id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040510.5 Rolnummer: 22403 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 00:16 Fiches 1 - 2 I. De Wet Betaalde Sportbeoefenaars doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 80 van de Arbeidsovereen-komstenwet, dat bij beëindiging van een arbeidsovereen-komst voor een bepaalde tijd van meer dan 3 maanden, na een periode van zes maanden arbeidsongeschiktheid, een ontslag met vergoeding van hoogstens 3 maanden loon mogelijk maakt. II. Artikel 80 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan enkel toegepast worden bij ontslag tijdens een periode van ar-beidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 31 Arbeids-overeenkomstenwet, en niet meer op een ogenblik waar-op het werk zelfs gedeeltelijk werd hervat. III. Bij onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereen-komst voor een bepaalde tijd onderworpen aan de Wet Betaalde Sportbeoefenaars wordt de ontslagvergoeding niet bepaald overeenkomstig artikel 40 van de Arbeids-overeenkomstenwet maar wel overeenkomstig artikel 4, laatste lid, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars, wat betekent dat die vergoeding gelijk is aan het loon ver-schuldigd tot het einde van de termijn zonder dat zij echter meer mag belopen dan het dubbel van de opzeg-gingsvergoeding verschuldigd bij onregelmatige beëin-diging van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars voor onbepaalde tijd. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN I. ARBEIDSOVEREENKOMST BETAALDE SPORT-BEOEFENAAR ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR EEN BEPAALDE TIJD ONTSLAG NA PE-RIODE VAN ZES MAANDEN ARBEIDSONGE-SCHIKTHEID TOEPASSING ARTIKEL 80 VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTENWET. II. ARBEIDSOVEREENKOMSTENWET ARBEIDS-OVEREENKOMST VOOR EEN BEPAALDE TIJD SCHORSING WEGENS ARBEIDSONGESCHIKT-HEID WERKHERVATTING - GEEN TOEPASSING ARTIKEL 80 VAN DE ARBEIDSOVEREENKOM-STENWET. III. ARBEIDSOVEREENKOMST BETAALDE SPORT-BEOEFENAAR ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR EEN BEPAALDE TIJD ONTSLAG OP-ZEGGINGSVERGOEDING GEEN TOEPASSING ARTIKEL 40 ARBEIDSOVEREENKOMSTENWET DOCH VAN AFWIJKENDE BEPALINGEN WET BE-TAALDE SPORTBEOEFENAARS. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 40 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Eveneens gerangschikt onder II CN, art. 80 Gepubl. : S.R.K. 2005, p. 222. Gepubl. : J.T.T. 2005, p. 183. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BEDIENDEN I. ARBEIDSOVEREENKOMST BETAALDE SPORT-BEOEFENAAR ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR EEN BEPAALDE TIJD ONTSLAG NA PE-RIODE VAN ZES MAANDEN ARBEIDSONGE-SCHIKTHEID TOEPASSING ARTIKEL 80 VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTENWET. II. ARBEIDSOVEREENKOMSTENWET ARBEIDS-OVEREENKOMST VOOR EEN BEPAALDE TIJD SCHORSING WEGENS ARBEIDSONGESCHIKT-HEID WERKHERVATTING - GEEN TOEPASSING ARTIKEL 80 VAN DE ARBEIDSOVEREENKOM-STENWET. III. ARBEIDSOVEREENKOMST BETAALDE SPORT-BEOEFENAAR ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR EEN BEPAALDE TIJD ONTSLAG OP-ZEGGINGSVERGOEDING GEEN TOEPASSING ARTIKEL 40 ARBEIDSOVEREENKOMSTENWET DOCH VAN AFWIJKENDE BEPALINGEN WET BE-TAALDE SPORTBEOEFENAARS. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 80 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Eveneens gerangschikt onder II AAN art. 40. Gepubl. : S.R.K. 2005, p. 222. Gepubl. : J.T.T. 2005, p. 183. Tekst van de beslissing A.R. nr.: 224/03 Rep. nr.: OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN MEI TWEEDUIZEND EN VIER. IN DE ZAAK VAN: V.z.w. R.R.C.H. G., met zetel APPELLANTE OP HOOFDBEROEP, GEINTIMEERDE OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna appellante genoemd, ter openbare terechtzitting vertegenwoor-digd door meester B. Vanlee loco meester H. Van Burm, advocaat te Gent, TEGEN : M. C., wonende te GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, APPELLANT OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna geïntimeerde genoemd, ter openbare terechtzitting vertegen-woordigd door meester J. Maesschalck, advocaat te Zellik (Asse). x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechts-pleging en inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, d.d. 6 januari 2003 en van het op tegenspraak ge-wezen eindvonnis van diezelfde rechtbank van 23 juni 2003 (A.R. 149.574/00), waarvan geen be-teke-ning wordt overgelegd. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neer-ge-legd ter griffie van het Ar-beidshof te Gent, afdeling Gent, op 11 juli 2003. 