id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20251211.1 Rolnummer: 2025/AA/141 Zaak: A.B. tegen Agentschap Vlaamse Sociale Bescherming Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-12-18 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-06-18 20:31 Fiches 1 - 2 Het arbeidshof besluit dat het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2021 over de tenuitvoerlegging van BelRAI en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering over het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, het standstill-beginsel niet schendt. Er is geen reden om dit besluit buiten toepassing te laten. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 23 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Menswaardig leven - art. 23 SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN Vrije woorden: Besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2021 over de tenuitvoerlegging van BelRAI en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering over het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, BS 23 juni
- Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 28-05-2021 - 09 ELI link Pub nr 2021042291 Tekst van de beslissing Datum van uitspraak: 11 december 2025 Rolnummer: 2025/AA/141 Arbeidshof Antwerpen, Afdeling Antwerpen, Kamer 6 A.B., RRN A.B., woonplaats A.B., met als raadsman mr. DE ROOVER Elien, advocaat te LOENHOUT, die pleit tegen: AGENTSCHAP VLAAMSE SOCIALE BESCHERMING , ON 0881.629.733, met zetel te 1000 BRUSSEL, Simon Bolivarlaan 17, met als raadsman mr. STAELENS Bart, advocaat te BRUGGE, voor wie pleit mr. CLEYNEN Caroline, advocaat te BRUGGE Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 23 maart 2025 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen . De zaak was daar gekend onder A.R. nr. 23/2273/A. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. Advocaat-generaal J E gaf namens het openbaar ministerie mondeling advies op de openbare zitting van 13 november
- De raadsman van A.B. repliceerde op het advies. I. ONTVANKELIJKHEID Met gerechtsbrief van 13 maart 2025 bracht de griffie van de arbeidsrechtbank het eindvonnis van 5 maart 2025 ter kennis aan de partijen. Op 14 april 2025 legde A.B. het verzoekschrift tot hoger beroep neer op de griffie van het arbeidshof. Dit verzoekschrift is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het arbeidshof kan de zaak beoordelen. II. FEITEN EN PROCEDURE IN EERSTE AANLEG A.B. is 27 jaar. Hij werd geboren met heupdysplasie, ervaart een algemene pijnproblematiek die zich vooral centreert in schouders en nek. A.B. lijdt ook aan een obsessieve-compulsieve stoornis en een autismespectrumstoornis. Er werd eveneens de diagnose van chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie gesteld. A.B. ontving geruime tijd een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden. Naar aanleiding van de hernieuwing van de aanvraag, voerde de gemachtigde indicatiesteller Davy DE HOUWER op 8 september 2022 een nieuwe indicatiestelling uit aan de hand van de BelRAI-screener. A.B. behaalde een totaalscore van 9.3/30 en een score ADL en IADL van 3.3/
- Dit impliceert dat zijn zorgbehoevendheid te laag werd geacht om verder aanspraak te maken op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden. Hiervoor is minstens een totaalscore van 13 punten of een score van minstens 5,5 op de som van de onderdelen ADL en IADL vereist. Op 3 oktober 2022 besliste de CM-ZORGKAS dat A.B. geen recht (meer) heeft op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden. Zij deelde dit mee als volgt: “ Uw recht op het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevende eindigde op 31 juli
- U wordt niet verder erkend als zwaar zorgbehoevende omdat u geen geldig attest van zorgbehoevendheid heeft. U mag een nieuwe aanvraag indienen als nieuwe elementen dit rechtvaardigen. U doorloopt dan opnieuw de wettelijke wachttijd. (…) Als bijlage vindt u het resultaat van de BelRAI Screener. Voor een erkenning als zwaar zorgbehoevende is een totaalscore nodig van minstens 13 punten op de BelRAI Screener, of een somscore van minstens 5,5 punten op de modules IADL en ADL samen. Uw score ligt lager.” Op 11 december 2022 tekende A.B. beroep aan tegen de beslissing van de CM-ZORGKAS VLAANDEREN. Op 6 juni 2023 voerde de gemachtigde indicatiesteller van de zorgkassencommissie, Caroline BROECKX, een nieuwe indicatiestelling uit. A.B. behaalde een totaalscore van 9.1/30 en een score ADL en IADL van 2.6/
- Op 15 juni 2023 nam het afdelingshoofd van de Afdeling Vlaamse Sociale Bescherming van het VASB de volgende beslissing: “ Namens meneer A.B. werd op 11/12/2022 een administratief beroepschrift ingediend tegen de beslissing van de CM-Zorgkas Vlaanderen van 03/10/
- Gelet op het feit dat het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden werd geweigerd overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming; Gelet op het feit dat gebruiker op 08/09/2022 niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden; Gelet op het feit dat de gebruiker volgens de bestreden beslissing niet (langer) getroffen is door een langdurig ernstig verminderd zelfzorgvermogen; Gelet op de second opinion uitgevoerd door de gemachtigde indicatiesteller van de zorgkassencommissie; Gelet op het eensluidend advies van de administratieve beroepscommissie, dat u in bijlage kan terugvinden; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid; Gelet op het besluit van de administrateur-generaal van 4 december 2019 tot delegatie van sommige bevoegdheden inzake zorg en gezondheid; BESLIST: Artikel
- De zorgbehoevendheid van de gebruiker heeft op 08/09/2022, datum van de indicatiestelling, die aanleiding gaf tot de bestreden beslissing van de zorgkas, niet het karakter van een langdurig ernstig verminderd zelfzorgvermogen waarmee een recht op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden kan worden geopend. Art.
