id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040604.2 Rolnummer: 19003 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 00:29 Fiche
(1973), p. 95). Het is in het kader van het voor-liggend geschil niet onbelangrijk dit beginsel in herinnering te brengen. Een verklaring van aansluiting moet bovendien krachtens de wettelijke en ver-ordenende bepalingen vanzelfsprekend door de verzekeringsplichtige zelfstandige zelf wor-den ondertekend (cf. Sociaal Statuut, Commentaar, uitgegeven door het R.S.V.Z., CS. 312). En ongeacht het huwelijksvermogenstelsel, moet de verzekeringsplichtige zelfstandige ei-genmachtig zijn aansluiting tot stand brengen (cf. het artikel 1417 B.W., naar luid waarvan de echtgenoot die een beroep uitoefent alle daartoe noodzakelijke bestuurshandelingen alleen verricht; Sociaal Statuut, Commentaar, uitgegeven door het R.S.V.Z., CS. 317). De betwiste verklaring van 24 september 1984, die de v.z.w. S.V. V.E.V. voorlegt, kan dus niet als een aansluitingsverklaring van M. V.d.V. bij die sociale verzekeringskas worden aangezien, want zij werd niet door haar ondertekend. Het is daarenboven tevergeefs dat de v.z.w. S.V. V.E.V. (onder verwijzing naar het "Handboek Burgerlijk Recht" van René Dekkers) wat dat betreft appelleert aan de (door M. V.d.V. betwiste) "stilzwijgende" lastgeving, m.n. die tussen echtgenoten, welke op basis van de gewoonte algemeen als geldige lastgeving wordt erkend. Vooreerst laat het Arbeidshof in dat verband opmerken dat die zo-even genoemde auteur-hoogleraar in zijn in 1971 gepubliceerd standaardwerk (cf. nr. 1268) de zogeheten stilzwijgende lastgeving met betrekking tot echtelieden enkel illustreert door te verwijzen naar het "huishoudelijk mandaat (aan de gehuwde vrouw)", juridische constructie waarvan de noodzaak echter volledig verdween met de invoering van de Wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijks-vermogensstelsels (B.S. 18 september 1976). Verder moet worden onderstreept dat het bestaan van een lastgevingsovereen-komst in beginsel niet wordt vermoed, zodat het door diegene die het inroept moet worden bewezen, wat de v.z.w. S.V. V.E.V. te dezen evenwel niet doet, spijts de betwisting door M. V.d.V. (cf. SIMONT, L. & DE GAVRE, J., "Examen de jurisprudence (1969-1975), Les con-trats spéciaux", R.C.J.B. 1977, nr. 253, p. 381-382; TILLEMAN, B., Lastgeving, A.P.R., nrs. 172 en 183). Het boven reeds aangehaalde Commentaar van het R.S.V.Z. vestigt er trou-wens de aandacht op dat "om latere bewijsmoeilijkheden te vermijden (...) het aangewezen (
- is)om een schriftelijke volmacht te eisen die voldoende gespecifieerd is en uitdrukkelijk en waarin de toestemming van de lastgever en de lasthebber tot het verrichten van de rechts-handelingen tot uiting komt" (cf. C.S.323/1). In deze leidraad worden de sociale verzeke-ringskassen door die openbare instelling dus gewaarschuwd. Het is verder opmerkelijk en het vermelden waard: - primo, dat de v.z.w. S.V. V.E.V. als volgt concludeert: "Op 26.2.1985 ontving concluante een niet ondertekende ereverklaring stopzetting. Rekening houdend met dit document en met de bevestiging van stopzetting door de B. D. acteerde concluante de stopzetting met ingang van 31.10.1984 (brief 25.3.1985: stuk 16 bundel i.v.m. stopzetting in 1984)"; - secundo, dat het R.S.V.Z. naderhand, nl. op 16 november 1988 (cf. het postmerk), aan M. V.d.V. het in het artikel 3 van het boven vermelde K.b. van 19 december 1967 bedoelde ter post aangetekend schrijven heeft verstuurd, houdende ingebrekestel- ling om binnen de 30 dagen aan te sluiten bij een door haar gekozen sociaal verzeke- ringsfonds, bij gebreke waarvan zij ambtshalve zou worden aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. De openbare instelling, die het R.S.V.Z. is, heeft nu precies tot opdracht na te gaan of de personen die onderworpen zijn aan het K.b. nr. 38, bij een sociale verzekeringskas zijn aangesloten; het R.S.V.Z. houdt bovendien het algemeen repertorium van de onderworpenen