← België

ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050124.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050124.2 Rolnummer: 26802 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-01 14:58 Fiche Een gewezen werknemer stelt samenhangende vorderingen in, ener-zijds tegen het Sluitingsfonds op grond van de Sluitingswet 1967 tot betaling van de vergoedingen verschuldigd door zijn gefailleerde werkgever, anderzijds tegen een rechtspersoon waarvan hij voor-houdt dat hij ingevolge een aan het faillissement voorafgaande over-gang van onderneming zijn werkgever is geworden, zonder dat één van die vorderingen ondergeschikt is aan de andere. Het over die vorderingen gewezen vonnis beslist zowel over een zaak opgesomd in artikel 704 Ger.W. (art. 580, 2°, Ger.W.: sluiting van onderne-mingen), zodat een kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W. moet gebeuren, als over een vordering inzake arbeids-overeenkomsten, waar die kennisgeving niet voorgeschreven is. De kennisgeving van het vonnis die in casu aan de beweerde werkgever werd gedaan, had voor deze partij geen gevolgen en deed voor hem de termijn voor het instellen van hoger beroep in artikel 1051, eerste lid, Ger.W. niet lopen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Hoger beroep Termijn Kennisgeving artikel 792 tweede lid Ger.W. Zaken in artikel 704 Ger.W. Vordering samenhangend met geschil inzake arbeidsovereenkomsten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 580,2° Gerechtelijk Wetboek - 704 Gerechtelijk Wetboek - 792,2elid Tekst van de beslissing A.R. nr. : 268/02 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG JANUARI TWEEDUI-ZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN: BVBA Q. T., met maatschappelijke zetel te, ingeschreven in het handelsregister te O. onder het nummer, APPELLANTE OP HOOFDBEROEP, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester K. Bentein loco meester J. Van Overberghe, advocaat te Deinze, TEGEN :

  1. D. S. G., wonende te , EERSTE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, APPELLANT OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna EERSTE GEINTIMEERDE genoemd, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester I. Walravens loco meester G. Van Aken, advocaat te Aalst,
  2. F.S.O., Openbare Instelling, met zetel te , TWEEDE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, GEINTIMEERDE OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna TWEEDE GEINTIMEERDE genoemd, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester T. Messiaen loco meester L. De Schrijver, advocaat te Gent. Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging en inzonderheid het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, derde kamer, d.d. 18 april 2002 (A.R. 22.457/III), dat door de griffier bij gerechtsbrief van 23 april 2002 aan de partijen ter kennis werd gebracht. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, op 13 augustus 2002 ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd. Gelet op het tussenarrest, op 22 december 2003 op tegenspraak gewezen door de zesde kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent.
  3. Nopens de feiten. De eerste geïntimeerde was sinds 23 juni 1997 met de N.V. D. W. verbonden door een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde tijd. Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde van 4 december 1997 werd de voornoemde vennootschap failliet verklaard en werden de advocaten Blockeel en Manderick als curatoren aangesteld. De arbeidsovereenkomst van de eerste geïntimeerde werd op 5 december 1997 onregelmatig beëindigd door de curatoren. Bij vonnis, op 1 oktober 1998 op tegenspraak gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde, werd de opname in het bevoorrecht passief bevolen van de schuldvordering van de eerste geïntimeerde ten belope van 67.910 frank (loon, opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie en vakantiegeld) en de opname in het gewoon passief van zijn schuldvordering ten belope van 4.559 frank (reiskostenvergoeding). De eerste geïntimeerde deed bij de tweede geïntimeerde een aanvraag tot tegemoetkoming in overeenstemming met de bepalingen van de Sluitingswet
  4. Bij schrijven van 3 augustus 1999 liet de tweede geïntimeerde aan de eerste geïntimeerde weten dat er op 26 oktober 1997 "een conventionele overdracht van het actief" van de gefailleerde aan de appellante had plaatsgevonden zodat de op die datum in dienst zijnde werknemers naar de overnemer werden overgedragen en er tussen overdrager en overnemer een hoofdelijke verbintenis was ontstaan tot betaling van de op het ogenblik van de overgang bestaande schulden. Vermits de eerste geïntimeerde in dienst van de overdrager was op het ogenblik van de overgang, kon niet ingegaan worden op zijn vraag tot tussenkomst.
