id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20041105.2 Rolnummer: 27903;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-02 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 01:13 Fiche 1 De bepalingen van art. 81 Ger.W. die tot doel hebben de paritaire samenstelling van de ar-beidsgerechten te verwezenlijken zijn van openbare orde. De kamer samengesteld in een paritaire samenstelling (werknemer werkgever) is niet bevoegd om kennis te nemen m.b.t. betwisting van de terugvordering pensioen zelfstandigen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Beroep tegen beslissing van de Raad voor uitbetaling van de voordelen van de Rijksdienst voor pensioenen Onbevoegdheid arbeidsgerecht Beroep tegen terugvorderingsbeslissing van zowel werknemers- als zelfstandigenpensioen Samenstelling kamers. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 81 Gerechtelijk Wetboek - 580,2° Nota: Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. VII E, art. 60bis ,§ 2, 4de lid. Fiche 2 De arbeidsgerechten zijn niet bevoegd om kennis te nemen van een betwisting van een be-slissing van de Raad voor uitbetaling van de voordelen van de RVP tot het al dan niet ver-zaken aan de invordering van een schuld. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Pensioenen werknemers Verhaal tegen beslissing nopens verzekering van terugvordering onverschuldigde uitkeringen Onbevoegdheid arbeidsgerecht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 60bis,§2,4el - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Nota: Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. I A, art. 81 en art. 580, 2°. Tekst van de beslissing A.R. nr. : 279/03 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. IN DE ZAAK VAN : RVP, openbare instelling, met zetel te, APPELLANT, vertegenwoordigd door meester A.R. Vanlaeres, advocaat te Gent TEGEN : C. K., wonende te, GEINTIMEERDE, vertegenwoordigd door meester P. Jacobs, advocaat te Aalst x x x Gelet op de stukken van het rechtsplegingsdossier en inzonderheid het voor eenslui-dend verklaard afschrift van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, vierde Kamer, op tegenspraak gewezen op 27 juni 2003. Dat vonnis werd bij gerechts-brief van 30 juni 2003 aan partijen ter kennis gebracht. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent op 26 augustus 2003. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 3 september 2004, waarna de debatten werden gesloten. Op dezelfde zitting werden partijen ambtshalve gehoord over deze bevoegdheid van deze paritair samengestelde kamer m.b.t. de betwisting terugvordering en pensioenrechten zelfstandigen en over de nietigheid van de conclusies van appellant neergelegd op 18 augustus 2004 wegens strijdigheid met de taalwet. Substituut-generaal Antoine Lievens legde zijn schriftelijk advies neer ter griffie op 21 september 2004. Partijen hebben hierop niet gerepliceerd, waarna de zaak in beraad werd ge-nomen en voor uitspraak gesteld op heden. 1. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep Bij het beroepschrift neergelegd op 26 augustus 2003 werd de voornaam van geïn-timeerde duidelijk bij materiële vergissing verkeerdelijk omschreven als Karel in plaats van Kamiel. Partijen hebben ter zitting van 3 september 2004 aan het Hof ook gevraagd er akte van te nemen dat de voornaam van geïntimeerde "K." is. Krachtens artikel 1057, eerste lid 3° Ger. W. vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, "de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep". Deze verplichting staat evenwel niet vermeld in artikel 862 Ger. W. zodat niet-inachtneming van die verplichting alleen dan tot nietigverklaring van de proceshandeling kan leiden, indien het verzuim de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Geïntimeerde toont niet aan dat de vergissing in de omschrijving van zijn voor-naam zijn belangen heeft geschaad, zoals vereist bij artikel 861 Ger. W. De gerechtsbrief heeft hem bereikt en hij is regelmatig (schriftelijk) verschenen op de inleidingszitting. De beroepsakte is niet nietig. x x x Anderzijds werpt geïntimeerde op dat de kennisgeving gebeurde bij gerechtsbrief afgegeven ter post op 30 juni 2003, zijnde 1 dag vóór het gerechtelijk verlof. Volgens geïntimeerde is het hoger beroep niet ontvankelijk omdat