id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 21 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050121.28 Rolnummer: 1404 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 02:07 Fiche De afgifte van een C4-formulier aan de wielrenner impliceert dat de vergunning afgeleverd door de Koninklijke Wielrennersbond werd ingetrokken, zodat de betrokkene niet meer kan deelnemen aan officiële wedstrijden. De betrokkene wordt dan ook vermoed zonder inkomen en zonder loon te zijn en is ge-rechtigd op werkloosheidsuitkeringen. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Toekenningsvoorwaarden Wielrenner Intrekking vergunning Zonder arbeid en zonder loon zijn. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 77 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gepubl.: S.R.K. 2005, p.
- Gepubl.: R.W. 2005-2006, p.
- Tekst van de beslissing Vijfde kamer A.R. nr.: 14/04 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG JANUARI TWEEDUI-ZEND EN VIJF IN DE ZAAK VAN: K. M., wonende te, APPELLANT, verschijnend bij meester Johnny Maeschalck, advocaat te Zellik, TEGEN: de R.V.A., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, waarvan de zetel ge-vestigd is te , GEINTIMEERDE, verschijnend bij meester Elie Van Herreweghe, advocaat te Zele. x x x
- NOPENS DE PROCEDURE EN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis door de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, d.d. 23 december 2003, dat overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek door de griffier bij gerechtsbrief aan partijen ter kennis werd gebracht op 29 december
- Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verstuurd op 19 ja-nuari 2004 en ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 20 ja-nuari
- Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzit-ting van 19 november
- Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door substituut-generaal Antoine Lievens, en neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 25 november 2004, waarop appellant heeft repliceerd bij beslui-ten neergelegd ter griffie d.d. 14 december
- Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ont-vankelijk.
- NOPENS HET VOORWERP VAN DE BETWISTING De directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau Aalst van de R.V.A., besliste op 28 april 2003 appellant uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 1 de-cember 2001 tot 31 december 2001, in toepassing van de artikelen 77, 143, 144 en 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglemen-tering. De onrechtmatig ontvangen uitkeringen worden teruggevorderd. Voorgehouden werd appellant een nieuw contract als beroepswielrenner had. De wielrenner die als dusdanig onderworpen is aan de sociale zekerheid der arbeiders, kan geen uitkeringen genieten gedurende de tijdelijke onderbreking van zijn beroepsac-tiviteit als wielrenner. Bij verzoekschrift aangetekend verzonden op 24 juni 2003 en toegekomen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, op 25 juni 2003, tekende appellant hiertegen verhaal aan. Volgens appellant liep op 30 november 2001 het contract dat hij eerder voor de bepaalde duur had onderschreven gewoon af en was aldus "definitief" een einde ge-komen aan de tewerkstelling. Bij vonnis van 23 december 2003 van de vierde kamer van de Arbeidsrecht-bank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, werd de vordering ontvankelijk ver-klaard doch afgewezen als ongegrond. De bestreden beslissing werd bevestigd. De kosten van het geding werden ten laste gelegd van geïntimeerde. De eerste rechter is van oordeel dat de onderbreking in de activiteit van appel-lant als profwielrenner gedurende de maand december 2001, een periode van tijdelijke onderbreking van zijn beroepsactiviteit als wielrenner betrof. Dat het zonder belang is of het om een onderbreking gaat tussen twee contracten met twee verschillende werkge-vers. Dat de gelijkheid der Belgen voor de wet en de niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen wordt in-gesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke ver-antwoording bestaat. Het bestaan van dergelijk onderscheid moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel. Het gelijk-heidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband bestaat tussen de aangewende middelen en het doel. Gelet op het doel kom het criterium van onderscheid objectief en redelijk voor en is de bepaling van artikel 77 K.B. 25 november 1991 terecht toegepast.
