id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 20 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050420.6 Rolnummer: 04252;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 03:06 Fiche Een scholingsbeding kan geldig zijn wanneer men wil bekomen dat de kosten van oplei-ding worden terugbetaald omdat zij voor de werkgever (gedeeltelijk) nutteloos blijken te zijn ingevolge een vroegtijdig vrijwillig vertrek van de werknemer, maar het beding is nie-tig wanneer beoogd wordt het vrijwillig vertrek voor de werknemer te belemmeren en zijn ontslagrecht te verzwaren. Bij de beoordeling van de bedoeling van de partijen dient niet alleen rekening gehouden te worden met de duur van het beding en het bedrag van de terug te betalen kosten; deze ele-menten dienen ook getoetst te worden aan de specifieke omstandigheden en in het bijzon-der aan de opleidingen waarop zij betrekking hebben. Indien blijkt dat de duur van het scholingsbeding en het bedrag van de terug te betalen kosten niet in verhouding staan tot de gevolgde opleiding, kan dit wijzen op een ongeoorloofde oorzaak. Een clausule is niet rechtsgeldig wanneer zij inhoudt dat het terug te betalen bedrag hoger is dan de werkelijk door de werkgever gedragen kosten, en wanneer het beding bovendien in feite tijdens de ganse duur van de tewerkstelling van kracht was. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet - 03-07-1978 - 37 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing A.R. nr. : 04/252 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF IN DE ZAAK VAN : N.V. M. V.D.W., met zetel te, ingeschreven in het handelsregister te K. onder nummer, APPELLANTE, vertegenwoordigd door meester F. Vandekerckhove, advocaat te Kortrijk, TEGEN : V. L., wonende te, GEINTIMEERDE, vertegenwoordigd door mevrouw A. Vermeulen, afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers, houder van een schriftelijke volmacht. x x x Gelet op de stukken van het dossier, in het bijzonder het voor eensluidend ver-klaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Kortrijk, eerste kamer, van 27 april 2004 (A.R. nr. 65.828), waarvan geen beteke-ning voorligt. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Ar-beidshof te Gent, afdeling Brugge, op 4 augustus 2004. 1. Samenvatting van de feiten L. V. trad op 3 april 2000 als analist-programmeur in dienst van de n.v. M. V.D.W. krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, ondertekend op 14 februari 2000. Bij brief van 20 maart 2002 ging hij over tot de opzegging van zijn arbeidsovereen-komst met naleving van een opzeggingstermijn van 6 weken, ingaande op 1 april 2002. Naar aanleiding van de afspraken die werden gemaakt betreffende de dagen ar-beidsduurverkorting werd hem volgende overeenkomst, gedateerd 7 mei 2002, voorgelegd: "In aansluiting op de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de heer L. V. en wegens het feit dat het programmatie-project: facturatie-levering R.O., waarvoor bovenvermelde al-leen verantwoordelijk is, kompleet dient afgewerkt te zijn uiterlijk op 15 mei e.k. 's avonds, gaat de n.v. M. V.D.W. ten uitzonderlijken titel akkoord om de 4 resterende ADV-verlofdagen te betalen waarbij 1 dag gelijk is aan 21,67e van het brutomaandloon". Deze overeenkomst werd door L. V. niet ondertekend. De reden hiervoor was dat de bepalingen in verband met zijn verantwoordelijkheid en de afwerking van het project vol-gens hem niet overeenstemden met de afspraken en eenzijdig aan het akkoord over de da-gen arbeidsduurverkorting waren toegevoegd. De n.v. M. V.D.W. bracht op de laatste loonfiche voor de maand mei 2002 onder de vermelding "opleidingskosten" een bedrag van 2.132,77 euro in mindering op het netto eindtotaal. Zij beroept zich hiervoor op het artikel 13 van de individuele arbeidsovereen-komst, waarin werd bepaald : "De werknemer (bedoeld wordt klaarblijkelijk de werkgever) behoudt zich het recht voor de individuele opleidings- en vormingskosten gemaakt of betaald gedurende de laatste 5 jaar vóór een vrijwillige uitdiensttreding of ontslag om dringende reden te recupereren bij het ein-de van de arbeidsovereenkomst. Van deze concreet omschreven opleiding wordt een realistische en bewijsbare begroting opgemaakt van de kosten gedragen door de onderneming." Het bedrag van 2.132,77 euro heeft betrekking op een 5-daagse opleiding informa-tica die L. V. in juni 2000 te Utrecht heeft gevolgd (ICS opleidingen). 