← België

ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040604.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040604.2 Rolnummer: 19003 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 00:29 Fiche

  1. Aansluiting bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen ; bewijs; de verklaring van aansluiting moet door de verzekeringsplichtige zelfstandige zelf worden ondertekend, lastgeving wordt niet vermoed, maar moet worden bewezen door de inroepende partij.
  2. Alleen de sociale verzekeringskas waar de zelfstandige bij aangelsoten is, heeft de hoedanigheid (artikel 17 GER.W.) van inningsorganisme, wettelijk belast met het invorderen van de sociale bijdragen ten laste van de zelfstandige. Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT
  3. Art. 10 par. 1 K.B. nr. 38 van 27 juli 196 houdende inrichting van het scoiaal statuut der zelfstandigen.
  4. Art. 16 par. 1 K.B. nr. 38 van 27 juli
  5. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 16 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Nota: Gepubl. : S.R.K. 2005, p.
  6. Gepubl. : J.T.T. 2004, p.
  7. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2004(P.514) Tekst van de beslissing A.R. nr.: 190/03 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER JUNI TWEEDUIZEND EN VIER. IN DE ZAAK VAN: V.d.V. M., wonende te APPELLANTE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. V. Cauwels, loco Mr. P. Michielsen, advocaat te Gent (Sint-Denijs-Westrem), TEGEN : S.V. V.E.V., v.z.w., met zetel GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. M.M. Bouckaert, loco Mr. G. Lambrechts, advocaat te Antwerpen. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van 11 maart 2003 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent, op tegenspraak gewezen in de zaak van partijen, dragend het volgnummer 118.925/95 van de algemene rol. Van dat vonnis wordt geen betekening voor-gebracht. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 4 juni
  8. De partijen werden in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclu-sies gehoord ter openbare terechtzitting van 5 maart 2004, waarna de debatten werden ge-sloten. Het Openbaar Ministerie heeft zijn schriftelijk advies ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd op 26 maart 2004, waarna de zaak in beraad werd genomen op 7 mei 2004 om uitspraak te doen op heden. x x x Bij dagvaarding betekend op 20 maart 1995 door gerechtsdeurwaarder Philippe Dekeyser, met standplaats te Gent, vorderde de v.z.w. S.V. V.E.V., oorspronkelijk eiseres en thans geïntimeerde, de veroordeling van M. V.d.V., oorspronkelijk verweerster en thans appellante, tot betaling van 917.300 BEF, hetzij 22.739,27 euro, meer de gerechtelijke intresten op 916.831 BEF, hetzij 22.727,65 euro, en de gerechtskosten wegens sociale bijdragen, verhogingen en kosten in het raam van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 (houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) betrekkelijk de vier kwartalen van de jaren 1982, 1983 en 1984, het derde en vierde kwartaal van 1986, en de vier kwartalen van de jaren 1987 tot en met
  9. In haar op 6 maart 1998 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde con-clusies vorderde M. V.d.V. dat die vordering onontvankelijk, ontoelaatbaar of minstens onge-grond zou worden verklaard. Op eensluidend advies van het Openbaar Ministerie verklaarde het bestreden vonnis van 11 maart 2003 de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde M. V.d.V. om aan de v.z.w. S.V. V.E.V. te betalen de som van 22.739,27 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de dagvaarding op het bedrag van 22.727,65 euro, meer de kosten van het geding. Voor recht werd gezegd dat er geen aanleiding bestond om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. x x x In hoger beroep vordert M. V.d.V. haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, derhalve