1. Nopens de feiten. De partijen ondertekenden op 16 juni 1999 een "overeenkomst". Artikel 1.1 van deze overeenkomst bepaalde dat de geïntimeerde vanaf 1 juli 1999 "zijn voetbalbekwaamheden uitsluitend ter beschikking (zou) stellen van de club". Volgens artikel 1.2 moest hij als titularis of als invaller deelnemen aan alle wedstrijden van alle ploegen waarin hij door de bevoegde clubinstantie zou opgesteld worden en zulks op de plaats, in de functie en volgens de technische richtlijnen hem verstrekt. Volgens artikel 1.3 moest de geïntimeerde "alle voorgeschreven trainingen bijwonen en meedoen tenzij ervan ontslagen door de trainer". Blijkens artikel 3.1 van deze overeenkomst werd zij gesloten "voor de duur van twee seizoen(en)". Zij ving aan op 1 juli 1999 en zou eindigen op 30 juli 2001. Het loon van de geïntimeerde werd in artikel 2.1 van de geschreven arbeidsover-eenkomst bepaald. Deze bepaling luidde als volgt: "De verplichtingen van de club gaan slechts in voege bij homologatie van de transfer door de K.B.V.B., maw als de speler speelgerechtigd is voor het eerste elftal. De club zal aan de speler volgende bezoldigingen betalen: a. Een vaste bruto bezoldiging per jaar vanaf 1/7/99 tot 30/6/2000 van 780.000 fr. te betalen in 12 gelijke maandelijkse schijven van 65.000 fr. per maand, en dit op het einde van de maand. Een vaste bruto bezoldiging per jaar vanaf 1/7/2000 tot 30/6/2001 van 600.000 fr. te betalen in 12 gelijke maandelijkse schijven van 50.000 fr. per maand, en dit op het einde van de maand. B. Volgende wedstrijdpremies worden betaald bij deelname aan een: 1. Kampioenschapswedstrijd voor het eerste elftal: 10.000 frank bruto bij gelijkspel 30.000 frank bruto bij een overwinning 2. Wedstrijden voor de Beker van België: Tot en met de 1/8 finale wordt vierduizend (4.000 fr.) frank bruto bij kwalificatie betaald. Vanaf de 1/4 finale wordt de premie in overleg tussen spelers en bestuur bepaald. De club garandeert de speler de uitbetaling van 40 punten per seizoen. De club stelt een wagen (type Avensis, Toyota) ter beschikking gedurende de duurtijd van het contract (a rato van 30.000 km./jaar)(voorziene kostprijs: 20.000 fr./maand).". Artikel 4 van de overeenkomst was als volgt gestipuleerd: "In de hieronder omschreven gevallen wordt de uitwerking van de wederzijdse rechten en plichten der partijen geneutraliseerd zoals volgt: (...) Zo de speler wegens ziekte of ongeval, wel of niet te wijten aan hemzelf of een gevolg van feiten gebeurd tijdens of buiten zijn voetbalactiviteit, zullen alle overeengekomen vergoedingen en onkosten opgeschort worden tijdens de duur van de onbeschikbaarheid, met uitzondering van de vaste bezoldiging die nog gedurende twee weken volgend op de aanvangsdatum van de onbeschikbaarheid zal uitbetaald worden". Op 10 september 1999 werd de geïntimeerde getroffen door een arbeidsongeval. Hij ontving vanaf 11 september 1999 van de verzekeraar arbeidsongevallen van de appellante, de N.V. M. en N., dagelijkse vergoedingen voor volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid. In een medisch getuigschrift, gedateerd op 27 oktober 1999, bevestigde dr. P. Vercruyssen, behandelend arts van de geïntimeerde, dat deze laatste arbeidsongeschikt zou zijn tot en met 30 april 2000. Bij vonnis van 15 mei 2001 van de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, inzake de geïntimeerde tegen de N.V. M. en N. (A.R. nr. 58.229), zou, na deskundigenonderzoek van dr. A. Bynens, arts te Sint-Niklaas, voor recht gezegd worden dat de geïntimeerde van 11 september 1999 tot en met 26 maart 2000 getroffen was door een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100 % alsook dat de letsels sinds 27 maart 2000 geconsolideerd waren zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. De appellante beëindigde de overeenkomst bij exploot, op 27 maart 2000 betekend door gerechtsdeurwaarder J.P. Van Oost, met standplaats te Sint-Niklaas. Blijkens dit exploot gebeurde dit "op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid sinds 15.09.1999 en zulks op grond van art. 3 Wet dd. 24.12.1978 juncto art. 80 WAO, met kennisgeving dat de wettelijk voorziene vergoeding eerstdaags (zou) worden uitbetaald". Ook bij aangetekend schrijven van dezelfde datum deelde de appellante aan de geïntimeerde één en ander mee. Op 31 maart 2000 verstuurde de geïntimeerde aan de appellante een medisch getuigschrift, gedateerd op 27 maart 2000 en uitgaande van dr. G. Declercq, orthopedist te Antwerpen, waarin die bevestigde dat de geïntimeerde vanaf 27 maart 2000 "genezen" was. 2. Nopens de procedure in eerste aanleg Bij dagvaarding, betekend op 30 oktober 2000, stel-de de geïntimeerde een vor-dering in tegen de appellante, ertoe strek-kende een veroordeling van de appellante te laten uit-spre-ken om aan de geïntimeerde te betalen,