2. De procedure in eerste aanleg L. V. liet op 14 januari 2003 overgaan tot dagvaarding van de n.v. M. V.D.W. voor de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Kortrijk. Zijn vordering strekte ertoe de gedaagde te horen veroordelen tot de betaling van de som van 2.132,77 euro netto, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 15 mei 2002 tot de dagvaarding, met de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding en met de kos-ten van het geding. Hij vroeg tevens het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niette-genstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling, en met uitsluiting van kantonnement. Bij conclusie neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 14 april 2003, heeft de n.v. M. V.D.W. een tegenvordering ingesteld. Deze strekte ertoe L. V. te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding van 61.240 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest. Bij vonnis van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Kort-rijk, van 27 april 2004, uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elke rechtsmiddel en zon-der borgstelling, - werd de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - werd de n.v. M. V.D.W. veroordeeld tot betaling aan L. V. van de som van 2.132,77 euro netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2002 tot de datum van dag-vaarding en vanaf dan met de gerechtelijke rente; - werd de tegenvordering ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond; - werd de n.v. M. V.D.W. veroordeeld tot de kosten van het geding De eerste rechter was in het bijzonder van oordeel ten aanzien van de hoofdvordering Ø dat artikel 23 van de Loonbeschermingswet de openbare orde niet raakt en dat de partij-en kunnen overeenkomen het loon te compenseren met een teruggave door de werk-nemer; Ø dat moet worden nagegaan of het scholingsbeding geldig is om te weten of de schuld vanwege de werknemer als vaststaand kan worden beschouwd; Ø dat de geldigheid van het scholingsbeding afhangt van de geoorloofdheid van de kos-tenverdeling, rekening houdend met de functie, de aard van de opleiding, de hoogte van de kosten en de respectievelijke meerwaarde die de partijen door de opleiding krijgen; Ø dat de cursus die L. V., twee maanden na de indiensttreding, als analist-programmeur heeft gevolgd, enkel een workshop van vijf dagen was betreffende een hogere versie van de reeds gekende software in voege bij n.v. M. V.D.W.; Ø dat dit eerder te aanzien is als een loutere interne bedrijfsopleiding en niet van aard is om L. V. extra troeven te doen verwerven op de arbeidsmarkt; Ø dat het scholingsbeding bijgevolg ongeldig is en de hoofdvordering gegrond; ten aanzien van de tegenvordering Ø dat L. V. nooit in gebreke is gesteld over de uitvoering van zijn werk; Ø dat er pas nagenoeg één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst voor het eerst sprake is van een zware of minstens herhaalde lichte schuld; Ø dat de schade eenzijdig werd vastgesteld aan de hand van niet gedateerde stukken; Ø dat er geen tegensprekelijke staat werd opgemaakt die zou kunnen wijzen op een even-tuele zware en/of lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt; Ø dat de tegenvordering bijgevolg ongegrond is. 3. De procedure in hoger beroep In haar akte van hoger beroep vordert de n.v. M. V.D.W. (hierna de appellante ge-noemd) - het hoger beroep toelaatbaar, gegrond en bewezen te verklaren; - het bestreden vonnis teniet te doen in al zijn beschikkingen; - de oorspronkelijke hoofdeis van L. V. af te wijzen als ongegrond; - de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren; - L. V. te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding van 61.240 euro, te ver-meerderen met de gerechtelijke intrest vanaf 14 april 2003; - minstens en zeer ondergeschikt, akte te verlenen van haar aanbod van bewijs door ge-tuigen, zoals geformuleerd voor de eerste rechter en hernomen in de beroepsakte - en L. V. te veroordelen tot alle gedingkosten. Zij handhaaft deze vorderingen in de conclusie, neergelegd op 7 oktober 2004. L. V. vordert bij conclusies van 30 augustus 2004 en 29 november 2004 het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. De partijen werden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 16 februari 2005. Het schriftelijk advies van het openbaar ministerie werd ter griffie neergelegd op 2 maart 2005. Door geen van de partijen werd een schriftelijke repliek ingediend. 4. De grieven van het hoger beroep De appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Zij stelt in het bijzonder ten aanzien van de geldigheid van het scholingsbeding - dat de eerste rechter, die vaststelde dat het scholingsbeding beperkt was in de tijd en tot de terugbetaling van de studiekosten, het beding geldig moest verklaren; - dat ten onrechte een bijkomende voorwaarde werd toegevoegd, met name of de be-doelde opleiding een vermeerdering van de marktwaarde van de werknemer inhield; - dat het minstens vaststaat dat de door L. V. genoten opleiding wel degelijk een meer-waarde voor hem betekende, vermits het ging om een volledig nieuwe programmeerme-thode van de vierde generatie en deze niet bedrijfsgebonden is; - dat in een vrij gelijkaardige casus werd geoordeeld dat een scholingsbeding dat enkel de terugbetaling van de kosten van opleiding mogelijk maakt, geen beperking inhoudt van het recht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en geldig is; ten aanzien van de vordering tot betaling van schadevergoeding - dat de eerste rechter de vordering ten onrechte heeft afgewezen wegens onvoldoende bewijs, zich baserend op het gebrek aan voorafgaande ingebrekestelling en het feit dat de eis uitsluitend op eenzijdige vaststellingen zou zijn gebaseerd; - dat hierbij werd voorbijgegaan aan het feit dat de fout van L. V. pas kon worden vastge-steld na