het bestreden vonnis teniet te doen, en, opnieuw wijzend, de oorspronke-lijke vordering van de v.z.w. S.V. V.E.V. integraal af te wijzen, met veroordeling van die partij tot de kosten van de beide aanleggen. M. V.d.V. voert op de eerste plaats als grief aan dat de oorspronkelijke vorde-ring van de v.z.w. S.V. V.E.V. ontoelaatbaar is, aangezien zij nooit tot haar aangeslotenen heeft behoord. Zij heeft nooit een aansluitingsverklaring ondertekend, zodat het de v.z.w. S.V. V.E.V. aan belang en hoedanigheid ontbrak om haar te dagvaarden. Volgens de v.z.w. S.V. V.E.V. zou haar echtgenoot die aansluitingsverklaring hebben ondertekend. Hij zou hier-toe de bevoegdheid hebben gehad op grond van de zogenaamde stilzwijgende lastgeving, bewering die volgens M. V.d.V. werkelijk nergens op slaat. Het bestaan van zo'n lastgeving aannemen zou regelrecht indruisen tegen het huidige huwelijksvermogenrecht en de gelijkheid tussen de echtgenoten. Niemand heeft een mandaat om documenten in te vullen die betrekking hebben op de beroepswerkzaamheid van de echtgeno(o)t(e), tenzij die hem of haar daartoe heeft gemachtigd. In casu was dat niet geval, zodat er van enige lastgeving en derhalve van enige geldige aansluiting in het geheel geen sprake kan zijn. Tevens is zij de mening toegedaan dat de vordering van de v.z.w. S.V. V.E.V. volkomen ongegrond is, nu zij de taak van publiciteitsuitdrager uitoefende in het kader van een arbeidsovereenkomst. Uit het geheel van de omstandigheden waarin zij haar taken uit-oefende, blijkt dat zij onder gezag stond. De eerste rechter oordeelde volgens haar ten onrechte dat zij niet onder gezag stond. Door eenvoudigweg naar andere rechtspraak te verwijzen, zonder te motiveren waar-om hij zich bij die rechtspraak aansloot en de door haar naar voren gebrachte indicaties van ongeschiktheid zonder meer terzijde te schuiven, miskende de eerste rechter het in het arti-kel 6 Ger.W. opgenomen verbod om bij wege van algemene en als regel geldende beschik-king uitspraak te doen. Het toepassingsgebied van de respectievelijke socialezekerheidsregelingen is van openbare orde, zodat door de rechter moet worden nagegaan of de betrokkene al dan niet onder gezag stond en derhalve door een arbeidsovereenkomst was verbonden. Of iemand al dan niet onder gezag staat, is een feitelijke kwestie die aan de hand van een aantal criteria moet worden beoordeeld. Uit de omstandigheden waarin zij haar taken uitoefende, blijkt dat zij met D. S. verbonden was door een arbeidsovereenkomst. De organisatie van het werk werd volledig door D. S. bepaald. D. S. leverde de publiciteit op be-paalde dagen bij haar thuis, hetgeen betekent dat zij zich op die dagen ter beschikking dien-de te houden om de publiciteit in ontvangst te nemen. Zij kon al evenmin het ogenblik kiezen waarop zij de publiciteit zou verdelen, aangezien die telkens moest bezorgd zijn tegen res-pectievelijk woensdagavond of vrijdagavond. Volgens M. V.d.V. kan er geen twijfel over be-staan dat, wanneer de organisatie van het werk in dergelijke mate op de opdrachtgever rust, er geen sprake kan zijn van een overeenkomst inzake zelfstandige samenwerking, maar en-kel van een tewerkstelling onder gezag. De verplichting precieze instructies op te volgen bij de uitvoering van de over-eengekomen arbeid wijst evenzeer op het bestaan van een band van ondergeschiktheid. Andere elementen die in casu belangrijk zijn en die wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst zijn het feit dat de economische en financiële organisatie volledig in handen was van D. S., dat zij geen enkel bedrijfsrisico droeg en dat zij derhalve in een toestand van economische afhankelijkheid verkeerde ten opzichte van D. S.. Aldus M. V.d.V.. x x x De v.z.w. S.V. V.E.V. vordert van haar kant de bevestiging van het bestreden vonnis. x x x DE BEOORDELING.
