← België

Opgroeien Regie tegen R O

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20251216.1 Rolnummer: 2024/AA/318 Zaak: Opgroeien Regie tegen R O Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-12 Raadplegingen: 543 - laatst gezien 2026-06-18 21:47 Fiche 1 Het arbeidshof sprak zich uit over de vraag of de opleiding als lijnpiloot recht gaf op het groeipakket als student dan wel als schoolverlater. RU volgde de opleiding lijnvluchtpiloot bij Skywings. Skywings werd niet erkend door de Vlaamse Gemeenschap, maar is wel opgenomen in de lijst van ‘Approved Training Organisation (ATO). Zo'n ATO is erkend/goedgekeurd door het Directoraat-generaal van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer Luchtvaart, hetgeen de garantie biedt dat de pilotenopleiding, die door een ATO wordt georganiseerd, toereikend en in overeenstemming is met de Europese regelgeving, waaronder Verordening (EU) nr. 1178/2011, en EASA. De Geschillencommissie van Opgroeien Regie oordeelde dat RU geen (erkend) hoger onderwijs volgde en wees op grond van o.a. artikel 23, 1° BVR Rechtgevend Kind de vordering om het groeipakket als student toe te kennen af. *** Het arbeidshof bevestigt dat de gelijkstelling van het attest lijnpiloot met de titel van professionele bachelor (artikel II.378, §3 Codex Hoger Onderwijs) geen erkenning inhield door de Vlaamse Gemeenschap van die pilotenopleiding als zijnde erkend hoger onderwijs in de zin van artikel 23 BVR Rechtgevend Kind. Bijgevolg was door deze gelijkstelling niet automatisch voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op het groeipakket als student in de zin van het Groeipakketdecreet en het BVR Rechtgevend Kind. Opgroeien Regie maakt echter niet hard dat, op het moment dat RU zijn opleiding volgde, de optie bestond om een opleiding lijnvluchtpiloot in België te volgen die erkend was door de Vlaamse Gemeenschap en die in aanmerking kwam als hoger onderwijs dat aanleiding gaf tot het verlenen van het groeipakket als student. *** Vervolgens toetst het arbeidshof het verschil in behandeling tussen de opleiding lijnvluchtpiloot hoger onderwijs in België (artikel 23, 1° BVR Rechtgevend Kind) en die in het buitenland (artikel 23, 2° BVR Rechtgevend Kind) aan het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van artikel 10 en 11 Grondwet en de wettigheidtoets van 159 Grondwet. Artikel 23, 2° BVR Rechtgevend Kind voorziet voor hoger onderwijs in het buitenland een bijkomende optie in vergelijking met artikel 23,1° BVR Rechtgevend Kind. Naast de erkenning van die opleiding door de buitenlandse overheid kan de gelijkwaardigheid van een niet-erkend onderwijsprogramma aangetoond worden mits het ‘overeenstemt met een erkend programma'. Deze optie, en dus bredere toelating, is echter niet voorzien voor in België gevolgde opleiding hoger onderwijs (artikel 23, 1° BVR Rechtgevend Kind), waardoor er sprake is van een verschil in behandeling. Dit verschil in behandeling acht het arbeidshof niet proportioneel, noch evenredig ten opzichte van het nagestreefde doel. Artikel 23, 1° BVR Rechtgevend Kind schendt het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel, in de mate dat het, om recht te hebben op het groeipakket als student, vereist dat het hoger onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap zonder dat het ook de optie voorziet om een niet-erkend programma dat overeenstemt met een programma dat wel erkend is door die overheid te aanzien als hoger onderwijs dat aanleiding kan geven tot verlenen van het groeipakket als student. Daar deze bepaling onwettig is dient het arbeidshof deze op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten. De bestreden beslissing van de Geschillencommissie, die op deze onwettige bepaling van artikel 23,1° BVR Rechtgevend Kind gebaseerd is, is zelf ook onwettig en wordt vernietigd. Het arbeidshof zegt voor recht dat Opgroeien Regie een nieuwe beslissing moet nemen die er zou toe kunnen leiden dat RO voor RU recht heeft