- a)1.774.995 frank als opzeggingsvergoeding;
- b)1 frank provisioneel als achterstallig loon;
- c)35.178 frank als nettoloon voor september 1999;
- d)1 frank provisioneel als vergoeding voor "punten". Hij vroeg dat hem akte zou verleend worden van het feit dat hem 146.736 frank werd betaald. Hij vroeg dat de appellante zou veroordeeld worden tot de afgifte van "de nood-zakelijke sociale documenten", onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 frank per dag en per ontbrekend document. Gevraagd werd het vonnis voorlopig uitvoerbaar te verkla-ren on-danks elk verhaal en zonder borgstelling, met uitslui-ting van de mogelijkheid van kantonnement. Bij conclusie, op 22 maart 2001 neergelegd ter grif-fie van de arbeidsrechtbank, vroeg de appellante de afwij-zing van de eis als onge-grond, met verwij-zing van de geïntimeerde in de kosten van het geding. In zijn conclusie, op 24 januari 2002 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vroeg de geïntimeerde ook dat de appellante zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten. Bij tussenvonnis van 6 januari 2003 werd de vorde-ring toelaatbaar en deels ge-grond verklaard. De appellante werd veroordeeld tot het betalen van 872,04 euro als achter-stallig loon voor september 1999, vermeerderd met wettelijke intrest tot 30 oktober 2000 en vanaf dan met gerechtelijke intrest, telkens op het nettobedrag. De debatten werden ambtshalve heropend teneinde de partijen toe te laten te concluderen over de vraag 1) welke vergoedingen de geïntimeerde had genoten tussen 11 september 1999 en 1 mei 2000; 2) wie de schuldenaar van die vergoedingen was; 3) of de geïntimeerde uitkeringen had ontvangen in het raam van de Arbeidsongevallenwet. De beslissing over de gerechtskosten werd aangehouden. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: nopens het loon voor september 1999 - dat de appellante niet bewees dat het loon voor september 1999 werd betaald; - dat de som van 872,04 euro moest toegekend worden; nopens de opzeggingsvergoeding en de premies voor punten - dat geen rekening mocht gehouden worden met het nà het verstrijken van de dwingende conclusietermijnen opgeworpen middel ex artikel 40 van de Arbeidsovereenkom-stenwet; - dat de geïntimeerde de juistheid van zijn bewering moest bewijzen dat hij begin maart 2000 effectief het werk had hervat; - dat het geneeskundig getuigschrift van 27 oktober 1999 van zijn eigen arts niet uitsloot dat de geïntimeerde het werk vroeger kon hervatten; - dat hij zich beriep op een door zes spelers ondertekende verklaring waarin werd gezegd dat de geïntimeerde vóór zijn ontslag al voluit meetrainde met zijn ploeg; - dat de geïntimeerde een verklaring van de trainer overlegde die hiermee geheel in strijd was; - dat het anderzijds vreemd was dat de geïntimeerde voor maart 2000 geen loon vorderde en geen medisch getuigschrift had afgegeven met betrekking tot zijn arbeidsgeschiktheid; - dat vooralsnog onduidelijkheid bestond over de vraag of de geïntimeerde in de periode van 11 september 1999 tot 1 mei 2000 vergoedingen had ontvangen van de N.V. M. en N.; - dat stukken uitgaande van de verzekeraar en de mutualiteit zouden kunnen verduidelijken of de geïntimeerde in maart 2000 effectief het werk had hervat dan wel of er enkel sprake was van individuele loopoefeningen. nopens de sociale documenten - dat ook over dit onderdeel nog niet kon geoordeeld worden. In haar conclusie, op 26 maart 2003 ter griffie neergelegd, vroeg de appellante subsidiair dat de vordering tot 6 maanden loon zou beperkt worden op grond van artikel 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Bij eindvonnis van 23 juni 2003 werd de vordering gedeeltelijk gegrond verklaard. De appellante werd veroordeeld tot het betalen van 41.026,25 euro als opzeggingsvergoeding en van 0,02 euro provisioneel als "afrekening van de punten", vermeerderd met wettelijke intrest tot 30 oktober 2000 en vanaf dan met gerechtelijke intrest, telkens op het nettobedrag. Aan de geïntimeerde werd akte gegeven van het feit dat hij van de appellante de som van 3.637,49 euro netto had ontvangen. De ap-pellante werd in de kosten van het geding verwezen. Het vonnis werd voorlopig uitvoerbaar verklaard ondanks elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: nopens de arbeids(on)geschiktheid van de geïntimeerde - dat met het deskundigenverslag van