id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2024:ARR.20241210.1 Rolnummer: 2023/AA/254 Zaak: EXXONMOBIL PETROLEUM & CHEMICAL BV tegen ABC Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-12-30 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-06-15 10:18 Fiche Een niet-verkozen kandidaat voor het comité voor de preventie en bescherming op het werk en de ondernemingsraad werd door de werkgever opgezegd door middels van een brief verstuurd door DocuSign. In verdere briefwisseling over het einde van de tewerkstelling, gaat de werkgever er echter vanuit dat de werknemer zelf de onderneming wenst te verlaten. Ook op het formulier C4 werd een vrijwillige werkverlating vermeld. De procedure van artikel 2 §1, laatste lid van de wet van 19 maart 1991 werd niet gevolgd en de werknemer had de leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt op de dag van de kennisgeving van de opzegging. Volgens artikel 37, § 1, vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet moet de kennisgeving van de opzegging door de werkgever gebeuren hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dit betreft een absolute nietigheid. Artikel 43.
- van de eIDAS-Verordening legt het non-discriminatiebeginsel vast tussen een fysieke en een elektronische aangetekende zending. In casu werd de opzeggingsbrief elektronisch verstuurd, maar zonder gebruik te maken van een gekwalificeerde dienstverlener (Artikel XII.25, § 7 tweede lid van het Wetboek van economisch recht, nog niet in werking). Evenmin werd voldaan aan de kwaliteitsvereisten van een elektronische aangetekende zending (artikel 3, 36° iDEAS-verordening). De opzegging was absoluut nietig. De debatten werden heropend om partijen standpunt te laten innemen of er al dan niet rechtsmisbruik werd gepleegd door de werkgever. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: elektronische aangetekende zending Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XII.25 §7 Verordening EG/EU - 2024/1183 - 11-04-2024 - 3,36° Wet - 03-07-1978 - 37 Tekst van de beslissing EXXONMOBIL PETROLEUM & CHEMICAL BV, ON 0416.375.270, met zetel gevestigd te 2030 ANTWERPEN, Polderdijkweg 3, met als raadsman mr. ENGELS Christiaan, advocaat te WATERMAAL-BOSVOORDE, voor wie pleit mr. WILS Anne, advocaat te HASSELT tegen: A B C, RRN A B C, woonplaats A B C, doch keuze van woonst doende bij het ABVV REGIO ANTWERPEN, met hoofdzetel gevestigd te 2018 ANTWERPEN, Ommeganckstraat 35, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw CUYVERS Ingrid, vertegenwoordiger van een representatieve werknemersorganisatie, hiertoe behoorlijk gemachtigd. Het hoger beroep is gericht tegen de vonnissen van 28 november 2022 en 17 april 2023 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.
- RECHTSPLEGING VOOR DE ARBEIDSRECHTBANK Met een verzoekschrift op tegenspraak, op 15 november 2021 ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank, vorderde C A B t.a.v. de bv het volgende: “Ten einde: indien de poging tot minnelijke schikking, zoals voorzien in art. 734 van het G.W., in verband met de hiernageformuleerde vordering vruchteloos mocht blijven, verwerende partij zich aldaar te zien en te horen veroordelen om aan verzoeker te betalen, de som van: € 360.654,74 beschermingsvergoeding wet van 19.3.1991 Alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of art. 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 6.5.
- met verwijs van verwerende partij in de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 20,- bijdrage voor de inschrijving van de akte op de rol (KB 26.4.2017 - BS 27.4.2017) Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.” Met zijn (synthese)conclusie van 22 augustus 2022 breidde C A B zijn eis uit, hij vorderde daarbij het volgende: “Akte te verlenen aan eiser dat hij zijn vordering in betaling van de beschermingsvergoeding uitbreidt van € 360.657,74 naar € 361.226,
- Akte te verlenen aan eiser dat hij zijn vordering uitbreidt met de aflevering van een aangepast formulier C
- de aldus uitgebreide vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, verwerende partij te veroordelen om aan eiser te betalen, de som van: € 361.226,84 beschermingsvergoeding wet van 19.3.1991 Bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of art. 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 6.5.