  5. Nopens de procedure in eerste aanleg. Bij dagvaarding, betekend op 29 september 2000 en 4 oktober 2000, stelde de eerste geïntimeerde tegen de appellante en de tweede geïntimeerde een vordering in ertoe strekkende één van hen te laten veroordelen om aan hem te betalen, de som van 67.910 frank bruto en 4.559 frank netto, vermeerderd met "gerechtelijke en wettelijke intrest" alsook met de gerechtskosten. Tevens vorderde hij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Bij conclusie, op 26 maart 2001 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroeg de tweede geïntimeerde de afwijzing van de vordering als ontvankelijk doch ongegrond, met verwijzing van de eerste geïntimeerde in de kosten van het geding. Subsidiair ( ) vroeg hij dat zou gezegd worden dat de vordering verjaard was. Bij conclusie, op 28 maart 2001 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroeg de appellante de afwijzing van de vordering als onontvankelijk minstens ongegrond, met verwijzing van de eerste geïntimeerde in de kosten van het geding. Bij eindvonnis van 18 april 2002 werd de vordering ontvankelijk verklaard, behoudens deze met betrekking tot de opzeggingsvergoeding, die als verjaard werd bestempeld. De vordering werd gedeeltelijk gegrond verklaard ten aanzien van de appellante en ongegrond ten overstaan van de tweede geïntimeerde. De appellante werd veroordeeld tot het betalen aan de eerste geïntimeerde van de sommen van 1.357,22 euro bruto en 113,01 euro netto, vermeerderd met gerechtelijke intrest op de nettobedragen. De appellante werd veroordeeld tot het betalen van de dagvaardingskosten ten belope van 73,80 euro en de tweede geïntimeerde werd veroordeeld tot het betalen van de dagvaardingskosten ten belope van 62,39 euro. De eerste geïntimeerde werd veroordeeld de kosten van de tweede geïntimeerde te betalen.
  6. Nopens de procedure in hoger beroep. In haar akte van hoger beroep vraagt de appellante dat het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou vernietigd worden, dat zou gezegd worden dat zij aan de eerste geïntimeerde geen enkel bedrag verschuldigd is en dat diens vordering als onontvankelijk minstens ongegrond zou afgewezen worden, één en ander met verwijzing van de eerste geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen. Zij vraagt het arrest voorlopig uitvoerbaar te verklaren ondanks elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement. Bij conclusie, neergelegd op 6 december 2002, vordert de eerste geïntimeerde dat het hoger beroep als ongegrond zou afgewezen worden. Hij stelt incidenteel beroep in en vraagt dat, voor het geval het hoger beroep gegrond zou verklaard worden en zou aangenomen worden dat de appellante niet de overnemer van de N.V. D. W. is, dan wel dat de appellante wél de overnemer is doch niet gehouden is tot betaling van de "loonachterstallen als vordering ex delicto", het bestreden vonnis zou vernietigd worden, en dat het Arbeidshof dan, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde integraal gegrond zou verklaren ten opzichte van de tweede geïntimeerde. Hij vraagt ook dat, wanneer het hoofdberoep zou afgewezen worden, de tweede geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen als schadevergoeding van alle sommen die ingevolge verjaring door het bestreden vonnis niet werden toegekend. Hij vraagt de verwijzing van de appellante en/of de tweede geïntimeerde in de kosten van het geding. Bij conclusie, neergelegd op 8 januari 2003, vraagt de tweede geïntimeerde dat het hoger beroep en het incidenteel beroep als ongegrond zouden afgewezen worden. Hij vraagt dat de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde als ongegrond zou afgewezen worden en dat de vordering van de eerste geïntimeerde tot het bekomen van schadevergoeding onontvankelijk minstens ongegrond zou verklaard worden, één en ander met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. Bij tussenarrest, op 22 december 2003 op tegenspraak gewezen, heropent het Arbeidshof, alvorens over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep te oordelen, ambtshalve de debatten teneinde de partijen toe te laten nader te concluderen, zegt het dat de partijen opnieuw zullen worden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter gewone en openbare terechtzitting van de zesde kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, zetelend in haar gewone gehoorzaal in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Brabantdam 33, eerste verdieping, van maandag tweeëntwintig maart tweeduizend en vier om 14.30 uur en houdt het de beslissing nopens de gerechtskosten aan. In haar