id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20250408.1 Rolnummer: 2023/AA/254 Zaak: EXXONMOBIL PETROLEUM & CHEMICAL BV tegen ABC Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-01-05 Raadplegingen: 562 - laatst gezien 2026-06-18 14:14 Fiche Dit arrest doet uitspraak na een heropening van de debatten. In het arrest van 10 december 2024 (ECLI:BE:AHANT:2024:ARR.20241210.1) overwoog het arbeidshof reeds dat de elektronische zending absoluut nietig was. Deze zending gebeurde niet door een gekwalificeerde dienstverlener (Artikel XII.25, § 7 tweede lid van het Wetboek van economisch recht, nog niet in werking) en voldeed evenmin aan de kwaliteitsvereisten uit artikel 3, 36° van de iDEAS-verordening. Het arbeidshof oordeelt in dit arrest na heropening van de debatten dat er sprake is van rechtsmisbruik langs de zijde van de werkgever (artikel 1134 oud BW, artikel 1.10 en 5.73 nieuw BW). De werkgever heeft de geldigheid van de elektronische opzegging tijdens de tewerkstelling nooit betwist. Meer nog, uit de chronologie van de feiten blijkt overtuigend dat de werkgever doelbewust de indruk in stand heeft gehouden dat de (absoluut nietige) opzeggingsbrief uitwerking had. Bovendien heeft de werkgever pas voor de eerste maal in graad van hoger beroep het argument opgeworpen dat de opzegging absoluut nietig was. Het recht om zich op de absolute nietigheid van de opzegging te beroepen werd door de werkgever aldus uitgeoefend op een manier die de grenzen te buiten ging van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk handelende werkgever geplaatst in dezelfde omstandigheden. De enige manier waarop het rechtsmisbruik kan worden gesanctioneerd, is om de werkgever het recht te ontzeggen om zich op de gevolgen van de absoluut nietige opzegging te beroepen. De werkgever kan zich niet op de door haar gecreëerde toestand beroepen om zich te bevrijden van haar wettelijke verplichting om de verschuldigde beschermingsvergoeding te betalen. De werknemer heeft recht op een forfaitaire beschermingsvergoeding van vier jaar lopend loon zoals voorzien in de Wet van 19 maart
- Het hoger beroep is ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het bestreden vonnis waarin de arbeidsrechtbank deze beschermingsvergoeding toekende. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsmisbruik Vrije woorden: elektronische aangetekende zending absoluut nietig - maar rechtsmisbruik werkgever Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 1.10 Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 5.73 Wet - 03-07-1978 - 37 Verordening EG/EU - 2024/1183 - 11-04-2024 - 3,36° Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XII.25 §7 Tekst van de beslissing Datum van uitspraak op 8 april 2025 Rolnummer 2023/AA/254 -- Arbeidshof Antwerpen, Afdeling Antwerpen, Kamer 2 -- EXXONMOBIL PETROLEUM & CHEMICAL BV,1 ON 0416.375.270, met zetel gevestigd te 2030 ANTWERPEN, Polderdijkweg 3, met als raadsman mr. ENGELS Christiaan, advocaat te WATERMAAL- BOSVOORDE, voor wie pleit: mr. WILS Anne, advocaat te HASSELT, tegen: A B C, RRN A B C, woonplaats A B C, doch keuze van woonst doende bij het ABVV REGIO ANTWERPEN, met zetel gevestigd te 2018 ANTWERPEN, Ommeganckstraat 35, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw CUYVERS Ingrid, vertegenwoordigster van een representatieve werknemersorganisatie, hiertoe behoorlijk gemachtigd. ------- Het hoger beroep is gericht tegen de vonnissen van 28 november 2022 en 17 april 2023 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.
- FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE Wat betreft de feiten en de voorafgaande procedure verwijst het arbeidshof naar haar arrest van 10 december 2024, waarbij dit arbeidshof: - het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk verklaarde; - alvorens verder ten gronde te oordelen, de debatten heropende en de partijen uitnodigde om standpunt in te nemen betreffende de vraag of de bv al dan niet rechtsmisbruik heeft gepleegd door tijdens de gerechtelijke procedure de absolute nietigheid in te roepen die zij zelf heeft begaan, rekening houdend met de begeleidende omstandigheden; - de beslissing over de kosten aanhield.