op het groeipakket als student voor zover het gevolgde opleidingsprogramma bij Skywings van september 2022 tot juli 2025 overeenstemt met een erkend onderwijsprogramma, hetgeen mogelijks zou kunnen blijken uit bijvoorbeeld de erkenning van Skywings als ATO (en de conformiteit van die opleiding met Europese Verordening (EU) nr. 1178/2011 en EASA). Thesaurus CAS: GELIJKHEID VAN DE BELGEN VOOR DE WET UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 05-10-2018 - 23 - 17 ELI link Pub nr 2018014824 Fiche 2 Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer - Bijslagen - Kinderbijslag Fiche 3 Thesaurus CAS: ONDERWIJS UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Hoger onderwijs Tekst van de beslissing Datum van uitspraak op 16 december 2025 Rolnummer 2024/AA/318 ---- Arbeidshof Antwerpen Afdeling Antwerpen Kamer 10 ---- OPGROEIEN REGIE, ON 0886.886.638, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Hallepoortlaan 27, met als raadsman mr. GROOTJANS Dirk, advocaat te ANTWERPEN, die pleit, tegen: R O , RRN R O, woonplaats R O, aanwezig ter zitting. ----- Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 17 oktober 2024 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen. Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. Advocaat-generaal I V heeft namens het openbaar ministerie schriftelijk advies neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 22 oktober 2025. De heer R O heeft zijn schriftelijke repliek op dit advies neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 21 november 2025. 1. Ontvankelijkheid Op 17 oktober 2024 sprak de arbeidsrechtbank een vonnis uit. De griffier van de arbeidsrechtbank gaf dit vonnis ter kennis aan de partijen met een gerechtsbrief van 22 oktober 2024. Opgroeien Regie legde op 21 november 2024 een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en bijgevolg ontvankelijk. Dit betekent dat het arbeidshof over de inhoud ervan kan beslissen. 2. Feiten en voorafgaande procedure Sedert 1 januari 2019 heeft de heer R O, ten gunste van zijn zoon R U , recht op kinderbijslag vanwege het kinderbijslagfonds vzw MyFamily in toepassing van het Groeipakketdecreet . Na zijn middelbare studies wenste R U in het najaar 2022 een opleiding lijnvluchtpiloot aan te vatten bij het opleidingscentrum ‘Skywings Flight Training’ te Antwerpen-Deurne. De heer R O informeerde zich op 1 augustus 2022 via een digitaal contactformulier bij het ‘Hogeronderwijsregister’ over deze opleiding. Per brief van 31 augustus 2022 (bevestigd per e-mail van 14 november 2022) deelde MyFamily aan de heer R O mee dat er voor R U vanaf 1 september 2022 geen groeipakket als ‘student’ kon worden toegekend, maar wel als ‘schoolverlater’ en dit voor een periode van 12 maanden. In voormelde brief verwoordde MyFamily dit als volgt: “We vernamen dat R U sinds 01/09/2022 minder dan 17 lesuren per week volgt in het niet-hoger onderwijs of minder dan 27 studiepunten verzamelt in het hoger onderwijs in een door Vlaanderen erkende en gesubsidieerde onderwijsinstelling. Daarom heeft R U geen recht meer op een groeipakket als leerling of student.” De heer R O vond het niet correct dat zijn zoon niet als student, maar wel als schoolverlater werd beschouwd, terwijl hij studies voor lijnvluchtpiloot bij Skywings in Deurne volgde. Per e-mail van 13 februari 2023 vocht hij dan ook de voormelde beslissing van MyFamily aan bij de Geschillencommissie van Opgroeien Regie, die hierover op 28 juli 2023 als volgt oordeelde: “Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoeker ontvankelijk doch ongegrond is aangezien de opleiding die het kind R U volgt in het schooljaar 2022-2023 niet voldoet aan de voorwaarden om als student recht te hebben op Groeipakket overeenkomstig artikel 8, §2, 3° Groeipakketdecreet juncto art. 16 en 23 BVR Rechtgevend Kind (zoals gewijzigd sinds 15 maart 2022). De beslissing d.d. 31 augustus 2022 van de verwerende partij dient bijgevolg bevestigd te worden in die zin