- met verwijs van verwerende partij in de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 20,- bijdrage voor de inschrijving van de akte op de rol (KB 26.4.2017 - BS 27.4.2017) Verwerende partij te veroordelen tot het afleveren van een aangepast formulier C
- Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling. met verwijs van verwerende partij in de kosten van het geding, van de zijde van eisende partij tot op heden begroot op € 20, bijdrage Begrotingsfonds ter inleiding van de zaak.” Met (synthese)conclusie van 30 september 2022 vorderde de bv: “In hoofdorde − de vordering van de heer A B ongegrond te verklaren; − hem ervan af te wijzen; − de heer A B te veroordelen tot betaling van de totaliteit van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, vastgesteld op 9.800,00 EUR. In ondergeschikte orde − het door de heer A B gevorderde bedrag te herleiden; − de kosten te compenseren; − de uitvoerbaarheid bij voorraad niet toe te staan; meer ondergeschikt, indien de rechtbank niet zou ingaan op het verzoek om het tussen te komen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, ExxonMobil de toelating te geven de sommen waartoe ExxonMobil desgevallend veroordeeld zou worden, te mogen kantonneren in de deposito- en consignatiekas, conform de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.” Omdat de voorafgaandelijke poging tot minnelijke schikking mislukte besliste de arbeidsrechtbank met een vonnis op tegenspraak van 28 november 2022 over deze kwestie het volgende: “De rechtbank: - verklaart de eis van de heer A B toelaatbaar en in de volgende mate gegrond; - veroordeelt ExxonMobil Petroleum & Chemical bv tot betaling aan de heer A B van een beschermingsvergoeding van 345.364,36 euro bruto, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover deze verschuldigd zijn, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 6 mei 2021 en met de gerechtelijke intrest vanaf 15 november 2021; - legt de gerechtskosten ten laste van ExxonMobil Petroleum & Chemical bv; - bepaalt deze kosten tot op heden aan de zijde van de heer A B op 20 euro bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en aan de zijde van ExxonMobil Petroleum & Chemical bv op 9.800 euro rechtsplegingsvergoeding.” Met een “verzoekschrift tot verbetering/herstel van vonnis (artikel 794 -796 Ger.Wb.)”, op 15 februari 2023 ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank, verzocht C A B de arbeidsrechtbank om over te gaan tot de tot ambtshalve verbetering van het vonnis van 28 november 2022, en dit om de volgende reden: “Niettegenstaande in het motiverend gedeelte ook de aflevering van het aangepaste formulier C4 werd toegekend en de eis van verwerende partij werd afgewezen om de voorlopige tenuitvoerlegging af te wijzen, werden deze twee zaken niet hernomen in het beschikkend gedeelte van het vonnis.” Betreffende het verzoek tot verbetering van het vonnis van 28 november 2022 nam de bv geen geschreven standpunt in. Met haar vonnis van 17 april 2023 besliste de arbeidsrechtbank over dat verzoek als volgt: “De rechtbank: - zegt voor recht dat het beschikkend gedeelte van het vonnis, uitgesproken op 28 november 2022 in AR 21/2575/A, wordt aangevuld als volgt: “- veroordeelt verwerende partij tot afgifte aan eisende partij van het aangepaste formulier C4;” - zegt dat op de kant van het verbeterde vonnis melding wordt gemaakt van de verbetering overeenkomstig art. 800 Ger.W. - legt de kosten van het geding ten laste van de staat.” Op 4 augustus 2023 tekende de bv bij dit arbeidshof hoger beroep aan tegen de vonnissen van 28 november 2022 en 17 april
- Middels zijn conclusie van 6 november 2023 stelde C A B incidenteel beroep in tegen de beide voornoemde vonnissen.
- EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 26 augustus 2024 vordert de bv: “In hoofdorde − het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; − het incidenteel beroep ongegrond te verklaren; − derhalve de beroepen vonnissen te hervormen; − te amenderen en te doen wat de Eerste Rechter had moeten doen en derhalve de oorspronkelijke eis van de heer C A B die de veroordeling van ExxonMobil beoogt tot betaling van een beschermingsvergoeding en afgifte van een aangepast document C4 ongegrond te verklaren; − voor het overige de beide vonnissen a quo te bevestigen; In ondergeschikte orde − indien het arbeidshof per impossible van oordeel zou zijn dat ExxonMobil een beschermingsvergoeding is verschuldigd, het vonnis a quo te willen bevestigen en de beschermingsvergoeding te herleiden naar 345.364,36 EUR bruto. In ieder geval, de heer C A B te veroordelen tot de kosten van de twee aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 10.500 EUR per aanleg (basisbedrag).” Met conclusie van 5 juni 2024 vordert C A B: “Akte te verlenen aan Dhr. A B dat hij incidenteel hoger beroep instelt tegen de bestreden vonnissen. Akte te verlenen dat Dhr. A B zijn vordering uitbreidt naar € 383.545,04 °°°° Het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. EXXON er dan ook van af te wijzen en de bestreden vonnissen dd. 28.11.2022 en 17.4.2023 te bevestigen voor hetgeen reeds is toegekend. Het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dientengevolge EXXON te veroordelen tot: betaling van de beschermingsvergoeding gelijk aan € 383.545,04 cfr. de wet van 19.3.1991 Bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of art. 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 6.5.