conclusie, op 5 maart 2004 ter griffie neergelegd, vraagt de appellante dat het bestreden vonnis absoluut nietig zou verklaard worden. Subsidiair handhaaft zij haar vroeger verweer. In meer ondergeschikte orde vraagt zij dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou gesteld worden nopens de schending door artikel 792 Ger. W. juncto artikel 580, 1° en 2°, Ger. W. van het gelijkheidsbeginsel in de artikelen 10-11 G.W.. Zij vraagt de verwijzing van de geïntimeerden in de kosten van het geding. In zijn conclusie, op 9 maart 2004 ter griffie neergelegd, vraagt de tweede geïntimeerde in hoofdorde dat zou gezegd worden dat de vordering van de eerste geïntimeerde tegen de appellante en de tweede geïntimeerde splitsbare vorderingen zijn en dat het hoofdberoep van de appellante werd ingediend buiten de termijn vastgesteld in artikel 792, tweede lid, Ger. W. en bijgevolg ontoelaatbaar is wat betreft de beschikkingen van het bestreden vonnis nopens de tegen de tweede geïntimeerde ingestelde vordering, en dat het incidenteel beroep van de eerste geïntimeerde ten aanzien van de tweede geïntimeerde als laattijdig en dus ontoelaatbaar zou afgewezen worden. Subsidiair vraagt hij dat de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde als ongegrond zou afgewezen worden, dat de vordering van de eerste geïntimeerde tot het bekomen van schadevergoeding onontvankelijk minstens ongegrond zou verklaard worden en dat de appellante in de kosten van het geding zou veroordeeld worden. In zijn conclusie, op 19 mei 2004 ter griffie neergelegd, verklaart de eerste geïntimeerde te volharden. De partijen worden opnieuw gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 25 oktober
  7. Bespreking 4.
  8. Nopens de ontvankelijkheid van het hoofdberoep en het incidenteel beroep 4.1.
  9. In zijn tussenarrest overwoog het Arbeidshof wat volgt: "Artikel 1051, eerste lid, Ger. W. bepaalt dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Het bestreden vonnis werd bij gerechtsbrief van 23 april 2002 overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W. ter kennis van de partijen gebracht. Een betekening bij ge-rechtsdeurwaardersexploot is er niet geweest. De termijn om hoger beroep aan te tekenen begon te lopen op 24 april 2002 en ver-streek op 23 mei
  10. De akte van hoger beroep werd echter pas op 13 augustus 2002 ter griffie neerge-legd zodat de vraag naar de tijdigheid van het hoofdberoep rijst. Dit alles veronderstelt natuurlijk dat het in casu om een zaak gaat waarin de kennis-geving overeenkomstig de artikelen 792, tweede en derde lid, Ger. W. was voorgeschreven. Dit geschiedt volgens deze laatste bepalingen "voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, Ger. W.". Vraag is dus of het in casu gaat om een zaak vermeld in artikel 704, eerste lid, Ger. W.. Artikel 704, eerste lid, Ger. W. legt de inleiding bij verzoekschrift inzonderheid op in de zaken genoemd in artikel 580, 2°, Ger. W., d.w.z. de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers die voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld in ar-tikel 580, 1°, Ger.W., waaronder deze inzake "sluiting van ondernemingen". Wanneer het geschil tussen de geïntimeerden aangezien wordt als een geschil be-doeld in artikel 580, 2°, Ger.W., kon het ingeleid worden bij verzoekschrift overeenkomstig ar-tikel 704 Ger. W., was de kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W. opgelegd en moest het hoger beroep binnen de maand na deze kennisgeving ingesteld worden. Dat dit geschil bij dagvaarding werd ingeleid, is daarbij van geen belang. De vraag is echter of het geschil tussen de appellante en de eerste geïntimeerde dat onlosmakelijk verbonden is met dat tussen de geïntimeerden - in voorkomend geval ook als een dergelijk geschil kan aangezien worden. Het betreft hier immers kennelijk een geschil bedoeld in artikel 578 Ger. W. waarin geen kennisgeving van het vonnis overeenkomstig arti-kel 792, tweede en derde lid, Ger. W. is voorgeschreven. Wanneer deze kennisgeving echter om de hierbovengenoemde redenen in casu wél vereist was, rijst de vraag of niet enkel de geïntimeerden maar ook de appellante een hoofdberoep moest instellen binnen de maand na die kennisgeving. Wanneer het hoofdberoep laattijdig is, rijst ook de vraag naar de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep (art. 1054, tweede lid, Ger. W.). Het Arbeidshof dient de onontvankelijkheid desgevallend ambtshalve op te werpen (art. 862, ,§ 1, 1°, en 865 Ger. W.). De debatten worden ambtshalve heropend teneinde de partijen hieromtrent te horen en hen toe te laten desgevallend te concluderen." 4.1.