  10. Betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ontvankelijk is. x x x
  11. Betreffende de exceptie van niet toelaatbaarheid. Naar luid van een brief van 11 juli 1991 van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (R.S.V.Z.), gericht aan de v.z.w. S.V. V.E.V. had M. V.d.V. de volgende zelfstandige activiteiten: "- herbergierster: te Evergem van 20.2.82 tot 30.4.83 te Gent van 12.5.83 tot 19.6.84 - winkelierster: van 5.10.85 tot 30.6.86 - publiciteitsuitdraagster: van september 1984 tot 30.10.1984 van augustus 1985 tot heden." Het R.S.V.Z. schreef daarin verder: "Op basis van dit alles kunnen wij haar verzekeringsplicht in het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen als volgt bepalen: - van 20.2.82 tot 31.10.84 - van 5.10.85 tot heden. De verjaring werd gestuit door ons aangetekend schrijven dd. 16.11.88 (zie fo-tocopie). Volgens de fiscus genoot zij volgende netto-bedrijfsinkomsten: - 1982: 350.000 1987: 220.540 - 1983: 132.140 1988: 227.026 - 1984: 68.822 1989: 172.867 - 1985: 100.706 1990: nog niet in ons bezit - 1986: 160.821." De litigieuze vordering van de v.z.w. S.V. V.E.V. heeft betrekking op twee verschillende tijdvakken, waarvoor zij sociale bijdragen vordert: - enerzijds, betrekkelijk de periode lopend vanaf het eerste kwartaal van 1982 tot en met het vierde kwartaal van 1984; - anderzijds, betrekkelijk het tijdvak lopend vanaf het derde kwartaal van 1986 tot en met het vierde kwartaal van
  12. Krachtens het artikel 10, ,§ 1 K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 (houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) is ieder persoon die aan dit besluit is onderworpen, ertoe gehouden aan te sluiten bij één der vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandi-gen, waarvan sprake in het artikel 20, ,§ 1, of de Nationale Hulpkas, bedoeld in het artikel 20, ,§
  13. M. V.d.V., die beklemtoont dat zij vóór eind 1991 van de v.z.w. S.V. V.E.V. nooit enige vraag tot betaling van sociale bijdragen heeft ontvangen (de voorliggende eerste uitno-diging tot betaling betreft trouwens een regularisatiestaat van 31 juli 1991), werpt als eerste middel op dat de oorspronkelijke vordering van die sociale verzekeringskas voor zelfstandi-gen ontoelaatbaar is, nu zij nooit tot haar aangeslotenen heeft behoord. Zij roept in dat zij nooit of te nimmer enige aansluitingsverklaring bij de v.z.w. S.V. V.E.V. heeft ondertekend. Dit laatste wordt zelfs door de v.z.w. S.V. V.E.V. niet eens betwist, doch die so-ciale verzekeringskas liet in eerste aanleg het volgende gelden: "Op 24.9.1984 wordt aan concluante een 'aansluitingsverklaring' bezorgd op naam van ver-weerster, M. V.d.V., gehuwd met D.V. J., met vermelding van 'zelfstandig uitdrager' vanaf 24.9.1984 (stuk 3). Het stuk is ondertekend door de echtgenoot van verweerster, de heer D. V. J.". Naar luid van het artikel 10, ,§ 2, 1° K.b. nr. 38 bepaalt de Koning hoe en binnen welke termijn de aansluiting bij één der sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen plaatsgrijpt. M. V.d.V. herinnert er in dat verband terecht aan: - dat het artikel 6, eerste lid, van het K.b. van 19 december 1967 (houdende algemeen reglement in uitvoering van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) sinds het K.b. van 25 januari 1991 ( B.S. 16 april 1991) luidt: "Om bij een sociaal verzekeringsfonds aan te sluiten moet de verzekeringsplichtige een verklaring van aansluiting waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Middenstand, in dubbel exemplaar ondertekenen"; - dat de oorspronkelijke tekst van het eerste lid van het voornoemde artikel 6 bijna gelijkluidend was, m.n.: "Om bij een sociale verzekeringskas aan te sluiten moet de onderworpene een verklaring van aansluiting, opgesteld in dubbel en met de elementen opgelegd door de Minister van Middenstand, ondertekenen". Het door de regelgever van 1967 zelf gewilde principe van de vrijheid van keuze voor de zelfstandige van het sociaal verzekeringsfonds waarbij hij zal aansluiten, lag immers aan de basis van de administratieve organisatie van het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat werd ingevoerd met het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 (cf. BERGER, J.M., "Le droit social du travail indépendant", LARCIER