dr. A. Bynens rekening kon gehouden worden om te bepalen of de geïntimeerde op 27 maart 2000 nog arbeidsongeschikt was; - dat dit niet meer het geval bleek te zijn, mede op grond van de verklaring van de zes spelers alsook op grond van een geneeskundig getuigschrift van dr. Declercq van 27 maart 2000; - dat de appellante de arbeidsovereenkomst op 27 maart 2000 niet kon beëindigen op grond van artikel 80 van de Arbeidsovereenkomstenwet; nopens de opzeggingsvergoeding - dat het jaarloon van de geïntimeerde 1.324.000 frank beliep, inclusief het voordeel verbonden aan het privaat gebruik van de wagen, dat op 144.000 frank per jaar moest worden vastgesteld; - dat de appellante zich laattijdig had beroepen op de beperking in artikel 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet en de rechter deze bepaling niet ambtshalve kon opwerpen; - dat de opzeggingsvergoeding moest overeenstemmen met de resterende duur van de arbeidsovereenkomst, te weten 15 maanden; - dat de geïntimeerde recht had op een opzeggingsvergoeding van 41.026,25 euro; - dat uit de overgelegde stukken niet kon uitgemaakt worden op welke wijze het door de appellante betaalde nettobedrag van 146.736 frank was berekend zodat er geen aftrek kon toegepast worden; nopens de sociale documenten - dat deze vordering ongegrond was nu de appellante meermaals uitleg had gegeven over de bedragen die op de loonfiches voorkwamen; - dat voor de periode van 1 april 2000 tot 30 juni 2000 geen loonfiches moesten afgegeven worden; - dat niet kon ingegaan worden op de vordering tot afgifte van andere sociale documenten nu die vordering vaag was omschreven en er niet werd gespecificeerd om welke sociale documenten het ging; nopens de premies voor punten - dat, vermits de appellante niet bewees dat zij de som had betaald waartoe zij overeenkomstig artikel 2 van de overeenkomst gehouden was, de gevorderde provisie kon toegekend worden. 3. Nopens de procedure in hoger beroep In haar akte van hoger beroep vordert de appellante dat het hoger beroep ont-vankelijk en gegrond zou ver-klaard worden, dat dien-volgens het bestreden vonnis (sic) zou worden tenietgedaan en dat het Arbeidshof, op-nieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering ongegrond zou verklaren, één en ander met ver-wij-zing van de geïntimeerde in de kosten van de beide aan-leggen. Subsidiair vraagt de appellante dat van de opzeggingsvergoeding, die hoogstens 15.525,72 euro mag belopen, 8.139,14 euro wordt afgetrokken. Bij conclusie, ter griffie neergelegd op 10 oktober 2003, vor-dert de geï-nti-meerde dat het hoger beroep als ont-vankelijk doch onge-grond zou af-gewezen worden. Hij stelt incidenteel beroep in en vraagt dat het bestreden vonnis zou vernietigd worden in zoverre de eerste rechter "geen recht deed op de vordering (...) en meer inzonder het bedrag van de verbrekingsvergoeding en de sociale documenten". Hij vraagt de veroordeling van de appellante tot het betalen van 44.000,98 euro als opzeggingsvergoeding en 0,02 euro provisioneel "voor afrekening van punten", vermeerderd met "de vergoedende, de moratoire en de gerechtelijke intresten". Hij vraagt de veroordeling van de appellante tot de afgifte van "de noodzakelijke sociale documenten", onder verbeurte van een dwangsom van 24,79 euro per dag per ontbrekend document. In haar conclusie, op 27 november 2003 ter griffie neergelegd, vraagt de appellante de afwijzing van het incidenteel beroep als ongegrond. De partijen worden in de uiteenzetting van hun mid-delen en conclu-sies gehoord op de openbare terechtzitting van 8 maart 2004. 4. Nopens de grieven van het hoger beroep De appellante acht zich gegriefd door het bestreden von-nis. Zij wijst er inzonderheid op: nopens de arbeids(on)geschiktheid van de geïntimeerde - dat de appellante mocht uitgaan van het getuigschrift van dr. Vercruyssen waaruit bleek dat de geïntimeerde op 26 maart 2000 nog arbeidsongeschikt was; - dat de geïntimeerde sinds zijn arbeidsongeval geen arbeidsprestaties had geleverd, zoals bleek uit een verklaring van de trainer; - dat de geïntimeerde tijdens de training hoogstens individuele loopoefeningen had verricht; - dat de stelling van de geïntimeerde ook wordt tegengesproken door het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, volgens wie de geïntimeerde tot en met 26 maart 2000 arbeidsongeschikt is gebleven; - dat de voornoemde arbeidsrechtbank echter slechts a posteriori heeft geoordeeld dat de geïntimeerde vanaf 27 maart 2000 arbeidsgeschikt was geworden; - dat het deskundigenverslag dat aan de grondslag van dit vonnis ligt, geheel is gesteund