- EISEN VAN PARTIJEN NA DE HEROPENING VAN DE DEBATTEN Met conclusie van 13 februari 2025 vordert de bv: “In hoofdorde – het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; – het incidenteel beroep ongegrond te verklaren; – derhalve de beroepen vonnissen te hervormen; – te amenderen en te doen wat de Eerste Rechter had moeten doen en derhalve de oorspronkelijke eis van de heer C A B die de veroordeling van ExxonMobil beoogt tot betaling van een beschermingsvergoeding en afgifte van een aangepast document C4 ongegrond te verklaren; – voor het overige de beide vonnissen a quo te bevestigen; In ondergeschikte orde – indien het arbeidshof per impossible van oordeel zou zijn dat ExxonMobil een beschermingsvergoeding is verschuldigd, het vonnis a quo te willen bevestigen en de beschermingsvergoeding te herleiden. In ieder geval, de heer C A B te veroordelen tot de kosten van de twee aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 10.500 EUR per aanleg (basisbedrag).” Met conclusie van 15 januari 2025 vordert C A B: “Akte te verlenen aan Dhr. A B dat hij incidenteel hoger beroep instelt tegen de bestreden vonnissen. Akte te verlenen dat Dhr. A B zijn vordering uitbreidt naar € 383.545,04 °°°° Het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. EXXON er dan ook van af te wijzen en de bestreden vonnissen dd. 28.11.2022 en 17.4.2023 te bevestigen voor hetgeen reeds is toegekend. Het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dientengevolge EXXON te veroordelen tot : betaling van de beschermingsvergoeding gelijk aan € 383.545,04 cfr. de wet van 19.3.1991 Bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of art. 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 6.5.
- met verwijs van EXXON in de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 20,- bijdrage voor de inschrijving van de akte op de rol (KB 26.4.2017 - BS 27.4.2017) EXXON te veroordelen tot het afleveren van een aangepast formulier C4.”
- VERDERE BEOORDELING 3.
- Er is sprake van rechtsmisbruik aan de zijde van de bv
- In het arrest van 10 december 2024 overwoog het arbeidshof het volgende: “C A B merkt in beroepsconclusies zijdelings op dat er sprake zou kunnen zijn van rechtsmisbruik of van een schending van het gewekte vertrouwen. Het arbeidshof citeert : “(…) Of heeft zij enkel de opzeggingsbrief van Dhr. A B niet per aangetekende zending verstuurd? Dit zou dan ontegensprekelijk wijze op rechtsmisbruik. Het druist in tegen alle redelijkheid om, nadat de heer A B zich op de beschermingsvergoeding heeft beroepen, de nietigheid van haar eigen handeling in te roepen.” Het arbeidshof betreurt dat C A B zijn argumentatie niet verder heeft uitgewerkt in beroepsconclusies. Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer een recht wordt uitgeoefend op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon. In een arrest van 22 september 2008 oordeelde het Hof van Cassatie dat rechtsmisbruik kan worden toegepast op regels die de openbare orde raken. Zoals het arbeidshof hierboven oordeelde, heeft de rechter geen appreciatiemarge over de vaststelling van het sanctioneringsmechanisme indien een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift niet werd nageleefd. De vraag stelt zich of de rechter een appreciatiemarge heeft bij de toepassing van de nietigheidssanctie, en de gevolgen van de absolute nietigheid kan milderen in geval van rechtsmisbruik. Voortbouwend op de suggestie die C A B maakte in beroepsconclusies, stelt het arbeidshof zich eveneens de vraag of de bv al dan niet rechtsmisbruik heeft gepleegd door tijdens de gerechtelijke procedure de absolute nietigheid in te roepen die zij zelf heeft begaan, rekening houdend met de begeleidende omstandigheden. Het arbeidshof heropent ambtshalve de debatten om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen.” Partijen namen na de ambtshalve heropening van de debatten uitgebreid standpunt in over de vraag of er al dan niet sprake is van rechtsmisbruik. Het arbeidshof oordeelt als volgt.
- In contractuele aangelegenheden vormde artikel 1134 van het oud Burgerlijk Wetboek de wettelijke basis voor rechtsmisbruik. Volgens deze bepaling moeten overeenkomsten ter goede trouw worden uitgevoerd, en mag een contractspartij geen misbruik maken van haar rechten. In het Burgerlijk Wetboek zijn de principes van de uitvoering ter goede trouw en het verbod van rechtsmisbruik nu uitdrukkelijk wettelijk verankerd in artikel 5.