diens vertrek, vermits hij de appellante steeds in de waan had gelaten dat het project volledig afgewerkt zou zijn op 15 mei 2003; hij dit ook uitdrukkelijk had bevestigd en hij daartoe het (onvolledig en gebrekkig) resultaat van zijn werk ook onomkeerbaar had geïnstalleerd; - dat de eerste rechter bovendien ten onrechte naliet om in te gaan op het aanbod om zowel de fout als de omvang van de schade, te bewijzen door getuigen. In de conclusie, neergelegd ter griffie op 7 oktober 2004, argumenteert de appel-lante bovendien dat de vordering, in de mate dat zij ertoe strekt de betaling van achterstallig loon te bekomen wegens schending van artikel 23 van de Loonbeschermingswet, ontoelaat-baar is, vermits het om een nieuwe vordering gaat die pas bij conclusie is gesteld. In ondergeschikte orde acht zij deze vordering ongegrond omdat - de doorgevoerde inhouding geoorloofd was ingevolge het akkoord tussen partijen; - de voorwaarden voor wettelijke schuldvergelijking, bepaald in de artikelen 1289 t.e.m. 1291 B.W., vervuld zijn; - en de inhouding gebeurde op de globale eindafrekening en met name op het vakantie-geld, waarop artikel 23 van de Loonbeschermingswet niet van toepassing is. Tenslotte benadrukt de appellante dat het scholingsbeding niet strijdig is met de Arbeidsovereenkomstenwet (in het bijzonder de artikelen 6, 37 en 18) en dat de cruciale geldigheidsvoorwaarde, nl. de beperking van de aanrekening tot de effectief gemaakte kos-ten, vervuld is, net zozeer als de overige voorwaarden die L. V. aanhaalt. x x x L. V. betwist de voormelde grieven en benadrukt - dat de verrekening van de kosten van opleiding met het loon onwettig is, aangezien er hierover geen overeenkomst tot stand kwam nadat het loon eisbaar is geworden; - dat het scholingsbeding het recht om de overeenkomst op te zeggen beperkt en princi-pieel nietig is ingevolge schending van de artikelen 6 en 37 van de Arbeidsovereenkom-stenwet, alsook van artikel 18 van dezelfde wet: - dat het beding hoe dan ook ongeldig is, nu het niet beperkt is in duur en disproportioneel is met de duur van de opleiding; - dat de gevolgde cursus een louter interne bedrijfsopleiding betreft en geen reden is om de beroepskwalificatie omhoog te tillen; - dat zijn salaris nadien trouwens ongewijzigd bleef; - dat de tegenvordering ongegrond is, vermits hij niet werd aangeworven met een ar-beidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk en er geen enkele dwingende vereiste was dat het project diende af te zijn bij zijn uitdiensttreding; - dat hij het slachtoffer is geworden van een algemene onwerkbaarheid bij de appellante, die vooral veroorzaakt werd door chronische personeelsonderbezetting en hoge werk-druk; - dat hij nooit verzekerd heeft, noch kon verzekeren, dat het project af zou zijn. 5. Bespreking 5.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en op regelmatige wijze ingesteld. Het is ontvankelijk. 5.2. De gegrondheid van het hoger beroep 5.2.1. De vordering van L. V. tot betaling van EUR 2.132,77 netto 5.2.1.1. De toelaatbaarheid van de vordering De appellante werpt op dat in de loop van de procedure in eerste aanleg een nieuwe vordering zou zijn gesteld, nl. in de mate dat achterstallig loon werd geëist ingevolge schending van artikel 23 van de Loonbeschermingswet, in plaats van de oorspronkelijke vordering tot terugbetaling van de aangerekende vergoeding voor de genoten scholing. Zij acht deze nieuwe vordering ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk. Dit verweer berust echter op een foute veronderstelling en is overigens niet ter za-ke dienend. 5.2.1.1.
- a)Het uitgangspunt, dat er een nieuwe vordering zou zijn ingesteld bij con-clusie, is niet correct. Het voorwerp van de vordering van L. V. is steeds ongewijzigd geble-ven. Dit bestaat uit de betaling van de som van 2.132,77 euro netto die werd ingehouden op het netto-eindtotaal van de loonfiche van mei 2002. Deze eindafrekening heeft betrekking op loon en vakantiegeld einde dienstbetrekking. In de dagvaarding werd de rechtsgeldigheid van de inhouding door L. V. betwist omdat de door de appellante ingeroepen schuld, nl. de terugbetaling van de kosten van ge-noten opleiding, gesteund was op een ongeldige clausule. In conclusies werd door L. V. ingeroepen dat de toegepaste handelswijze ook een inbreuk uitmaakt op artikel 23 van de Loonbeschermingswet en dit in de mate dat er loon werd ingehouden. Deze bijkomende rechtsgrond is echter duidelijk gesteund op dezelfde fei-ten en handelingen als vermeld in de dagvaarding. De opgave ervan wijzigt ook niets aan het voorwerp of de oorzaak van de vordering. Er is dan ook geen enkele aanleiding om van een nieuwe vordering te spreken. Zij werd zelfs niet gewijzigd; enkel de juridische omschrijving is verschillend. Daartoe heeft de eisende partij het volste recht, zodat de ingeroepen ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid moet worden afgewezen (cfr. Cass. 8 september 1986, Arr. Cass. 1986-87, nr. 13; P. TA-ELMAN, "Aanpassing van vordering in de zin van art. 807 Ger. W.", in X. Goed procesrecht, goed procederen, Mechelen, Kluwer, 2004, blz. 326, nr. 37). 5.2.1.1.