- NOPENS DE BEROEPSGRIEVEN Appellant stelt hoger beroep in om de navolgende redenen. De onderbreking tussen contracten met twee verschillende werkgevers is wel degelijk van belang. Wanneer enige beperking werd ingevoerd kan deze slechts de bedoeling hebben gehad het oneigenlijk gebruik van de werkloosheid bij éénzelfde werkgever onmogelijk te maken. In de redenering aangehouden door de eerste rechter is het ingaan op een nieuwe werkaanbieding voor appellant derhalve schadelijk voor zijn eigen belangen. Artikel 77 K.B. 25 november 1991 schendt wel degelijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Voor het criterium van onderscheid, geponeerd door de eerste rechter, be-staat in voorkomend geval geen objectieve noch redelijke verantwoording. Het gaat blijkbaar alleen om wielrenners en het geldt niet voor andere sporters. Bovendien worden de wielrenners aldus de enige categorie van werkzoeken-den die aldus een aanbod in hun sector dienen te weigeren, teneinde hun eigen belan-gen niet te schaden. x x x Appellant vordert het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de bestreden beslissing te vernietigen en appellant niet uit te sluiten van zijn recht op uitkeringen van 1 december 2001 tot 31 december
- Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. In conclusies neergelegd op 2 juni 2004 vraagt appellant in ondergeschikte orde, het bepaalde in artikel 77 K.B. 25 november 1991 voor te leggen aan het Arbitra-gehof teneinde deze bepaling te toetsen aan o.m. het gelijkheidsbeginsel en het be-paalde in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. x x x In besluiten neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 19 april 2004, volhardt geïntimeerde in zijn standpunt en gedraagt hij zich, wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, naar de wijsheid van het Arbeidshof.
- BESPREKING Het Hof verwijst naar de vaststellingen en overwegingen gedaan door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk advies, dewelke door het Arbeidshof integraal worden over-genomen. 4.
- Retro-acten Blijkens het overgelegd formulier C4 en het attest van tewerkstelling, was appel-lant als beroepswielrenner aangesloten bij de "K.B.W.B." (of K.B.W.B.) - v.z.w. F.-P., van 1 januari 2000 tot en met 30 november
- Blijkens het formulier C4 van 3 december 2001 afgeleverd door de algemeen penningmeester van de K.B.W.B., wordt als juiste oorzaak van de werkloosheid vermeld: "einde contract". Met dat formulier C4 vraagt hij werkloosheidsuitkeringen die hem blijkbaar wer-den toegekend en uitbetaald met ingang van 1 december
- Met ingang van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 was hij evenwel op-nieuw aangesloten bij de "K.B.W.B. (maar deze keer bij v.z.w. M. B. en de Stad C. als sportgroep), (zie het formulier C4 en de kopie van de arbeidsovereen-komst). Blijkens het formulier C4 van 11 februari 2003, afgeleverd door dezelfde voor-noemde Algemeen Penningmeester van de K.B.W.B., is appellant opnieuw werk-loos geworden op 1 januari 2003, waarbij als juiste oorzaak van de werkloosheid opnieuw wordt vermeld: "einde contract". Hij vraagt opnieuw werkloosheidsuitkeringen aan vanaf 1 januari
- Blijkbaar naar aanleiding van deze aanvraag opent geïntimeerde een onderzoek naar het recht van appellant op werkloosheidsuitkeringen voor de maand decem-ber
- Bij monde van een vakbondsafgevaardigde verklaart appellant op het verhoor d.d. 27 maart 2003 onder meer dat hij tijdens de maand december 2001 zonder loon noch inkomen was. Er werd hem slechts met ingang van 1 januari 2002 een nieuw contract aange-boden. Waar wordt aangehaald dat de onderbreking minstens zes maanden moest be-dragen is dit aan te nemen als een schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze voorwaarde geldt enkel voor zelfstandigen, terwijl appellant loontrekkende was. 4.