- De definitie van rechtsmisbruik is opgenomen in artikel 1.10 van het Burgerlijk Wetboek en luidt als volgt: “Niemand mag misbruik maken van zijn recht. Wie zijn recht uitoefent die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, maakt misbruik van zijn recht. De sanctie voor een dergelijk misbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend.” Deze definitie is gebaseerd op een constante rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het algemene criterium van de kennelijk grensoverschrijdende rechtsuitoefening werd door het Hof van Cassatie uitgewerkt aan de hand van de volgende specifieke criteria: - het handelen met het exclusief oogmerk om te schaden; - het handelen zonder een redelijk en afdoende belang; - wanneer er verschillende uitoefeningswijzen zijn met eenzelfde nut om het recht uit te oefenen en men die uitoefening kiest die het meest schadelijk is of die het algemeen belang schaadt; - wanneer door de uitoefening van een recht aan derde schade wordt berokkend die buiten alle verhoudingen staat met het voordeel dat de titularis uit de rechtsuitoefening verkrijgt of nastreeft of indien er een kennelijke onevenredigheid ontstaat tussen het gediende belang of het geschade belang; - wanneer het wordt afgewend van zijn finaliteit. De lijst is niet exclusief. Sinds het arrest van 23 november 2023 wordt door het Hof van Cassatie aanvaard dat rechtsmisbruik kan bestaan wanneer een persoon door de wijze waarop hij zijn recht uitoefent het gewettigde vertrouwen beschaamt dat hij bij een ander deed ontstaan. Rechtsmisbruik kan worden toegepast op regels die de openbare orde raken. De sanctie voor rechtsmisbruik bestaat uit de matiging van de rechtsuitoefening tot een normale rechtsuitoefening onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend, of de ontzegging aan de abusieve partij van de mogelijkheid om zich op het recht te beroepen rekening houdend met de gegeven omstandigheden.
- Het arbeidshof stelt vast dat de bv zich schuldig heeft gemaakt aan rechtsmisbruik en leidt dit af uit de volgende feitelijke vaststellingen. Niettegenstaande de opzeggingsbrief elektronisch werd ondertekend door middel van DocuSign en ook via dit kanaal ter kennis werd gebracht van C A B -kennelijk ingegeven omwille van de Covid19-crisis -, heeft de bv de rechtsgeldigheid van de opzegging tijdens de tewerkstelling nooit betwist. Meer nog, de bv heeft tijdens de tewerkstelling doelbewust de indruk in stand gehouden dat de (absoluut nietige) opzeggingsbrief uitwerking had. Dit blijkt overtuigend uit de chronologie van de feiten. Na de betekening van de (absoluut nietige) opzeggingstermijn per brief van 5 mei 2021, werd C A B per e-mail uitgenodigd voor een gesprek in verband met de “opzeg ifv met pensionering”. De bv betwist in beroepsconclusies niet dat tijdens deze vergadering de nietigheid van de opzegging niet ter sprake werd gebracht. Nadien hebben C A B en zijn vakorganisatie diverse brieven en e-mails verstuurd over de verlenging van de opzeggingstermijn omwille van schorsingen, ervan uitgaande dat er een rechtsgeldige opzeggingstermijn had plaatsgevonden. In de brieven van C A B en de vakorganisatie werd duidelijkheid gevraagd over de laatste dag van de tewerkstelling: - Met een aangetekende brief van 26 oktober 2021 wees de vakorganisatie erop dat C A B was ontslagen op 5 mei 2021 met een opzeggingstermijn van 26 weken ingaand op 10 mei 2021, en dat 16 november 2021 zijn laatste werkdag zou zijn omwille van de verlengde opzeggingstermijn. Op deze aangetekende brief werd niet gereageerd. - Op 3 november 2021 stuurde de vakorganisatie een e-mail waarin het gebrek aan reactie werd aangeklaagd. De vakorganisatie stelde vast dat niemand had gereageerd op het verzoek van C A B om de planning over te maken, en dat C A B werd ingeroosterd tot en met januari