- Het administratief beroepschrift is ontvankelijk, doch ongegrond.” Met volgende brief van 15 juni 2022 deelde het AVSB deze beslissing mee: “ Namens meneer A.B. is op 11/12/2022 een administratief beroepschrift ingediend tegen de beslissing van de CM-Zorgkas Vlaanderen van 03/10/
- Uw administratief beroep werd afgewezen. U vindt de beslissing van het Agentschap Vlaamse Sociale Bescherming als bijlage. Deze beslissing is gebaseerd op de bestaande regelgeving met betrekking tot de zorgbehoevendheid van de gerechtigde. Deze beslissing betekent niet dat meneer A.B. niet zorgbehoevend zou zijn, maar wel dat de graad van zorgbehoefte op 08/09/2022 onvoldoende hoog was om een recht op het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden te openen. Tegen de beslissing van het Agentschap Vlaamse Sociale Bescherming kunt u beroep indienen bij de Arbeidsrechtbank binnen de drie maanden na deze aangetekende brief. Meent u dat de toestand van de zorgbehoevende sinds de laatste indicatiestelling verergerd is, dan bent u vrij om bij de zorgkas een nieuwe aanvraag in te dienen. Een kopie van deze beslissing wordt aan de zorgkas bezorgd.” Deze brief werd op 19 juni 2023 aangetekend bezorgd aan C.D., de moeder van A.B.. Met een verzoekschrift, op 20 september 2023 ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank, tekende A.B. beroep aan tegen de beslissing van CM-ZORGKAS VLAANDEREN van 3 oktober 2022 en de beslissing van het AVSB van 15 juni
- Met conclusie van 24 november 2023 vorderde A.B.: “ De vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dienvolgens, Te horen zeggen voor recht dat de beslissing van CM-Zorgkas Vlaanderen d.d. 3 oktober 2022 en de navolgende beslissing van het Agentschap voor Vlaamse Sociale Bescherming d.d. 15 juni 2023 met kenmerk BC/22/1766 wordt vernietigd. Te horen zeggen voor recht dat concluant in aanmerking komt voor het zorgbudget en dat het zorgbudget toegekend zal worden vanaf augustus
- Minstens, alvorens verder recht te doen, een geneesheer-deskundige aan te stellen met als opdracht:
- Kennis te nemen van het dossier en de medische stukken hem door partijen te bezorgen of elk ander dossier die hijzelf nuttig zal achten om er ambtshalve kennis van te nemen.
- Partijen per aangetekend schrijven en hun eventuele raadslieden per gewone post te verwittigen van plaats, dag en uur van het deskundigenonderzoek.
- Zo dit nodig mocht blijken in de loop van het onderzoek, de gepaste specialisten te consulteren en hun advies en zijn oordeel desbetreffende bij het verslag te voegen
- Zijn/haar oordeel te vellen over de graad van zorgbehoefte van verzoeker
- Te antwoorden op alle nuttige vragen en terzake dienende vragen die hem door de betrokken partijen worden gesteld. Dit alles met inachtneming van de bepalingen van art. 44 W. Sv. of art. 962 Ger.W. en art. 6 EVRM hetgeen onder meer, doch niet limitatief inhoudt dat: - alle verrichtingen op tegenspraak moeten gebeuren en alle partijen moeten opgeroepen worden om daar aan deel te nemen, tenzij partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het uiterst technische karakter van sommige verrichtingen - een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming en een ontwerp van besluiten, zal moeten opgemaakt worden, dat aan alle partijen in voorlezing moet worden verstuurd, met redelijke termijn, weze vier weken voor het formuleren van opmerkingen - het eindverslag moet elke tijdige opmerking van partijen, na zending van het voorverslag, beantwoorden. In ieder geval, verweerster te horen veroordelen in de kosten van het geding, waarbij inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van €163,98.” Met conclusie van 27 november 2023 vorderde het AVSB: “ De vordering af te wijzen als onontvankelijk. In ondergeschikte orde een gerechtsdeskundige aan te stellen om advies te verlenen over het aantal punten dat verzoeker scoort op de BelRAI Screener, bijvoorbeeld de heer Luc Forier. Kosten als naar recht.” Met vonnis van 5 januari 2024 besliste de arbeidsrechtbank als volgt: “ De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak. Zij verklaart de vordering ontvankelijk. Alvorens recht te doen: Stelt aan als deskundige: De heer FORIER Luc Laathof 4 3740 Bilzen met als opdracht: ten huize te gaan van de heer B.A., en: - De graad van zorgbehoefte van de heer B. te onderzoeken. Hiervoor een BeIRAI profiel op te stellen volgens de richtlijnen van het MB van 18 januari 2022 "tot regeling van de vaststelling van de ernst en de duur van de verminderde zelfredzaamheid aan de hand van de BEL-profielschaal in het kader van de Vlaams Sociale Bescherming" inzonderheid de handleiding toegevoegd met bijlage 2 van dit besluit. - De toegekende scores uitvoerig te motiveren. - De toestand te beschrijven vanaf 1 augustus 2022 en op datum van het deskundig onderzoek. - De rechtbank in te lichten of de medische toestand en het zelfzorgvermogen van de heer B. de laatste 2 jaar stabiel is gebleven / is verbeterd / is achteruitgegaan. Zegt voor recht dat de deskundige het advies kan vragen van een arts, kinesitherapeut, verpleegkundige, ergotherapeut naar keuze. Mochten er wijziging zijn opgetreden in de vermindering van het zelfzorgvermogen, de datum ervan te bepalen en het aantal punten aan te duiden dat sedert de wijziging kan worden toegekend. Alle nodige vaststellingen te doen, een technisch advies te geven en zich zo nodig te laten bijstaan door andere specialisten indien dit noodzakelijk mocht blijken in de loop van de onderzoekingen. Verzoekt partijen bij de aanvang van de werkzaamheden een geïnventariseerd dossier te overhandigen met alle relevante stukken aan de deskundige. Zegt verder dat dit vonnis door de griffie binnen de acht dagen na uitspraak, bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden en, in voorkomend geval, bij gerechtsbrief aan de partijen die verstek hebben laten gaan. Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit vonnis zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren; De deskundige beschikt eveneens over een termijn van acht dagen om mee te delen of er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Zegt dat de deskundige en de partijen zich naar aanleiding van het deskundig onderzoek verder dienen te gedragen naar de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek. De deskundige zal binnen de termijn van vijftien dagen na de kennisgeving van dit vonnis, zelf de plaats, de dag, en het uur ( uiterlijk binnen de maand) bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten en zal dit per aangetekende brief meedelen aan de partijen - tenzij hij door de partijen wordt vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen- en per gewone brief aan hun raadslieden en aan de rechtbank. Zegt voor recht dat de deskundige zich voor wat betreft zijn staat van kosten en erelonen dient te houden aan het KB van 14.11.2003, welke bedragen jaarlijks worden geïndexeerd. De deskundige zal zijn voorlopig verslag overmaken aan de rechtbank, de partijen en hun raadslieden. De termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op zes maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ("Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing."). Het eindverslag van de deskundige dient volgende vermeldingen te bevatten: - de datum; - de aanwezigheid van partijen bij de werkzaamheden; - een opgave van de overhandigde stukken en nota's, waarvan hij de tekst slechts mag overnemen in zover dat nodig is voor de bespreking. Het eindverslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundige ondertekend, met dien verstande dat de handtekening van de deskundige wordt voorafgegaan door de volgende eed: "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb". De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige worden ter griffie neergelegd. Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief, een afschrift van het verslag en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon aan de partijen en bij gewone brief aan hun raadslieden. De rechtbank verwijst de zaak naar de bijzondere rol en houdt de kosten aan.” Op 11 april 2024 bezorgde de deskundige de arbeidsrechtbank en de partijen zijn voorlopig verslag. De deskundige kwam tot het volgende, voorlopige besluit: “ Met betrekking tot de periode van 1 augustus 2022 tot 16 februari 2024 (datum van expertise) behaalde de heer B. een totaalscore van 9,1/
- Voor IADL en ADL samen behaalde hij een score van 3,1/
- Dit voorverslag met de bijlage wordt op 9 april 2024 digitaal overgemaakt aan de raadslieden van beide partijen, met de vraag om eventuele opmerkingen aan mij over te maken uiterlijk op 10 mei
- Hierna volgt een termijn voor repliek op elkaars opmerkingen tot uiterlijk 25 mei
- Het voorverslag en de bijlage worden op 10 april 2024 per post verstuurd naar de rechtbank.” Beide partijen formuleerden opmerkingen op het voorlopig verslag. Op de scores wat betreft de maaltijdbereiding, huishoudelijk werk en financieel beheer werden er geen opmerkingen geformuleerd. Wat de andere scores betreft, antwoordde de deskundige als volgt: “ Geneesmiddelenbeheer Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen De repliek namens het AVSB is correct. Luidens de ‘Leidraad bij het invullen van de BelRAI Screener voor volwassenen’, opgesteld door het ‘Kwaliteitscentrum Diagnostiek’ dewelke een gemachtigd indicatiesteller dient te volgen, moet er ‘uitgebreide hulp’ gescoord worden van zodra de voorschriften geregeld worden door en derde (ouders van de heer B.) én het algemene beheer van de medicatie overgenomen werd door een derde (ouders van de heer B.). Enkel wanneer de medicatie voor de persoon op tafel (naast het bord) of in de hand moet gelegd worden of de persoon aanwijzingen krijgt welk vakje van de medicatiedoos, wanneer te openen en hoeveel medicatie in te nemen, wordt ‘maximale hulp’ gescoord. Dit laatste is niet het geval bij de heer B.. Het plaatsen van tijdstippen in een gsm is bovendien een hulpmiddel dat niet gescoord wordt. De score ‘uitgebreide hulp’ blijft behouden. Telefoongebruik: Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen Bij het scoren van de mogelijkheden wordt nagegaan hoeveel hulp de betrokken persoon nodig heeft om de activiteit, in casu telefoneren, te volbrengen. De heer B. kan zelfstandig telefoongesprekken voeren met mensen die hij kent. Tijdens de expertise werd aangewezen dat hij enkel hulp nodig heeft wanneer er naar derden gebeld moet worden die hij niet kent (bijv. bellen naar een bepaalde instantie/dienst). Indien de betrokken persoon hulp nodig heeft bij het bellen naar een bepaalde dienst (bijv. afspraak met de tandarts) wordt volgens voormelde leidraad ‘beperkte hulp’ gescoord, maar niet ‘uitgebreide hulp’. De score ‘beperkte hulp’ blijft behouden. Boodschappen: Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen Namens de heer B. wordt gesteld dat hij zowel voor uitvoering als voor mogelijkheden ‘maximale hulp’ scoort. Namens het AVSB wordt gesteld dat ‘uitgebreide hulp’ zowel voor uitvoering als voor mogelijkheden een correct (sic) score is. De opmerking en motivering namens de heer B. wat uitvoering betreft, is correct. Niet enkel de heer B. maar ook zijn moeder doet boodschappen. Hij krijgt dus hulp bij deze taak maar voort minder dan 50% van deze taak uit zodat hij voor uitvoering ‘maximale hulp’ scoort. Bij het scoren van de mogelijkheden moet nagegaan worden hoeveel hulp de heer B. nodig heeft ingeval zijn moeder om een of andere reden wegvalt. Dit kan dezelfde hulp zijn die hij thans van zijn moeder krijgt maar de betrokken persoon