de beroepster-mijn niet verlengd werd door het gerechtelijk verlof. Dit standpunt kan niet gevolgd worden : de beroepstermijn begon te lopen op 1 juli 2003 zodat de beroepstermijn verlengd werd tot de 15e dag van het nieuw gerechtelijk jaar (art. 50 Ger. W.). De gerechtsbrief waarbij het vonnis werd betekend werd blijkens de blauwe kaart door de postdiensten ter hand gesteld aan appellant op 1 of 2 juli 2003. Gelet op het desbetreffend door het Arbitragehof ingenomen standpunt (Arbitrage-hof d.d. 17 december 2003, B.S. 1 maart 2004, 11536, R.W. 2003-2004, 1145, J.T. 17 ja-nuari 2004, 45), neemt de beroepstermijn een aanvang op dat ogenblik, dus eveneens bin-nen het gerechtelijk verlof. Het beroep werd tijdig ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. 2. Over het voorwerp van de betwisting Bij beslissing van 5 april 2002 heeft de Raad voor Uitbetaling van de Voordelen van de Rijksdienst voor Pensioenen, betekend aan betrokkene bij brief van 22 april 2002, het verzoek van 6 maart 2001 tot kwijtschelding van een schuld wegens onrechtmatig uitbe-taalde uitkeringen, geweigerd. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Dendermonde van 8 mei 2002 dient betrokkene verhaal in tegen "de vordering tot terugbetaling van ten on-rechte uitbetaalde bedragen, die hij op 22 april 2002 (- de vordering -) van appellante ont-ving. (De vraag welke beslissing aldus effectief werd aangevochten vormt een element van het aangebracht geschil). De eerste rechter heeft bij het bestreden voorbereidend vonnis van 27 juni 2003 de vordering ontvankelijk verklaard en de heropening der debatten bevolen. De eerste rechter merkt op, en oordeelt dus, dat betrokkene geen beroep aante-kende tegen de beslissingen van 28 februari 2001, 29 maart 2001, 27 juni 2001 en 2 juli 2001. Betrokkene ging enkel in beroep tegen de beslissing van 5 april 2002 van de Raad voor Uitbetaling van de Voordelen van de Rijksdienst voor Pensioenen, waarbij werd beslist de totale schuld van 6.771,53 euro niet kwijt te schelden en waarbij hem medegedeeld wordt dat de schuld zou aangezuiverd worden met inhoudingen van 10 % op de door de Rijks-dienst voor Pensioenen uitbetaalde voordelen. Niettegenstaande het cassatiearrest van 22 maart 1999 (Cass. 22 maart 1999, J.T.T. 1999, 317), waarnaar hij verwijst, acht de eerste rechter zich bevoegd kennis te ne-men van het aangebracht geschil, en een marginale toetsing te kunnen uitoefenen in geval van kennelijke onredelijkheid in de beslissing. En wel omdat de terugvordering een rechtshandeling is in de zin van artikel 1 Wet Motivering Bestuurshandelingen. De eerste rechter verwijst desbetreffend tevens naar ana-logie naar een arrest inzake werkloosheidsuitkeringen (Arbh Gent, Afd. Gent, zesde Kamer, 17 januari 2000, A.R. 2/99), en bepaalde rechtsleer die kritiek uit op voornoemd cassatiear-rest. Aangezien de administratieve beslissing zich niet in het dossier bevindt evenmin als het verslag van het sociaal onderzoek acht de eerste rechter het passend hieromtrent de nodige stukken neer te leggen en eventueel verduidelijkingen aan te brengen. Reden waarom de debatten worden heropend. 3. Beroepsgrieven Appellant kan niet akkoord gaan met het tussengekomen vonnis waar het de vor-dering ontvankelijk verklaart en wil het dan ook bestrijden op volgende gronden : Gelet op de bewoordingen van het verhaalschrift, moet worden aangenomen dat betrokkene beroep inleidt tegen de beslissing van 22 april 2002, waar deze mededeelt dat, de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde pensioenbedragen zal worden aangevat vanaf juni 2002. Aangezien de terugvordering evenwel zelf het voorwerp uitmaakte van de beslis-singen van 28 februari 2001 en van 2 juli 2001, waartegen geen verhaal werd ingesteld, dient de vordering hiertegen te worden afgewezen als laattijdig. Gelet op de aanvraag om kwijtschelding van de schuld werd niet effectief overge-gaan tot de invordering, in afwachting van de beslissing van de Raad voor Uitbetalingen. De Raad besliste de schuld niet kwijt te schelden, zodat de terugvordering kon aanvangen vanaf juni 2002. De eerste rechter stelt terecht dat betrokkene geen subjectief recht heeft op de verzaking aan de terugvordering, maar ten onrechte dat er wel een marginale toetsing zou mogelijk zijn door de