- Hierop werd niet gereageerd. - Op 4 november 2021 stuurde C A B een e-mail om zeker te zijn dat 16 november 2021 zijn laatste werkdag zou zijn. Deze e-mail werd op 9 november 2021 door de bv beantwoord, waarin zij de wens noteerden van C A B “om op 16 november 2021 de organisatie te verlaten”. - Hierop reageerde de vakorganisatie met een aangetekende brief van 10 november 2021, waarin werd verduidelijkt dat C A B niet de bedoeling had om zelf zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen. Wederom hulde de bv zich in stilzwijgen. Pas na het vermeende einde van de verlengde opzeggingstermijn op 16 november 2021, reageerde de bv met een e-mail van 18 november 2021 gericht aan de vakorganisatie. Hierin verdedigde de bv het standpunt dat C A B op 16 november 2021 uit dienst is getreden om zijn pensioen te kunnen opnemen. Met andere woorden, in deze e-mail deed de bv alsof er nooit een opzegging was geweest, en liet zij uitschijnen dat C A B door zijn uitdiensttreding zelf de arbeidsovereenkomst had beëindigd. De bv ging zelfs niet in op de uitdrukkelijke vraag van C A B en de vakorganisatie om te bevestigen dat er een verlenging van de opzeggingstermijn was geweest. Samen met C A B stelt het arbeidshof vast dat de bv voor de eerste maal in graad van hoger beroep het argument heeft opgeworpen dat de opzeggingsbrief via DocuSign werd verstuurd en niet door middel van een (elektronische) aangetekende brief. Het arbeidshof acht het strijdig met de goede trouw wanneer een werkgever eerst laat uitschijnen dat er een rechtsgeldige opzegging werd betekend en hierbij alle rechtmatige vragen over de verlenging van de opzeggingstermijn opzettelijk uit de weg gaat, om vervolgens pas na de uitdiensttreding te doen alsof er nooit een opzegging is geweest, en tenslotte om het argument van de absolute nietigheid van de opzegging pas in graad van hoger beroep op te werpen. Het recht om zich op de absolute nietigheid van de opzegging te beroepen werd door de bv aldus uitgeoefend op een manier die de grenzen te buiten ging van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk handelende werkgever geplaatst in dezelfde omstandigheden. Hierdoor werd C A B de mogelijkheid ontnomen om een opzeggingsvergoeding te vorderen. Een gerechtelijke procedure over de verschuldigdheid van de beschermingsvergoeding kon niet worden vermeden.
- Zoals het arbeidshof reeds in het arrest van 10 december 2024 oordeelde, is de opzegging van 5 mei 2021 absoluut nietig. De enige manier waarop het rechtsmisbruik kan worden gesanctioneerd, is om de bv het recht te ontzeggen om zich op de gevolgen van de absoluut nietige opzegging te beroepen. C A B heeft echter wel het recht om zich op de ontslaghandeling van de bv te beroepen. De bv heeft zich gedurende de gehele periode gedragen alsof de opzegging rechtsgeldig was en heeft pas in graad van hoger beroep het argument ingeroepen dat de opzeggingsbrief via DocuSign werd verstuurd en om die reden absoluut nietig was. C A B kon er te goeder trouw van uitgaan dat een ontslaghandeling door de bv heeft plaatsgevonden.
- De bv verwijt C A B zelf rechtsmisbruik te hebben gepleegd door een beschermingsvergoeding op te eisen in strijd met de doelstelling van de wet van 19 maart
- Het feit dat C A B niet effectief werd benadeeld omwille van zijn syndicale activiteiten omdat hij een niet-verkozen kandidaat was, is irrelevant. Het is immers de wet zelf die een vermoeden instelt dat de werknemersafgevaardigde werd ontslagen omwille van zijn syndicale betrokkenheid. De voorafgaande erkenning van een economische of technische reden, of een dringende reden door de arbeidsgerechten is er immers op gericht om de ingeroepen reden te laten controleren door de arbeidsgerechten om zo te voorkomen dat een reden zou worden ingeroepen die verband houdt met de functie van de personeelsafgevaardigde. Bovendien is de toekenning van de beschermingsvergoeding op basis van de wet van 19 maart 1991 gekoppeld aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zonder de naleving van de voorgeschreven wettelijke procedures, waardoor een controle van de ontslagreden in deze zaak niet aan de orde is.
- De vaststelling dat de eerste rechters de nietigheid van de opzegging ambtshalve hadden moeten opwerpen doet niets af aan het bestaan van het rechtsmisbruik. Het inroepen van het argument van de nietigheid in graad van hoger beroep maakt op zich niet het rechtsmisbruik uit, maar wel de begeleidende omstandigheden die hiermee gepaard gingen zoals hierboven toegelicht. 3.