dat er voor het kind R U voor het schooljaar 2022-2023 enkel recht op Groeipakket kan worden toegekend als schoolverlater voor een periode van 12 maanden overeenkomstig artikel 8, §2, 30 Groeipakketdecreet juncto art. 40 BVR Rechtgevend Kind.” Met een verzoekschrift, op 22 september 2023 ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank, stelde de heer R O beroep in tegen die beslissing van 28 juli 2023. Op 17 oktober 2024 oordeelde de arbeidsrechtbank met haar vonnis op tegenspraak over deze kwestie als volgt: “Verklaart de vordering gericht tegen de Geschillencommissie ontvankelijk en gegrond. Stelt MyFamily VZW buiten zake.  Zegt voor recht dat de artikelen 16, 1e lid en 23, 1e lid, 1° van het BVR Rechtgevend Kind onwettig zijn;  Zegt voor recht dat de beslissing van de Geschillencommissie van 28 juli 2023 met nr. 2023/084 (repertoriumnr. GC/23/A0060) onwettig is;  Zegt voor recht dat de heer R O recht heeft op groeipakket voor zijn zoon R U als “student” op basis van de gevolgde opleiding als lijnpiloot bij “Skywings”. Stelt, bij toepassing van artikel 1017, 2° lid van het van het Gerechtelijk Wetboek de kosten van het geding ten laste van de Geschillencommissie. Deze worden niet begroot bij gebrek aan opgave.” Opgroeien Regie tekende op 21 november 2024 bij dit arbeidshof hoger beroep aan tegen het voornoemde vonnis. 3. Eisen in hoger beroep Met conclusie van 8 juli 2025 vordert Opgroeien Regie: “Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het beroepen vonnis te vernietigen en - opnieuw recht doende - de bestreden beslissing van de Geschillencommissie te bevestigen en te zeggen voor recht dat aan geïntimeerde voor haar zoon R U geen recht op Groeipakket als student kan worden toegekend, kosten als naar recht.” Met conclusie van 29 juni 2025 vordert de heer R O: “Het hoger beroep ongegrond te verklaren zodoende mijn zoon het recht op Groeipakket als student kan worden toegekend.” 4. Beoordeling De vraag die zich in deze zaak stelt, is te weten of de heer R O, voor zijn zoon R U die van september 2022 tot juli 2025 een opleiding als lijnvluchtpiloot bij Skywings volgde, recht had op het groeipakket als student dan wel als schoolverlater. Alvorens deze vraag te kunnen beantwoorden, wordt eerst een overzicht van de wijzigende regelgeving in deze materie gegeven. 4.1 Vroegere federale regelgeving Tot 31 december 2018 bepaalde artikel 62, §3 van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939: “Onverminderd de bepalingen van §1, wordt de kinderbijslag onder de door de Koning bepaalde voorwaarden verleend tot 25 jaar ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een stage vervult om in een ambt te kunnen worden benoemd. (…)” Artikel 8, 1°, van het Koninklijk Besluit van 10 augustus 2005 bepaalde: “Worden beschouwd als hoger onderwijs: 1° het in het Rijk ingerichte hoger onderwijs dat als dusdanig is erkend; 2° het buiten het Rijk ingerichte hoger onderwijs waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma erkend door die overheid; (…)” 4.2 Overheveling naar de Vlaamse Gemeenschap Naar aanleiding van de zesde Staatshervorming werd de kinderbijslag met ingang van 1 januari 2019 overgeheveld naar de Vlaamse Gemeenschap, voor wat Vlaanderen betreft. De Vlaamse Decreten en de Besluiten van de Vlaamse Regering vormen dan ook het regelgevend kader ter beoordeling van dit geschil dat ontstaan is na januari 2019. Artikel 8, §2, 3° van het Groeipakketdecreet van 27 april 2018 bepaalt: “Het kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, geeft recht op gezinsbijslagen (3°) tot en met de maand waarin het kind 25 jaar wordt als het leerling, student, stagiair of schoolverlater is, overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden en met behoud van de toepassing van punt 1° en 2°. (…) De gezinsbijslag wordt in de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, toegekend overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden.” Artikel 16, eerste