- met verwijs van EXXON in de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 20,- bijdrage voor de inschrijving van de akte op de rol (KB 26.4.2017 - BS 27.4.2017) EXXON te veroordelen tot het afleveren van een aangepast formulier C4.”
- ONTVANKELIJKHEID De bv tekende op 4 augustus 2023 hoger beroep aan tegen de vonnissen van 28 november 2022, in de zaak met AR-nummer 21/2575/A, en 17 april 2023, in de zaak met AR-nummer 23/375/A. Er worden geen deurwaardersexploten van betekening van deze bestreden vonnissen voorgelegd. Met zijn eerste conclusie, op 6 november 2023 ontvangen ter griffie van dit arbeidshof, stelt C A B incidenteel beroep in tegen de vonnissen van 28 november 2022 en 17 april 2023 van de arbeidsrechtbank. Zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep zijn tijdig ingesteld, regelmatig naar de vorm en bijgevolg ontvankelijk. Het arbeidshof kan nu over de inhoud van de zaak oordelen.
- TEN GRONDE
- De feiten Op 15 oktober 1979 trad C A B als bediende in dienst van de bv met een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd. Bij de sociale verkiezingen van 2020 stelde C A B zich kandidaat voor het comité voor Preventie en Bescherming op het Werk en de ondernemingsraad. Hij werd niet verkozen. Met een brief van 5 mei 2021 beëindigde de bv de arbeidsovereenkomst met C A B, met inachtneming van een opzeggingstermijn van 26 weken die zou ingaan op 10 mei
- De brief werd verstuurd door middel van DocuSign. Met een aangetekende brief van 2 juni 2021, stelde C A B bij monde van zijn vakorganisatie dat hij nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Om die reden meende hij aanspraak te kunnen maken op de betaling van de wettelijke beschermingsvergoeding gelijk aan vier jaar loon in toepassing van de wet van 19 maart 1991 betreffende de ontslagregeling van de personeelsafgevaardigden. Aangezien de bv niet reageerde, stuurde de vakorganisatie nieuwe aanmaningen met aangetekende brieven van 21 juni 2021 en 16 juli
- De bv reageerde nog steeds niet. Op 26 oktober 2021 stuurde de vakorganisatie van C A B de volgende aangetekende brief naar de bv: “Aangezien er onduidelijkheden worden gecreëerd naar onze aangeslotene toe wat betreft zijn opzegtermijn en het einde van zijn tewerkstelling wensen wij hierin duidelijkheid te scheppen. Betrokkene werd ontslagen via uw schrijven van 5 mei laatstleden met een opzegtermijn van 26 weken. Deze opzeg ving aan op 10 mei
- Bijgevolg liep de opzegtermijn tot en met 7 november
- Onze aangeslotene nam tot op heden 7 vakantiedagen op, die een schorsing van de opzegtermijn tot gevolg hebben. Bijgevolg loopt zijn opzegtermijn tot en met 16 november 2021.” Aangezien de bv niet reageerde, stuurde C A B op 4 november 2021 zelf een e-mail naar de bv: “Mijn voltijdse planning tot het eind van de vrijgegeven periode (eerst eind december 2021, daarna eind januari 2023) werd me eerst uitgelegd als een vergissing. Nu blijkt dat dit volgens HR niet als een vergissing beschouwd wordt. Ik moet vaststellen dat er niet gereageerd wordt op vragen om dit recht te zetten. Het is belangrijk dat mijn vrije dagen zo spoedig mogelijk ingevuld worden (zoals opgegeven in een vorige mail) en dat in de planning voorzien wordt dat ik op mijn laatste werkdag op 16 november 2021 met de dag gezet wordt, zodat ik het materiaal kan inleveren en mijn kleerkast kan leegmaken.” De HR-manager van de bv antwoordde met e-mailbericht van 9 november 2021: “Bedankt voor je mailtje en sorry voor de late reactie. We noteren jouw wens om op 16 november de organisatie te verlaten en om volledig van je pensioen te gaan genieten. We kunnen hiermee akkoord gaan. Ik zal je supervisor hierover informeren.” C A B reageerde diezelfde dag per e-mail: “Bedankt voor deze bevestiging. Het is echter spijtig dat ik niet vrij kan nemen om voor mijn