op de beweringen van de geïntimeerde zelf; - dat het getuigschrift van dr. G. Declercq slechts werd opgemaakt om de geïnti-meerde na zijn ontslag als bewijs te dienen; nopens de opzeggingsvergoeding - dat de appellante de geïntimeerde kon ontslaan met inachtneming van de bepa-lingen van artikel 80 van de Arbeidsovereenkomstenwet; - subsidiair, dat de omvang van de vergoeding op grond van artikel 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet in elk geval moet beperkt worden tot zes maanden; - dat de eerste rechter het voordeel van het privaat gebruik te hoog heeft geschat en de waarde ervan slechts op 6.000 frank per maand kan worden bepaald; - dat, gelet op een jaarloon van 31.051,43 euro, de opzeggingsvergoeding hoog-stens 15.525,72 euro kan belopen; - dat hiervan het reeds betaalde bedrag van 328.332 frank bruto hetzij 8.139,14 euro moet afgetrokken worden, te weten een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het vast maandloon en de premies gedurende drie maanden; - dat de geïntimeerde zich niet kan beroepen op de bepalingen van artikel 5, tweede lid, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars noch op die van het uitvoeringsbesluit van 26 juni 2000 en dat de toepassing van deze bepalingen ten andere niet tot een recht op een hogere opzeggingsvergoeding zou leiden; nopens de premies voor punten - dat de geïntimeerde alles heeft ontvangen waarop hij recht heeft, te weten 44.444 frank per 30 september 1999. Ook de geïntimeerde acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Hij houdt inzonderheid voor - dat bij het bepalen van de hoogte van de opzeggingsvergoeding wel degelijk een maandelijks bedrag van 20.000 frank als voordeel voor het privaat gebruik van de bedrijfswagen in rekening moet gebracht worden nu het dit bedrag is dat in de arbeidsovereenkomst voorkomt; - dat de door de appellante afgegeven loonfiches onduidelijk zijn; - dat hij voor de periode van 1 april 2000 tot 30 juni 2000 geen loonfiches heeft ontvangen. 5. Bespreking 5.1. Nopens de ontvankelijkheid van het hoofdbe-roep en van het incidenteel beroep Het hoofdberoep werd tijdig en regelmatig naar de vorm inge-steld. Het is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. 5.2. Nopens de gegrondheid van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep 5.2.1. De toepasselijke wetsbepalingen De "overeenkomst" die de partijen verbond, was een arbeidsovereenkomst waarop de bepalingen van de Wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor be-taalde sportbeoefenaars toepasselijk waren. Alle voorwaarden in artikel 2 van deze Wet zijn immers vervuld, inzonderheid een loon dat de grens, toepasselijk op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, te weten 541.128 frank, overschreed. Het betreft een arbeidsovereenkomst voor bedienden die onderworpen is aan de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet die gelden voor de bedienden én door de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet Betaalde Sportbeoefenaars die daarvan afwijken (zie artikel 3 van deze laatste wet). Het betrof ook een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd in de zin van artikel 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet Betaalde Sportbeoefenaars en artikel 9 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Deze arbeidsovereenkomst werd door de appellante vóór het verstrijken van de termijn onregelmatig want zonder dringende reden beëindigd. In dit geval wordt de sanctie niet bepaald door artikel 40, ,§ 1, van de Arbeidsovereenkomsten-wet maar door artikel 4, laatste lid, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars. De Wet Betaalde Sportbeoefenaars wijkt nochtans niet af van artikel 80 van de Arbeidsovereenkomstenwet (zie S. VAN OVERBEKE, "De betaalde sportbeoefenaar", in Aan-werven, Tewerkstellen, Ontslaan, O 407 30). Deze bepaling luidt als volgt: "Indien de arbeids-ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval van de bediende aangeworven voor een be-paalde tijd van ten minste drie maanden (...) zes maanden overtreft en indien de bij de over-eenkomst vastgestelde tijd niet is verstreken (...), dan kan de werkgever te allen tijde aan de overeenkomst een einde maken mits vergoeding. Deze is gelijk aan het loon dat nog moest worden uitbetaald tijdens de overeengekomen tijd (...) met een maximum van drie maanden loon en onder aftrek van hetgeen betaald werd sedert het begin van de arbeidsongeschiktheid.". Deze bepaling geldt enkel wanneer op de datum van het ontslag nog geen einde is gekomen aan de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in