lid, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 bepaalt: “De gezinsbijslagen worden verleend voor het kind dat lessen volgt in een of meer onderwijsinstellingen die door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap worden georganiseerd, erkend of gesubsidieerd conform artikel 24 van de Grondwet, (…) De minister kan bepalen welke lessen gelijkgesteld worden met lessen in voormelde georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen.” Artikel 23, 1° en 2° van datzelfde BVR bepaalt: “De volgende onderwijstypes worden beschouwd als hoger onderwijs: 1° het hoger onderwijs in België dat georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap conform artikel 24 van de Grondwet; 2° het hoger onderwijs dat buiten België georganiseerd wordt en waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid;” Artikel 3, §1, 20° van het Groeipakketdecreet 2018 bepaalt: “In dit decreet wordt verstaan onder: (20°) hoger onderwijs: hoger onderwijs als vermeld in artikel 5, 16°/1, van het decreet van 8 juni 2007 en onder (42°) student: de student, vermeld in artikel 5, 36°, van het decreet van 8 juni 2007;” Artikel 5, 36° van het voormeld Decreet van 8 juni 2007 bepaalt: “In dit decreet wordt verstaan onder student: de persoon, ingeschreven in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs.” Artikel 5, 16°/1,

  1. a)van datzelfde decreet bepaalt: “In dit decreet wordt verstaan onder: hoger onderwijs: een van volgende opleidingen (
  2. a)een bacheloropleiding en een masteropleiding, als vermeld in artikel II.58 van de Codex Hoger Onderwijs.” Artikel II.6 van de Codex Hoger Onderwijs bepaalt: “Voor de toepassing van deze codificatie wordt verstaan onder geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs: alle niet ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in de Vlaamse Gemeenschap en door de Vlaamse Regering werden geregistreerd. § 2. Iedere instelling kan de registratie aanvragen bij de Vlaamse Regering. Een registratie van een instelling voor hoger onderwijs wordt slechts toegekend voor zover aan volgende voorwaarden is voldaan: (…)” Artikel II.170, §1, 1° en 2° van diezelfde Codex bepaalt: “Er wordt een Hogeronderwijsregister gepubliceerd met het hoger onderwijs dat conform deze codificatie per academiejaar aangeboden wordt. Het Hogeronderwijsregister omvat : 1° de instellingen die conform deze codificatie als hogeronderwijsinstelling erkend zijn; 2° de opleidingen die worden aangeboden conform deze codificatie en leiden tot de graden van gegradueerde, bachelor en master.” Artikel II.170/1 van diezelfde Codex somt de vereiste kwaliteitskenmerken op. 4.3 Student die hoger onderwijs volgt in de zin van BVR R U werd op x x 2022 meerderjarig en volgde sedert september 2022 hoger onderwijs, meer bepaald een opleiding lijnvluchtpiloot bij Skywings die hij in juli 2025 afrondde. Vooreerst baseerde de Geschillencommissie zich in de bestreden beslissing op artikel 16, eerste lid, BVR om de vordering van de heer R O, die ertoe strekt R U groeipakket als student toe te kennen, af te wijzen. Echter heeft artikel 16, eerste lid, BVR geen betrekking op hoger onderwijs, zodat deze bepaling in dit geschil niet van toepassing is. Bijgevolg baseerde de Geschillencommissie zich ten onrechte op deze bepaling om haar beslissing te motiveren. Daarnaast baseerde de Geschillencommissie zich ook op artikel 23, 1° BVR om te oordelen dat de opleiding lijnvluchtpiloot die R U volgde geen hoger onderwijs in België uitmaakte dat georganiseerd, erkend of gesubsidieerd werd door de Vlaamse Gemeenschap, reden waarom de vordering van de heer R O werd afgewezen. De heer R O is het niet eens met dat oordeel. 