- Wettelijke bepalingen Krachtens artikel 1 Wet 7 november 1969 betreffende de toepassing van de socialezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroeps-renner", worden de houders van een vergunning van "beroepsrenner", door de Belgische Wielrijdersbond afgeleverd, geacht verbonden te zijn door een ar-beidsovereenkomst voor werklieden voor de toepassing van de wetgevingen be-treffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkloosheidsverze-kering, de kinderbijslagen voor werknemers, de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders en het herstel der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen. Krachtens artikel 2 Wet 7 november 1969 betreffende de toepassing van de soci-alezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner", (en, krachtens artikel 6bis tweede lid K.B. 28 november 1963, voor de toepassing van de Wet van 27 juni 1969), wordt de Belgische Wielrijdersbond voor de toe-passing van deze wet geacht de werkgever te zijn van de in artikel 1 vermelde personen. De last die uit de toepassing van deze wet volgt voor de werkgever, mag rechtstreeks noch onrechtstreeks afgewenteld worden op de werknemers, inzonderheid door het verhogen van de prijs van de vergunning. Krachtens artikel 3 Wet 7 november 1969 betreffende de toepassing van de soci-alezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner", worden de aan de R.S.Z. verschuldigde socialezekerheidsbijdragen berekend op forfaitaire maand- en dagbedragen door de Koning vastgesteld en worden voor de berekening van deze bijdragen alle dagen die begrepen zijn in de periode van geldigheid van de vergunning, als arbeidsdagen beschouwd, behoudens de da-gen die begrepen zijn in de periodes gedekt door vergoedingen uitgekeerd bij toepassing van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering of door vergoe-dingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid toegekend ingevolge de wetge-ving op de arbeidsongevallen (zie voor de berekening van de bijdragen te veref-fenen door de K.B.W.B. onder meer artikel 31 K.B. 28 november 1969, en de groepsbijdrage te vereffenen door de sportgroepen aan de K.B.W.B.: "Toelichting bij het Wetsvoorstel betreffende het statuut van de betaalde sportbeoefenaar, 30 mei 2000 ingediend door Senator J.M. DEDECKER", in R. BLANPAIN, Het Sta-tuut van de Sportbeoefenaar naar internationaal, Europees, Belgisch en Ge-meenschapsrecht, Larcier, 2002, 295, 296). Krachtens artikel 4 Wet 7 november 1969 betreffende de toepassing van de soci-alezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner", hebben de in artikel 1 van deze wet beoogde personen tijdens de geldigheids-duur van de vergunning, waarvan zij houder zijn, geen recht op werkloosheids-vergoeding. Krachtens artikel 6 Wet 7 november 1969 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroeps-renner", is geen bewijs toegelaten tegen de vermoedens bij deze wet gevestigd. Krachtens artikel 77 Werkloosheidsbesluit kan de wielrenner die als dusdanig onderworpen is aan de sociale zekerheid der arbeiders, geen uitkeringen genie-ten gedurende de tijdelijke onderbreking van zijn beroepsactiviteit als wielrenner. Hieruit blijkt dat artikel 77 Werkloosheidsbesluit slechts een herneming is van de bepalingen die reeds zijn opgenomen in de voornoemde wetten. 4.
- Toepassing in voorliggend geval Uit voornoemde bepalingen volgt dat indien appellant tijdens de maand decem-ber 2001 nog houder was van een geldige vergunning afgeleverd door de K.B.W.B., de K.B.W.B., sociaalzekerheidsrechtelijk, onweerlegbaar vermoed wordt de werkgever te zijn van appellant, zodat deze voldoet aan de voorwaarde gesteld bij onder meer het eerste deel van artikel 77 Werkloosheidsbesluit. In dat geval dient de K.B.W.B. in te staan voor de betaling van de socialezeker-heidsbijdragen van appellant, ter financiering waarvan de K.B.W.B. weliswaar bij-dragen ontvangt van de onderscheiden sportgroepen. Indien de sportgroep de groepsbijdrage niet levert, wordt de afgifte van een licen-tie geweigerd door de K.B.W.B. (zie daarover onder meer: "Toelichting bij het Wetsvoorstel betreffende het statuut van de betaalde sportbeoefenaar, 30 mei 2000 ingediend door Senator J.M. DEDECKER", in R. BLANPAIN, Het Statuut van de Sportbeoefenaar naar internationaal, Europees, Belgisch en Gemeen-schapsrecht, Larcier, 2002, 295, 296). Zolang appellant houder is van een geldige vergunning kan hij deelnemen aan of-ficiële wedstrijden, waar dan ook. In die omstandigheid kan dus worden in vraag gesteld of appellant wel zonder in-komen en arbeid is. Zijn socialezekerheidsbijdragen worden betaald door de K.B.W.B., terwijl hij de gelegenheid heeft een inkomen te verwerven door deelname aan wedstrijden, om het even of hij aangesloten is bij een sportgroep of niet. Dat is de reden en de verantwoording van de uitzondering bepaald bij niet alleen artikel 77 Werkloosheidsbesluit maar tevens bij artikel 4 van voornoemde wet van 7 november