verongelukte moeder te zorgen. Ik heb nochtans nog dagen tegoed.” Op 10 november 2021 stuurde de vakorganisatie van C A B nog de volgende aangetekende brief aan de bv: “Wij wensen hierbij te verwijzen naar onze schrijven van 26 oktober laatstleden en uw mail van 9 november laatstleden die U aan onze aangeslotene richtte. Wij wensen hierbij de zaken duidelijk te maken. Betrokkene wenste enkel duidelijkheid over de modaliteiten tijdens zijn laatste weken van de opzegtermijn en heeft geenszins de bedoeling zelf de overeenkomst te beëindigen, zoals U insinueert in uw mail. 16 november 2021 is de laatste dag van de opzegtermijn van betrokkene. Deze laatste werkdag is het gevolg van het door uw onderneming gegeven ontslag van 5 mei 2021 en dat ontslag is nooit ingetrokken geweest, laat staan met goedkeuring van beide partijen.” Ondertussen maakte C A B op 15 november 2021 de zaak aanhangig bij de arbeidsrechtbank. C A B nam zijn wettelijk pensioen op en kreeg een pensioenkapitaal van 397.088,15 euro bruto uitbetaald via het pensioenfonds van de bv. De bv leverde op 16 november 2021 een formulier C4 af, waarop werd vermeld dat C A B zelf zijn arbeidsovereenkomst beëindigde door een vrijwillige werkverlating diezelfde dag. Op 18 november 2021 stuurde de HR-manager van de bv volgende e-mail naar de vakorganisatie van C A B: “(...) Wij delen uw standpunt niet dat de heer A B op 16 november onze onderneming zou verlaten hebben ten gevolge van een “ontslag” op 5 mei 2021 en het verstrijken van een opzeggingstermijn op 16 november. De arbeidsovereenkomst heeft daarentegen wel een einde genomen omdat de heer A B in zijn mail aan mezelf van 4 november verzocht op 16 november uit dienst te kunnen treden, hetgeen wij aanvaard hebben, omdat de heer A B tot het pensioen wenste toe te treden. Ik stond erop u dit nog te verduidelijken.”
- De beoordeling
- Standpunt van partijen C A B vordert een beschermingsvergoeding in toepassing van artikel 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Hij vordert een bedrag van 383.545,04 euro bruto. C A B verdedigt het standpunt dat de gegeven opzegging niet nietig is omdat de bv de wet van 19 maart 1991 heeft geschonden. Hij verwijst hiervoor naar een arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni
- C A B stelt eveneens dat een eventuele nietige opzegging door het gebruik van DocuSign, geen gevolgen kan hebben op de verschuldigdheid van de beschermingsvergoeding, omdat de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 de beschermingsvergoeding koppelen aan het ontslag en niet aan de wijze waarop dit ontslag tot stand is gekomen. Volgens C A B werd zijn arbeidsovereenkomst op 16 november 2021 beëindigd door het aflopen van de betekende opzeggingstermijn. C A B stelt dat de bv hem bewust in het ongewisse heeft gelaten over de verlenging van de opzeggingstermijn omwille van schorsingen. Volgens C A B kan zijn e-mail van 4 november 2021 niet als een ontslaghandeling worden beschouwd. De bv houdt voor dat zij de arbeidsovereenkomst op 5 mei 2021 met een niet per aangetekende brief heeft opgezegd. Deze betekening was niet in overeenstemming met artikel 37, §1 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dat een absolute nietigheid voorschrijft die ambtshalve door de rechter moet worden vastgesteld. De bv stelt dat zij met deze opzegging eveneens de wet van wet van 19 maart 1991 heeft geschonden, waardoor de opzegging ook om die reden absoluut nietig is. De bv wijst erop dat C A B geen afstand heeft gedaan van zijn recht om de onmiddellijke beëindiging in te roepen door verder te blijven werken, en dat hij evenmin zijn re-integratie heeft aangevraagd. De arbeidsovereenkomst is verder blijven bestaan totdat C A B op 16 november 2021 op eigen verzoek uit dienst is getreden.
- Het recht op de beschermingsvergoeding 2.