4.3.1 Om te beginnen voert de heer R O aan dat de regelgeving nergens bepaalt dat de ‘onderwijsinstelling’ waar R U hoger onderwijs volgde, moest erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap. Hoewel artikel 23, 1° BVR inderdaad bepaalt dat het ‘hoger onderwijs’ moet erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap, hanteren de artikelen 16, eerste lid en 24 van datzelfde BVR toch ook het begrip ‘onderwijsinstelling’. Tevens hebben de artikelen II.6 en II.170, §1, 1° en 2° van de Codex Hoger Onderwijs het over ‘(hoger)onderwijsinstellingen’. Dat geldt ook voor artikel 5, 36° van het voormelde Decreet van 8 juni 2007. Bijgevolg overtuigt de enge interpretatie van artikel 23, 1° en 2° BVR door de heer R O niet en slaat de erkenning door de Vlaamse Gemeenschap wel degelijk op de onderwijsinstelling voor hoger onderwijs. 4.3.2 Voorts stelt de heer R O dat de opleiding lijnvluchtpiloot gelijkgesteld werd met de opleiding professionele bachelor. Hij verwijst daartoe naar artikel II.378, §3 Codex Hoger Onderwijs en een schrijven van AHOVOKS van 22 mei 2019. In die Codex is voormeld artikel II.378, §3 terug te vinden onder “Titel 8. Overgangsbepalingen, hoofdstuk 1 Overgangsrecht voor het verlenen van de graad van bachelor en master” en luidt die bepaling als volgt: “De opleiding tot lijnpiloot georganiseerd door een door het Belgisch Bestuur van de Luchtvaart erkende privé-instelling wordt gelijkgesteld met een professionele bacheloropleiding.” Tevens bepaalt diezelfde Codex wat onder ‘opleiding’ moet worden verstaan: ”de structurerende eenheid van het onderwijsaanbod die bij succesvolle voltooiing bekroond wordt met een diploma.” Voor het ontstaan van de voormelde gelijkstelling moeten we teruggaan naar de sociale begeleidingsmaatregelen die destijds genomen werden voor de ontslagen SABENA personeelsleden. Meer in het bijzonder werd begin 2002 het initiatief genomen om het attest van de afgestudeerde piloten, die ook houder waren van het diploma secundair onderwijs, gelijk te laten stellen (niveaugelijkwaardigheid) met een basisopleiding van één cyclus in een hogeschool in de Vlaamse Gemeenschap. Dat initiatief mondde uit in de toevoeging van artikel 312sexies aan het Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Na het afschaffen van die bepaling per 1 oktober 2013, voorzag de Codex Hoger Onderwijs in artikel II.378, §3 wel nog in de hierboven weergegeven overgangsregeling, die enkel doelde op de gelijkstelling van het attest lijnvluchtpiloot met de titel van professionele bachelor maar die geen erkenning inhield door de Vlaamse Gemeenschap van die pilotenopleiding als zijnde erkend hoger onderwijs in de zin van artikel 23 BVR. Bijgevolg was door deze gelijkstelling van attest/titel niet automatisch voldaan aan de voorwaarden om recht te hebben op het groeipakket als student in de zin van het Groeipakketdecreet en het BVR. Geheel ten overvloede werd deze gelijkschakeling van attest/titel afgeschaft per 1 september 2025. 4.3.3 Verder verwijst de heer R O naar de jaarverslagen van de Geschillencommissie voor de werkingsjaren 2022 en 2023, en meer in het bijzonder naar deze passage: “De Geschillencommissie durft er toch op te wijzen dat het niet evident is om bepaalde Vlaamse jongeren uit te sluiten van het recht op Groeipakket op basis van het type onderwijs dat ze volgen, terwijl het Groeipakket geconcipieerd is als financiële bijstand voor studerende kinderen en er bovendien nuttige criteria kunnen gevonden worden via Onderwijs Vlaanderen als aanknopingspunt voor het onderwijslandschap in Vlaanderen.” Echter zijn deze jaarverslagen niet bindend, zodat de heer R O hieruit geen rechten kan putten. 4.3.4 De heer R O brengt vervolgens ook nog de volgende passage uit het advies van de Raad van State van 11 december 2020 (nr. 68.269/1) in herinnering: “Weliswaar kan de regelgever het toekennen van de hoedanigheid van rechtgevend kind koppelen aan de voorwaarde van inschrijving in een onderwijsinstelling die aan bepaalde vereisten voldoet. Dergelijke bijkomende vereisten moeten evenwel uitdrukkelijk in de regelgeving zijn opgenomen (zodat in voorkomend geval de pertinentie ervan getoetst kan worden).” Hiervan werd ook gewag gemaakt in het advies van de Raad van State van 28 januari 2022 (nr. 70.772/1) en daarin aangevuld met: “Door de koppeling te leggen met een inschrijving in een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling worden er garanties gegeven over de kwaliteit van de gevolgde lessen.” Opgroeien Regie merkt terecht op dat voormeld advies nr. 68.269/1 betrekking heeft op niet-hoger onderwijs, hetgeen in deze zaak niet aan de orde is. Maar zelfs dan nog heeft de koppeling met een inschrijving in een ‘een door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd, erkend of gesubsidieerd onderwijsinstelling’, volgens Opgroeien Regie, als doel o.m. kwaliteitsvol onderwijs te garanderen. De bijkomende vereisten waaraan de onderwijsinstelling moet voldoen om die erkenning te bekomen, zijn bovendien vastgelegd in duidelijke objectieve criteria in de Codex Hoger Onderwijs die niet alleen een voldoende kwaliteitsniveau vereisen, maar tevens transparantie over o.a. de instelling, haar structuur, de lesgevers, de selectiecriteria en het programma, aldus Opgroeien Regie hierin gevolgd door het openbaar ministerie. Het volstond dan ook, nog steeds volgens Opgroeien Regie, dat Skywings de opleiding lijnvluchtpiloot liet erkennen bij de Vlaamse Gemeenschap, zoals dat voor elke andere nieuwe opleiding kon en verwijst hierbij naar VIVES. Echter blijkt nergens uit dat VIVES een erkende pilotenopleiding met eindattest lijnvluchtpiloot aflevert. Wel voorziet VIVES in een theoretische opleiding (aspirant-lijnpiloot ), maar de studenten moeten daarna nog in een erkende opleidingsorganisatie, ook wel ‘Approved Training Organisation’ of kortweg ‘ATO’ genoemd, die opleiding voltooien om het eindattest van lijnvluchtpiloot te behalen. Zo’n ATO is erkend/goedgekeurd door het Directoraat-generaal van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer Luchtvaart, hetgeen de garantie biedt dat de pilotenopleiding, die door een ATO wordt georganiseerd, toereikend en in overeenstemming is met de Europese regelgeving, waaronder Verordening (EU) nr. 1178/2011, en EASA. Skywings is opgenomen in de lijst van ATO’s sedert 13 mei 2020. VIVES is dat niet. Bijgevolg gaat het argument van Oproeien Regie, dat de heer R O ervoor ‘koos’ om R U voor de opleiding lijnvluchtpiloot in België naar een niet-erkende school te sturen, niet op. Opgroeien Regie maakt immers niet hard dat, op het moment dat R U zijn opleiding volgde, de optie bestond om een opleiding lijnvluchtpiloot in België te volgen die erkend was door de Vlaamse Gemeenschap en die in aanmerking kwam als hoger onderwijs dat aanleiding gaf tot het verlenen van het groeipakket als student. 4.3.5 Thans stelt zich, in het licht van de hierboven in herinnering gebrachte regelgeving, de vraag of de vaststelling, dat R U geen aanspraak maakt op het groeipakket als student omdat zijn opleiding lijnvluchtpiloot bij Skywings niet voldoet aan artikel 23,1° BVR aangezien deze niet is ‘georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap’, zonder dat rekening wordt gehouden met o.a. de erkenning van Skywings als ATO en met de destijds bestaande gelijkstelling van het attest van lijnvluchtpiloot met de titel van professionele bachelor, wel in lijn is met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van artikel 10 en 11 Grondwet en de wettigheidtoets van 159 Grondwet doorstaat? Te meer het groeipakket geconcipieerd is als een financiële bijstand voor studerende kinderen en, ten overvloede, de Raad van State in het voormeld advies nr. 70.772/1 geen verantwoording zag voor het uitsluiten van het verlengde recht op kinderbijslag voor leerlingen die onderwijs volgden in bijvoorbeeld Europese scholen. Om op deze vraag te kunnen antwoorden, herhaalt het arbeidshof nogmaals artikel 23, 1° en 2° van BVR: “De volgende onderwijstypes worden beschouwd als hoger onderwijs: 1° het hoger onderwijs in België dat georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap conform artikel 24 van de Grondwet; 2° het hoger onderwijs dat buiten België georganiseerd