is mogelijk in staat om meer van de kwestieuze taak op zich te nemen. De heer B. kan ook boodschappen doen zonder zijn moeder, hetgeen hij trouwens zelf bevestigde tijdens de expertise en thans bevestigt in zijn opmerkingen. In dat geval is het wel nodig dat een derde de boodschappenlijst opstelt. Met deze lijst kan de heer B. vervolgens zelfstandig winkelen. Hij kan zijn boodschappen zelfstandig betalen aan de kassa. Hij kan ook aankopen online uitvoeren. Hij kan minstens de helft van deze taak zelf uitvoeren. Voor mogelijkheden blijft de score ‘uitgebreide hulp’ behouden. Dat hij steeds naar dezelfde supermarkt gaat, doet hieraf geen afbreuk. Vervoer: Antwoord op de opmerkingen namens de heer B. Namens de heer B. wordt gesteld dat de score zowel voor uitvoering als voor mogelijkheden gewijzigd moet worden naar ‘beperkte hulp’. Deze opmerking is correct. Op deze opmerking wordt geen repliek geformuleerd namens het AVSB. Persoonlijke dagelijkse hygiëne Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen Tijdens de expertise werd duidelijk aangegeven dat de heer B. zelf zijn dagelijkse hygiëne doet. Namens de heer B. wordt opgemerkt dat er dagen zijn waarop hij niet uit zijn bed geraakt. In zulk geval gebeurt er sowieso geen ‘dagelijkse hygiëne’ (haren kammen, scheren, gezicht en handen wassen en afdrogen) zodat deze activiteit op zulke dat (sic) niet voorkomt. De score ‘zelfstandig’ blijft behouden. Cognitieve vaardigheden voor dagelijkse besluitvorming: Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen Namens de heer B. wordt gesteld dat hij aanwijzingen en toezicht van zijn ouders nodig heeft bij het maken van (eenvoudige) beslissingen zodat hij ‘minimaal beperkt’ scoort voor dit item. Tijdens de expertise werd aangegeven dat er enkel moeite is bij de besluitvorming in nieuwe situatie (omwille van de ASS van de heer B.) maar dat er geen onvoldoende of onveilige besluitvorming is in de dagelijkse vertrouwde situaties. De score ‘gewijzigd zelfstandig’ blijft behouden. Geheugen/herinneringsvermogen: Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen De repliek namens het AVSB is correct. Het procedureel geheugen wordt gescoord wanneer de betrokken persoon moeilijkheden ondervindt om meervoudige taken in een juiste volgorde uit te voeren zoals bijvoorbeeld zich aankleden, koffie zetten of de televisie aanzetten. Hieromtrent werd geen probleem aangegeven tijdens de expertise. Het kortetermijngeheugen houdt informatie vast gedurende enkele minuten. Enkel wanneer de betrokken persoon gedurende enkele minuten geen informatie kan onthouden, wordt dit item gescoord. Zulk probleem werd niet aangegeven tijdens de expertise, noch door mij vastgesteld. Wanneer de betrokken persoon bijv. vergeten is dat de deskundige op bezoek komt of niet meer weet wat hij die ochtend gegeten heeft, wijst dit niet (noodzakelijk) op een probleem van het kortetermijngeheugen aangezien deze situaties zich meer dan enkele minuten geleden voordeden. Het louter bijhouden van een agenda of herinneringen ingeven in zijn gsm, wijst niet ipso facto op problemen met het kortetermijngeheugen. De scores voor beide geheugens blijven behouden. Uiting – zichzelf duidelijk maken Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen Namens de heer B. wordt gesteld dat hij ‘diepere gevoelens of emoties’ niet zelfstandig kan uitdrukken zodat hij ‘wordt soms begrepen’, minstens ‘wordt vaak begrepen’ scoort voor dit item. Het item ‘zichzelf duidelijk maken’ gaat over het vermogen van de persoon om informatie-inhoud te uiten of te communiceren, verbaal of non-verbaal. Dit item breng niet de sociale of emotionele vaardigheden van de persoon in kaart. Tijdens de expertise bleek dat de heer B. geen probleem heeft om een zakelijk, informatieinhoudelijk gesprek te voeren. Hij had wel stress tijdens het gesprek met mij. Deze stress wordt echter niet gescoord. De score ‘wordt begrepen’ blijft behouden. Vormt een bedreiging of gevaar voor zichzelf Antwoord op de opmerkingen/repliek van partijen Namens de heer B. wordt gesteld dat hij wel een gevaar voor zichzelf vormt omdat hij 7 jaar geleden een zelfmoordpoging ondernomen heeft en hij op momenten van emotionele overspoeling suïcidaal compenseert. Bij het scoren van dit item moet gekeken worden naar het huidig gedrag van de persoon. Dat een persoon 7 jaar geleden een zelfmoordpoging ondernam impliceert niet ipso facto dat hij 7 jaar later nog een gevaar voor zichzelf vormt. Tevens dient uitgegaan te worden van een reëel gevaar. Het is aan de indicatiesteller om een inschatting te maken van de ernst en het ‘reëel’ zijn van het gevaar. De indicatiesteller zal zich hierbij de volgende vragen stellen: is er reeds een voorval geweest? Indien ja, hoe recent was dit en is dit nog relevant voor de huidige situatie? Is het gevaar geweken? Is het gedrag onder controle? In het verslag dd. 21 mei 2023 van auticoach Gitte VANNUTEN, waarnaar verwezen wordt (stuk 10 B.), wordt inderdaad vermeld dat de heer B. (tijdelijk) snel suïcidaal kan decompenseren op een moment van emotionele overspoeling. Er wordt echter tevens vermeld dat het volgen van wekelijkse consultaties bij een ondersteuner die mee de stress kan reguleren, de heer B. de nodige houvast biedt om deze zaken te verminderen, maar zonder deze consultaties zou een zulke situatie zich opnieuw aandienen. Uit dit verslag blijkt dus, a contrario, dat geen gevaarlijke situatie zich aandient zolang de heer B. de wekelijkse consultatie volgt bij zijn auticoach. De auticoach vermeldt in het begin van haar verslag dat de heer B. sedert juni 2018 gemiddeld 1 uur per week bij haar op consultatie komt en dat dit soms nog meer is. Na grondige lezing van de medische verslagen van de heer B. en op basis van de antwoorden en vaststellingen tijdens de expertise, is het mijn inschatting dat het huidig gedrag van de heer B. geen gevaar oplevert voor zichzelf.” Op 29 augustus 2024 legde de deskundige zijn definitief verslag neer op de griffie van de arbeidsrechtbank. Hij kwam tot het volgende besluit: “ Met betrekking tot de periode van 1 augustus 2022 tot 16 februari 2024 (datum van expertise) behaalde de heer B. een totaalscore van 9,7/
