id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 22 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050422.2 Rolnummer: 2004247 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-01 03:07 Fiche Door artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd met ingang van 10 januari 2004, wordt, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, de taak van het O.C.M.W. beperkt tot het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onder-houdsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen. In dit geval wordt aan de minderjarige materiële hulp verleend onontbeerlijk voor zijn ontwikkeling. Deze hulp wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkom-stig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning. De nieuwe wettelij-ke bepalingen kunnen wel slechts toegepast worden met ingang van 11 juli 2004, datum van inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit van 24 juni 2004. De nieuwe bepalingen van artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-Wet en het K.B. van 24 juni 2004 zijn geenszins in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel of met enige bepaling van het Kinderrechtenverdrag en het EVRM. De rechter kan niet weigeren hen toe te passen. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Maatschappelijke dienstverlening Illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen met kinderen Artikel 57, ,§ 2, O.C.M.W.-wet K.B. van 24 juni 2004 - Wettigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing A.R. nr. : 2004/247 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN : O.C.M.W. TE O., met zetel te, APPELLANT, vertegenwoordigd door meester Ph. Dockx, advocaat te Oostende, TEGEN : 1. M. M., en zijn echtgenote, 2. T. A., in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen M. V. en G., allen wonende te, GEINTIMEERDEN QUALITATE QUA, vertegenwoordigd door meester E. Mewissen, advocaat te Brugge. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging en inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeids-rechtbank te Brugge, eerste vakantiekamer, d.d. 16 juli 2004 (A.R. nr. 117.868), waarvan door de griffier bij gerechtsbrief van 19 juli 2004 aan de partijen kennis werd gegeven. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, op 30 juli 2004 ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, neergelegd. 1. Nopens de feiten. De heer M. M. en mevrouw A. T., geboren op 26 mei 1972 resp. 21 oktober 1973, zijn gehuwd en hebben de Russische nationaliteit. Zij verblijven in het Rijk samen met hun minderjari-ge kinderen, V., geboren op 1 februari 1993, en G., geboren op 23 oktober 1998. Hun aanvraag om als politiek vluchteling erkend te worden, werd onontvankelijk ver-klaard. Sinds 19 december 2000 verblijven zij illegaal in het Rijk. De geïntimeerde en zijn echtgenote ontvingen van de appellant financiële steun totdat deze laatste besliste de steunverlening vanaf 1 juli 2003 te staken. Tegen deze beslissing werd geen beroep ingesteld. De heer en mevrouw M.-T. dienden op 30 maart 2004 een nieuwe aanvraag tot steunverlening in bij de appellant. Op 8 april 2004 besliste de appellant om hen het "equivalent leefloon" vanaf 30 maart 2004 te weigeren. Op 8 november 2004 verklaarde mevrouw T. dat zij geen gebruik wilde maken van de mogelijkheden die het nieuwe artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-Wet en het K.B. van 24 juni 2004 boden. De appellant besloot op 25 november 2004 financiële hulp toe te staan voor twee kinde-ren ten laste voor de periode van 1 tot en met 7 november 2004 en die hulp te weigeren vanaf 8 november 2004. Deze beslissing werd bij aangetekend schrijven van 30 november 2004 meege-deeld. Tegen deze beslissing werd op 15 december 2004 beroep ingesteld bij de Arbeidsrecht-bank te Brugge. Deze zaak werd daar op de algemene rol ingeschreven onder nr. 120.643. Dit betekent dat de betwisting die in casu door het Arbeidshof moet beslecht worden, hoogstens (zie immers hierna) betrekking kan hebben op de periode van 30 maart 2004 tot en met 31 oktober 2004. 