wordt en waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid;” Meteen valt op dat, in geval een opleiding in hoger onderwijs in het buitenland wordt gevolgd, er naast de erkenning van die opleiding door de buitenlandse overheid ook nog een bijkomende optie is voorzien, namelijk dat ‘het onderwijsprogramma overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid’. Anders gezegd, laat artikel 23, 2° BVR de gelijkwaardigheid van een niet-erkend onderwijsprogramma toe mits het ‘overeenstemt met een erkend programma’. Deze optie, en dus bredere toelating, is echter niet voorzien voor in België gevolgde opleiding hoger onderwijs (artikel 23, 1° BVR), waardoor er sprake is van een verschil in behandeling. Het is verantwoord om dit verschil in behandeling nader te bekijken daar, op het ogenblik dat R U voor lijnvluchtpiloot studeerde, in België geen opleiding lijnvluchtpiloot erkend was door de Vlaamse Gemeenschap die recht gaf op het groeipakket als student. Evenmin was hier een alternatief voorhanden dat daar wel recht op gaf. Althans ligt daarvan geen bewijs neer. 4.3.6 De toetsing van het verschil in behandeling tussen opleiding lijnvluchtpiloot hoger onderwijs in België (artikel 23, 1° BVR) en die in het buitenland (artikel 23, 2° BVR), waarop de heer R O zich trouwens ook beroept, leidt tot de volgende vaststellingen. Geoorloofd doel? Naast het voorzien van een financiële bijstand voor studerende kinderen is de bewaking van de onderwijskwaliteit door Vlaanderen geen onredelijk doel. Geschiktheid/Pertinentie om dat doel te bereiken? De erkenning door de Vlaamse Gemeenschap van opleidingen hoger onderwijs in België zorgt ervoor dat de kwaliteit van het onderwijs wordt getoetst. Dit is een objectief criterium. Het is niet onlogisch dat opleidingen hoger onderwijs die in het buitenland worden gevolgd geen erkenning in Vlaanderen moeten vragen, want de erkenning door de buitenlandse overheid komt in de plaats hiervan. Maar artikel 23, 2° is ruimer geformuleerd. Voor opleidingen hoger onderwijs gevolgd buiten België is immers ook voorzien in de optie om rekening te houden met een niet-erkend opleidingsprogramma dat wel overeenstemt met een erkend opleidingsprogramma. Proportionaliteit van de maatregel om dit doel te bereiken? De regelgever heeft een ruime beleidsruimte. Dat werd bevestigd in een arrest van 5 december 2019 van het Grondwettelijk Hof, waarnaar dit arbeidshof verwijst: “B.13 In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het hof vermag de beleidskeuze die de wetgever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn.” Het aanvaarden van een buitenlandse erkenning in plaats van een Vlaamse erkenning is proportioneel met het doel om de (hoger)onderwijskwaliteit te bewaren. Maar het is niet proportioneel om enkel voor opleidingen hoger onderwijs in het buitenland de optie te bieden om na te gaan of een niet-erkend onderwijsprogramma overeenstemt met een programma dat wel erkend werd door die overheid en, als dat het geval is, om die opleiding dan als hoger onderwijs in aanmerking te nemen om het groeipakket als student te kunnen verlenen, terwijl voor hoger onderwijs in België die optie niet bestaat. Door deze optie enkel te voorzien voor opleidingen hoger onderwijs buiten België wordt de kwaliteit van die opleidingen mogelijks minder strikt gecontroleerd dan die van de opleidingen hoger onderwijs in België. Dit verschil in behandeling, waardoor de heer R O zich gegriefd acht, is onevenredig ten opzichte van het nagestreefde doel. Bovendien brengt het onevenredige gevolgen met zich mee voor de heer R O, want hij heeft hierdoor minder mogelijkheden om het groeipakket als student voor R U te bekomen. Daar artikel 23, 1° BVR het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel schendt, in de mate dat het, om recht te hebben op het groeipakket als student, vereist dat het hoger onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap zonder dat het ook de optie voorziet om een