- C A B heeft recht op een beschermingsvergoeding zoals voorzien in de Wet van 19 maart 1991
- Volgens artikel 2, §1, tweede lid, 1° van de wet van 19 maart 1991 wordt als een ontslag beschouwd elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de beschermde periode. De arbeidsovereenkomst moet bijgevolg een einde hebben genomen door toedoen van de werkgever. Wanneer de re-integratie niet wordt aangevraagd overeenkomstig artikel 14 van de wet van 19 maart 1991, moet de werkgever aan de werknemer een forfaitaire beschermingsvergoeding betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van vier jaar als hij twintig of meer dienstjaren telt in de onderneming. Vermits de beschermingsvergoeding in toepassing van artikel 2, §1, tweede lid, 1° van de wet van 19 maart 1991 is gekoppeld aan een ontslaghandeling van de werkgever, en deze ontslaghandeling is bewezen, heeft de absoluut nietige opzegging geen impact op de verschuldigdheid van de beschermingsvergoeding. Voor de volledigheid merkt het arbeidshof op dat de e-mail van 4 november 2021 van C A B niet kan worden opgevat als een ontslaghandeling, maar enkel als een bevestiging van het einde van de door de bv betekende opzeggingstermijn die op geen enkel manier door de bv werd tegengesproken. Met een aangetekende brief van 10 november 2021 verduidelijkte de vakorganisatie overigens dat C A B niet de bedoeling had om zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen. In die zin kan C A B niet worden verweten dat hij op 16 november 2021 uit dienst is getreden. De bv kan zich niet op de haar gecreëerde toestand beroepen om zich te bevrijden van haar wettelijke verplichting om de verschuldigde beschermingsvergoeding te betalen.
- C A B heeft geen afstand gedaan van zijn recht op de beschermingsvergoeding. Een afstand van recht moet om ondubbelzinnig gebeuren en kan maar uit de feiten afgeleid worden die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Zoals de eerste rechters correct vaststelden, heeft C A B, via zijn vakorganisatie, redelijk snel na de betekening van de nietige opzeggingstermijn met een brief van 2 juni 2021 de beschermingsvergoeding gevorderd. De vordering werd herhaald met een brief van 21 juni 2021 en van 16 juli
- Ook uit latere briefwisseling en e-mailverkeer kan niet worden afgeleid dat C A B afstand zou hebben gedaan van de beschermingsvergoeding.
- Tussen partijen is er geen betwisting dat C A B recht heeft op een forfaitaire beschermingsvergoeding van vier jaar lopend loon. Er is wel nog steeds betwisting over de samenstelling van het lopend loon op basis van de volgende punten: de extra vergoedingen, de overuren en de premies in het pensioenplan. Het arbeidshof stelt vast dat C A B in graad van hoger beroep geen nieuwe argumenten ontwikkelt over de extra vergoedingen. Hij betwist als zodanig niet het argument van de bv dat de extra vergoedingen enkel betrekking hadden op de verkoop van arbeidsduurverminderingsdagen. Het oordeel van de arbeidsrechtbank blijft op dit punt overeind. Zoals de arbeidsrechtbank correct oordeelde, kunnen de overuren slechts onderdeel uitmaken van het lopend loon indien zij regelmatig worden gepresteerd over een voldoende lange periode. C A B handhaaft in graad van hoger beroep dezelfde argumentatie. Het arbeidshof sluit zich aan bij de arbeidsrechtbank dat de loutere verwijzing naar drie loonbrieven niet voldoende is als bewijs voor het regelmatig presteren van overuren. Wat de premies in het pensioenplan betreft, houdt C A B voor dat een herberekening van de jaarpremie zich opdringt op basis van een individuele rekening uit 2021, waardoor rekening zou moeten worden gehouden met een bedrag van 16.415,27 euro. Volgens C A B moet een volledige premie voor november en december 2021 worden bijgeteld, die minstens gelijk is aan die van oktober