2. Nopens de procedure in eerste aanleg. Bij verzoekschrift, op 29 april 2004 ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brugge neerge-legd, tekenden de geïntimeerden q.q. beroep aan tegen de beslissing van de appellant van 8 april 2004. Zij vroegen de vernietiging van de beslissing. Zij vroegen dat de appellant zou verplicht wor-den aan de kinderen van de geïntimeerden q.q. materiële hulp ter beschikking te stellen, onont-beerlijk voor hun ontwikkeling, alsook de bescherming en zorg, nodig voor hun welzijn. Subsidiair vroegen zij dat een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou gesteld worden. Bij conclusie, op 1 juli 2004 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vroegen de geïntimeerden q.q. dat de appellant zou veroordeeld worden tot de betaling aan de geïntimeerden q.q. van 100 euro per maand en per kind als onontbeerlijke uitgave voor de ontwikkeling, opvoe-ding en onderhoud van ieder van de minderjarige kinderen, vanaf de maand volgend op die van de bestreden "beschikking". Bij eindvonnis van 16 juli 2004 werd de vordering van de geïntimeerden q.q. ontvankelijk en gegrond verklaard. De bestreden beslissing werd vernietigd. Er werd voor recht gezegd dat de appellant aan de geïntimeerden q.q., in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun kinderen G. en V., vanaf 1 mei 2004 gehouden waren 100 euro per maand en per kind te be-talen, uitsluitend aan te wenden voor de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen. De appellant werd in de kosten van het geding verwezen. Het vonnis werd voorlopig uitvoerbaar verklaard on-danks elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: - dat artikel 57, ,§ 2, van de OCMW-Wet bepaalde dat aan illegale vreemdelingen geen andere steun dan dringende medische hulp kon verleend worden; - dat voor hun kinderen echter een specifieke regeling gold; - dat zowel de geïntimeerden q.q. als hun kinderen in een staat van behoeftigheid verkeerden; - dat met ingang van 10 januari 2004 een nieuw artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-Wet was ingevoerd, als reactie op een arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003; - dat de nieuwe bepaling met ingang van 11 juli 2004 werd uitgevoerd door het K.B. van 24 juni 2004; - dat op het ogenblik van de bestreden beslissing echter nog de oude regeling gold; - dat zolang de nieuwe regeling nog niet toepasselijk was, de appellant er toe gehouden was aan de minderjarige kinderen materiële hulp te verschaffen; - dat dit slechts kon zonder de kinderen van hun ouders te scheiden; - dat, gelet op de moeilijkheid om het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 toe te passen, de appellant van 30 maart 2004 tot 11 juli 2004 aan de geïntimeerden q.q. het leefloon voor een éénoudergezin en de gewaarborgde kinderbijslag verleend moest hebben, zij het dat de betwisting in casu maar sloeg op de periode vanaf 1 mei 2004 en zij het dat die steun enkel maar ten bate van de kinderen kon aangewend worden; - dat het K.B. van 24 juni 2004 strijdig was met artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-Wet en door de rechter niet kon toegepast worden; - dat het trouwens algemeen bekend was dat er noch in West-Vlaanderen noch in Oost-Vlaanderen een federaal opvangcentrum te vinden was en dat de bestaande centra overigens overvol waren, geen plaats hadden voor alle minderjarige kinderen van illegale vreemdelingen en nog minder in staat waren én ouders én kinderen op te vangen; - dat het voornoemde besluit ook strijdig was met artikel 8 van het EVRM; - dat het nieuwe artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-Wet én het voornoemde besluit ten slotte ook strijdig waren met de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het