  11. Artikel 701 Ger. W. bepaalt dat verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte kunnen ingesteld worden. Samen-hang is er wanneer rechtsvorderingen zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht (art. 30 Ger. W.). Wanneer in het tussenarrest al werd gezegd dat de vordering van de eerste geïnti-meerde tegen de appellante enerzijds en tegen de tweede geïntimeerde anderzijds onlosma-kelijk met elkaar verbonden zijn, betekent dit dat zij samenhangend zijn in de zin van de voor-noemde bepaling. Samenhang mag niet met onsplitsbaarheid verward worden. Dit laatste betekent volgens artikel 31 Ger. W. dat de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden be-slissingen waartoe een geschil aanleiding geeft, materieel onmogelijk is. Afgezien van het feit dat de onsplitsbaarheid van het geschil geen relevantie heeft voor de tijdigheid van een hoger beroep, moet, samen met het Openbaar Ministerie, worden vastgesteld dat de uitvoering van tegenstrijdige beslissingen over de door de eerste geïntimeerde tegen de appellante en de tweede geïntimeerde ingestelde vorderingen in casu niet materieel onmogelijk zou zijn. Tegen de beide partijen wordt immers enkel maar de veroordeling tot betaling van een geldsom ge-vorderd (zie Cass., 12 maart 1980, R.W., 1980-81, 521). Het is ten slotte ook niet omdat de tweede geïntimeerde in de akte van beroep als "geïntimeerde", als "mede in zake" zijnde partij en als "gedaagde" wordt bestempeld, dat het geschil onsplitsbaar is in de zin van artikel 1053 Ger. W.. 4.1.
  12. Het Openbaar Ministerie stelt in zijn geschreven advies terecht dat de vorde-ringen die de eerste geïntimeerde tegen de appellante enerzijds en de tweede geïntimeerde anderzijds heeft ingesteld, al zijn zij samenhangend, toch hun autonoom karakter behouden. De samenhang heeft enkel tot gevolg dat zij door de rechter samen behandeld worden. Hun aard verandert daardoor niet. Niets laat ook toe aan te nemen dat één van de beide vorderingen ondergeschikt is aan de andere. Het Gerechtelijk Wetboek bevat geen bijzondere bepalingen die betrekking hebben op de kennisgeving van een vonnis dat oordeelt over samenhangende vorderingen. Wanneer artikel 792, tweede lid, Ger. W. "voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid" Ger. W. de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief oplegt, geldt deze ver-plichting enkel voor een vonnis dat oordeelt over een vordering waarvan sprake in artikel 704, eerste lid, Ger.W., dus inzonderheid over een vordering die tot de bevoegdheid van de ar-beidsrechtbank behoort overeenkomstig artikel 580, 2°, Ger. W.. Deze verplichting geldt daar-entegen niet in zoverre hetzelfde vonnis oordeelt over een vordering waarop artikel 704, eer-ste lid, Ger. W., niet slaat, zoals een vordering die tot de bevoegdheid van de arbeidsrecht-bank behoort overeenkomstig artikel 578 Ger. W.. Dit betekent in casu dat de verplichting tot kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W. enkel gold in zoverre het vonnis betrekking had op het geschil tussen de eerste geïntimeerde en de tweede geïntimeerde (nu de vordering tussen deze partijen er een was bedoeld in artikel 580, 2°, Ger. W.) en niet in zoverre het betrekking had op het geschil tussen de eerste geïntimeerde en de appellante (nu de vordering tussen deze partijen er enkel een was bedoeld in artikel 578 Ger. W.). Voor de goede orde merkt het Arbeidshof op dat tus-sen de appellante en de tweede geïntimeerde geen (tussen)vordering werd ingesteld. Een kennisgeving in overeenstemming met artikel 792, tweede lid, Ger. W. heeft geen gevolgen wanneer zij door de wet niet verplicht wordt. Inzonderheid doet zij de termijn om hoger beroep aan te tekenen niet lopen (art. 1051, eerste lid, Ger. W.; Arbh. Gent, 7 juni 2002, P. & B., 2003, 206; J.T.T., 2003, 232). De kennisgeving bij gerechtsbrief van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Oude-naarde kon voor de appellante geen gevolgen hebben. Het Arbeidshof komt aldus tot het besluit dat het hoofdberoep van de appellante tij-dig en dus ontvankelijk is. 4.1.