- Tussen partijen is er geen betwisting dat C A B was aangesloten bij een vast prestatieplan, waarbij de werkgever zich ertoe verbindt om een welbepaald aanvullend pensioen uit te betalen op het ogenblik van pensionering. Dit pensioenplan wordt beheerd door een pensioenfonds, in dit geval ExxonMobil OFP. Het vaste prestatieplan bij de bv wordt collectief gefinancierd, hetgeen betekent dat de actuaris van het pensioenfonds jaarlijks de werkgeversbijdragen betaalt. De werkgeversbijdragen worden berekend voor het geheel van de pensioenverplichtingen en niet individueel per aangesloten werknemer. De bv legt in beroepsconclusies uit dat op de individuele rekening van 2021 geen pensioenpremie- of bijdrage wordt vermeld, maar wel een provisie die wordt berekend in het kader van internationale boekhoudkundige normen voor beursgenoteerde ondernemingen. Het arbeidshof stelt samen met de bv vast dat het bedrag vermeld op de individuele rekening geen betrekking heeft op de gestorte werkgeversbijdrage in het vaste prestatieplan, of op de door C A B verworven pensioenreserves. Bijgevolg moet met het bedrag op de individuele rekening geen rekening worden gehouden en is er evident geen reden om een herberekening te maken voor de maanden november en december 2021 zoals gevorderd door C A B. Volgens de verklaring van de actuaris van het pensioenfonds bedroeg de aangroei van de verworven reserves en het extra kapitaal in de twaalf maanden voorafgaand aan het ontslag 7.492,53 euro, vermeerderd met de premietaks van 4,4% hetgeen neerkomt op 7.822,20 euro. De bedragen voor de invaliditeitspremie en de overlijdenspremie van respectievelijk 25,53 euro en 2.680,69 euro, en het bedrag van de MutOz voor een bedrag van 924,96 euro wordt eveneens overtuigend toegelicht door de bv. Gelet op het voorgaande, oordeelt het arbeidshof dat rekening moet worden gehouden met de bijdragen zoals die werden berekend door de bv. Samen met de arbeidsrechtbank stelt het arbeidshof vast dat het jaarloon door de bv correct werd vastgelegd op 86.341,09 euro bruto. De verschuldigde beschermingsvergoeding bedraagt aldus 345.364,36 euro bruto.
- Het arbeidshof oordeelt dat de gevorderde beschermingsvergoeding niet moet worden herleid in het kader van het rechtsmisbruik. C A B heeft immers effectief arbeidsprestaties geleverd in de periode tussen 5 mei 2021 en 16 november 2021, waardoor het loon voor deze dagen verschuldigd is. Voor het overige verwijst het arbeidshof naar de argumentatie die hiervoor werd ontwikkeld. 3.
- De aflevering van het C4-formulier De eerste rechters veroordeelden de bv tot aflevering van een aangepast C4-formulier, aangezien C A B dit formulier nodig heeft in het kader van een discussie over de hospitalisatieverzekering. De bv formuleert geen specifieke grieven tegen dit onderdeel van het bestreden vonnis. Zij volhardt enkel in de stelling dat C A B is toegetreden tot het wettelijk rustpensioen. Er is bijgevolg geen reden om het bestreden vonnis op dit punt te hervormen. 3.
- Besluit Er is sprake van een beëindiging door de werkgever in de zin van artikel 2, §1, 1° van de wet van 19 maart
- Om die reden heeft C A B recht op een beschermingsvergoeding zoals voorzien in artikel 16 van de wet van 19 maart 1991, en zoals deze werd toegekend door de arbeidsrechtbank. Het bestreden vonnis moet worden bevestigd, waardoor het hoger beroep en het incidenteel beroep ongegrond zijn. BESLISSING Het arbeidshof, Beslist op tegenspraak. Werkt het arrest van 10 december 2024 verder uit: Verklaart het hoger beroep ongegrond. Neemt akte van de uitbreiding van de vordering van C A B voor een bedrag van 383.545,04 euro. Verklaart het incidenteel beroep ongegrond. Bevestigt het vonnis van 17 april 2023 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, deels op basis van een andere motivering. Veroordeelt Exxonmobile Petroleum & Chemical bv tot de betaling van de kosten van het hoger beroep aan C A B, die aan de zijde van C A B werd begroot op 20,00 euro. Het bedrag van 24,00 euro dat werd betaald door Exxonmobile Petroleum & Chemical bv komt toe aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Aldus gewezen door: N B, raadsheer, voorzitter van de tweede kamer, P A, raadsheer in sociale zaken, werkgever, M M, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, P A M M N B en uitgesproken door de voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare zitting van 8 april 2025 met bijstand van griffier D G. D G N B ---------------------------------------------------- De voetnoten kan u terugvinden in de PDF-versie. PDF document ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20250408.1 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:AHANT:2024:ARR.20241210.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div