelt dat artikel 6.1. van het EVRM niet werd geschonden. Er werd geen redelijke termijn overschreden. De Roemeense en de Belgische procedure kenden tot dusver een normaal verloop. In de huidige stand van het recht, kunnen de nv’s als schuldenaar het arbeidshof niet verzoeken om de verjaringsregels, die de rechtszekerheid en het algemeen belang dienen, niet toe te passen, dan wel om een onevenredige uitkomst van de toepasselijke verjaringstermijn te temperen. 7. Het verschuldigde minimumloon, de ARAB- en de verblijfsvergoeding, eindejaarspremies en vakantiegeld A.B. vordert in hoofdorde achterstallig minimumloon, de ARAB- en verblijfsvergoedingen, en eindejaarspremies, en vakantiegeld voor de periode van 27 april 2011 t.e.m. 30 januari 2015. Ondergeschikt vordert hij een ex aequo et bono schadevergoeding begroot op het gederfde minimumloon, ARAB- en verblijfsvergoedingen, eindejaarspremies en vakantiegeld. Hij vordert een totaalbedrag van 179.379,12 euro brutoloon en 22.964,34 euro nettoloon. Bijkomend vordert A.B. een schadevergoeding die hij ex aequo et bono begroot voor de functie van stelplaatsmedewerker m.b.t. de periode van 28 november 2011 t.e.m. 13 september 2013. Hij vordert een totaalbedrag van 45.850,116 euro brutoloon en 2.292,506 euro eindejaarspremies. 7.1. Vooraf Het slachtoffer van een sociaalrechtelijk misdrijf is niet verplicht om het herstel van zijn schade bij equivalent te vorderen. Hij kan ook opteren voor een herstel in natura. Het Hof van Cassatie oordeelde dat artikel 26 V.T.Sv. van toepassing is op elke burgerlijke rechtsvordering die steunt op feiten die van het bestaan van een misdrijf doen blijken, zelfs wanneer die feiten eveneens een contractuele tekortkoming van de verweerder uitmaken en het voorwerp van de vordering in de uitvoering van die contractuele verbintenis bestaat als herstel voor de geleden schade. Naast een contractuele vordering die hij in hoofdorde stelt voor de functie van vrachtwagenchauffeur, stelt A.B. een delictuele vordering in. Hij vordert een schadevergoeding gelijk aan het brutobedrag van het gederfde loon voor zijn functie als stelplaatsmedewerker, en in ondergeschikte orde voor de functie van vrachtwagenchauffeur. Daarnaast beoogt A.B. ook de veroordeling van beide nv’s tot aangifte van de lonen bij de RSZ en een DIMONA-aangifte. De juiste vorm van het schadeherstel wordt door de feitenrechter bepaald. Het Hof van Cassatie heeft reeds geoordeeld dat de feitenrechter het voorwerp van de vordering niet wijzigt als hij vaststelt dat de werknemer de betaling van achterstallig loon vordert, dat het onvolledig of niet betalen van het loon een misdrijf is en dat de vordering van de werknemer moet worden aanzien als een burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf. Een rechter miskent het ultra petita-verbod niet als hij het gevraagde toekent met een andere juridische omschrijving die de eiser voorstelde. Hieruit volgt dat de rechter, op grond van zijn verplichting tot het geven van een juiste juridische kwalificatie van de vordering die voortvloeit uit een misdrijf, gehouden is dat achterstallig loon zelf als schadeherstel toe te kennen, en niet als een schadevergoeding gelijk aan dit loon. Wanneer de schade gelijk is aan het gederfde loon, is het herstel in natura waarbij een brutoloon wordt toegekend, de meest adequate schadeloosstelling. De werkgever moet immers een deel van het brutoloon inhouden een aan de RSZ en de fiscale administratie doorstorten. Bovenop het brutoloon moet hij ook werkgeversbijdragen doorstorten aan de RSZ. 7.2. Het achterstallig loon en de achterstallige vergoedingen voor de functie van vrachtwagenchauffeur De loonachterstallen en de vergoedingen die A.B. vordert werden becijferd op basis van de beschikbare, doch onvolledige tachograafschijven. Op basis van deze gegevens heeft de vakorganisatie een gedetailleerde computerberekening gemaakt, die als stuk 34 wordt neergelegd. Volgens de berekening die A.B. voorlegt, heeft de vakorganisatie zich kennelijk gebaseerd op de principes van de sectorale cao van 27 januari 2005 m.b.t. de arbeidstijd, beschikbaarheidstijd, werktijdonderbrekingen en rusttijden. Omdat België de gewoonlijke plaats van tewerkstelling was, moet toepassing worden gemaakt van de cao van 27 januari 2005 gesloten in het paritair comité van het vervoer (PC 140) en de cao van 19 november 2015 “forfaitaire verblijfvergoeding & ARAB-vergoeding” gesloten in het paritair subcomité voor het wegvervoer en de logistiek voor rekening van derden, deelsector rijdend personeel (PC 140.03) die de arbeidsvoorwaarden en loonvoorwaarden regelen. 