(1973), p. 95). Het is in het kader van het voor-liggend geschil niet onbelangrijk dit beginsel in herinnering te brengen. Een verklaring van aansluiting moet bovendien krachtens de wettelijke en ver-ordenende bepalingen vanzelfsprekend door de verzekeringsplichtige zelfstandige zelf wor-den ondertekend (cf. Sociaal Statuut, Commentaar, uitgegeven door het R.S.V.Z., CS. 312). En ongeacht het huwelijksvermogenstelsel, moet de verzekeringsplichtige zelfstandige ei-genmachtig zijn aansluiting tot stand brengen (cf. het artikel 1417 B.W., naar luid waarvan de echtgenoot die een beroep uitoefent alle daartoe noodzakelijke bestuurshandelingen alleen verricht; Sociaal Statuut, Commentaar, uitgegeven door het R.S.V.Z., CS. 317). De betwiste verklaring van 24 september 1984, die de v.z.w. S.V. V.E.V. voorlegt, kan dus niet als een aansluitingsverklaring van M. V.d.V. bij die sociale verzekeringskas worden aangezien, want zij werd niet door haar ondertekend. Het is daarenboven tevergeefs dat de v.z.w. S.V. V.E.V. (onder verwijzing naar het "Handboek Burgerlijk Recht" van René Dekkers) wat dat betreft appelleert aan de (door M. V.d.V. betwiste) "stilzwijgende" lastgeving, m.n. die tussen echtgenoten, welke op basis van de gewoonte algemeen als geldige lastgeving wordt erkend. Vooreerst laat het Arbeidshof in dat verband opmerken dat die zo-even genoemde auteur-hoogleraar in zijn in 1971 gepubliceerd standaardwerk (cf. nr. 1268) de zogeheten stilzwijgende lastgeving met betrekking tot echtelieden enkel illustreert door te verwijzen naar het "huishoudelijk mandaat (aan de gehuwde vrouw)", juridische constructie waarvan de noodzaak echter volledig verdween met de invoering van de Wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijks-vermogensstelsels (B.S. 18 september 1976). Verder moet worden onderstreept dat het bestaan van een lastgevingsovereen-komst in beginsel niet wordt vermoed, zodat het door diegene die het inroept moet worden bewezen, wat de v.z.w. S.V. V.E.V. te dezen evenwel niet doet, spijts de betwisting door M. V.d.V. (cf. SIMONT, L. & DE GAVRE, J., "Examen de jurisprudence (1969-1975), Les con-trats spéciaux", R.C.J.B. 1977, nr. 253, p. 381-382; TILLEMAN, B., Lastgeving, A.P.R., nrs. 172 en 183). Het boven reeds aangehaalde Commentaar van het R.S.V.Z. vestigt er trou-wens de aandacht op dat "om latere bewijsmoeilijkheden te vermijden (...) het aangewezen (
  1. is)om een schriftelijke volmacht te eisen die voldoende gespecifieerd is en uitdrukkelijk en waarin de toestemming van de lastgever en de lasthebber tot het verrichten van de rechts-handelingen tot uiting komt" (cf. C.S.323/1). In deze leidraad worden de sociale verzeke-ringskassen door die openbare instelling dus gewaarschuwd. Het is verder opmerkelijk en het vermelden waard: - primo, dat de v.z.w. S.V. V.E.V. als volgt concludeert: "Op 26.2.1985 ontving concluante een niet ondertekende ereverklaring stopzetting. Rekening houdend met dit document en met de bevestiging van stopzetting door de B. D. acteerde concluante de stopzetting met ingang van 31.10.1984 (brief 25.3.1985: stuk 16 bundel i.v.m. stopzetting in 1984)"; - secundo, dat het R.S.V.Z. naderhand, nl. op 16 november 1988 (cf. het postmerk), aan M. V.d.V. het in het artikel 3 van het boven vermelde K.b. van 19 december 1967 bedoelde ter post aangetekend schrijven heeft verstuurd, houdende ingebrekestel- ling om binnen de 30 dagen aan te sluiten bij een door haar gekozen sociaal verzeke- ringsfonds, bij gebreke waarvan zij ambtshalve zou worden aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. De openbare instelling, die het R.S.V.Z. is, heeft nu precies tot opdracht na te gaan of de personen die onderworpen zijn aan het K.b. nr. 38, bij een sociale verzekeringskas zijn aangesloten; het