bij (cf. artikel 21, ,§ 2, eerste lid, 1° en 2° K.b. nr. 38 van 27 juli 1967). Moest M. V.d.V. toen al rechtsgeldig bij een sociaal verzekeringsfonds aangesloten zijn geweest, dan zou het versturen door het R.S.V.Z. van die ingebrekestelling op 19 november 1988 natuurlijk volslagen zinledig geweest zijn. De (niet betwiste: zie verder) stopzetting van de zelfstandige bezigheid in 1985 (cf. de kwartalen waarop de litigieuze vordering betrekking heeft) onderbrak hoe dan ook niet alleen de verzekeringsplicht, maar eveneens de in voorkomend geval voorheen bestaande aansluiting (bij hervatting van een zelfstandige activiteit moet dus een nieuwe aansluiting plaatsgrijpen). En, ten slotte, wordt een bewijs van (nieuwe) aansluiting bij de v.z.w. S.V. V.E.V., dagtekenend van na die zo-even genoemde hervatting van zelfstandige bezigheid en die dito ingebrekestelling door het R.S.V.Z., al evenmin voorgelegd. Integendeel, die sociale verzekeringskas bevestigt zelfs in haar jongste, ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies dat M. V.d.V. aan haar schriftelijke vraag de aansluitings-verklaring te ondertekenen (cf. haar uitnodiging daartoe via brief van 12 december 1988 aan betrokkene) "klaarblijkelijk", i.e. ontegenzeggelijk, geen gevolg gaf... Terecht onderstreept M. V.d.V. aldus dat zij betrekkelijk het litigieuze tweede tijdvak van zelfstandige bezigheid hoogstens ambtshalve aangesloten had kunnen worden bij de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, wat echter kennelijk ook al niet geschiedde. x x x Naar luid van het artikel 15, ,§ 1, eerste lid, K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 worden de verschuldigde bijdragen geïnd door de sociale verzekeringskas bedoeld in het artikel 20, ,§ 1 of ,§ 3, waarbij de onderworpene is aangesloten. Bovendien zijn die inningsorganismen belast met de invordering van de bijdra-gen, zo nodig langs gerechtelijke weg (cf. artikel 16, ,§ 1 K.b. nr. 38 van 27 juli 1967). M. V.d.V. refereert ook terecht aan het artikel 20, ,§ 1, vierde lid,
- a)van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967, bepalend dat de vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen tot opdracht hebben van "hun" aangeslotenen de bijdragen te innen, verschuldigd krachtens dit besluit, en in voorkomend geval, de gerechtelijke invorderingen ervan te vervolgen. Nu de vrije sociale verzekeringskas voor zelfstandigen "S. V. V.E.V." v.z.w. niet bewijst dat M. V.d.V. bij haar als zelfstandige aangesloten was, meet zij zich te dezen onterecht de hoedanigheid van werkelijke schuldeiseres van die fysieke persoon aan en heeft zij m.a.w. niet eens de vereiste hoedanigheid, m.n. die van het inningsorganisme, wettelijk belast met het invorderen ten laste van M. V.d.V. van sociale bijdragen en van al wat er bij hoort. De hier besproken opgeworpen exceptie is terecht: haar rechtsvordering, als bedoeld in het artikel 16, ,§ 1 K.b. nr. 38 van 27 juli 1967, kan inderdaad te dezen niet worden toegelaten op grond van het artikel 17 Ger.W., luidend: "De rechtsvordering kan niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen". De v.z.w. S.V. V.E.V. bewijst immers niet ten aanzien van M. V.d.V. titularis te zijn van een recht tot invordering; zij kan derhalve dat recht in casu niet uitoefenen (cf. VAN REEPINGHEN, Ch., Verslag over de rechterlijke hervorming, p. 43-44). Hieraan doet volgens het Arbeidshof niet af: - primo, het (overigens op zich niet eens bewezen) feit dat M. V.d.V. de voorlopige sociale bijdragen betrekkelijk de laatste twee kwartalen van 1984 zou hebben betaald (cf. het rekeninguittreksel van de sociale verzekeringskas, gehecht aan de inleidende dagvaarding: 6.879 BEF en 6.991 BEF) (zij hebben trouwens betrekking op het voormelde eerste tijdvak van zelfstandige bezigheid, m.n. de periode voorafgaand aan de boven aangehaalde, door de v.z.w. S.V. V.E.V. op 31 oktober 1984 doorgevoerde schrapping; immers, steunend op het voorliggend verslag van het R.S.V.Z. (cf. de boven aangehaalde R.S.V.Z.