Kinderrechtenverdrag; - dat de enige oplossing erin bestond om de kinderen bij hun ouders te laten en deze laatsten in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers de financiële steun te geven die hen in staat moest stellen om hun kinderen onderdak, voeding, kleding, opvoeding en een warme thuis te bieden; - dat dit impliceerde dat ook de geïntimeerden q.q. zelf konden overleven; - dat de geïntimeerden q.q. hun vordering echter beperkten tot 100 euro per kind en per maand vanaf de maand na de bestreden beslissing zodat voor de hele periode van betwisting slechts het gevraagde kon toegekend worden. 3. Nopens de procedure in hoger beroep. In zijn akte van hoger beroep vordert de appellant dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan en dat het Ar-beidshof, opnieuw wijzende, de beslissing van 8 april 2004 zou bevestigen. In hun conclusie, op 18 oktober 2004 ter griffie neergelegd, vragen de geïntimeerden q.q. dat het hoger beroep als ongegrond zou afgewezen worden. Subsidiair vragen zij dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou gesteld worden. Zij vragen dat de appellant in de kosten van het geding zou verwezen worden. De partijen worden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 28 januari 2005. 4. Nopens de grieven van het hoger beroep. De appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Hij houdt inzonderheid voor: - dat de geïntimeerden q.q. illegaal in het land verblijven en geen aanspraak kunnen maken op andere steun dan dringende medische hulp; - dat de rechter de wet niet terzijde kan schuiven of er een eigen invulling aan kan geven; - dat de nieuwe wettelijke regeling niet in strijd is met het Kinderrechtenverdrag en rekening houdt met de overwegingen van het Arbitragehof; - dat pas zou kunnen geoordeeld worden dat de appellant voor steunverlening moet instaan, wanneer zou vaststaan dat er effectief sprake is van een tekort aan opvangmogelijkheden voor ouders en kinderen in een federaal opvangcentrum; - dat het de eigen keuze van de geïntimeerden q.q. is om te weigeren het land te verlaten en de toestand waarin hun kinderen verkeren, aan henzelf toe te schrijven is; - dat een gedoogbeleid geen rechten kan doen ontstaan. 5. Bespreking. 5.1. Nopens de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk. 5.2. Nopens de gegrondheid van het hoger beroep. 5.2.1. De appellant heeft tot taak onder meer materiële hulp te verlenen aan perso-nen, opdat zij in de mogelijkheid zouden zijn een leven te leiden dat beantwoordt aan de men-selijke waardigheid (artikelen 1 en 57, ,§ 1 van de OCMW-Wet). 5.2.2. Artikel 57, ,§ 2, van de OCMW-Wet, zoals toepasselijk tot 10 januari 2004, luidt als volgt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uit-zondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van het bevel om het grondgebied te verlaten. Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt nood-zakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden. De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het cen-trum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeen-te, van de ondertekening van de intentieverklaring." Artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de OCMW-Wet, werd met ingang van 10 januari 2004 gewijzigd door artikel 483 van de Programmawet van 22 december 2003. De nieuwe bepalingen luiden als volgt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die ille-gaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2° wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Ko-ning". Artikel 496 van diezelfde Programmawet heeft, onder de afdeling 4 - 'Uitbreiding van de opdrachten van Fedasil' (zijnde het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers) in artikel 62 van de Programmawet van 19 juli 2001 een ,§ 2quater ingevoegd dat als volgt luidt: "Wanneer de ouders niet in staat zijn hun onderhoudsplicht te vervullen, is het agent-schap bevoegd voor de opvang van de minderjarigen, die met hun ouders illegaal op het grondgebied verblijven en bij wie een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de nood aan hulp heeft vastgesteld. De Koning bepaalt de modaliteiten van deze opvang.". De nieuwe bepalingen werden slechts uitgevoerd door het K.B. van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft (B.S., 1 juli 2004), dat in werking is getreden op 11 juli 2004. 