arbeidsrechtbank. De eerste rechter heeft ultra petita geoordeeld, door kennis te nemen van de be-slissing van de Raad voor Uitbetaling van de Voordelen, omdat niet de weigering tot kwijt-schelding, maar de beslissing tot terugvordering zelf werd betwist. Bovendien zijn de arbeidsgerechten niet bevoegd om kennis te nemen van een beslissing nopens een verzoek tot kwijtschelding van schuld en bijgevolg evenmin om ze te toetsen aan de Wet van 29 juli 1991. Appellant vordert in zijn beroepschrift het bestreden vonnis te vernietigen en de oorspronkelijke vordering als niet ontvankelijk wegens laattijdigheid af te wijzen. In conclusies neergelegd op 18 augustus 2004 werkt appellant met citaat uit een franstalig arrest van de Raad van State zijn stelling uit en volhardt (over de nietigheid van deze conclusie, zie verder). x x x In conclusies neergelegd op 12 november 2003 werkt geïntimeerde zijn stelling uit en in het beschikkend gedeelte vordert hij het hoger beroep af te wijzen als ongegrond. Verder te stellen voor recht dat het beroep tegen de beslissing tot weigering van de kwijtschelding van de schuld ontvankelijk (alsmede, in ondergeschikte orde, het impliciete beroep tegen de beslissingen a quo) en gegrond is. Derhalve te zeggen voor recht dat geïntimeerde vanaf 28 februari 2001 gerechtigd is op een pensioen als alleenstaande werknemer en vanaf 29 maart 2001 op een pensioen als alleen-staande zelfstandige gelet op de inkomsten van zijn echtgenote". 4. Bespreking 4.1. Retro-acten Bij aangetekende kennisgeving van 28 februari 2001 werd het rustpensioen van betrokkene hem toegekend in het stelsel der werknemers herzien, omdat betrokkene de aangifte niet heeft geëerbiedigd wat betreft de beroepsactiviteit van zijn echtgenote voor de jaren 1997, 1998 en 1999. De verjaringstermijn werd bepaald op vijf jaar. Eveneens bij aangetekende brief van 27 (en niet 28 - zie stempel van de post dossier in rechtsplegingdossier eerste aanleg) februari 2001 werd beslist het onrechtmatig betaald bedrag terug te vorderen en werd aan betrokkene een schuld betekend van 1.093,71 euro. Het gezinspensioen hem toegekend bij beslissing en hem betekend op 25 augustus 1997, werd omgezet in een pensioen als alleenstaande. Op 6 maart 2001 heeft betrokkene een verzoek tot kwijtschelding van zijn schuld in het stelsel der werknemers ingediend. Bij beslissing van 29 maart 2001 van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekerin-gen der Zelfstandigen werd het rustpensioen van betrokkene in het stelsel der Zelfstandigen, eveneens in dezelfde zin herzien. Ter uitvoering daarvan werd hem door de Rijksdienst voor Pensioenen bij aange-tekende brief van 2 juli 2001 een schuld betekend van 5.677,83 euro. Er wordt beslist dat, bij gebreke van een verzoek tot kwijtschelding, er maandelijks 10 % zal worden ingehouden op zijn pensioen. Bij dezelfde beslissing werd de verjaringstermijn bepaald op vijf jaar. Er werd hem tevens medegedeeld dat, rekening houdend met de schuld van 1.093,71 euro in de sector der werknemers, hem betekend op 28 februari 2001, de totale schuld 6.771,53 euro bedraagt. Er wordt hem bovendien medegedeeld dat zijn verzoek om kwijtschelding voor dit laatste bedrag aan de Raad voor Uitbetaling van de Voordelen zal worden voorgelegd. (Appellant neemt dus aan dat het verzoek om kwijtschelding tevens betrekking heeft op het bedrag dat terug wordt gevorderd in het stelsel der zelfstandigen). Op 5 april 2002 besliste de Raad voor Uitbetaling van de Voordelen van de Rijks-dienst Voor Pensioenen om de totale schuld van 6.771,53 euro niet kwijt te schelden. Deze beslissing werd bij brief van 22 april 2002 ter kennis gebracht van betrokkene. Bij deze kennisgeving werd tevens medegedeeld dat, zoals reeds medegedeeld, de invorde-ring zal worden verzekerd door maandelijkse inhoudingen van 10 % op de door de Rijks-dienst voor pensioenen uitbetaalde voordelen. De invorderingsprocedure zal worden aange-vat vanaf juni 2002. 