-brief van 11 juli 1991 aan de v.z.w. S.V. V.E.V.) was er in geen geval verzekeringsplicht als zelfstandige van 1 januari 1985 tot en met 30 september 1985, zodat er hoe dan ook in de zelfstandige beroepsloopbaan van M. V.d.V. een cesuur van meerdere kwartalen is geweest; het Arbeidshof stelt trouwens vast dat de v.z.w. S.V. V.E.V. in casu geen sociale bijdragen vordert aangaande de vier kwartalen van 1985 en de eerste twee kwartalen van 1986, dus over een zelfs langere periode); - secundo, het feit dat M. V.d.V. op 28 oktober 1991 een aanvraag bij de bevoegde Commissie van het Ministerie van Middenstand heeft ingediend, teneinde vrijstelling te bekomen voor de driemaandelijkse regularisatiebijdragen en de dito bijdragen (het voorliggend stuk, zijnde de beslissing van die Commissie van 4 november 1993, heeft immers betrekking op de beoordeling van de al dan niet bestaande staat van behoefte van M. V.d.V. en niet op de hier in eerste instantie ter discussie staande hoedanigheid van sociaal verzekeringsfonds van M. V.d.V. in hoofde van de v.z.w. S.V. V.E.V.); - tertio, het feit dat M. V.d.V. schriftelijk om de toepassing van het artikel 37 van het meergenoemde K.b. van 19 december 1967 verzocht (gelijkstelling als gehuwde vrouw met bijberoep), zijnde, naast haar identiteitskaart, het enige voorliggende stuk dat zij zelf heeft ondertekend: het heeft betrekking op de onderwerping van M. V.d.V. aan het sociaal statuut der zelfstandigen, maar niet op de hier in betwisting staande hoedanigheid van sociaal verzekeringsfonds van M. V.d.V. in hoofde van de v.z.w. S.V. V.E.V.; - quarto, de ereverklaring van stopzetting der zelfstandige activiteiten sinds 31 december 1992, die de v.z.w. S.V. V.E.V. voorlegt: dit stuk werd op 28 december 1992 ondertekend door een niet nader identificeerbaar persoon; de erop voorkomende handtekening is in ieder geval niet die van M. V.d.V., en al evenmin die van haar echtgenoot J. D. V.. x x x 3. Aangezien de oorspronkelijke vordering niet toelaatbaar is, moet het Arbeidshof de overige door de partijen ontwikkelde middelen (die betrekking hebben op de vraag of M. V.d.V. al dan niet verzekeringsplichtig was aan het sociaal statuut der zelfstandigen uit hoof-de van haar activiteiten, inzonderheid die als bedeelster van "D. S.") niet meer ontmoeten. x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzon-derheid het artikel 24. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd op 26 maart 2004 door de heer Patrick Bricout, Eerste Advocaat-generaal, Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van 11 maart 2003 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent. En, opnieuw wijzend, verklaart de oorspronkelijke vordering van de v.z.w. S.V. V.E.V. niet toelaatbaar. Legt de proceskosten van de beide aanleggen ten laste van de v.z.w. S.V. V.E.V., overeenkomstig het artikel 1017, eerste lid, Ger.W.. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten als volgt: x aan de zijde van M. V.d.V.: - in eerste aanleg: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 200,79 euro - in hoger beroep: - uitgavenvergoeding: 57,02 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding: 273,67 euro x aan de zijde van de v.z.w. S.V. V.E.V. (zoals gevorderd): - in eerste aanleg: - kosten van dagvaarding: 96,26 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding: 196,33 euro - in hoger beroep: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 267,71 euro. Aldus uitgesproken op vrijdag vier juni tweeduizend en vier, in openbare terecht-zitting door de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden: Gregor Vande Vyver, Kamervoorzitter in het Arbeidshof, Viviane Verwilghen, Raadsheer in het Arbeidshof, Frank Schelstraete, Raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, en Ronan Van Hecke, Griffier. get. R. Van Hecke - F. Schelstraete - V. Verwilghen - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040604.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div