← België

ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20041203.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 03 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20041203.4 Rolnummer: 24404;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-01 01:27 Fiche Artikel 20 K.B. nr. 38 van 27 juli 1968 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen: een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen is een privaatrechtelijke rechtspersoon belast met wettelijke opdrachten, op wie de beginselen van behoorlijk be-stuur van toepassing zijn; het ondraaglijk lang uitblijven van een rechterlijke beslissing, kennelijk te wijten aan de nalatigheid en het getalm van de sociale verzekeringskas: schor-sing van het verder lopen van de gerechtelijke intresten. Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 20 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing A.R. nr.: 244/04 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. IN DE ZAAK VAN: D. N. A., voorheen wonende, APPELLANTE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester S. M., advocaat te Brugge, TEGEN: P., vereniging zonder winstoogmerk, (die het geding heeft hervat voor de v.z.w. I. S. V. Z. A.l), met zetel te, GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester B. D. M., loco meester L. D. M., advocaat te Gent. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het eens-luidend verklaard afschrift van het vonnis van 13 juni 1983 van de zesde kamer van de Arbeids-rechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, op tegenspraak gewezen in de samengevoegde za-ken van de v.z.w. I. S. V. Z. A. tegen D. N. A., dragend de volgnummers 15.741 en 16.904 van de algemene rol. Van dat vonnis wordt geen betekening voorgebracht. Gelet op verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 22 september

  1. De zaak werd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, ingeschreven op de algemene rol onder het volgnummer 476/
  2. Met toepassing van het artikel 730, ,§ 2, a, Ger.W. (luidend: " Elk jaar wordt, binnen de eerste vijftien dagen van de maand december, door de voorzitters van de hoven en recht-banken een oproeping gehouden van alle zaken die sinds meer dan drie jaar op de rol zijn inge-schreven en waarvan de debatten geen aanvang hebben genomen of die sinds meer dan drie jaar niet meer zijn voortgezet. De lijst van de aldus opgeroepen zaken, wordt een maand tevo-ren aangeplakt aan de deur van de zittingzaal of ter inzage van de partijen en hun advocaten, neergelegd ter griffie. Alle zaken waarvoor geen verzoek tot handhaving op de algemene rol is gedaan, wordt ambtshalve weggelaten. Hiervan wordt melding gemaakt op het zittingsblad.(...))" werd de zaak op de terechtzitting van 12 december 1994 van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, ambtshalve van de rol weggelaten (cf. het proces-verbaal van de terechtzittingen). Ingevolge een brief van 19 februari 1998 van de toenmalige raadsman van de geïn-timeerde, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 20 februari 1998, werd de zaak opnieuw op de algemene rol ingeschreven (onder het volgnummer 114/98). De zaak werd echter met toepassing van het reeds aangehaalde artikel 730, ,§ 2, a, Ger.W. op de terechtzitting van 3 december 2002 van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, andermaal ambtshalve van de rol weggelaten (cf. het proces-verbaal van de terechtzittingen). Ingevolge een brief van 1 juni 2004 van de huidige raadsman van de geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 2 juni 2004, werd de zaak al-weer op de algemene rol ingeschreven (onder het huidige volgnummer 244/04) en werd een rechtsdag bepaald met toepassing van het artikel 751 Ger.W.. De partijen werden in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord ter openbare terechtzitting van 5 november
  3. x x x Bij dagvaarding betekend op 23 december 1980 vorderde de v.z.w. I. S. V. Z. A., thans de v.z.w. P., oorspronkelijk eiseres en thans geïntimeerde, de veroordeling van A. D., oor-spronkelijk verweerster en thans appellante, tot betaling van: - de som van 157.046 frank; - een verhoging van 10 procent, berekend zoals een verwijlintrest, op de bijdragen verschul-digd over de kwartalen gelegen vóór 1 juli 1976 en dit vanaf de datum der afsluiting van het re-keninguittreksel (30 september 1980) tot het einde van het kwartaal dat de betaling voorafgaat; - een verhoging van 4 procent per kwartaal op de bijdragen verschuldigd over de kwartalen ge-legen na 30 juni 1976 en dit vanaf de datum der afsluiting van het rekeninguittreksel tot het ein-de van het kwartaal dat de dagvaarding voorafgaat; - meer de gerechtelijke intresten vanaf de dag der dagvaarding op het totale bedrag der som-men welke verschuldigd zijn over de kwartalen gelegen na 30 juni 1976; - en de gerechtskosten, bij vonnis uitvoerbaar verklaard, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling, als bijdragen en aankleven in het raam van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 (houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) voor haar zelfstandige beroeps-bezigheid tijdens de vier kwartalen van de jaren 1975, 1976 en
  4. Die zaak werd ingeschre-ven op de algemene rol van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, onder het volgnummer 15.