- b)Bovendien doet de argumentatie nopens de zogenaamde nieuwe vorde-ring niet ter zake, vermits de eis tot betaling van de som van 2.132,77 euro tegelijk gesteund bleef op het ontbreken van enige vaststaande schuld en dit argument, zoals hierna wordt uiteengezet, ook terecht blijkt te zijn (cfr. punt 5.2.1.2.). Dit laatste volstaat om te besluiten dat de vordering van L. V. tot betaling van de ingehouden som van 2.133,77 euro gegrond is. Als eerste voorwaarde voor een geldige in-houding op loon of vakantiegeld of voor een wettige schuldvergelijking, geldt immers dat er een vaststaande schuld bestaat. Bij gebrek hieraan dient op de vraag of de vordering tevens toelaatbaar en ge-grond is, in de mate dat zij tegelijk werd gesteund op een schending van het artikel 23 van de Loonbeschermingswet, dan ook niet te worden ingegaan. Deze betwisting hieromtrent brengt ter zake immers niets bij. 5.2.1.2. Het scholingsbeding 5.2.1.2.
- a)De betwiste inhouding werd doorgevoerd op basis van het artikel 13 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. In dit artikel werd het volgende bepaald : "De werknemer (bedoeld wordt klaarblijkelijk de werkgever) behoudt zich het recht voor de individuele opleidings- en vormingskosten gemaakt of betaald gedurende de laatste 5 jaar vóór een vrijwillige uitdiensttreding of ontslag om dringende reden te recupereren bij het ein-de van de arbeidsovereenkomst. Van deze concreet omschreven opleiding wordt een realistische en bewijsbare begroting opgemaakt van de kosten gedragen door de onderneming." Een clausule, waarbij de werknemer als tegenprestatie voor het volgen van een opleiding op kosten van de werkgever, de verplichting op zich neemt om de gemaakte kos-ten terug te betalen indien hij vóór een bepaalde datum het bedrijf vrijwillig verlaat of door eigen toedoen (dringende reden) moet verlaten, wordt in de rechtsleer en rechtspraak aan-geduid met de term 'scholingsbeding' of 'opleidingsbeding". Dergelijke clausule maakt alsnog geen voorwerp uit van een wettelijke regeling. De Arbeidsovereenkomstenwet verbiedt de partijen ook niet bij voorbaat om een overeenkomst te sluiten over de verdeling van opleidingskosten. Opdat de overeenkomst evenwel geldig zou zijn, dient haar oorzaak geoorloofd te zijn en mag zij niet door de wet verboden zijn (cfr. art. 1108 en 1133 B.W.; zie in verband met scholingsbedingen: Th. STIEVENARD, "La clause d'écolage", J.T.T. 1998, 491). Een verbintenis aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak, kan geen gevolg hebben (cfr. art. 1131 B.W.). In de mate dat de partijen met het scholingsbeding willen bekomen dat de kosten van opleiding worden terugbetaald, omdat zij voor de werkgever (gedeeltelijk) nutteloos blij-ken te zijn ingevolge een vroegtijdig vrijwillig vertrek van de werknemer uit de onderneming, kan dit geoorloofd zijn. Wanneer blijkt dat met het scholingsbeding echter in realiteit wordt beoogd om het recht van de werknemer om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen te beperken door het opleggen van een bijkomende vergoeding, kent de overeenkomst een ongeoorloofde oor-zaak. Dergelijk beding is immers strijdig met de dwingende bepalingen inzake opzegging. Het is dan ook als nietig te beschouwen (artikel 6 en 37 Arbeidsovereenkomstenwet, cfr. Cass. 10 maart 1997, A.J.T. 1997-98, 214, noot I. PLETS). Bij de beoordeling van de bedoeling van de partijen dient niet alleen rekening te worden gehouden met de duur van het beding en het bedrag van de terug te betalen kosten. Deze elementen dienen ook te worden getoetst aan de specifieke omstandigheden en in het bijzonder aan de opleiding(
- en)waarop zij betrekking hebben. Indien blijkt dat de duur van het scholingsbeding en het bedrag van de terug te betalen kosten niet in verhouding staan tot de gevolgde opleiding, kan dit er immers op wijzen dat de bedoeling van de partijen niet zozeer is geweest om nutteloos gemaakte kosten te recupereren, maar wel om het vrijwillig vertrek voor de werknemer te belemmeren en zijn ontslagrecht te verzwaren (cfr. Th. STIEVENARD, "La clause d'écolage", J.T.T. 1998, 491). 5.2.1.2.