overeenstemming met artikel 31 van de Arbeidsovereenkomstenwet (vgl. met Arbh. Gent, 13 sep-tember 1999, Soc. Kron., 2000, 87, met betrekking tot de toepassing van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Een periode van gedeeltelijke schorsing waarin een nog slechts deels arbeidsongeschikte werknemer arbeidsprestaties verricht, wordt niet bedoeld. Is er geen volledige schorsing meer, dan is dus niet artikel 80 van de Arbeidsovereenkomstenwet maar enkel artikel 4, laatste lid, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars van toepassing. Bijgevolg moet worden nagegaan of de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de geïntimeerde op 27 maart 2000 nog geschorst was overeenkomstig artikel 31 van de Arbeids-overeenkomstenwet. 5.2.2. Het einde van de arbeidsongeschiktheid van de geïntimeerde Het is natuurlijk niet omdat de eigen arts van de geïntimeerde op 27 oktober 1999 attesteerde dat deze laatste tot en met 30 april 2000 arbeidsongeschikt zou zijn (stuk 2 van de appellante), dat dit inderdaad het geval is geweest. Het ging evident maar om een prognose. De geïntimeerde kan heel goed vroeger dan voorzien arbeidsgeschikt geworden zijn. Het is ook mogelijk dat hij langer dan voorzien arbeidsongeschikt is gebleven. De getuigschriften zijn dus niet relevant om de situatie van de geïntimeerde op 27 maart 2000 te beoordelen. Al evenmin kan het Arbeidshof enig belang hechten aan het feit dat het getuig-schrift van dr. G. Declercq op 27 maart 2000 de geïntimeerde vanaf de voornoemde datum genezen verklaarde, of dat in het deskundigenverslag van dr. Bynens en in het eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde 26 maart 2000 wordt vooropgesteld als laatste dag van de periode van arbeidsongeschiktheid. Wat er in casu is gebeurd, is vrij duidelijk. Nà zijn ontslag heeft de geïntimeerde goed geïnspireerd minstens goed geïnformeerd zijn arts geraadpleegd en heeft hij hem laten attesteren dat hij op dat ogenblik niet langer arbeidsongeschikt was. Aan de deskundige heeft hij, met het voormelde getuigschrift in de hand, op 15 juni 2000 verklaard dat hij vanaf 27 maart 2000 niet langer arbeidsongeschikt was en de deskundige heeft bij gebrek aan gegevens die deze bewering tegenspraken, deze datum in zijn verslag overgenomen. Bij gebrek aan enige betwisting heeft ook de arbeidsrechtbank dit gegeven overgenomen. Nog afgezien van het feit dat alles dus terug te brengen is tot het initiatief van de geïntimeerde zelf, is het natuurlijk zo dat het begrip arbeidsongeschiktheid in de Arbeidsongevallen-wet niet overeenstemt het begrip arbeidsongeschiktheid in de Arbeidsovereenkomstenwet. Om die reden acht het Arbeidshof het niet relevant voor welke periode de geïntimeerde daadwerkelijk de vergoedingen van de Arbeidsongevallenwet ontving. Het is niet omdat de geïntimeerde tot en met 26 maart 2000 deze vergoedingen ontving, dat hij tot dan werkelijk arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het is trouwens ook niet aan de geïntimeerde te wijten dat met een vroegere gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid geen rekening werd gehouden door de deskundige. Wat wél relevant is, is de verklaring van vijf collega's van de geïntimeerde, onder-tekend op 3 april 2000 (stuk 5 van de geïntimeerde). Daarin verklaren de betrokkenen dat de geïntimeerde "reeds gedurende twee weken, voorafgaand aan zijn ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, voluit meetrainde met de groepstrainingen" van de appellante. De trainer van de appellante verklaarde op 2 juni 2002 ( ) wel dat de geïntimeerde "in de derde periode van het seizoen" "op het ogenblik van de groepstrainingen" "individuele loopoefeningen" deed en dat hij pas "voor de eerste keer met de groep op 70 % meetrainde" na zijn ontslag. Nog afgezien dat het niet valt in te zien hoe de geïntimeerde nog zou hebben getraind nà zijn ontslag, is deze verklaring minder geloofwaardig, nu zij slechts van één persoon uitgaat en bovendien pas nà het begin van de procedure werd afgeleverd. Essentieel, en de eerste rechter heeft dit onderkend, is het feit dat de geïntimeerde medio maart 2000 hoe dan ook al deelnam aan de trainingen van de appellante, weze het "voluit", weze het individueel, vermits dit erop wijst dat hij op dat ogenblik de arbeidsovereenkomst opnieuw uitvoerde en niet langer arbeidsongeschikt was, minstens niet volledig. Deelname aan trainingen behoort immers tot het voorwerp van de arbeidsovereenkomst. Het Arbeidshof neemt aan dat de appellante, wanneer zij van oordeel was dat de geïntimeerde nog