  5. Bij dagvaarding betekend op 29 september 1981 vorderde de v.z.w. I. S. V. Z. A., thans de v.z.w. P., oorspronkelijk eiseres en thans geïntimeerde, de veroordeling van A. D., oor-spronkelijk verweerster en thans appellante, tot betaling van: - de som van 69.009 frank; - een verhoging van 10 procent, berekend zoals een verwijlintrest, op de bijdragen verschul-digd over de kwartalen gelegen vóór 1 juli 1976 en dit vanaf de datum der afsluiting van het re-keninguittreksel (14 augustus 1981) tot het einde van het kwartaal dat de betaling voorafgaat; - een verhoging van 4 procent per kwartaal op de bijdragen verschuldigd over de kwartalen ge-legen na 30 juni 1976 en dit vanaf de datum der afsluiting van het rekeninguittreksel tot het ein-de van het kwartaal dat de dagvaarding voorafgaat, - meer de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de dagvaarding op het totale bedrag der sommen welke verschuldigd zijn over de kwartalen gelegen na 30 juni 1976; - en de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar verklaard, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling, als bijdragen en aankleven in het raam van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 voor haar zelfstandige beroepsbezigheid tijdens het tweede, derde en vierde kwartaal van 1975, de vier kwartalen van de jaren van de jaren 1976 en 1977, het (saldo van het) eerste kwartaal van 1980 en de aanmaningskosten. Die zaak werd ingeschreven op de algemene rol van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, onder het volgnummer 16.
  6. Het bestreden vonnis verklaarde de vorderingen toelaatbaar en ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. De zaken met A.R. nr. 15.741 en A.R. nr. 16.904 werden samengevoegd. A. D. werd veroordeeld om aan de v.z.w. I. S. V. Z. A. te betalen de som van 226.055 frank, meer de wettelijke intresten aan 10 procent per jaar op de bijdragen verschuldigd voor de kwartalen vóór 1 juli 1976, respectievelijk vanaf 30 september 1980 en 14 augustus 1981 tot het einde van het kwartaal dat de betaling voorafgaat, en de gerechtelijke intresten aan 4 procent per jaar op de bijdragen voor de kwartalen na 30 juni 1976, respectievelijk vanaf 23 december 1980 en 29 december 1981 tot de dag van de betaling. De huidige appellante werd verwezen in de proceskosten, zoals begroot in dat vonnis. x x x In hoger beroep vordert de appellante, die de oorspronkelijke vorderingen onge-grond acht, de vernietiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen. In conclusies, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 3 augustus 2004, vordert zij in ondergeschikte orde de vermindering van de hoofdsom tot 5.400,24 euro en de ongegrondverklaring van de vordering met betrekking tot de intresten. De appellante acht zich door het bestreden vonnis gegriefd. Zij voert aan dat het ten onrechte geen antwoord geeft op haar conclusies, waarin zij poneerde dat, gelet op de uit-gebrachte dagvaardingen, de afrekening duister was. De dagvaarding van 23 december 1980 voorzag in de betaling van 157.046 frank voor de achterstallige bijdragen en intresten voor de jaren 1975, 1976 en 1977 en bij dagvaarding van 29 september 1981 werd 69.009 frank als hoofdsom in aanmerking genomen voor de achterstallige bijdragen en intresten voor de periode van 1975, 1976 en