- Principes van de wet van 19 maart 1991
- Volgens artikel 2, §1 van de wet van 19 maart 1991 kunnen personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door de arbeidsrechtbank werd aangenomen, of om een economische of technische reden die vooraf door het bevoegde paritair orgaan werden erkend. Dit principe is van openbare orde. Als een ontslag geldt elke beëindiging door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis werd gebracht gedurende de beschermingsperiode. Volgens artikel 2, §1, laatste lid van de wet van 19 maart 1991 wordt het voordeel niet meer toegekend aan de personeelsafgevaardigde die de leeftijd van 65 jaar bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers in dienst te houden. Wanneer de werkgever een einde maakt zonder de wettelijk voorgeschreven procedure na te leven, kan de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn re-integratie in de onderneming aanvragen binnen de 30 dagen volgend op de betekening van de opzegging. Wanneer de re-integratie niet wordt aangevraagd binnen deze termijn moet de werkgever de werknemer een forfaitaire beschermingsvergoeding betalen, gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van vier jaar als hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt.
- Tussen partijen is geen betwisting dat C A B als niet-verkozen kandidaat voor de ondernemingsraad en het CPBW van een ontslagbescherming genoot. Tussen partijen is evenmin betwisting dat de bv de ontslagprocedure zoals voorgeschreven door de wet van 19 maart 1991 niet heeft gevolgd en dat C A B op de dag van de kennisgeving van de opzegging nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Om aanspraak te kunnen maken op een beschermingsvergoeding overeenkomstig de wet van 19 maart 1991 moet de arbeidsovereenkomst een einde hebben genomen door de werkgever. Voor de oplossing van dit geschil moet de vraag worden gesteld of de opzegging van 5 mei 2021 absoluut nietig was, en in bevestigend geval, of C A B afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om zich op het ontslag te beroepen, en hieraan gekoppeld of hij op eigen verzoek uit dienst is getreden. 2.
- De opzegging van 5 mei 2021 was absoluut nietig
- Volgens artikel 37, § 1, vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet moet de kennisgeving van de opzegging door de werkgever als volgt gebeuren; “Indien de opzegging uitgaat van de werkgever, kan de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid, enkel geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.” Het betreft een absolute nietigheid in het algemeen belang met als doel om antidatering te voorkomen. De wetgever heeft immers een einde willen stellen aan het antidateren door middel van de overhandiging van een geschrift, waardoor de werknemer sneller aanspraak zou kunnen maken op een werkloosheidsuitkering. Antidatering kan niet worden gedekt. De nietigheid kan dus niet worden gedekt indien blijkt dat de zending de geadresseerde heeft bereikt. De kennisgeving van de opzeggingsbrief van 5 mei 2021 gebeurde via DocuSign en niet per aangetekende brief of door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot. Dit wordt niet betwist tussen partijen, en het arbeidshof stelt dit ook vast. De opzeggingsbrief maakt geen melding van een aangetekende verzending. Er ligt geen bewijs van een aangetekende zending voor. C A B wijst in beroepsconclusies op het bestaan van de wettelijke elektronische aangetekende zending en stelt dat alle opzeggingsbrieven werden verstuurd via DocuSign : “Vooreerst is het opvallend dat Exxon geen enkele verdere toelichting geeft bij het door haar gehanteerde DocuSign systeem… Het is nocthans (sic) een door haar wereldwijd gebruikt systeem, gelet op het feit dat het ganse HR management in Bangkok zit. Toelichting wordt dan ook gevraagd. (…) Ook in laatste besluiten blijft het stil over het door haar gehanteerde systeem van verzending van de opzeggingsbrief. Er wordt geen toelichting gegeven over hoe het systeem werkt, of het al dan niet een wijze van elektronisch aangetekend (sic) zending uitmaakt, die nochtans wel wettelijk is. Exxon kiest ervoor één en ander in het midden te laten. (…)”. C A B laat eveneens gelden dat DocuSign geen ruimte laat voor antidatering. Partijen werden op de openbare zitting uitgenodigd om hierover standpunt in te nemen, en partijen hebben van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Het arbeidshof moet oordelen of de opzegging via DocuSign gekwalificeerd kan worden als een elektronische aangetekende zending, zoals C A B voorhoudt. De rechter moet het geschil beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Om van de gekwalificeerde status van een elektronische aangetekende zending te kunnen genieten, moet volgens artikel 44 van de eIDAS-Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG de dienst van een elektronische aangetekende zending aan de volgende eisen voldoen: (i) hij wordt door een of meerdere gekwalificeerde vertrouwensdienstverleners geleverd; (ii) hij garandeert de identificatie van de afzender en de bestemmeling met een hoge vertrouwensgraad; (iii) de verzending en de ontvangst van de gegevens worden beveiligd door een geavanceerde elektronische handtekening of door een geavanceerd elektronisch zegel van