R.S.V.Z. houdt bovendien het algemeen repertorium van de onderworpenen bij (cf. artikel 21, ,§ 2, eerste lid, 1° en 2° K.b. nr. 38 van 27 juli 1967). Moest M. V.d.V. toen al rechtsgeldig bij een sociaal verzekeringsfonds aangesloten zijn geweest, dan zou het versturen door het R.S.V.Z. van die ingebrekestelling op 19 november 1988 natuurlijk volslagen zinledig geweest zijn. De (niet betwiste: zie verder) stopzetting van de zelfstandige bezigheid in 1985 (cf. de kwartalen waarop de litigieuze vordering betrekking heeft) onderbrak hoe dan ook niet alleen de verzekeringsplicht, maar eveneens de in voorkomend geval voorheen bestaande aansluiting (bij hervatting van een zelfstandige activiteit moet dus een nieuwe aansluiting plaatsgrijpen). En, ten slotte, wordt een bewijs van (nieuwe) aansluiting bij de v.z.w. S.V. V.E.V., dagtekenend van na die zo-even genoemde hervatting van zelfstandige bezigheid en die dito ingebrekestelling door het R.S.V.Z., al evenmin voorgelegd. Integendeel, die sociale verzekeringskas bevestigt zelfs in haar jongste, ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies dat M. V.d.V. aan haar schriftelijke vraag de aansluitings-verklaring te ondertekenen (cf. haar uitnodiging daartoe via brief van 12 december 1988 aan betrokkene) "klaarblijkelijk", i.e. ontegenzeggelijk, geen gevolg gaf... Terecht onderstreept M. V.d.V. aldus dat zij betrekkelijk het litigieuze tweede tijdvak van zelfstandige bezigheid hoogstens ambtshalve aangesloten had kunnen worden bij de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, wat echter kennelijk ook al niet geschiedde. x x x Naar luid van het artikel 15, ,§ 1, eerste lid, K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 worden de verschuldigde bijdragen geïnd door de sociale verzekeringskas bedoeld in het artikel 20, ,§ 1 of ,§ 3, waarbij de onderworpene is aangesloten. Bovendien zijn die inningsorganismen belast met de invordering van de bijdra-gen, zo nodig langs gerechtelijke weg (cf. artikel 16, ,§ 1 K.b. nr. 38 van 27 juli 1967). M. V.d.V. refereert ook terecht aan het artikel 20, ,§ 1, vierde lid,
  2. a)van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967, bepalend dat de vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen tot opdracht hebben van "hun" aangeslotenen de bijdragen te innen, verschuldigd krachtens dit besluit, en in voorkomend geval, de gerechtelijke invorderingen ervan te vervolgen. Nu de vrije sociale verzekeringskas voor zelfstandigen "S. V. V.E.V." v.z.w. niet bewijst dat M. V.d.V. bij haar als zelfstandige aangesloten was, meet zij zich te dezen onterecht de hoedanigheid van werkelijke schuldeiseres van die fysieke persoon aan en heeft zij m.a.w. niet eens de vereiste hoedanigheid, m.n. die van het inningsorganisme, wettelijk belast met het invorderen ten laste van M. V.d.V. van sociale bijdragen en van al wat er bij hoort. De hier besproken opgeworpen exceptie is terecht: haar rechtsvordering, als bedoeld in het artikel 16, ,§ 1 K.b. nr. 38 van 27 juli 1967, kan inderdaad te dezen niet worden toegelaten op grond van het artikel 17 Ger.W., luidend: "De rechtsvordering kan niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen". De v.z.w. S.V. V.E.V. bewijst immers niet ten aanzien van M. V.d.V. titularis te zijn van een recht tot invordering; zij kan derhalve dat recht in casu niet uitoefenen (cf. VAN REEPINGHEN, Ch., Verslag over de rechterlijke hervorming, p. 43-44). Hieraan doet volgens het Arbeidshof niet af: - primo, het (overigens op zich niet eens bewezen) feit dat M. V.d.V. de voorlopige sociale bijdragen betrekkelijk de laatste twee kwartalen van 1984 zou hebben betaald (cf. het rekeninguittreksel van de sociale verzekeringskas, gehecht aan de inleidende dagvaarding: 6.879 BEF en 6.991 BEF) (zij hebben trouwens betrekking op het voormelde eerste tijdvak van zelfstandige bezigheid, m.n. de periode voorafgaand aan de boven aangehaalde, door de v.z.w. S.V. V.E.V. op 31 oktober 1984 doorgevoerde schrapping; immers, steunend op het voorliggend verslag van het R.S.V.Z. (cf. de boven aangehaalde R.S.V.Z.