  7. Beide vorderingen hebben betrekking op een zelfde periode, zodat het gepast voorkomt hieromtrent duidelijkheid te verstrekken. Bovendien heeft het bestreden vonnis geen rekening gehouden met het attest uit-gaande van de geïntimeerde van 17 mei 1977, waarin gestipuleerd werd dat zij voor de jaren 1974, 1975, 1976 en 1977 geen bijdragen verschuldigd is krachtens het artikel 37 van het K.b. nr. 38 van 27 juli
  8. Volgens haar is de vordering wat betreft de voornoemde bijdragen geenszins gegrond. Mocht de gegrondheid toch in aanmerking worden genomen, dan vervalt de vorde-ring volgens haar wegens verjaring. Aldus de appellante. x x x De geïntimeerde vordert in haar op 16 februari 1998, in hoger beroep neergelegde eerste conclusies, de veroordeling van de appellante in betaling van de in die conclusies tot 217.845 frank (of 5.400,24 euro) verminderde hoofdsom (wegens de volgende door de appellan-te verrichte betalingen: 417 frank op 31 december 1980 en 7.793 frank op 5 mei 1981), meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. x x x De beoordeling. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ont-vankelijk is. x x x De geïntimeerde legt uit dat de vordering vervat in haar (tweede) dagvaarding van 29 september 1981, wat de jaren 1975, 1976 en 1977 betreft, betrekking heeft op regularisatie-bijdragen bij begin van zelfstandige bezigheid. Dienaangaande door het Arbeidshof gehoord, heeft de appellante verklaard dit niet te betwisten (cf. het zittingsblad van de vierde kamer van 5 november 2004). De beide dagvaardingen dekken bijgevolg geenszins dezelfde lading. De (eerste) dagvaarding van 23 december 1980 heeft immers betrekking op de voorlopige bijdragen. De daarbij ingeleide vordering is niet verjaard, gelet op het bepaalde in het artikel 16, ,§ 2 van het hierboven reeds genoemde K.b. nr. 38 van 27 juli 1967: verjaring na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari die volgt op het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn. De ingevolge regularisatie ingestelde vordering, ingeleid via dagvaarding van 29 september 1981, is evenmin verjaard, gelet op het bepaalde in het artikel 49 K.b. van 19 de-cember 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het K.b. nr.
  9. Die beide dagvaardingen hebben wat de verjaringstermijn betreft vanzelfsprekend niet alleen een stuitende werking gehad met betrekking tot de achterstallige kwartaalbijdragen, maar tegelijk ook met betrekking tot de daarop betrekking hebbende wettelijke verhogingen (de term "bijdragen" in het zo-even genoemde artikel 16, ,§ 2 K.b. nr. 38 heeft betrekking op de hoofdsom en op de accesoria, die de wettelijke verhogingen zijn). x x x Omtrent het artikel 37 van het K.b. van 19 december 1967 laat de geïntimeerde te-recht het volgende gelden: uit de medebetekende rekeninguittreksels blijkt dat zij er wel degelijk rekening mee hield (cf. het rekeninguittreksel bij de dagvaarding van 23 december 1980: I9 het rekeninguittreksel bij de dagvaarding van 29 september 1981: H6; de letters duiden de on-derwerping in het kader van artikel 37 van dat K.b. aan), doch de inkomsten van de appellante waren te hoog, zodat door haar sociale bijdragen dienden te worden betaald (cf. de inkomsten-bedragen vermeld op het onderzoeksrapport van het R.S.V.Z. van 24 juni 1980 en die het wette-lijk plafond overtreffen). De appellante weerlegt dit niet. x x x In eerste aanleg heeft geen van beide partijen aan de rechter gevraagd dat reke-ning zou worden gehouden met de niet betwiste betalingen van 417 frank op 31 december 1980 en van 7.793 frank op 5 mei