- De vergelijking met de andere sporten is niet relevant omdat het socialezeker-heidssysteem voor die andere sporten totaal anders is georganiseerd. Dit betekent dat artikel 4 van de voornoemde Wet 7 november 1969 en artikel 77 Werkloosheidsbesluit het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet schenden. De hamvraag is dan natuurlijk of appellant tijdens de maand december 2001, al dan niet nog houder was van een geldige vergunning en dus of hij nog sociaal-verzekerd was met betaling van de bijdragen door de K.B.W.B., desgevallend ge-financierd met de groepsbijdrage betaald door de sportgroep waar appellant was aangesloten tot eind november
- In bevestigend geval wordt de K.B.W.B. onweerlegbaar vermoed werkgever te zijn van appellant tijdens de maand december, zodat de vraag kan worden ge-steld of de K.B.W.B., wel een formulier C4 mocht afleveren met ingang van 1 de-cember
- Een en ander is niet vanzelfsprekend omdat de vergunningen, althans volgens het op heden toepasselijk reglement, worden afgeleverd voor een geldigheids-duur van één kalenderjaar (zie artikel 1.1.008 eerste lid van het algemeen regle-ment van de K.B.W.B. (www.kbwb-rlvb.be) en de afgifte onderworpen is aan de betaling van een jaarlijks vastgestelde bijdrage (zie artikel 1.1.019 van het alge-meen reglement van de K.B.W.B., www.kbwb-rlvb.be). Aangezien evenwel geïntimeerde de rechtsgeldigheid van de door de K.B.W.B. op 3 december 2001 afgeleverde C4 niet betwist en evenmin enig onderzoek heeft gevoerd, noch bij de relevante sportgroepen, noch bij de K.B.W.B., naar de reden en implicaties van de afgifte van het formulier C4, noch naar de situatie van appellant in zijn rechtsverhouding ten opzichte van de K.B.W.B., en de toe-passelijke reglementaire bepalingen inzake het toekennen van vergunningen, dient te dezen te worden aangenomen dat met of samen met de aflevering van het formulier C4 ook de vergunning werd ingetrokken of dat deze afgifte de in-trekking van de vergunning impliceert. De afgifte van een formulier C4 impliceert immers dat de werkgever van oordeel is geen werkgever meer te zijn van de werknemer, wat ten opzichte van de K.B.W.B. enkel kan worden aangenomen als appellant geen houder meer is van een rechtsgeldige vergunning. Bijgevolg moet ook aangenomen worden dat appellant niet voldoet aan de voor-waarden van artikel 77 Werkloosheidsbesluit en artikel 4 Wet van 7 november 1969, omdat niet blijkt dat hij tijdens de maand december 2001 nog houder was van een rechtsgeldige vergunning en als wielrenner nog onderworpen was aan de sociale zekerheid der arbeiders. Appellant werd bijgevolg ten onrechte uitgesloten van het recht op uitkeringen voor de maand december
- Besluit: het hoger beroep is gegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en inzonderheid op artikel
- Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Rechtdoende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, d.d. 23 december
- En opnieuw wijzende. Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond. Vernietigt de bestreden administratieve beslissing d.d. 28 april
- Zegt voor recht dat appellant toegelaten wordt tot het recht op uitkeringen van 1 december 2001 tot 31 december
- Verwijst, geïntimeerde overeenkomstig artikel 1017, tweede alinea, van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van beide aanleggen. Vereffent de kosten als volgt: - aan zijde van appellant: in eerste aanleg: rechtsplegingsvergoeding: EUR 102,63 (honderd en twee euro en drieënzestig cent) in hoger beroep: (zoals gevraagd) rechtsplegingsvergoeding: EUR 136,84 (honderd zesendertig euro en vierentachtig cent). - aan zijde van geïntimeerde: geen opgave van kosten. Aldus uitgesproken op vrijdag éénentwintig januari tweeduizend en vijf in openbare terechtzitting door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden, Lionel Dewulf, kamervoorzitter in het arbeidshof, voorzitter, Walter Uyttenhove, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Willy Impens, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende, en Dorine De Clercq, griffier. get.: D. DE CLERCQ W. UYTTENHOVE W. IMPENS L. DEWULF PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050121.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div