een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten, zodat elke niet op te sporen mogelijkheid tot wijziging van de gegevens wordt uitgesloten; (iv) de verzender en de geadresseerde van de gegevens worden op duidelijke wijze in kennis gesteld van elke wijziging van de gegevens die nodig is voor het verzenden of het ontvangen van de gegevens; (v) de datum en het tijdstip van het verzenden, ontvangen en wijzigen van gegevens worden aangegeven met een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel. Voor gegevens die via een dienst van gekwalificeerde elektronische aangetekende zending worden verstuurd en ontvangen, geldt het vermoeden van integriteit van de gegevens, de verzending van die gegevens door de geïdentificeerde afzender, de ontvangst daarvan door de geïdentificeerde geadresseerde, en de juistheid van de datum en het uur van de zending en van de ontvangst die door de dienst van gekwalificeerde aangetekende zending worden aangeduid. Artikel XII.25, § 7 tweede lid van het Wetboek van economisch recht legt voor het gebruik van een elektronische aangetekende zending de verplichting op om een gekwalificeerde dienstverlener te gebruiken. Een gekwalificeerde dienstverlener is een dienstverlener die het veiligheidsvisum heeft ontvangen waarmee wordt gegarandeerd dat de dienst voor elektronisch aangetekende post voldoet aan de wettelijke vereisten. Wanneer beroep wordt gedaan op een gekwalificeerde dienstverlener, krijgt de gekwalificeerde elektronische aangetekende zending volgens artikel XII.25, §7, eerste lid van het Wetboek van economisch recht het onweerlegbaar vermoeden van een gelijkstelling van een elektronische aangetekende zending met een fysieke aangetekende zending. Er is immers een onweerlegbaar vermoeden over de datum en het tijdstip van de verzending en de ontvangst. De verplichting om gebruik te maken van een gekwalificeerde dienstverlener is evenwel nog niet in werking getreden door middel van een uitvoeringsbesluit. Artikel 43.
- van de eIDAS-Verordening legt het non-discriminatiebeginsel vast tussen een fysieke en een elektronische aangetekende zending. De bepaling stelt het volgende: “Het rechtsgevolg en toelaatbaarheid als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures van gegevens die via een dienst voor elektronisch aangetekende bezorging verstuurd en ontvangen worden, mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat de dienst elektronisch is of niet aan de eisen voor de gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging voldoet.” Deze bepaling heeft rechtstreekse werking. DocuSign beschikt niet over een QeRDS certificaat voor gekwalificeerde aangetekende zendingen, maar wel voor elektronische handtekeningen. DocuSign kan dus niet worden gelijkgeschakeld met een gekwalificeerde dienstverlener in de zin van artikel XII.25, § 7 tweede lid van het Wetboek van economisch recht. Aangezien geen gebruik werd gemaakt van een gekwalificeerde dienstverlener, moet het arbeidshof onderzoeken of de versturing van de opzeggingsbrief via DocuSign dezelfde waarborgen biedt als een fysieke aangetekende zending. De kwaliteitsvereisten van een elektronische aangetekende zending worden bepaald in artikel 3, 36° iDEAS-verordening. Het moet gaan om een dienst die het mogelijk maakt gegevens via elektronische middelen tussen derden te verzenden en die bewijs verschaft ten aanzien van het hanteren van de verzonden gegevens, met inbegrip van bewijs van het verzenden en ontvangen van de gegevens, en die de verzonden gegevens beschermt tegen het risico van verlies, diefstal, beschadiging of onbevoegde wijzigingen. Het begrip aangetekende zending wordt gedefinieerd in artikel 131, 9° van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals gewijzigd bij wet van 13 december
- Een aangetekende zending is volgens deze bepaling ‘een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico’s van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde.’ Volgens artikel 2, 9° van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten wordt als een aangetekende zending beschouwd, een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde. In de parlementaire voorbereiding wordt verduidelijkt dat een ter post aangetekende zending geenszins inhoudt dat enkel een aangetekende zending van B-Post kan gebruikt worden, maar elke fysieke aangetekende zending zoals gedefinieerd door de wet van 21 maart 1991 of een elektronische aangetekende zending overeenkomstig de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, elektronische aangetekende zending en certificatiediensten. Het certificaat betreffende voltooiing DocuSign wordt voorgelegd. Op basis van de stukken en de toelichting op de openbare zitting worden onvoldoende argumenten aangevoerd waarom de verzending via DocuSign dezelfde waarborgen biedt als een fysieke aangetekende zending. Volgens het voltooiingscertificaat was de verzending het voorwerp van een enveloppe ID en was er een indicatie van beveiliging. De zending werd eveneens getekend met een elektronische handtekening van de verzender. Er is minstens sprake van een verzending van een e-brief. Op basis van het voltooiingscertificaat kan worden vastgesteld dat een e-mail werd verstuurd naar het professionele e-mailaccount van C A B, zonder een voorafgaande accountverificatie, en zonder het volgen van een welbepaalde procedure (‘beveiligingsniveau e-mail adres’). De e-mail werd kennelijk verzonden op 5 mei 2021 om 2.09 uur en de e-mail werd bekeken op 20 mei 2021 om 23.12 uur. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat de ontvanger, zijnde C A B, een identificatieprocedure moest volgen om de elektronische zending te ontgrendelen, bijvoorbeeld door middel van de E-ID of Itsme. Er kan hoogstens worden vastgesteld dat de e-mail in de professionele e-mailbox van C A B werd bekeken op 20 mei 2021, maar niet dat hij zelf de inhoud van de e-brief op een beveiligde manier heeft ontgrendeld. Op basis van de stukken kan evenmin worden afgeleid dat C A B zich heeft kunnen registreren of akkoord is gegaan om briefwisseling elektronisch te ontvangen. Uit het voltooiingscertificaat blijkt niet dat de verzending en de ontvangst van de brief werden beveiligd door een geavanceerde elektronische handtekening of zegel en door middel van een gekwalificeerde elektronische tijdsstempel, zodat elke niet op te sporen mogelijkheid tot wijziging van de gegevens kan worden uitgesloten. Het voltooiingscertificaat kan bijgevolg niet als een afgiftebewijs worden beschouwd op basis waarvan de authenticiteit en de integriteit van de gegevens kan worden vastgesteld. Dit is ook niet onlogisch nu DocuSign in essentie bedoeld is om een elektronische handtekening te plaatsen. De e-handtekening van C A B op het voltooiingscertificaat wordt niet vermeld, enkel dat van de verzender. Aangezien de e-handtekening van C A B als ontvanger ontbreekt, kan DocuSign niet als een dienst worden beschouwd die de risico’s van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt. De afzender, hier de bv, is immers niet in de mogelijkheid om een bewijs te ontvangen van de datum van afgifte of van de bestelling aan de ontvanger. C A B ging er ten onrechte van uit dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig werd opgezegd door de bv. De opzegging van 5 mei 2021 was absoluut nietig en partijen konden hier geen afstand van doen.
- Naast het feit dat de opzegging absoluut nietig is, en deze nietigheid niet kon worden gedekt door partijen, staat eveneens vast dat de opzegging in strijd is met de wet van 19 maart
- Artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 verbiedt de werkgever om de arbeidsovereenkomst van een kandidaat-personeelsafgevaardigde te beëindigen, tenzij om een dringende reden die vooraf door de arbeidsrechtbank wordt aangenomen, of om een economische of technische reden die vooraf door het bevoegd paritair orgaan worden erkend. De arbeidsovereenkomst van C A B kon bijgevolg enkel worden beëindigd omwille van een dringende reden of omwille van een technische of economische reden. In tegenstelling tot artikel 37, §1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voorziet de wet van 19 maart 1991 niet in een nietigheidssanctie wanneer de kandidaat-personeelsafgevaardigde wordt ontslagen om een andere reden dan de dringende reden of om een economische of technische reden die vooraf werden aangenomen of erkend. Vóór de inwerkingtreding van artikel 5.58, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek was er in de rechtsleer en rechtspraak discussie of de nietigheid ambtshalve kan worden ingeroepen indien een wettekst niet uitdrukkelijk voorziet in een nietigheid. Het arbeidshof verwijst naar de rechtsleer die is opgenomen in beroepsconclusies van de bv. Dit is ook de reden waarom de arbeidsrechtbank in het bestreden vonnis zich heeft aangesloten bij het arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni
- In dit arrest oordeelde het Hof van Cassatie dat het enkele feit dat de wet van 19 maart 1991 van openbare orde is, niet tot gevolg heeft dat de door de werkgever gegeven opzegging tijdens de beschermingsperiode nietig is. Het arbeidshof oordeelt dat het arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 2009 niet zonder meer kan worden toegepast op voorliggend geschil, omdat er in het arrest van het Hof van Cassatie sprake was van een rechtsgeldige opzegging voor de werkgever. Dit is hier niet het geval. Bovendien treedt het arbeidshof het verweer van de bv bij dat het standpunt van het Hof van Cassatie ondertussen is achterhaald door de inwerkingtreding van artikel 5.58, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. In de toelichting bij het wetsontwerp wordt opgemerkt dat telkens de oude wetsbepalingen van toepassing blijven, de rechtspraak op geen enkele wijze gehinderd wordt om rekening te houden met de nieuwe bepalingen om vragen op te lossen die betwist bleven onder het stelsel van de oude wet. Artikel 5.58, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de nietigheid absoluut is wanneer de geschonden regel van openbare orde is en dus in hoofdzaak de bescherming van het algemeen belang beoogt. Iedere belanghebbende kan zich op de absolute nietigheid beroepen. Het openbare orde karakter van de wet van 19 maart 1991 werd reeds erkend door het Hof van Cassatie en hierover bestaat geen discussie tussen partijen. Indien het wettelijk sanctiemechanisme uitdrukkelijk bij wet is bepaald, heeft de rechter geen appreciatiemarge over de vaststelling van het sanctioneringsmechanisme. De inachtneming van de belangen werd immers reeds door de wetgever gemaakt.