7.2.1. Principes van de sectorale cao van 27 januari 2005 De arbeidstijd wordt gedefinieerd in de cao van 27 januari 2005. De arbeidstijd is de tijd die wordt besteed aan (artikel 3.1.): - het rijden, laden en lossen - het schoonmaken en het technisch onderhoud van het voertuig - de werkzaamheden om de veiligheid van het voertuig of de lading te verzekeren - de werkzaamheden om te voldoen aan wettelijke of bestuursrechtelijke verplichtingen in verband met het vervoer, met inbegrip van het toezicht op laden en lossen, afwikkeling van administratieve formaliteiten bij de politie, de douane etc. Als beschikbaarheidstijd wordt o.m. beschouwd (artikel 3.2.): - andere periodes dan pauzes of rusttijden waarin de werknemer niet op de werkplek behoeft te blijven, doch beschikbaar moet zijn om gevolg te kunnen geven aan eventuele oproepen om de rit aan te vatten of te hervatten, of om andere werkzaamheden uit te voeren - de tijd gedurende dewelke de werknemer aan boord of in de nabijheid van de wagen verblijft, teneinde de veiligheid van de wagen en de goederen te verzekeren, maar geen arbeid presteert - de wachttijden aan grenzen of bij laden en/of lossen etc. De verwachte duur van de hierboven vermelde twee laatste tijden wordt vermoed maximaal 96 uur per maand te bedragen. Worden niet als beschikbaarheidstijd beschouwd: - de tijd gewijd aan de eetmalen - de tijd die als een onderbreking en/of als rusttijd wordt beschouwd - de tijd waarover de werknemer vrij kan beschikken - de tijd die de werknemer zichzelf toekent. Om de gemiddelde arbeidsduur te berekenen, waarvan sprake in de Arbeidswet, wordt geen rekening gehouden met de beschikbaarheidstijd, de werktijdonderbrekingen en rusttijden. De diensttijd is de som van de arbeidstijd en beschikbaarheidstijd, inbegrepen de trein- en booturen voor trajecten minder dan 4 uur, uitgezonderd de andere trein- en booturen evenals het vast verblijf (artikel 3.1.) Daarnaast wordt ook voorzien in werktijdonderbrekingen (3.4.) en rusttijden (3.5.). De bezoldiging, waarvan sprake in deze cao, is enkel toepasselijk op de arbeidstijd, de beschikbaarheidstijd, de diensttijd en de vergoedingen van het rijdend personeel. De arbeider heeft recht op een minimumloon vastgesteld volgens een functieclassificatie voor de per week gepresteerde arbeidsuren. De arbeidstijd wordt bezoldigd aan 100% van het basisuurloon van de desbetreffende categorie. De beschikbaarheidstijd wordt bezoldigd aan 99% van het basisuurloon van de betrokken categorie. Indien overloon verschuldigd is, bedraagt dit 50% van het uurloon zoals bepaald in artikel 5 van de cao. Artikel 9 voorziet ook in toeslagen. Voor de controle van de uitgevoerde arbeidsprestaties voorziet de cao in het gebruik van een dagelijks prestatieblad dat de werkgever ter beschikking moet stellen in tweevoud. Als het prestatieblad getekend is door beide partijen, is ieder betwisting onontvankelijk. Betwistingen zijn slechts toegelaten ingeval één van de partijen weigert het prestatieblad te ondertekenen. De werkgevers en werknemers mogen zonder wettige en nauwkeurige reden niet weigeren het voorgelegde prestatieblad te ondertekenen. De bewijslast valt ten laste van de niet ondertekenende partij, en in geval van betwisting bij de werkgever. 