- b)De vraag of een scholings- of opleidingsbeding rechtsgeldig is, moet bij-gevolg worden onderzocht aan de hand van de omstandigheden van de zaak. Het antwoord op deze vraag luidt ten aanzien van het artikel 13 van de tussen par-tijen gesloten arbeidsovereenkomst negatief en dit om volgende redenen. Vooreerst blijkt dat, in tegenstelling tot hetgeen de n.v. M. V.D.W. argumenteert, de terugbetalingsverplichting niet beperkt bleef tot de werkelijk gemaakte kosten. Dit volgt met name uit de wijze waarop het eerste lid van artikel 13 werd opgesteld en ook toegepast in deze zaak. Volgens artikel 13, eerste lid, behield de werkgever zich het recht voor om de kos-ten "gemaakt of betaald" gedurende de laatste 5 jaar te recupereren. Het bedrag dat in deze zaak werd doorgerekend, werd door de n.v. M. V.D.W. bepaald op het betaalde bedrag, zo-als vermeld op de factuur. Aangezien in dit bedrag ook 17,5 % BTW (317,65 euro) begrepen is en dit deel voor de onderneming aftrekbaar was van de door haar te betalen BTW, over-treft dit bijgevolg de werkelijk gedragen kosten. Weliswaar is in het tweede lid van artikel 13 ook nog vermeld dat er een realisti-sche en bewijsbare begroting van de kosten "gedragen" door de onderneming zou worden opgemaakt, doch dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om de "betaalde" kosten inte-graal en zonder verder voorbehoud te recupereren, zoals bepaald in het eerste lid. De con-crete uitvoering van de overeenkomst bevestigt dit immers (cfr. Cass. 1 maart 1984, Arr. Cass. 1983-84, 831). Bijgevolg vervalt het argument van de n.v. M. V.D.W., dat het essentiële criterium voor de geldigheid van het scholingsbeding ter zake vervuld zou zijn. In artikel 13 werd im-mers voorzien in het "recupereren" van het integraal betaalde bedrag, zonder beperking tot de kosten die werkelijk door de onderneming werden gedragen. Daarbij komt nog dat het betaalde bedrag integraal terugvorderbaar bleef in geval van vertrek gedurende een termijn van 5 jaar en dit ongeacht het nut dat door de werkgever inmiddels door het verloop van de jaren uit de opleiding werd gehaald. Dergelijke clausule kan dan ook niet rechtsgeldig worden geacht. Het feit dat het terug te betalen bedrag hoger lag dan de kosten die werkelijk zijn gedragen door de werkge-ver en dat op geen enkele wijze rekening werd gehouden met het feit dat zij de werkgever ook ten goede kwamen in verhouding tot de jaren van verdere tewerkstelling, wijst er op dat het niet de bedoeling was om (gedeeltelijk) nutteloos gedragen kosten te recupereren, maar enkel om een bijkomende vergoeding op te leggen in geval van vrijwillig vertrek. Tot hetzelfde besluit leidt bovendien ook de duur van het beding. Uit de bewoordingen van het artikel 13 blijkt immers dat de verplichtingen in geval van vrijwillig vertrek uit de onderneming dermate ruim en algemeen zijn opgevat, dat zij in feite tijdens de ganse duur van tewerkstelling van kracht waren of minstens konden zijn. Krachtens het artikel 13 werd L. V. met name verplicht om elke individuele oplei-dings- of vormingskost, gemaakt of betaald door de werkgever in de periode van 5 jaar vóór zijn vertrek uit de onderneming, terug te betalen. Enig onderscheid naargelang van de aard van de opleiding of vorming wordt hierbij niet gemaakt. De plicht tot terugbetaling gold dan ook tijdens de ganse duur van de tewerkstel-ling, met als enige voorwaarde dat er in de periode van 5 jaar voorafgaand aan het vertrek minstens één vorming of opleiding was gevolgd. Gelet op de aard van de functie als analist-programmeur en de snelle technologische evoluties in de informatiesector is het evenwel meer dan waarschijnlijk dat deze voorwaarde ook te allen tijde vervuld zou zijn. Het volgen van opleidingen is in deze sector immers noodzakelijk om de kennis actueel te houden. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat de toepassing van het artikel 13 tot een cumulatie van ver-goedingen voor meerdere opleidingen aanleiding kon geven. Het artikel 13 kwam aldus in feite neer op het opleggen van een voortdurende plicht tot betaling van een bijkomende vergoeding bij vrijwillig vertrek. Minstens is de termijn van 5 jaar, welke per opleiding werd vastgesteld, in een sector als informatica op zich reeds zeer ruim, zonder dat op enigerlei wijze is aangetoond dat dit in verhouding staat tot elke mogelijke opleiding die door het beding werd geviseerd. Samenvattend besluit het Arbeidshof dat het beding van artikel 13 van de over-eenkomst, gelet op het bedrag van de te betalen vergoeding en de duur van het beding, niet geldig kan worden geacht. Ten overvloede past het nog op te merken dat de toepassing die in de concrete omstandigheden van deze zaak werd gemaakt van dit beding, dit enkel bevestigt. Vooreerst blijft de vaststelling dat de inhouding van het bedrag van 2.132,77 euro verder strekte dan de werkelijk gedragen kosten en bijgevolg een bijkomende schadever-goeding inhield. Bovendien biedt ook de opleiding, nl. een 5-daagse workshop te Utrecht in ver-band met programmering, die door L. V. werd gevolgd twee maanden na de aanwerving, geen