- Voor IADL en ADL samen behaalde hij een score van 3,7/
- Dit eindverslag werd op 25 augustus 2024 per mail overgemaakt aan de raadslieden van partijen die mij ontslag van pleegvormen verleenden. Het eindverslag en de bijlagen worden op 26 augustus 2024 per post verstuurd naar de rechtbank.” Met conclusie van 28 november 2024 vorderde A.B.: “ Verder rechtdoende op het vonnis d.d. 5 januari
- De vordering van concluant gegrond te horen verklaren en dienvolgens, Te horen zeggen voor recht dat de beslissing van CM-Zorgkas Vlaanderen d.d. 3 oktober 2022 en de navolgende beslissing van het Agentschap voor Vlaamse Sociale Bescherming d.d. 15 juni 2023 met kenmerk BC/22/1766 wordt vernietigd. Te horen zeggen voor recht dat concluant in aanmerking komt voor het zorgbudget en dat het zorgbudget toegekend zal worden vanaf augustus
- In ieder geval, verweerster te horen veroordelen in de kosten van het geding, waarbij inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van €163,
- Kosten: - RPV: 163,98 € Totaal: 163,98 €” Met conclusie van 18 december 2024 vorderde het AVSB: “ De vordering te verwerpen als ongegrond. Te acteren dat de kostenbegroting van de deskundige aanvaard wordt. Kosten als naar recht (art.1017 lid 2 Ger. W.)” Met vonnis van 5 maart 2025 besliste de arbeidsrechtbank als volgt: “ Na beraadslaging beslist de rechtbank op tegenspraak als volgt. Verklaart de vordering ongegrond. Bevestigt de beslissing van het Agentschap Vlaamse Sociale Bescherming van 15 juni
- Wijst de vordering van A.B. af. De rechtbank verwijst verwerende partij in toepassing van artikel 1017,2° Ger. W. in de proceskosten. Deze kosten worden begroot als volgt: - aan de zijde van eisende partij: € 163,98 rechtsplegingsvergoeding. - aan de zijde van verwerende partij: niet begroot. - het ereloon en de kosten van het deskundigenonderzoek t.b.v. € 769,17 te vermeerderen met 21% BTW indien verschuldigd.” Op 14 april 2025 tekende A.B. hoger beroep aan tegen dit vonnis. III. AANSPRAKEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 4 augustus 2025 vordert A.B.: “ Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Dienvolgens het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen d.d. 8/10/2024, A.R. nr. 22/289/A, te vernietigen in al haar onderdelen en opnieuw rechtdoende als volgt: Te horen zeggen voor recht dat de beslissing van CM-Zorgkas Vlaanderen d.d. 3 oktober 2022 en de navolgende beslissing van het Agentschap voor Vlaamse Sociale Bescherming d.d. 15 juni 2023 met kenmerk BC/22/1766 wordt vernietigd. Te horen zeggen voor recht dat appellant in aanmerking komt voor het zorgbudget en dat het zorgbudget toegekend zal worden vanaf augustus
- In ieder geval, geïntimeerde te horen veroordelen in de kosten van het geding, waarbij inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoedingen in beide aanleggen. Kosten: - RPV in eerste aanleg: € 163,98 - RPV in graad van beroep: € 218,67 Totaal: € 382,65” Met conclusie van 21 augustus 2025 vordert het AVSB: “ Het beroep ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren. Bijaldien het vonnis d.d. 5 maart 2025 van de Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen met rolnummer 23/2273/A te bevestigen en de oorspronkelijke vordering af te wijzen als ongegrond. Kosten als naar recht.” IV. BEOORDELING Situering van het geschil Volgens A.B. “(heeft) de discussie die zich in dit dossier stelt (…) betrekking op het al dan niet van toepassing zijn van het standstill-verplichting op de duidelijke daling in (zijn) beschermingsniveau.” De discussie is hiertoe ook beperkt. A.B. lijkt de beslissing van de arbeidsrechtbank over zijn inschaling en het deskundig verslag waarop deze beslissing is gebaseerd, niet meer inhoudelijk te betwisten. De deskundige heeft de opmerkingen op zijn verslag indertijd overigens uitvoerig beantwoord en zijn besluit vervolgens (lichtjes) aangepast. In verband met de standstill-verplichting besluit A. B. als volgt: “ In onderhavig dossier heeft de nieuwe rechtsnorm, namelijk het bepalen van de graad van zorgbehoefte aan de hand van een BELRAI-screener, het bestaande sociale beschermingsniveau van concluant aanzienlijk doen dalen, zonder dat hiervoor een reden van algemeen belang dit zou verantwoorden. Het is immers zo dat concluant en vele anderen in een gelijkaardige situatie – door deze nieuwe rechtsnorm – het zorgbudget plotseling niet meer zouden krijgen, hoewel hun medische toestand geenszins verbeterd is, maar er simpelweg geen rekening wordt gehouden met hun ziektebeeld bij de nieuwe screeningsmethode. Concluant verzoekt Uw zetel dan ook om – gelet op de standstill-verplichting en de grondwettelijke verplichting tot inclusie van personen met een handicap – te horen zeggen voor recht dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor het zorgbudget en dit vanaf augustus 2022.” Het AVSB vat zijn antwoord hierop samen als volgt: “ Appellant kan kritiek uiten op de bestaande inschalingsmethode, maar geïntimeerde kan enkel vaststellen dat deze op reglementaire wijze tot stand is gekomen en het tot de scheiding der machten behoort om de wil van de decreetgever in stand te houden. Daarover dient de rechterlijke macht natuurlijk te waken, maar geenszins kan deze macht impliceren dat de rechterlijke macht op de stoel van de decreetgever of bij uitbreiding uitvoerende macht plaats neemt om naar eigen inzichten andere meetinstrumenten