7.2.2. Toepassing op het vlak van het bewijs en de omvang van de arbeidsprestaties Volgens de neergelegde stukken was de vrachtwagen van A.B. uitgerust met een tachograaf en een boordcomputer (Transics Management System). Deze boordcomputer was verbonden met een computer die de gegevens centraliseert. Er liggen geen ondertekende prestatiebladen voor. Op vraag van het arbeidshof verduidelijkte de raadsman van A.B. op de zitting dat er nooit prestatiebladen ter beschikking werden gesteld. In dit geval moeten de éénzijdige door A.B. opgestelde berekeningen, ook al werden die na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst opgesteld, als uitgangspunt worden genomen bij de vaststelling van de geleverde arbeidsprestaties en de verschuldigde lonen. Het éénzijdig karakter is immers het gevolg van de niet-naleving van een werkgeversverplichting die werd opgelegd door een algemeen verbindend verklaarde cao. Het komt de nv’s toe om de berekening van A.B. nauwkeurig te bestuderen, te controleren en gedetailleerd te betwisten. Dit doen zij nu niet. De nv’s beperken zich tot de vaststelling dat A.B. zijn prestaties heeft overgewaardeerd. Zo stellen zij: “Op vele dagen wordt er simpelweg 8 uur forfaitair gerekend, waaronder ook tijdens het weekend, terwijl het niet mogelijk is dat er op die data ook gereden werd gelet op de regels inzake rij- en rusttijden. (…) Er worden bovendien blijkbaar verblijfsvergoedingen gerekend terwijl het niet geweten is waar appellant verbleef op de data dat zij worden gevorderd.” Om partijen toe te laten hierover verdere opheldering te geven en/of geheel of gedeeltelijk tot een onderlinge regeling te komen, is het aangewezen om de debatten te heropenen. 7.2.3. De vaststelling van het sectorale minimumloon Het arbeidshof oordeelde reeds dat de algemeen verbindend verklaarde cao’s m.b.t. minimumlonen als een bepaling van bijzonder dwingende aard in de zin van artikel 9.1. van de Rome I-verordening moeten worden beschouwd (zie 4.2.), waardoor er geen rekening moet worden gehouden met de meest gunstige bepalingen van het aangewezen nationaal recht. Zelfs indien ervan zou worden uitgegaan dat artikel 8.1. en 8.2. van de Rome I-verordening van toepassing is, dan nog is het duidelijk dat de Belgische regels over de minimumlonen e.d.m. primeren boven het Roemeense recht. Ze bieden ontegensprekelijk een betere bescherming. Volgens de loonbrieven verdiende A.B. 1.518,00 lei per maand, omgerekend is dit ongeveer 300,00 euro per maand, hetgeen duidelijk ver onder het Belgische sectorale minimumloon ligt. De vraag rijst in hoeverre rekening moet worden gehouden met het nettoloon dat A.B. reeds heeft ontvangen van I.J. Oradea voor de berekening van het verschuldigde sectorale minimumloon naar Belgisch recht. Volgens de eerste rechters moet hiermee rekening worden gehouden. Partijen hebben hun repliek in dit verband slechts zeer summier uitgewerkt. Om partijen toe te laten hierover verdere opheldering te geven en/of geheel of gedeeltelijk tot een onderlinge regeling te komen, is het aangewezen om de debatten ambtshalve te heropenen. De ‘diurna’ of ‘per diem’ naar Roemeens recht is een forfaitaire kostenvergoeding die meeruitgaven dekt omwille van verblijf in het buitenland. Deze kostenvergoedingen zijn geen loon, omdat zij geen tegenprestatie zijn van de geleverde arbeid. In een arrest van 19 april 2022 oordeelde het Hof van Cassatie dat de naar Bulgaars recht verschuldigde dagvergoeding, die bedoeld is om onder meerkosten van voedsel, vervoer en andere kleine kosten eigen aan de arbeidsrechtelijke tewerkstelling in het buitenland te dekken die in principe door de werkgever zouden moeten worden gedragen, geldt als kostenvergoeding en kan derhalve niet worden meegenomen in de vergelijking met het van toepassing zijnde Belgische loon. Uit de loonbrieven van I.J. Oradea blijkt niet dat de ‘diurna’ vergoeding voor de maanden juli 2014, augustus 2014, september 2014, oktober 2014, december 2014 en januari 2015 effectief werden uitbetaald. Om al deze redenen moet met de ‘diurna’ of de ‘per diem’ vergoeding en de aanvulling die I.J. Oradea betaalde van 5,00 euro per dag, geen rekening worden gehouden om te bepalen of het minimumloon naar Belgisch recht werd gerespecteerd. 