niet-erkend programma dat overeenstemt met een programma dat wel erkend is door die overheid te aanzien als hoger onderwijs dat aanleiding kan geven tot verlenen van het groeipakket als student, is deze bepaling onwettig en dient het arbeidshof deze op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten voor wat betreft de vaststelling van het recht op het groeipakket als student ten gunste van R U. De bestreden beslissing van de Geschillencommissie, die op deze onwettige bepaling van artikel 23,1° BVR gebaseerd is, is zelf ook onwettig en wordt vernietigd. Het ophouden van een onwettige beslissing behoort tot de essentie van de bevoegdheden van de rechtbanken, weliswaar binnen de grenzen die nodig zijn om een effectieve voorkoming van de aantasting of het herstel van het subjectief recht te realiseren. Dergelijk herstel kan worden geboden door vernietiging, maar als die geen volledig rechtsherstel kan verwezenlijken of onevenredige gevolgen zou sorteren, kan het herstel mogelijks ook de vorm aannemen van een nieuwe wijzigende beslissing of een vervangende schadevergoeding. In deze zaak vordert de heer R O geen schadevergoeding. Wel vraagt hij de toekenning van het groeipakket als student voor zijn zoon R U. In het licht van hetgeen hierboven werd geoordeeld, is het aan Opgroeien Regie om een nieuwe beslissing te nemen die er zou toe kunnen leiden dat de heer R O voor R U recht heeft op het groeipakket als student voor zover het gevolgde opleidingsprogramma bij Skywings van september 2022 tot juli 2025 overeenstemt met een erkend onderwijsprogramma, hetgeen mogelijks zou kunnen blijken uit bijvoorbeeld de erkenning van Skywings als ATO (en de conformiteit van die opleiding met Europese Verordening (EU) nr. 1178/2011 en EASA). 5. Gerechtskosten Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, verwijst het arbeidshof Opgroeien Regie in de kosten van het hoger beroep. Krachtens het derde lid van artikel 4, §2, van de Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, vereffent het arbeidshof het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in dit eindarrest, dat Opgroeien Regie in de kosten verwijst, nu de heer R O geen juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet. BESLISSING Het arbeidshof, Beslist op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Hervormt het vonnis van 17 oktober 2024 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, behalve wat de ontvankelijkheid van de vordering en de beoordeling van de kosten betreft. Vernietigt de beslissing van 28 juli 2023 van de Geschillencommissie. Zegt voor recht dat Opgroeien Regie een nieuwe beslissing moet nemen over het recht van de heer R O op het groeipakket als student ten gunste van zoon R U die de opleiding lijnvluchtpiloot bij Skywings volgde van september 2022 tot juli 2025. Veroordeelt Opgroeien Regie tot de betaling van de kosten van het hoger beroep aan de heer R O. Begroot noch vereffent deze kosten aangezien partijen er geen opgave van hebben gedaan. Veroordeelt Opgroeien Regie tot betaling van de bijdrage van 24,00 euro die toekomt aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, voor zover dit in deze zaak verschuldigd is. Aldus gewezen door: S R, kamervoorzitter, voorzitter van de tiende kamer, H V, plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken, B M, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, H V B M S R H V, plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken, verkeert in de onmogelijkheid om dit arrest te ondertekenen. Antwerpen, 16 december 2025, De griffier, E W en uitgesproken door de voorzitter van de tiende kamer van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in buitengewone openbare zitting van 16 december 2025 met bijstand van griffier D G. E W S R ---------------------------------------------------- De voetnoten kan u terugvinden in de PDF-versie. PDF document ECLI:BE:AHANT:2025:ARR.20251216.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.