altijd volledig arbeidsongeschikt was gebleven, hem zou belet hebben om aan die trainingen deel te nemen, ook "individueel". Het onderscheid tussen een volwaardige training als lid van de spelersgroep en een aan de persoon aangepaste training is overigens niet te maken. De appellante heeft de geïntimeerde tot de training toegelaten en aldus aanvaard dat hij in staat was het overeengekomen werk minstens gedeeltelijk terug te verrichten. Er is ook geen reden aan te nemen dat de bepalingen van de artikelen 1.6 tot en met 1.8 van de arbeidsovereenkomst niet werden nageleefd, d.w.z. dat de geïntimeerde op de trainingen niet aanwezig was met medeweten en goedkeuring van het bestuur van de appellante en van de clubarts. Men kan integendeel aannemen dat de appellante de geïntimeerde zo vlug mogelijk speelklaar wilde maken. Zoals reeds gezegd maakt ook een gedeeltelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst een einde aan de schorsing overeenkomstig artikel 31 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Op 27 maart 2000 was reeds geruime tijd een einde gekomen aan de schorsing overeenkomstig artikel 31 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De appellante kon de arbeids-overeenkomst dus niet beëindigen met toepassing van artikel 80 van deze Wet. 5.2.3. Over de opzeggingsvergoeding 5.2.3.1. Nu de appellante de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd op on-regelmatige wijze, want zonder dringende reden, heeft beëindigd, is zij hem een ontslagvergoe-ding verschuldigd, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, laatste lid, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars. Deze vergoeding is "gelijk aan het bedrag van het tot het verstrijken van de termijn verschuldigd loon". "Deze vergoeding mag echter niet meer belopen dan het dubbel van die bepaald in artikel 5, lid 2" van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars. De arbeidsovereenkomst was gesloten met een termijn die zou lopen tot 30 juli 2001. De periode "tot het verstrijken van de termijn" omvat aldus vijftien maanden en enkele dagen. De geïntimeerde beperkt zijn vordering tot een termijn van vijftien maanden. Artikel 5, tweede lid, eerste volzin, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars stelt dat, "indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten, (...) de partij die de overeenkomst verbreekt zonder dringende reden of zonder de bepalingen van het eerste lid van dit artikel in acht te nemen (d.w.z. zonder opzegging), gehouden (
- is)tot de betaling van een vergoeding waarvan het bedrag door de Koning zal worden bepaald op advies van het bevoegd Nationaal Paritair Comité". Eén en ander is gebeurd in het K.B. van 10 januari 1997 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (B.S., 22 januari 1997), toepasselijk van 22 januari 1997 tot 1 juli 2000. Artikel 1, 3°, van dit besluit bepaalt dat, indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten is, de partij die de overeenkomst verbreekt zonder dringende reden of zonder de bepalingen van artikel 5, eerste lid, van de Wet Betaalde Sport-beoefenaars in acht te nemen, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst (zie over dit begrip, B. LIETAERT, "De vergoeding verschuldigd bij onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars", T. Sport, 1997, 79-80), overeenstemmend met twaalf maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 1.200.000 frank zonder 3.600.000 frank te overschrijden. In casu was het jaarloon hoger dan 1.200.000 frank (zie hierna) en overschreed het 3.600.000 frank niet. De termijn die voor het bepalen van de ontslagvergoeding in artikel 4, laatste lid, van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars in aanmerking komt is dus gelijk aan tweemaal twaalf maanden hetzij vierentwintig maanden. Dit is echter meer dan de vijftien maanden die nog zouden verstrijken tot het einde van de termijn. Enkel die laatste termijn komt dus in aanmerking. 