te hanteren. Dit vormt een beleidskeuze die moet gerespecteerd worden. Zelfs als dit voor sommige zorgvragers zou impliceren dat zij dan geen tegemoetkoming kunnen genieten. Of beter: "eventueel zouden". De globale plaatjes, de globale regelingen, die zijn relevant.” Zoals het AVSB opmerkt is de huidige regeling op de correcte wijze tot stand gekomen. Het arbeidshof treedt deze vaststelling bij. Hierover is trouwens geen betwisting. De betwisting betreft de toekenning van een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden. Dit is een budget “voor zwaar zorgbehoevenden voor de kosten van niet-medische hulp- en dienstverlening aan de gebruikers die getroffen zijn door een langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid.” ‘Verminderde zelfredzaamheid’ duidt op “een beperking van de mogelijkheden tot zelfzorg”. ‘Zelfzorg’ slaat op “de beslissingen en de acties die een natuurlijke persoon in het dagelijkse leven uitvoert om te voldoen aan zijn basisbehoeften, en de bijbehorende activiteiten. Die activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op de uitvoering van huishoudelijke activiteiten, het leggen van sociale contacten en de mogelijkheid om zich te ontplooien en zich te oriënteren in tijd en ruimte.” De ernst en de duur van de verminderde zelfredzaamheid worden vastgesteld: - door de daarvoor door de Vlaamse regering, onder de door haar vastgestelde voorwaarden, gemachtigde organisaties, zorgvoorzieningen of zorgverleners; - aan de hand van een meetinstrument dat de Vlaamse regering vaststelt. De Vlaamse regering oefende deze bevoegdheid uit met haar besluit van 30 november
- Dit besluit bepaalt dat “met een attest (…) een gebruiker in aanmerking (kan) genomen worden voor een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg” als aan bepaalde criteria is voldaan. Als er geen dergelijk attest is, toont een indicatiestelling de graad van de verminderde zelfredzaamheid aan. Vroeger moest een gebruiker van 18 jaar of ouder daarvoor 35 punten behalen op de Bel-ProfieIschaal. Momenteel zijn minstens 13 punten op de BelRAI screener of minstens 5,5 punten op de som van de modules IADL en ADL van de BeIRAI screener vereist. Het AVSB noemt dit “een nieuw inschalingssysteem, een uniform inschalingssysteem dat gebaseerd is op een internationaal instrument RAI. Het instrument werd ingevoerd en geoptimaliseerd, onder leiding van het Diagnostisch Kwaliteitsteam van de KULeuven om een uniform systeem te genereren dat binnen verschillende domeinen kan gehanteerd worden, niet alleen voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden, maar bijvoorbeeld ook voor thuiszorg.” Het is deze wijziging die volgens A.B. in strijd is met het standstill-beginsel. Bespreking In België heeft iedereen het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet en het decreet, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, de sociale en culturele rechten waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten in het bijzonder het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand. Voor deze rechten geldt een zogenaamd standstill-beginsel. Dit houdt in dat er geen afbreuk mag worden gedaan aan het in de rechtsorde verworven niveau van bescherming van de bedoelde grondrechten. De wetgevende macht beschikt hierbij over een ruime beoordelingsvrijheid. Het standstill-beginsel verbiedt de wetgever om het bestaande beschermingsniveau dat de toepasselijke wetgeving biedt, in aanzienlijke mate te verminderen, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Het standstill-beginsel is ook van toepassing op de gewestbevoegdheden. De reglementering van de zorgbudgetten, is een vorm van sociale bijstand, waarvoor het standstill-beginsel geldt. Het geldt ook voor het recht van personen met een handicap op volledige inclusie in de samenleving met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen. Dit betekent niet dat de wetgever niet zou mogen raken aan de modaliteiten van de sociale bijstand. Het verbiedt de wetgever wel om maatregelen te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. De wetgever behoudt de bevoegdheid om te oordelen hoe het recht op de meest adequate wijze wordt gewaarborgd. Het standstill-beginsel vereist evenmin dat de rechten voor ieder individu op dezelfde manier worden gewaarborgd. Het belet niet dat de rechten van sommige categorieën worden beperkt en gemoduleerd, op voorwaarde dat er voor het onderscheid in behandeling een redelijke verantwoording bestaat. De standstill-bescherming is niet absoluut. Het verbiedt enkel aanzienlijke verlagingen van het beschermingsniveau. Bijzondere omstandigheden kunnen de verlaging van het beschermingsniveau rechtvaardigen. De sociale bijstand kan anders worden georganiseerd, en een achteruitgang kan gerechtvaardigd worden door redenen van algemeen belang, op voorwaarde dat de achteruitgang proportioneel is, of op voorwaarde dat er voldoende compensaties zijn. Bij de toetsing aan het standstill-beginsel moet het arbeidshof zich baseren op een vergelijking van alle relevante bepalingen van de toepasselijke regelgeving en nagaan of die in aanzienlijke mate afbreuk hebben gedaan aan het beschermingsniveau zonder dat er redenen zijn die het algemeen belang betreffen. Het mag zich niet uitsluitend baseren op de individuele beslissingen van het AVSB. Deze beslissingen zijn immers een gevolg van de desbetreffende regelgeving. Er mag gekeken worden naar de mogelijke negatieve gevolgen voor individuele personen. Een louter individuele benadering is echter uit den boze. Deze vergelijking moet betrekking hebben op eenzelfde categorie van personen. Binnen deze categorie moet de vergelijking tussen de oude en de nieuwe wetgeving worden nagegaan. Het arbeidshof moet dus beoordelen of het standstill-beginsel werd