5.2.3. Het Openbaar Ministerie overweegt in zijn uitvoerig geschreven advies wat volgt en het Arbeidshof neemt deze overwegingen als de Zijne aan: "(5.2.3.1) Aangezien M. M. en T. A. definitief en uitvoerbaar onwettig verblijven op het grondgebied van het Rijk, kunnen zij krachtens artikel 57, ,§ 2, 1°, van de OCMW-Wet ten op-zichte van (de appellant) geen aanspraak maken op steun, noch voor zichzelf noch ten behoe-ve van hun kinderen, wat (in casu) ook niet wordt gevraagd. (5.2.3.2) Aangezien aan het verblijf van de kinderen van asielzoekers wettelijk een einde wordt gesteld door de betekening aan hun ouders van het bevel om het grondgebied te verlaten (...) is (
- de)voornoemde bepaling zonder meer ook toepasselijk op die kinderen. In de reeds jaren aanslepende procedureslag met betrekking tot het verlenen van steun aan onwettig in het Rijk verblijvende vreemdelingen, bij onder meer het Arbitragehof, is ook deze toepassing het voorwerp geweest van een aantal, ondertussen reeds algemeen be-kende, uitspraken van het Arbitragehof. Centraal stond onder meer de toetsing van artikel 57, ,§ 2, van de OCMW-Wet aan het gelijkheidsbeginsel gecombineerd met het Kinderrechtenver-drag. (5.2.3.3.1) De (...) door de eerste rechter en (
- de)geïntimeerde aangehaalde bepa-lingen van het Verdrag (inzake) de Rechten van het Kind (van 20 november 1989) hebben geen directe werking in het Belgische rechtsstelsel, zoals door het Hof van Cassatie voorheen reeds (werd) gesteld met betrekking tot onder meer artikelen 3, 24 en 26 van het voornoemd Verdrag, en wel omdat deze bepalingen enkel de Staten verplichtingen opleggen en/of omdat ze op zichzelf niet voldoende nauwkeurig en volledig zijn om directe werking te hebben, zoals reeds meermaals door dit Arbeidshof (werd) bevestigd. Ze kunnen niet gelden als bron van subjectieve rechten en van verplichtingen voor particulieren (Cass., 4 november 1999, R.W., 2000-01, 232, en Cass., 31 maart 1999, Soc. Kron., 2000, 204). Dit sluit weliswaar niet uit dat de bepalingen van dat Verdrag nuttig kunnen zijn bij de interpretatie van (andere) teksten (Cass. 4 november 1999, R..W., 2000-01, 232), terwijl een indirecte toetsing van bedoeld ver-drag, in het kader van een beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel, wel mogelijk is volgens de verder besproken rechtspraak van het Arbitragehof. De rechter dient na te gaan of de verdragen niet op discriminerende wijze worden toegepast of miskend door wettelijke bepalingen. (5.2.3.3.2) Het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 22 juli 2003 (nr. 106/2003, over-weging B.7.6. en B.7.7., B.S. 4 november 2003), gesteld dat de doelstellingen opgesomd in de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Kinderrechtenverdrag die uitsluitend betrekking hebben op de kinderen, dienen te worden verzoend met de doelstelling die erin bestaat volwassenen die illegaal op het grondgebied verblijven, er niet toe aan te zetten er te blijven, en voegt daar on-middellijk aan toe dat de maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend onder de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ou-ders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan verge-wist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. De principes gesteld door het Arbitragehof kunnen enkel worden vervuld door het rechtstreeks verlenen van materiële hulp aan het kind, indien dat absoluut noodzakelijk is inge-volge het in