7.2.4. Voorlegging van de ontbrekende stukken A.B. vraagt om de nv’s te veroordelen tot de neerlegging van de ontbrekende data uit de tachograaf van de vrachtwagens die door hem werden bestuurd, de Transics Trip Reports voor het jaar 2011 en alle berichten uit het Transics-systeem. Vermits de bewijsregels uit het strafrecht (zie 6.3) niet gelden voor de contractuele vordering, zou het arbeidshof de overlegging van deze stukken kunnen vragen overeenkomstig artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepaling stelt dat de rechter de neerlegging van een stuk kan bevelen dat het bewijs inhoudt van een ter zaken dienend feit, wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde dat stuk onder zich heeft. Het is evenwel geen verplichting voor de rechter om dit te doen. Het arbeidshof heeft geen aanwijzing dat de nv’s zelf nog in het bezit zouden zijn van de tachograafgegevens van A.B. of de Transic Trip Reports. De bewaartermijn van de afdrukken van de tachografen zoals vastgelegd in artikel 33 van de Verordening 165/2014 is immers overschreden. Dit geldt ook voor gegevens die werden geregistreerd in het Transics-systeem. Het is helemaal niet zeker of de gegevens uit de boordcomputer betrouwbaar zijn. De chauffeur moet immers manueel ingeven welk type van activiteit hij uitvoert: rijden, laden, lossen, etc. Het is niet duidelijk of A.B. deze gegevens correct heeft ingebracht. Het dossier bevat onvoldoende gegevens om te kunnen besluiten dat de nv’s de originele tachograafschrijven of de andere gevraagde stukken kwaadwillig zou achterhouden. 7.3. Het loon als schadeherstel voor de arbeidsprestaties geleverd als stelplaatsmedewerker Voor het arbeidshof is de berekening van het loon als schadeherstel voor de arbeidsprestaties geleverd als stelplaatsmedewerker eveneens onduidelijk. Hij vordert een brutobedrag van 45.850,116 euro als loon en een bedrag van 2.292,506 euro als eindejaarspremie. A.B. stelt dat het loon werd berekend op basis van de lonen voor het garagepersoneel, maar verduidelijk niet welke functiecategorie hij heeft toegepast. Opdat de nv’s dit onderdeel van de vordering kunnen betwisten, moeten zij over deze informatie beschikken. Tevens moet A.B. verduidelijken of de eindejaarspremie een bruto- of een nettobedrag betreft. De nv’s moeten de berekening van A.B. nauwkeurig controleren en gedetailleerd betwisten. Het arbeidshof heropent ambtshalve de debatten en nodigt partijen uit om hierover standpunt in te nemen en/of geheel of gedeeltelijk tot een onderlinge regeling te komen. 7.4. De Belgische sociale zekerheid is toepasselijk en het loon als schadeherstel is onderworpen aan de sociale zekerheid A.B. vraagt de veroordeling van beide nv’s tot aangifte bij de RSZ van de lonen en tot betaling van de gecorrigeerde bijdragen. Hij vordert eveneens de veroordeling van beide nv’s tot een DIMONA-aangifte. Een DIMONA-aangifte is een elektronisch bericht waarmee de werkgever iedere in dienst- en uitdiensttreding van een werkgever bij de RSZ aangeeft. Een DIMONA-aangifte laat toe om een effectieve controle uit te voeren van de verzekeringsplicht m.b.t. de sociale zekerheid. Daarnaast moet iedere werkgever een RSZ-aangifte doen van de loon- en arbeidstijdgegevens van de werknemer. De driemaandelijkse RSZ-aangifte via de elektronische techniek, wordt de DMFA genoemd. Het heeft tot doel om vast te stellen hoeveel sociale zekerheidsbijdragen moeten worden betaald door de werkgever. Een DIMONA-melding een DMFA-aangifte maken de controle op de sociale wetgeving mogelijk. Het zijn zaken die behoren tot de in de socialezekerheidswetgeving bepaalde verplichtingen van een werkgevers. De verordeningen nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en nr. 987/2009/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels duiden het toepasselijke socialezekerheidsstelsel aan in geval van een grensoverschrijdende tewerkstelling. A.B. verrichte minder dan 25% van zijn werkzaamheden op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont (Roemenië). In dit geval is de wetgeving van de lidstaat waar de werkgever is gevestigd van toepassing. Het Belgische sociale zekerheidsrecht is bijgevolg van toepassing. Het loon als schadeherstel in natura verschuldigd op basis van het loonmisdrijf is onderworpen aan de heffing van sociale zekerheidsbijdragen. Sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon zoals bepaald in artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Het loon dat als schadeherstel wordt toegekend, beantwoordt aan het loonbegrip van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Volgens artikel 181 