- Gelet op het voorgaande, had de nietigheid van de opzegging van 5 mei 2021 ambtshalve moeten worden opgeworpen.
- C A B merkt in beroepsconclusies zijdelings op dat er sprake zou kunnen zijn van rechtsmisbruik of van een schending van het gewekte vertrouwen. Het arbeidshof citeert : “(…) Of heeft zij enkel de opzeggingsbrief van Dhr. A B niet per aangetekende zending verstuurd? Dit zou dan ontegensprekelijk wijze op rechtsmisbruik. Het druist in tegen alle redelijkheid om, nadat de heer A B zich op de beschermingsvergoeding heeft beroepen, de nietigheid van haar eigen handeling in te roepen.” Het arbeidshof betreurt dat C A B zijn argumentatie niet verder heeft uitgewerkt in beroepsconclusies. Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer een recht wordt uitgeoefend op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon. In een arrest van 22 september 2008 oordeelde het Hof van Cassatie dat rechtsmisbruik kan worden toegepast op regels die de openbare orde raken. Zoals het arbeidshof hierboven oordeelde, heeft de rechter geen appreciatiemarge over de vaststelling van het sanctioneringsmechanisme indien een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift niet werd nageleefd. De vraag stelt zich of de rechter een appreciatiemarge heeft bij de toepassing van de nietigheidssanctie, en de gevolgen van de absolute nietigheid kan milderen in geval van rechtsmisbruik. Voortbouwend op de suggestie die C A B maakte in beroepsconclusies, stelt het arbeidshof zich eveneens de vraag of de bv al dan niet rechtsmisbruik heeft gepleegd door tijdens de gerechtelijke procedure de absolute nietigheid in te roepen die zij zelf heeft begaan, rekening houdend met de begeleidende omstandigheden. Het arbeidshof heropent ambtshalve de debatten om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen. BESLISSING Het arbeidshof, Beslist op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk. Alvorens verder ten gronde te oordelen, nodigt partijen om standpunt in te nemen over de vragen gesteld onder titel 2.2, randnummer 4 van het motiverend gedeelte van het arrest. Verzoekt in toepassing van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek partijen, op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten in geval van laattijdige neerlegging, om hun conclusies onderling uit te wisselen en ter griffie van dit arbeidshof neer te leggen, uiterlijk op de volgende data: - voor C A B, uiterlijk op 10 januari 2025 - voor Exxonmobil Petroleum & Chemical bv, uiterlijk op 10 februari 2025 Bepaalt de datum waarop partijen zullen worden gehoord op de openbare zitting van 11 maart 2025 om 9.30 uur in zaal 3Q - kamer 2 op volgend adres: Britselei 55, 2000 ANTWERPEN. Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan. Aldus gewezen door: N B, raadsheer, voorzitter van de tweede kamer, P A, raadsheer in sociale zaken, werkgever, M M, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, P A M M N B en uitgesproken door de voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare zitting van 10 december 2024 met bijstand van griffier M D B. M D B N B ---------------------------------------------------- De voetnoten kan u terugvinden in de PDF-versie. PDF document ECLI:BE:AHANT:2024:ARR.20241210.1 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20250408.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div