  10. Dit moet in hoger beroep worden rechtgezet. x x x In haar op 3 augustus jl. ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies vor-dert de appellante dat de vordering(en) met betrekking tot de geëiste "intresten" ongegrond zou(den) worden verklaard. Omtrent "de wettelijke intresten en het Sociaal Statuut Zelfstandigen" geeft PETIT (cf. PETIT, J., Interest, A.P.R., nr. 123) het volgende wetshistorisch overzicht, dat ter zake die-nend is, gelet op de kwartalen waarop de gevorderde sociale bijdragen betrekking hebben: "Vóór 1 juli 1976 was er een verhoging met 10 t.h. van de bijdragen wanneer de zelfstandige zich niet binnen de gestelde termijn van negentig dagen aansloot (art. 44 K.b. 19 december 1967). Daarenboven wordt 10 t.h. verwijlinterest toegepast wanneer de bijdragen of de verhogingen niet betaald werden. De wettelijke interest was in beginsel van toepassing vanaf de eerste dag van het kwartaal vol-gend op het kwartaal waarop de bijdragen die de aangeslotene verschuldigd is, betrekking heeft (art. 45 K.b. 19 december 1967, zoals gewijzigd bij art. 8 K.b. 27 december 1974, opgeheven bij art. 4 K.b. 5 april 1976). Tevoren was er sprake van een verhoging van 10 t.h. die 'berekend wordt zoals een verwijlinte-rest' (art. 45, ,§ 1, tweede lid K.b. 19 december 1967, zoals gewijzigd bij art .15, 1° K.b. 15 juli 1970). Vanaf 1 juli 1976 is er één soort verhoging, nl. wegens te late betaling (art. 44 K.b. 19 december 1967, zoals gewijzigd bij art. 23 K.b. 5 april 1976). Zolang een bijdrage of een gedeelte ervan niet is betaald, wordt bij het verstrijken van ieder ka-lenderkwartaal op het nog verschuldigd bedrag een verhoging van 4 t.h. sedert 1 januari 1989 (art. 2 K.b. 14 december 1988), toegepast. In de plaats van een verhoging van 10 t.h. en een nalatigheidsinterest van 10 t.h. komt dus een 'verhoging'. Deze verhoging wordt voor de laatste maal in rekening gebracht bij het verstrijken van het ka-lenderkwartaal dat datgene voorafgaat in de loop waarvan de onderworpene voor de arbeids-rechtbank gedagvaard wordt tot betaling van die bijdrage of dat gedeelte dat niet betaald is, naar gelang het geval (art. 44, ,§ 1, vierde lid K.b.19 december 1967). Deze verhogingen zijn van ambtswege zonder ingebrekestelling verschuldigd (art. 44, ,§ 4 K.b. 19 december 1967). Vanaf de dagvaarding tot betaling van de verschuldigde bijdragen en verhogingen wordt op die sommen een gerechtelijke moratoire interest van 8 t.h. gevorderd. Alvorens te dagvaarden zal de sociale verzekeringskas aan de onderworpene een laatste herinnering toesturen (art. 46 K.b. 19 december 1967)." De wettelijke verhogingen, waarvan niet kan afgeweken worden, moeten worden aangemerkt als een boete en dus als een administratieve sanctie (of minstens als een maatre-gel met gemengd karakter: herstelmaatregel en administratieve sanctie), die rechtstreeks krach-tens de wet van toepassing is op diegene die de verschuldigde bijdragen niet stipt en tijdig be-taalt en aldus de financiering en ook de goede werking van de sociale zekerheid, een openbare dienst, in het gedrang kan brengen (cf. LENAERTS, H., Inleiding tot het sociaal recht, Kluwer, 1995, nr. 327; PUT, J., Administratieve sancties in het socialezekerheidsrecht, Die Keure, 1998, nr. 89). Maar, te dezen is het ondraaglijk lang uitblijven van de gerechtelijke beslissing in hoger beroep kennelijk aan de nalatigheid en het getalm van de geïntimeerde te wijten (cf. su-pra), zodat het verder lopen van de