4.2. Nopens de bevoegdheid van het arbeidsgerecht De Raad voor Uitbetaling van de Voordelen van de Rijksdienst voor pensioenen is krachtens artikel 60bis ,§ 2 vierde lid K.B. nr. 50 van 24 oktober 1967, bevoegd om te beslis-sen over de verzaking aan de terugvordering van de door de Rijksdienst onverschuldigd be-taalde uitkeringen, zowel wat het stelsel der werknemers als wat het stelsel der zelfstandi-gen betreft. De arbeidsgerechten zijn in elk geval niet bevoegd kennis te nemen van een be-twisting van een beslissing van de Raad voor Uitbetaling van de Voordelen van de Rijks-dienst Voor Pensioenen tot het al dan niet verzaken aan de invordering van een schuld en ook niet om enige marginale toetsing uit te oefenen of de beslissing te toetsen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De beslissing nopens de verzaking aan dergelijke terugvordering is niet aan te nemen als een geschil in de zin van artikel 580 2° of artikel 581 2° Ger. W. Het betreft geen geschil betreffende een recht of verplichting van de rechtzoekende aange-zien betrokkene geen subjectief recht heeft op deze verzaking, (zie Cass. 22 maart 1999, J.T.T. 1999, 317 en Arbeidshof Gent, Afdeling Gent, A.R. 165/00 onuitg. dd. 20 september 2002; anders wat betreft de werkloosheidsuitkeringen : Arbh. Gent, Afd. Gent, 6° Kamer, 17 januari 2000, onuitg., geciteerd door de eerste rechter). Het feit dat deze beslissing zou kunnen worden aangenomen als bestuurshande-ling in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandelingen zoals de eerste rechter stelt - heeft geen uitstaans met de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Het is uiteraard de bevoegde rechtsinstantie die dient te oordelen of de bestreden beslissing al dan niet strijdig is met deze wet. De kritiek die door bepaalde rechtsleer werd geuit (waarnaar wordt verwezen door de eerste rechter) (J. VAN LANGENDONCK, "Pensioenen werknemers en gewaarborgd in-komen voor bejaarden : rechtspraak", in 'D. SIMOENS en J. PUT, "Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1996-2001", Die Keure, 2001, 797 en 798), gaat blijkbaar uit van de ver-onderstelling dat het standpunt van het Hof van Cassatie tot gevolg zou hebben dat de Raad ten dezen willekeurig zou kunnen handelen zonder dat er enige controle mogelijk is. Er wordt voldaan aan de waarborgen van de artikelen 6 E.V.R.M. en 14 B.U.P.O. voorzover de rechtsonderhorige tegen elke tegen hem getroffen administratieve beslissing beroep openstaat bij een rechtscollege dat over volle rechtsmacht beschikt. Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist "volle rechtsmacht" dat het rechterlijk wettigheidstoezicht zowel op rechtsvra-gen als op feitenkwesties betrekking heeft, hetgeen o.m. veronderstelt dat de rechter be-voegd is om de feitelijke grondslag van een voor hem bestreden overheidshandeling te veri-fiëren, evenals om na te gaan of de bestreden maatregel het evenredigheidsbeginsel eer-biedigt. Volgens de Raad van State, optredend als annulatierechter, beantwoordt het door hem uitgeoefende wettigheidstoezicht aan de "volle rechtsmacht" in voormelde zin (A. Alen : Administratieve geldboeten : hun internationaalen internrechterlijke kwalificatie in : Postun. Cyclus W. Delva 1996-1997 Publiekrecht. De doorwerking van het publiekrecht in het pri-vaatrecht, Uitg. Mys en Breesch, 1997 blz. 294 nr. 427). In voorliggend geval is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van de bewuste beslissing tot weigering in te gaan op een verzoek tot kwijtschelding van een schuld (zie : R.v.St. nr. 127.291 van 21 januari 2004, kopie gevoegd bij het administratief dossier van appellant). Daargelaten de vraag of de eerste rechter al dan niet heeft geoordeeld over een vordering die niet zou zijn gesteld, had hij zich zonder meer onbevoegd dienen te verklaren om kennis te nemen van dat geschil. In de mate dat de vordering betrekking heeft op de weigering tot kwijtschelding van het onverschuldigd betaald bedrag, dient het Arbeidshof zich eveneens onbevoegd te verkla-ren zonder meer, ongeacht haar samenstelling. De samenstelling van de Arbeidsrechtbank of het Arbeidshof is daarbij niet rele-vant. De bepalingen van artikel 81 Ger. W. dienen uiteraard niet te worden toegepast om vast te stellen dat geen enkele Kamer van de Arbeidsrechtbank of het Arbeidshof bevoegd is kennis te nemen van het aangebracht geschil. 4.3. Nopens de samenstelling van de Kamer van het Arbeidsgerecht met betrekking tot het resterend geschil Aangezien de eerste rechter behoudens over zijn bevoegdheid tevens heeft beslist nopens de vraag welke beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.