gerespecteerd bij de invoering van de BelRAI-screener voor de indicatiestelling. De vergelijking moet gebeuren binnen dezelfde categorie van personen. Het arbeidshof moet de vergelijking maken tussen de situatie van de zorgbehoevenden vóór de invoering van de BelRAI-screener en hun situatie erna. Als uit deze vergelijking een vermindering van het beschermingsniveau blijkt, moet het arbeidshof nagaan of deze vermindering ‘aanzienlijk’ is. Het mag hierbij niet voorbijgaan aan de bevoegdheid van de wetgever, in dit geval de Vlaamse regering, om te beoordelen hoe de zorgbehoefte op de meest adequate wijze wordt gewaarborgd. Een zekere vermindering van het beschermingsniveau moet mogelijk blijven, anders wordt de overheid te zeer beperkt bij het voeren van een beleid. Als het arbeidshof een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau vaststelt, moet het vervolgens nagaan of die vermindering wordt gerechtvaardigd door redenen van algemeen belang. Volgens A.B. “(werd) bij invoering van de BELRAI-screeningsmethode (…) vrij snel duidelijk dat de wetgever de impact van deze nieuwe screeningsmethode volkomen had onderschat. Er kwamen vrij snel verontrustende signalen vanuit het werkveld.” A.B. citeert een cijfer van 27 % van de personen die eerder wel in aanmerking kwamen voor het zorgbudget en er door de wijziging plots geen recht meer op hadden. Na een evaluatie en een wijziging van de ‘afkapwaarde’, daalde dit tot 15%. Nog volgens A.B., met verwijzing naar De NATIONALE HOGE RAAD VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, gaat de BELRAI-screeningsmethode haar doel voorbij. Zij kent immers rechten toe op basis van een zorgnood en niet op basis van het verlies van zelfredzaamheid. Het kan nooit “de bedoeling (…) zijn om rechten kwijt te raken na een nadelige BELRAI-evaluatie, nu dit zou ingaan tegen het standstill-beginsel van artikel 23 Gw.” Dit is, althans volgens A.B., nochtans wel wat op dit ogenblik gebeurt. Het AVSB verwijst in dit verband naar het vonnis van de arbeidsrechtbank. Dat overwoog "dat beide instrumenten wat betreft de inhoudelijke beoordeling van de zorgbehoevendheid gelijkaardige items bevat." (sic) Volgens het AVSB “zijn (uiteraard) verschilpunten aan te merken, doordat de BeIRAI-screener veel gerichter inschaalt, op basis van een algoritme dat rekening houdt met veel meer parameters, maar inhoudelijk blijft ook dit instrument "de zelfredzaamheid", zoals gedefinieerd in het Decreet Vlaamse Sociale Bescherming, inschalen” en “(doet) een meer gedetailleerde tool, (…) natuurlijk geen afbreuk aan de objectiviteit, wel integendeel.” Het arbeidshof treedt zowel de hoger geciteerde overweging van de arbeidsrechtbank, als dit standpunt van het AVSB bij. Zoals gezegd moet de vergelijking die het arbeidshof maakt, betrekking hebben op eenzelfde categorie van personen. Binnen deze categorie moet de vergelijking tussen de oude en de nieuwe reglementering worden gemaakt. Het is niet geheel duidelijk welke categorieën A.B. wil afbakenen, of tot welke categorie hij zichzelf rekent. Nu eens maakt hij de vergelijking tussen “mensen met voornamelijk lichamelijke klachten, waarbij de handicap zeer zichtbaar is” en “personen die voornamelijk fluctuerende psychische klachten hebben”. Dan weer wijst hij erop dat “de screeningsmethode voornamelijk gericht is op het inschalen van de zorgtoestand van ouderen” en “uiteraard (…) niet klakkeloos worden overgenomen voor het screenen van de zorgnood voor de jongere bevolking met fluctuerende en onzichtbare aandoeningen.” A.B. focust verder op specifieke aandoeningen zoals fybromyalgie, CVS en autisme. Dit lijkt erop te wijzen dat de categorie die hij wil afbakenen, bestaat uit personen die zich precies in dezelfde situatie bevinden als hijzelf, namelijk 26- (thans 27-)jarigen met voornamelijk fluctuerende psychische klachten en dan meer bepaald fybromyalgie, CVS en autisme. Dit neigt naar een individuele analyse. Zoals gezegd is dat uit den boze. Dit geldt des te meer nu de toekenning van een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden een tijdelijk recht is dat kan vervallen. De afbakening van de te beoordelen categorie aan de hand van de eigen specifieke situatie, zou toelaten het standstill-beginsel in te roepen bij elke herziening van het zorgbudget naar aanleiding van de evolutie van deze persoonlijke situatie. Het AVSB erkent dat “er evidentie bestaat dat jongere volwassenen eerder op het psychische luik hoger zullen scoren, dan het lichamelijke, althans toch deze die in aanmerking komen voor het zorgbudget.” Het voegt hieraan toe dat “men (…) het niet zo (mag) voorstellen alsof BeIRAI geen rekening zou houden met pyschische (sic) problematieken. Of dat BeIRAI dan enkel maar een goede screeningsmethode zou zijn voor ouderen...” Het AVSB verwijst naar een ‘Nota overschakeling Belprofiel naar BeIRAI in het kader van een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden’. Volgens deze nota brengt de omschakeling geen verandering voor 76 % voor de doelgroep. 