argumenten om te oordelen dat slechts een redelijke kostenverdeling werd beoogd. In-tegendeel. Zoals door de n.v. M. V.D.W. zelf wordt bevestigd, was deze opleiding vereist, minstens nuttig voor de uitvoering van zijn functie in de onderneming (cfr. blz. 15, conclusie, 7 oktober 2004). Zij was als werkgever in beginsel dan ook verplicht om in deze opleiding te voorzien, ten einde de uitvoering van de overeengekomen taken mogelijk te maken (cfr. arti-kel 20, 1° Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 1134 B.W.), en kon hiervan door de verdere tewerkstelling nadien ook de vruchten plukken. Terwijl het vaststaat dat het gaat om kosten gemaakt in functie van zijn opdracht en zij ook gedurende nagenoeg twee jaar ten goede kwamen aan de onderneming, blijkt echter niet dat de (integrale) recuperatie ervan op datum van het vrijwillig vertrek in een re-delijke verhouding stond tot de gevolgde opleiding. Nergens blijkt immers dat de voormelde opleiding een beduidende meerwaarde of bijkomende kwalificatie zou hebben opgeleverd. De n.v. Van de Wiele beweert dat het ging om een nieuwe programmeermethode en dat het om meer ging dan een bedrijfsinterne op-leiding, doch een en ander wordt betwist zonder dat de ingeroepen meerwaarde wordt be-wezen. Gelet op de beperkte duur en kostprijs van de opleiding kan een beduidende meer-waarde ook niet vanzelfsprekend worden geacht. Op grond van de voormelde overwegingen blijft dan ook het besluit dat het artikel 13 van de arbeidsovereenkomst er in de eerste plaats toe strekte een bijkomende vergoe-ding bij vrijwillig vertrek op te leggen, veeleer dan werkelijke, doch (gedeeltelijk) nutteloos gemaakte kosten te recupereren bij de partij die hiervan het voordeel bekwam. 5.2.1.2.
- c)Aangezien de geldigheid van het beding telkenmale moet worden afge-wogen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak, tracht de n.v. M. V.D.W. tevergeefs enig argument te putten uit de rechtspraak die zij voorlegt. Het volstaat in dit verband reeds te wijzen op het feit dat de clausules en feitelijke omstandigheden, die in de bedoelde rechtspraak aan de orde waren (cfr. de aard van de op-leiding, de hieraan verbonden meerwaarde, de beperking van de terugbetalingsplicht in de tijd en tot een gedeelte van de gemaakte kosten, enz..), op geen enkele wijze vergelijkbaar zijn met de bewoordingen van het artikel 13 en de feitelijke context in deze zaak. De hoofdvordering van L. V. werd door de eerste rechter bijgevolg terecht gegrond verklaard. Het hoger beroep is af te wijzen als ongegrond. 5.2.2. De oorspronkelijke tegenvordering tot betaling van schadevergoeding 5.2.2.1. De appellante vordert de betaling van een bedrag van 61.240 euro ten titel van schadevergoeding wegens fouten begaan door L. V. in de uitvoering van zijn opdracht als analist-programmeur. Zij beroept zich op een schending van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomsten-wet en op het feit dat zijn vertrek ontijdig was en strijdig met de goede trouw. Deze vordering wordt integraal betwist en werd door de eerste rechter afgewezen als ongegrond bij gebrek aan bewijs. Dit oordeel was overigens zeer terecht. 5.2.2.2. Uit de stukken die de appellante voorlegt, kan niet worden afgeleid dat L. V. zich schuldig zou hebben gemaakt aan bepaalde fouten, laat staan dat het zou gaan om fouten zoals bedoeld in artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, nl. bedrog, zware fout of fou-ten die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomen. De voorgelegde stukken maken geen melding van fouten in hoofde van L. V.. Zij geven enkel een opsomming van gebreken vastgesteld in het softwareprogramma, waaraan hij heeft gewerkt. Dit laatste heeft evenwel enkel betrekking op het resultaat en volstaat niet om de conclusies van de appellante te staven. Men mag immers niet vergeten dat de verbintenissen opgenomen in het kader van een arbeidsovereenkomst in essentie de plicht inhouden om het toevertrouwde werk zorg-vuldig, eerlijk en nauwkeurig te verrichten (cfr. artikel 17, 1° Arbeidsovereenkomstenwet). Deze verbintenis is een middelenverbintenis. In die zin onderscheidt de arbeidsovereen-komst zich van een aannemingsovereenkomst, doordat zij het verrichten van arbeid en niet het resultaat van de arbeidsverrichting tot voorwerp heeft. Het feit dat L. V. verantwoordelijk zou zijn geweest voor het project, doet hieraan trouwens geen afbreuk. De vaststelling dat het project niet was voltooid op datum van zijn vertrek uit de onderneming of bepaalde lacunes en gebreken vertoonde, kan bijgevolg niet volstaan om te besluiten dat L. V. fouten zou hebben begaan in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. Deze fouten dienen, bij gebrek aan enige resultaatsverbintenis, op zich te worden aange-toond en te worden getoetst aan de bepalingen van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet. 5.2.2.3. De appellante biedt aan om de fouten die zij inroept, te bewijzen door ge-tuigen, doch dit aanbod, zoals omschreven in het verzoekschrift hoger beroep (cfr. blz. 12-13) blijkt ter zake niet dienend te zijn. 5.2.2.3.