gerechtelijke intresten (die dienen om de schade geleden door het niet ontvangen van de geëiste som tussen de inleiding van het geschil en de uitvoering van het vonnis te vergoeden) geschorst moet worden in het tijdvak tussen 8 november 1983 (de zaak werd in hoger beroep ingeleid op 7 oktober 1983) en 31 mei 2004 (bij verzoek van 1 juni 2004 verzocht de nieuwe raadsman van de v.z.w. P. de zaak opnieuw op rol te plaatsen over-eenkomstig het artikel 730 Ger.W., alsmede om rechtsdagbepaling met toepassing van het arti-kel 751 Ger.W. )(cf. Cass., 27 juni 1994, J.T.T. 1994, 473; Arbh. Gent, afd. Brugge, 8 december 1998, A.R. nr. 97/254, onuitg.; Arbh. Gent, afd. Brugge, 8 februari 2000, J.T.T. 2000, 399). De geïntimeerde is als vereniging zonder winstoogmerk weliswaar een privaatrechtelijke rechtsper-soon, doch in de mate dat zij als sociale verzekeringskas met wettelijke opdrachten is belast (cf. artikel 20 K.b. nr. 38), kan worden aangenomen dat beginselen van behoorlijk bestuur ook op haar van toepassing zijn. Wel kan het R.S.V.Z. (R.S.V.Z.) ook van de verhogingen afzien, o.m. in behartens-waardige gevallen (cf. artikel 48 K.b. van 19 december 1967). x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzon-derheid het artikel
  11. Gelet op het eensluidend, mondeling advies van het Openbaar Ministerie, ter openbare terechtzitting van 5 november 2004 uitgebracht door de heer Patrick Bricout, Eer-ste Advocaat-generaal. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als ongegrond. Oordelend binnen de perken van het hoger beroep. Geeft de v.z.w. P., enerzijds, akte van haar hervatting van het geding voor de v.z.w. I. S. V. Z. A. en, anderzijds, akte van de vermindering van haar oorspronkelijke vor-dering. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Bevestigt, in de mate dat het bestreden werd, het vonnis van 13 juni 1983 van de zesde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, met dien verstan-de evenwel: 1) dat het daarin uitgesproken bedrag van de veroordeling verminderd wordt met de door A. D. N. na de betekening van de exploten van rechtsingang betaalde sommen, met name, enerzijds, tien euro vierendertig cent (10,34 euro)(i.e. 417 frank) betaald op 31 de-cember 1980 en, anderzijds, honderd drieënnegentig euro achttien cent (193,18 euro)(i.e. 7.793 frank) betaald op 5 mei 1981; 2) dat geen gerechtelijke intresten aan de geïntimeerde worden toegekend over de periode van 8 november 1983 tot en met 31 mei
  12. Zegt voor recht dat de kosten betreffende de procesvoering in hoger beroep omgeslagen worden, overeenkomstig het artikel 1017, derde lid, Ger.W., derwijze dat iedere partij de aan haar zijde gevallen kosten moet dragen. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten als volgt: x aan de zijde van A. D. N. (zoals gevorderd): - vaste rechtsplegingsvergoeding 273,67 euro x aan de zijde van de v.z.w. P.: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 279,62 euro. Aldus uitgesproken op vrijdag drie december tweeduizend en vier, in openbare terechtzitting door de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden Gregor Vande Vyver, Kamervoorzitter in het Arbeidshof, Lionel Dewulf, Ka-mervoorzitter in het Arbeidshof, Pauwel Story, Raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, en Ronan Van Hecke, Griffier. get. R. Van Hecke - P. Story - L. Dewulf - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20041203.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.