  13. Artikel 1054, eerste lid, Ger. W. bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft. Van betekening of berusting was er in casu in elk geval al geen sprake. De tweede "geïntimeerde" is zelf geen gedaagde in hoger beroep (en kon dit ook niet zijn omdat de appellante voor de eerste rechter geen vordering tegen hem had ingesteld) doch is wel een partij die "in het geding is" voor dit Hof (zie de referenties bij TAELMAN, P., en PITEUS, K., "Dynamiek en evolutie van het geding in hoger beroep", in X, Goed procesrecht goed procederen, Mechelen, Kluwer, 2004, 353, nr. 9). Het incidenteel beroep dat tegen deze partij werd ingesteld, is ontvankelijk. 4.
  14. Nopens de nietigheid van het bestreden vonnis Artikel 81, derde lid, Ger. W. bepaalt dat, in de geschillen betreffende de aangele-genheden bedoeld in (inzonderheid) artikel 578, 1°, Ger. W., één van de rechters in sociale zaken benoemd moet zijn als werkgever, en de andere als arbeider of bediende, naargelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer. Nu de eerste geïntimeerde verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor be-dienden, en de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde inzonderheid was sa-mengesteld uit een rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever, en een rechter in socia-le zaken, benoemd als werknemer-arbeider, was zij niet regelmatig samengesteld en is het bestreden vonnis nietig. Dat het geschil in casu er ook één is zoals bedoeld in artikel 580, 2°, Ger. W., waar de hoedanigheid van arbeider of bediende geen belang heeft, is zonder belang. Het Arbeidshof dient de zaak in haar geheel tot zich te trekken. 4.
  15. Nopens de samenstelling van het Arbeidshof Artikel 104, tweede lid, Ger. W. bepaalt dat de kamer van het arbeidshof die kennis neemt van een hoger beroep tegen een vonnis betreffende de aangelegenheden bedoeld in (inzonderheid) artikel 578, 1°, Ger. W., buiten de voorzitter, bestaat uit één raadsheer in socia-le zaken benoemd als werkgever en één raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkne-mer-arbeider of als werknemer-bediende, naargelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer. De huidige zaak kan niet langer behandeld worden door de zesde kamer van dit Hof nu deze kamer inderdaad onder meer bestaat uit een raadsheer in sociale zaken, be-noemd als werknemer en bovendien als werknemer-arbeider (terwijl de eerste geïntimeerde een bediende is). De zesde kamer is trouwens volgens het huishoudelijk reglement van het Arbeidshof (K.B. 20 augustus 1985) hoe dan ook niet bevoegd om de geschillen bedoeld in ar-tikel 578 Ger. W. te behandelen. De zaak moet verwezen worden naar een kamer van het Ar-beidshof die zowel kennis neemt van de geschillen bedoeld in artikel 578 Ger. W. én waarvan onder meer een raadsheer in sociale zaken, benoemd als bediende, deel van uitmaakt (zie het huishoudelijk reglement van dit Hof en de beschikking van de eerste voorzitter van dit Hof van 14 november 2003), als van deze bedoeld in artikel 580 Ger. W. (zie immers de beschik-king van de eerste voorzitter van dit Hof van 9 februari 1994). Dit is enkel voor de achtste kamer het geval. HET ARBEIDSHOF, Gelet op bovenvermelde gronden, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzonderheid op artikel 24 van die wet. Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door Advocaat-generaal Jean-Pierre Diependaele en ter griffie neergelegd op 9 november
  16. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Rechtdoende op tegenspraak. Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het hoofdberoep in de volgende mate gegrond. Vernietigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, derde kamer, d.d. 18 april 2002 (A.R. 22.457/III), in al zijn onderdelen. Trekt de zaak tot zich in overeenstemming met artikel 1068, eerste lid, Ger. W.. Zegt dat de zaak nog niet in staat van wijzen is en verwijst haar naar de bijzondere rol van de achtste kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent. Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan. Aldus uitgesproken op maandag vierentwintig januari tweeduizend en vijf in openba-re terechtzitting door de zesde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting hadden: Herman Jan, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Van Eyck Egide, raads-heer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Gheysens Christian, raadsheer in sociale za-ken, benoemd als werknemer-arbeider en Noerens Lucienne, griffier. Get. L. Noerens C. Gheysens E. Van Eyck J. Herman. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050124.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.