- a)Vooreerst wordt ingeroepen dat L. V. bijzonder traag zou hebben ge-werkt. Wat hem precies ten laste wordt gelegd, is echter niet duidelijk, laat staan dat kan worden uitgemaakt of dit feit, in zoverre het wordt bewezen, een fout in de zin van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet uitmaakt. Er wordt zelfs niet ingeroepen dat hij "te" traag werkte, noch dat over zijn werktempo destijds reeds enige opmerking zou zijn gemaakt. Het enige argument dat ter zake wordt aangehaald, betreft het resultaat : nl. dat er van de 1374 programma's, slechts 966 behandeld waren. Dit gegeven volstaat echter niet als een bewijs van fout. Nergens blijkt immers dat dergelijke graad van afwerking, rekening houdend met de aard van de opdracht, ondermaats zou zijn geweest. Bovendien kan dit in voorkomend geval ook niet automatisch aan L. V. worden toegeschreven. Ook andere facto-ren, zoals de personeelsonderbezetting waarnaar L. V. verwijst, kunnen invloed hebben op het vorderen van de werkzaamheden. In deze omstandigheden is het aanbod om te bewijzen door getuigen dat hij, gelet op de graad van afwerking, bijzonder traag werkte, ter zake niet dienend. Dit feit laat niet toe te besluiten tot fouten in de zin van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet. 5.2.2.3.
- b)In de tweede plaats wordt vermeld dat er tal van fouten zouden zijn ge-maakt in de uitvoering van de opdracht, met een "misbaksel" als resultaat. Aldus wordt ingeroepen - dat er bij zijn vertrek zou zijn vastgesteld dat tal van modules van het softwareprogram-ma niet zouden zijn uitgewerkt en dat zij zelfs geen begin van uitvoering kenden. Deze vaststelling levert echter geen bewijs van persoonlijke fouten op. Het wijst er op dat het project niet af was, doch zegt niets over de oorzaak hiervan. - dat bepaalde modules of elementen niet waren opgenomen in het programma. Ook dit is ter zake nietszeggend. Waarom dit aan een fout van L. V. moet worden toege-schreven, blijkt immers niet. Dit is ook niet vanzelfsprekend, vermits hij het project dien-de uit te voeren onder supervisie van een analist-programmeur en bovendien op de me-dewerking van personeelsleden van de afdeling wisselstukken-naverkoop aangewezen was bij de uitwerking ervan. Ontbrekende elementen kunnen dan ook niet automatisch aan hem persoonlijk worden toegeschreven. - dat L. V. niet of onvoldoende controletests zou hebben uitgevoerd. Eens te meer is het de vraag of dit feit een fout uitmaakt. Het programma was nog niet voltooid op datum van zijn vertrek. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat er andere taken prioritair waren met het oog op de overdracht ervan. In dit verband merkt de appellante weliswaar op dat het programma niettemin reeds on-omkeerbaar zou zijn geïnstalleerd, doch ook dit bewijst niet dat er fouten zijn begaan. Nergens blijkt immers dat de keuze voor installatie, gelet op zijn vertrek uit de onderne-ming, een verkeerde keuze zou zijn geweest. - dat er fouten zouden zijn gemaakt in de analyse van de specifieke behoeften, in de toe te passen systemen en in de overschrijving en programmering, zowel van het oude pak-ket naar het nieuwe, als in het nieuwe pakket zelf. Dergelijke omschrijving is al te vaag om te kunnen nagaan welke concrete fouten er zouden zijn begaan. Aangezien L. V. tot nagenoeg één jaar na zijn vertrek nooit enige opmerking heeft gekregen over de uitvoering van zijn werk, moet dit nochtans duidelijk zijn en dienen de ingeroepen feiten met de nodige omzichtigheid te worden beoordeeld. Het volstaat daartoe niet om, zoals blijkt uit de hoger vermelde omschrijving, systema-tisch alle gebreken in het programma zelf aan L. V. toe te schrijven. Dergelijke omschrij-ving kan geen bewijs van persoonlijke fouten opleveren. Minstens laat dit niet toe om vast te stellen dat het gaat om bedrog, zware fout of herhaalde lichte fouten in de zin van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet. Gelet op wat voorafgaat, kan op het aanbod om de voormelde feiten te bewijzen niet worden ingegaan. De feiten zijn ter zake immers niet dienend om hieruit te kunnen aflei-den dat er persoonlijke fouten zijn gemaakt, laat staan dat de ernst ervan kan worden be-oordeeld in het licht van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet. 5.2.2.2.