gebreke blijven van de ouders, ouders die, zoals het Arbitragehof zeer terecht stelt, in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind (Arbitragehof, 22 juli 2003, nr. 106/2003, over-weging B.7.2). Het Arbitragehof heeft dit standpunt nadien nog bevestigd (...) bij arrest van 1 okto-ber 2003, nr. 2003/129 (B.S. 11 december 2003), en heeft onder meer aangenomen dat het aan het (OCMW) is onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd (...). (5.2.3.3.3) Hieruit volgt dat kinderen wier menswaardig bestaan in het gedrang komt door het onwettig gedrag van hun ouders, recht hebben op steun volgens de voorwaarden ge-steld door het Arbitragehof. Artikel 57 ,§ 2, 1°, van de OCMW-Wet wordt bijgevolg niet toege-past voor die kinderen, terwijl de steun die dan verschuldigd is krachtens de artikelen 1 en 57, ,§ 1, van de OCMW-Wet, als passend moet worden aangenomen, met respect voor de andere belangen die door het Arbitragehof in overweging werden genomen, indien die voldoet aan de door het Arbitragehof gestelde voorwaarden, namelijk materiële steun die uitsluitend ten goede komt aan de kinderen zelf, zonder dat de ouders van die kinderen die in gebreke zijn hun ou-derlijke plicht te vervullen, zelf ertoe aangezet zouden worden een einde te stellen aan hun onwettig gedrag.". 5.2.4. Ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003, en omdat dit arrest tot grote verwarring kon leiden (Parl. St., Kamer, 2003-2004, nrs. 473/1 en 474/1, 223) heeft de wetgever, teneinde te kunnen voldoen aan het standpunt van het Arbitragehof, een regeling uitgewerkt met onder meer een nieuw artikel 57, ,§ 2, eerste en tweede lid, van de OCMW-Wet (zie 5.2.2). Het Openbaar Ministerie overweegt in zijn geschreven advies wat volgt en het Ar-beidshof neemt deze overwegingen tot de Zijne: "(5.2.4.1) Tijdens de (parlementaire voorbereiding) heeft Minister van Ambtenarenza-ken en Maatschappelijke Integratie, mevrouw Marie ARENA, gesteld dat nadere voorwaarden voor maatschappelijke hulp aan minderjarigen bij koninklijk besluit zullen worden vastgesteld. Die bijstand moet in de noodzakelijke hulp voorzien met betrekking tot de ontwikkeling van het kind. Bijgevolg zal het OCMW elk geval afzonderlijk moeten analyseren en telkens nagaan wat de behoeften van het kind zijn. De ontworpen bepaling behelst geen concrete oplossingen, maar strekt ertoe een scheeftrekking te voorkomen: het arrest van het Arbitragehof zou immers wel eens zodanig kunnen gelezen worden dat het de verplichting inhoudt financiële steun te bieden aan alle betrokken minderjarigen, wat onhoudbaar is. In het Koninklijk Besluit zal wor-den gepreciseerd welke vorm de maatschappelijke hulp mag aannemen (schoolbenodigdhe-den, voeding, onderdak, ...). De materiële maatschappelijk hulp wordt in de opvangcentra aan-geboden. De OCMW's zijn dan weer in de eerste plaats bevoegd voor de analyse van de toe-stand van de betrokkenen. De Minister preciseert verder dat het Koninklijk Besluit met de voor-waarden inzake de te verlenen hulp zodanig zal worden geformuleerd dat slechts in echt uit-zonderlijke gevallen zal worden overgegaan tot een scheiding van ouders en kinderen. Ook zij is er immers van overtuigd dat de kinderen zich in de meeste gevallen slechts naar behoren kunnen ontplooien in het bijzijn van hun ouders. Voorts zijn de bepalingen opgenomen in artikel 417 (wat artikel 483 is geworden) afhankelijk van een vrijwillige stap van de begunstigde, wat op zich al voldoende waarborgen biedt (Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 473/29, 27-28). (In) de Senaat (stelde) Minister ARENA onder meer dat het al te gek is dat medische hulp kan worden gegeven aan een kind maar geen boterham. Die paradox zal worden opgehe-ven omdat men die kinderen in de toekomst materiële hulp zal kunnen bieden en zal vastleg-gen hoe dat zal gebeuren. Het is van even groot belang dat men de regels en de voorwaarden om dat te doen vastlegt, aangezien het niet de bedoeling is een maatregel te treffen die belang-rijke gevolgen heeft voor de migratiestromen (Parl. St., Senaat, 2003-04, nr. 424/6, 13). Concreet houdt de nieuwe bepaling van artikel 57 (van