5.2.3.2. Het lopend loon dat in aanmerking komt om de ontslagvergoeding te be-palen omvat het vast maandloon (65.000 frank per maand) en de premies per behaald punt (400.000 frank per jaar). Hierover is er geen betwisting. Onenigheid is er enkel over de begroting van de waarde van het privaat gebruik van de bedrijfswagen. Het Arbeidshof volgt de eerste rechter waar hij vertrekt van de in de overeenkomst geraamde waarde van 20.000 frank per maand doch rekening houdt met de waarde van het professioneel gebruik. Zodoende blijkt als voordeel slechts een maandelijks bedrag van 3/5 van 20.000 frank hetzij 12.000 frank per maand of 144.000 frank per jaar in aanmerking te komen. Het jaarloon van de geïntimeerde beliep aldus 1.324.000 frank of 110.333 frank per maand. De ontslagvergoeding is gelijk aan 1.654.995 frank. Hierop dient de reeds ontvangen ontslagvergoeding in mindering te worden gebracht. Het gaat om een som van 146.736 frank netto of 328.332 frank bruto (stuk 9 van de appellante). Er is geen reden waarom het beschikkend gedeelte van de uitspraak zou moeten beperkt worden tot de vaststelling dat een netto-bedrag werd betaald. Aldus is nog slechts het verschil van 1.326.663 frank hetzij van 32.887,12 euro verschuldigd. Het hoofdberoep is gedeeltelijk gegrond. Het incidenteel beroep is ongegrond. 5.2.4. Over de puntenpremies De geïntimeerde betwist niet dat hij de puntenpremies ontving voor de periode tot en met 30 september 1999. Naar het oordeel van het Arbeidshof toont hij niet aan dat hij voor de navolgende periode nog recht heeft op enige premie, noch voor de periode van gewaarborgd loon in artikel 70 van de Arbeidsovereenkomstenwet, noch voor de daaropvolgende periode. Er is dus ook geen reden om enige provisie toe te kennen. Het hoofdberoep is gegrond. 5.2.5. Over de sociale documenten De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het zijn taak niet was - voorbehoud gemaakt voor de loonfiches - te gaan raden welke (verbeterde) sociale of fiscale documenten de geïntimeerde nog wenste te ontvangen. Het Arbeidshof is hetzelfde oordeel toegedaan. Dit onderdeel van de vordering is bijgevolg ongegrond. Wat de loonfiches betreft moet het oordeel van de eerste rechter bijgetreden wor-den dat voor de periode vanaf 1 april 2000 geen loonafrekeningen meer moesten gebeuren en dat de geïntimeerde niet aantoont dan enige verbetering van de afgegeven loonfiches aan-gewezen is. Het incidenteel beroep is ongegrond. 5.2.6. Over de gerechtskosten Het komt aangewezen voor de gerechtskosten verbonden aan de procedure in hoger beroep over de partijen om te slaan. Gelet op het zeer beperkt voordeel dat de appellante uit haar hoofdberoep heeft gehaald, dient zij toch verwezen te worden in vier vijfden van deze kosten. HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenstaande gronden, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24 van die wet, Alle andere en strijdige conclusies verwerpende, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het hoofdberoep ongegrond in zoverre het is gericht tegen het tussenvonnis van 6 januari 2003 van de Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer (A.R. nr. 149.574/00). Bevestigt dit vonnis in al zijn onderdelen. Verklaart het incidenteel beroep ongegrond. Verklaart het hoofdberoep gedeeltelijk gegrond in zoverre het is gericht tegen het eindvonnis van 23 juni 2003 van de Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer. Vernietigt dit vonnis in zoverre het de appellante veroordeelt tot het betalen aan de geïntimeerde van 41.026,25 euro als opzeggingsvergoeding en 0,02 euro provisioneel als "afrekening voor punten", vermeerderd met intrest, alsook in zoverre het aan de geïntimeerde akte geeft van de ontvangst van 3.637,49 euro netto. Opnieuw wijzende, Veroordeelt de appellante tot het betalen aan de geïntimeerde als opzeggings-vergoeding van 32.887,12 euro (TWEEENDERTIGDUIZEND ACHTHONDERD ZEVENEN-TACHTIG EURO TWAALF CENT), vermeerderd met wettelijke intrest vanaf 27 maart 2000 tot en met 29 oktober 2000 en met gerechtelijke intrest vanaf 30 oktober 2000, telkens op het nettobedrag. Slaat de kosten van de procedure in ho-ger beroep over de partijen om en zegt voor recht dat de appellante vier vijfden en de geïntimeerde één vijfde van deze gerechtskosten zal dragen. Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten als volgt: x aan de zijde van de appellante (zoals gevorderd): - vaste rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 267,73 euro x aan de zijde van de geïntimeerde (zoals gevorderd): - vaste rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 267,73 euro. Aldus uitgesproken op maandag tien mei tweeduizend en vier in openbare te-rechtzitting door de tweede kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting hadden Jan Herman, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Christian De Ryck, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Roland Huylebroeck, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende en Ronan Van Hecke, griffier. w.g. R. Van Hecke - R. Huylebroeck - C. De Ryck - J. Herman. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040510.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div