- c)Aangezien niet blijkt dat het project op datum van het vertrek diende te zijn afgewerkt, noch dat de toestand waarin het werd achtergelaten door persoonlijke fouten van L. V. zou zijn veroorzaakt, kan het feit de onderneming te hebben verlaten op 15 mei 2002 ook niet worden ingeroepen als fout of handelwijze in strijd met de goede trouw. Op het aanbod om door getuigen te bewijzen dat het ontslag ontijdig zou zijn ge-weest, kan evenmin worden ingegaan. Het betreft immers veeleer een oordeel, dan een feit, dat overigens op al te vaag omschreven motieven is gesteund. 5.2.2.2.
- d)Tenslotte wordt L. V. in het bijzonder kwalijk genomen dat hij zijn werk-gever bij zijn vertrek zou hebben misleid en hem in de waan zou hebben gelaten dat het pro-ject wel voltooid was. Dergelijke argumentatie wordt echter reeds door de feiten zelf tegengesproken. Het staat immers vast en wordt ook niet betwist dat L. V. weigerde om de overeen-komst van 7 mei 2002 te ondertekenen, precies omdat hij niet wou bevestigen dat het pro-ject zou zijn afgewerkt. Dit staat dan ook haaks op de bewering dat hij de schijn zou hebben opgehouden dat het programma zou zijn voltooid en het om die reden ook zou hebben geïn-stalleerd. Voor het overige wordt wel beweerd dat hij ooit zou hebben verklaard dat de eind-oplossing niet ver af zou zijn geweest, doch dit wordt ontkend en werd ook niet bewezen. Dergelijke verklaring wordt zelfs niet onder bewijsaanbod geplaatst. In deze omstandigheden is het ook niet dienend om in te gaan op het aanbod te bewijzen dat de "schijn" zou zijn verwekt dat hij een werkbaar pakket afleverde. Zelfs indien dit door getuigen zou worden bevestigd, blijft immers de vaststelling dat L. V. deze schijn hoe dan ook ten aanzien van de appellante zelf heeft tegengesproken door te weigeren de overeenkomst van 7 mei 2002 te ondertekenen. Bijgevolg kan hem hoe dan ook geen mis-leidend gedrag ten aanzien van de appellante ten laste worden gelegd. 5.2.2.3. Op grond van de voormelde overwegingen kan enkel worden besloten dat de appellante op geen enkele wijze aantoont dat L. V. persoonlijk fouten zou hebben begaan in de zin van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet en dat het getuigenaanbod, gelet op de omschrijving van de feiten waarop het betrekking heeft, in dit verband ook niets kan bijbrengen (cfr. artikel 915 Ger. W.). De oorspronkelijke tegenvordering werd door de eerste rechter zeer terecht afge-wezen als ongegrond bij gebrek aan enig bewijs. Het hoger beroep dient ook op dit onderdeel te worden afgewezen als ongegrond. 5.3. De kosten van het geding De kosten van het geding zijn ten laste van de appellante, die daartoe ook reeds werd veroordeeld voor wat de procedure in eerste aanleg betreft. Aangezien er voor de bepaling van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding enkel rekening kan worden gehouden met het bedrag van de oorspronkelijke hoofdvorde-ring, zoals eventueel gewijzigd bij conclusie, dient het door haar vooropgestelde bedrag te worden herleid (cfr. artikel 3, laatste lid, K.B. 30 november 1970, met verwijzing naar de arti-kelen 557 en 618 Ger. W.). De desbetreffende opmerking van L. V., gemaakt ter openbare terechtzitting, is dus terecht voor wat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep betreft. Vermits er geen incidenteel beroep werd ingesteld, kan de herleiding evenwel niet worden toegepast op de vergoeding bepaald door de eerste rechter. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonder-heid op artikel 24. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Recht doende op tegenspraak. Gelet op het schriftelijk advies van substituut-generaal Peter Waterschoot. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Kortrijk, eerste kamer, van 27 april 2004, in al zijn beschikkingen. Veroordeelt de appellante overeenkomstig art. 1017, eerste lid Ger.W. tot de kos-ten van het hoger beroep, en vereffent deze als volgt : - aan de zijde van de appellante (zoals wettelijk herleid): rechtsplegingsvergoeding procedure hoger beroep : 139,81 euro - aan de zijde van de geïntimeerde : niet te begroten bij gebrek aan een omstandige opgave. Aldus uitgesproken op woensdag twintig april tweeduizend en vijf in openbare te-rechtzitting door de derde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Brugge, en waarin zitting hadden : Demedts Marijke, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Doubel Palmer, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Cordy Dorine, raadsheer in sociale za-ken, benoemd als werknemer-bediende, en Versieren Lucienne, griffier. w.g. L. Versieren D. Cordy P. Doubel M. Demedts. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050420.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div