-brief van 11 juli 1991 aan de v.z.w. S.V. V.E.V.) was er in geen geval verzekeringsplicht als zelfstandige van 1 januari 1985 tot en met 30 september 1985, zodat er hoe dan ook in de zelfstandige beroepsloopbaan van M. V.d.V. een cesuur van meerdere kwartalen is geweest; het Arbeidshof stelt trouwens vast dat de v.z.w. S.V. V.E.V. in casu geen sociale bijdragen vordert aangaande de vier kwartalen van 1985 en de eerste twee kwartalen van 1986, dus over een zelfs langere periode); - secundo, het feit dat M. V.d.V. op 28 oktober 1991 een aanvraag bij de bevoegde Commissie van het Ministerie van Middenstand heeft ingediend, teneinde vrijstelling te bekomen voor de driemaandelijkse regularisatiebijdragen en de dito bijdragen (het voorliggend stuk, zijnde de beslissing van die Commissie van 4 november 1993, heeft immers betrekking op de beoordeling van de al dan niet bestaande staat van behoefte van M. V.d.V. en niet op de hier in eerste instantie ter discussie staande hoedanigheid van sociaal verzekeringsfonds van M. V.d.V. in hoofde van de v.z.w. S.V. V.E.V.); - tertio, het feit dat M. V.d.V. schriftelijk om de toepassing van het artikel 37 van het meergenoemde K.b. van 19 december 1967 verzocht (gelijkstelling als gehuwde vrouw met bijberoep), zijnde, naast haar identiteitskaart, het enige voorliggende stuk dat zij zelf heeft ondertekend: het heeft betrekking op de onderwerping van M. V.d.V. aan het sociaal statuut der zelfstandigen, maar niet op de hier in betwisting staande hoedanigheid van sociaal verzekeringsfonds van M. V.d.V. in hoofde van de v.z.w. S.V. V.E.V.; - quarto, de ereverklaring van stopzetting der zelfstandige activiteiten sinds 31 december 1992, die de v.z.w. S.V. V.E.V. voorlegt: dit stuk werd op 28 december 1992 ondertekend door een niet nader identificeerbaar persoon; de erop voorkomende handtekening is in ieder geval niet die van M. V.d.V., en al evenmin die van haar echtgenoot J. D. V.. x x x 3. Aangezien de oorspronkelijke vordering niet toelaatbaar is, moet het Arbeidshof de overige door de partijen ontwikkelde middelen (die betrekking hebben op de vraag of M. V.d.V. al dan niet verzekeringsplichtig was aan het sociaal statuut der zelfstandigen uit hoof-de van haar activiteiten, inzonderheid die als bedeelster van "D. S.") niet meer ontmoeten. x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzon-derheid het artikel 24. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd op 26 maart 2004 door de heer Patrick Bricout, Eerste Advocaat-generaal, Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van 11 maart 2003 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent. En, opnieuw wijzend, verklaart de oorspronkelijke vordering van de v.z.w. S.V. V.E.V. niet toelaatbaar. Legt de proceskosten van de beide aanleggen ten laste van de v.z.w. S.V. V.E.V., overeenkomstig het artikel 1017, eerste lid, Ger.W.. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten als volgt: x aan de zijde van M. V.d.V.: - in eerste aanleg: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 200,79 euro - in hoger beroep: - uitgavenvergoeding: 57,02 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding: 273,67 euro x aan de zijde van de v.z.w. S.V. V.E.V. (zoals gevorderd): - in eerste aanleg: - kosten van dagvaarding: 96,26 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding: 196,33 euro - in hoger beroep: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 267,71 euro. Aldus uitgesproken op vrijdag vier juni tweeduizend en vier, in openbare terecht-zitting door de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden: Gregor Vande Vyver, Kamervoorzitter in het Arbeidshof, Viviane Verwilghen, Raadsheer in het Arbeidshof, Frank Schelstraete, Raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, en Ronan Van Hecke, Griffier. get. R. Van Hecke - F. Schelstraete - V. Verwilghen - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040604.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.