van het Sociaal Strafwetboek worden gestraft met een sanctie van niveau 4 de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002, geen DIMONA-aangifte heeft verricht in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat. Overeenkomstig artikel 223, §1 van het Sociaal Strafwetboek worden gestraft met een sanctie van niveau 2 de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen DMFA-aangifte doet, en met een sanctie 3 indien de feiten willens en wetens worden gepleegd. Vermits zowel de DIMONA-melding als de DMFA-aangifte strafrechtelijk worden gesanctioneerd, zijn deze bepalingen van openbare orde. Het arbeidshof kan de nv’s bijgevolg niet veroordelen tot een aangifte voor het verleden. Dit onderdeel van de vordering is ongegrond. 7.5. De intresten Het arbeidshof zal de beslissing over de intresten uitstellen in afwachting van het standpunt dat partijen zullen innemen over de verschuldigde bedragen. 7.6. De afgifte van de sociale en fiscale documenten en de dwangsom Het arbeidshof zal de beslissing over de afgifte van de sociale documenten en de dwangsom uitstellen in afwachting van het standpunt dat partijen zullen innemen over de verschuldigde bedragen. BESLISSING Het arbeidshof, Werkt het arrest van 24 november 2022 verder uit. Beslist op tegenspraak. Zegt dat het arbeidshof internationale rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het geschil. Verklaart het hoger beroep alvast in de hierna volgende mate gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ongegrond. Vernietigt de vonnissen van 2 maart 2021 en van 1 juni 2021 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren, met uitzondering van het onderdeel waarin het zich materieel onbevoegd verklaarde voor de vordering ingesteld op basis van artikel 433 quinquies van het Strafwetboek, en de vorderingen ex delicto op basis van artikel 129, 144 en 175 van het Sociaal Strafwetboek als verjaard beschouwde. Spreekt opnieuw recht. Verklaart de oorspronkelijke vordering van A.B. ontvankelijk en alvast gegrond als volgt. Zegt dat de oorspronkelijke vordering van A.B. met een delictuele basis niet is verjaard, noch voor de functie van vrachtwagenchauffeur, noch voor de arbeidsprestaties geleverd als stelplaatsmedewerker. Zegt dat de uitgebreide vordering van A.B. met een contractuele basis niet is verjaard. Zegt dat C.D. nv en K.L. nv solidair gehouden zijn voor de vordering gesteund op het strafrechtelijk misdrijf en de contractuele verbintenis. Vooraleer verder te oordelen over de vordering van A.B., heropent ambtshalve de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de volgende openstaande discussiepunten: - De materiële bevoegdheid van het arbeidshof m.b.t. de de plano erkenning. - De berekening van het loon als vrachtwagenchauffeur. Het arbeidshof verwijst naar de opmerkingen en de vragen die werden gesteld onder 7.2. - De berekening van het loon als stelplaatsmedewerker. Het arbeidshof verwijst naar de opmerkingen en de vragen die werden gesteld onder 7.3. Beveelt in toepassing van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen hun conclusies hierover zullen uitwisselen en aan het arbeidshof zullen overhandigen door de neerlegging ervan ter griffie binnen de volgende termijnen: - conclusies voor A.B. : uiterlijk op 8 november 2023; - conclusies voor C.D. nv en K.L. nv: uiterlijk op 13 december 2023. Dit alles op verwijdering van die conclusies uit de debatten. Stelt deze zaak voor verdere behandeling na de heropening van de debatten op de openbare zitting van 22 januari 2024 om 14u40 in zaal 4/13 te Hasselt, Parklaan 25. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen door: N.B., raadsheer, J.G., raadsheer in sociale zaken, werkgever, C. D., raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, J. G. C. D. N. B. en uitgesproken door de voorzitter van de derde kamer van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 22 juni 2023 met bijstand van griffier K. V. . K. V. N. B. --------------------------------------------------------------- De voetnoten kan u terugvinden in de PDF-versie hieronder. PDF document ECLI:BE:AHANT:2023:ARR.20230622.1 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div