13 % verliest op basis van de BelRAI-screening het zorgbudget. De nota vermeldt als één van de oorzaken: “ In de BelRAI Screener worden cliënten die mits het gebruik van een hulpmiddelen - een (I)ADL taak zelfstandig kunnen uitvoeren namelijk als 'zelfstandig' gescoord. De BELprofielschaal houdt daarentegen wel rekening met het gebruik van hulpmiddelen bij het bepalen van de zorgnood. Bijvoorbeeld, een cliënt die zich met een rolstoel volledig zelfstandig kan verplaatsen, krijgt voor die activiteit score 0 (zelfstandig) in de BeIRAI Screener. In de BELprofielschaal krijgt de client een score 2 (meer zorgbehoefte).” In dit voorbeeld is de BelRAI-screening dus minder gunstig voor personen met een fysieke aandoening. Volgens dezelfde nota heeft 11% van de cliënten wel recht op het zorgbudget op basis van de BeIRAI Screener, maar niet op basis van de BELprofielschaal. Een van de redenen hiervoor is “dat cliënten die psychische- en gedragsproblemen hebben wel in aanmerking komen voor het zorgbudget indien ze gescoord worden met de BeIRAI Screener. Bovendien blijkt ook uit het onderzoek dat meer personen met cognitieve problemen in aanmerking komen voor het zorgbudget”. De wijziging is dus gunstiger voor (sommige) personen met een psychische of cognitieve aandoening. Dit spreekt het standpunt van A.B. dan ook tegen. Het is onjuist dat “uit het rapport van de KULeuven blijkt dat door de invoering van de BELRAIscreeningsmethode psychische problemen minder zwaar doorwegen dan eerder wel het geval was.” Hetzelfde geldt voor zijn opmerking dat “zelfs de rapporten die voorliggen (…) niet afdoende waarborgen (blijken) te bieden voor de groep van zorgbehoevende met fluctuerende of onzichtbare aandoeningen.” In het algemeen stelt de nota trouwens dat “beide groepen van 'verliezers' en `winnaars' (…) dus ongeveer even groot (zijn), op basis van de data waarover we momenteel beschikken.” Er is inderdaad geen bewijs dat er voor het geheel der zorgbehoevenden of voor welke categorie dan ook, ook niet voor de specifieke categorie waartoe A.B. zou behoren, een aanzienlijke daling van het beschermingsniveau is. Het AVSB merkt terecht op dat deze nota dateert van voor de verlaging van de grens op de som van de modules ADL-IADL tot 5.5, “zodat mag aangenomen worden dat er op heden enkel meer 'winnaars' zijn ontstaan.” Ook de bewering van A.B. dat “het ingeven van de BEL-RAI-screener een zeer subjectief gebeuren is“ en dat “de score (…) in grote mate afhankelijk (is) van de persoonlijke inschatting van de indicatiesteller” wijst niet op een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau. Voor zover deze aanname juist is – wat het arbeidshof betwijfelt – wordt zij opgevangen door het algoritme van het systeem. Het AVSB merkt hierbij op dat daarentegen de Belprofielschaal precies ‘gaming’ in de hand werkte, “doordat sommige zorgvragers op bepaalde items zich bewust slechter voordeden dan in werkelijkheid het geval was.” Het algoritme van BeIRAI verkleint dit risico, “daar de invloed van één item veel minder zichtbaar is.” De moeilijke diagnostisering van bepaalde ziektebeelden wijst evenmin op een achteruitgang in het beschermingsniveau. Dit staat immers los van de concrete zorgbehoefte. Van een bewuste uitsluiting van bepaalde groepen “door toepassing te maken van het BELRAIscreeningsinstrument”, is geen sprake. Ook in dit verband merkt het arbeidshof terzijde op dat het onduidelijk is over welke groep of categorie A.B. het heeft. De verwijzing naar “een systematisch probleem (…) voor een aanzienlijk deel van de bevolking” of naar “het gedeelte van de bevolking dat bijzonder hulpbehoevend is, maar tevens gemakkelijk onder de radar blijft, doordat het gaat over onzichtbare ziekten” en naar “chronische patiënten” is niet bepaald duidelijk. Het is onjuist te veronderstellen of te suggereren dat “patiënten van (sic) fibromyalgie, CVS en autisme specifiek achtergesteld moeten worden.” Tenslotte moet de verwijzing door A.B. naar de recente rechtspraak in verband met de persoonsvolgende financiering van personen met een handicap, worden gekaderd. Tegen het arrest waarnaar hij verwijst, werd een voorziening in cassatie ingesteld. Het arbeidshof Antwerpen, en meer bepaald deze kamer, nam in een gelijkaardige betwisting een andere beslissing, namelijk dat het zogenaamde Experimentenbesluit van de Vlaamse Regering het standstill-beginsel niet schendt. Anders dan in het geval van A.B. was er in die zaak overigens wel een duidelijke categorie waarvoor de achteruitgang moest worden beoordeeld, namelijk de personen met een handicap die behoren tot prioriteitengroep
- Tegen het arrest van het arbeidshof Antwerpen is er geen voorziening in cassatie. Besluit Het arbeidshof besluit dat het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2021 over de tenuitvoerlegging van BelRAI en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering over het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, het standstill-beginsel niet schendt. Er is geen reden om dit besluit buiten toepassing te laten. De overige middelen en argumenten van de partijen doen, voor zover nog niet beantwoord, geen afbreuk aan dit besluit. Het hoger beroep is ongegrond. V. GERECHTSKOSTEN Het arbeidshof verwijst de FOD SOCIALE ZEKERHEID in de kosten van het hoger beroep. Het arbeidshof moet ambtshalve het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepalen. Hiermee miskent het arbeidshof het beschikkingsbeginsel niet. BESLISSING Het arbeidshof, Beslist op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van A.B. ontvankelijk maar ongegrond. Bevestigt het vonnis van 23 maart 2025 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Verwijst het AGENTSCHAP VLAAMSE SOCIALE BESCHERMING in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten van A.B. op 228,84 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Het arbeidshof veroordeelt het AGENTSCHAP VLAAMSE SOCIALE BESCHERMING tot betaling van de bijdrage van 26,00 euro die toekomt aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Aldus gewezen door: J. V. C., raadsheer, L. J., plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken B. M., raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider L. J. B. M. J. V. C. en uitgesproken door de voorzitter van de zesde kamer van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare zitting van 11 december 2025 met bijstand van griffier E. W.. E. W. J. V. C. PDF document ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20251211.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div