- de)OCMW-Wet in dat, zodra bij het OCMW een aanvraag wordt gedaan tot dienstverlening tegenover een minderjarige wiens ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven en het OCMW vaststelt dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, de mogelijk-heid wordt geboden van opvang in een federaal opvangcentrum op vrijwillige basis (Parl. St., Kamer, 2003-04, nrs. 473/1 en 474/1, 223) (...). (5.2.4.2) (De) voornoemde wettelijke bepalingen worden uitgevoerd bij Koninklijk Besluit van 24 juni 2004 (zie 5.2.2). Dit Koninklijk Besluit omschrijft hoe de aanvraag dient te gebeuren en wat de precieze taken zijn van het OCMW en FEDASIL, de voorwaarden en de modaliteiten. Zo stelt artikel 7 van het (besluit) dat het Agentschap een geïndividualiseerd op-vangproject opstelt waarbij een materiële hulp wordt verzekerd die aangepast is aan de noden van de minderjarige en die onontbeerlijk is voor zijn ontwikkeling. Dit project waarborgt ten min-ste de huisvesting, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige. (...) Desbetreffend heeft de Minister van Maatschappelijke Integratie in zijn Omzend-brief van 16 augustus 2004 (B.S. 19 december 2004) (doch reeds in augustus 2004 verspreid onder de OCMW'
- s)gesteld dat dit concreet betekent dat met ingang van die datum de minder-jarige vreemdeling die verkeert in het geval bedoeld in artikel 57, ,§ 2, tweede lid, van de OCMW-Wet, enkel aanspraak kan maken op de voor zijn ontwikkeling onontbeerlijke materiële hulp in een federaal opvangcentrum, en verder, dat de inwerkingtreding van het uitvoeringsbe-sluit een element is dat het OCMW noopt tot het nemen van een nieuwe beslissing inzake de maatschappelijke dienstverlening, ongeacht of het centrum tegen de oorspronkelijke rechterlij-ke beslissing een beroep heeft ingesteld of niet. (5.2.4.3) De Omzendbrief van 16 augustus 2004 bevat voornamelijk verduidelijkingen en interpretaties van de bepalingen van voornoemd Koninklijk Besluit en een instructie voor het OCMW om de ouders van het kind in te lichten over de mogelijkheid om hun kind te vergezel-len wanneer de ontwikkeling van het kind hun aanwezigheid vereist.". 5.2.5. Alhoewel met ingang van 10 januari 2004 het OCMW enkel nog bevoegd was om de behoeftigheid van de bedoelde kinderen vast te stellen, en de bevoegdheid tot het toe-kennen van steun werd opgedragen aan FEDASIL, was deze bepaling nog niet uitvoerbaar bij gebreke aan uitvoeringsbesluit, omdat niet werd bepaald op welke manier FEDASIL de steun moest verlenen. Dit betekent dat tot dat ogenblik de feitelijke situatie dezelfde bleef als tot vóór het in werking treden van de wijziging van de OCMW-Wet. Dit is trouwens ook het standpunt van de Minister van Maatschappelijke Integratie, zoals blijkt uit zijn bovengenoemde Omzend-brief. Zonder het bestaan van die Omzendbrief kon evenwel het nieuw artikel 57 ,§ 1, 2°, van de OCMW-Wet reeds vanaf het in werking treden van het uitvoeringsbesluit zonder pro-blemen worden toegepast. Het was en is dan immers aan de betrokken partijen en overheids-instellingen om invulling te geven aan de vastgestelde voorwaarden en modaliteiten. Dit bete-kent dat, minstens vanaf 11 juli 2004, het OCMW niet meer bevoegd kon zijn om op enigerlei wijze steun te verlenen aan geïntimeerden materiële procespartijen. 5.2.6. Kon het geschil hoogstens betrekking hebben op de periode vanaf 30 april 2004 tot 31 oktober 2004 (zie 1), dan is de betwiste periode ingevolge de formulering van de vordering beperkt tot de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 oktober 2004 (zie 2). In elk geval was voor de hele betwiste periode het nieuwe artikel 57, ,§ 2, 2°, van de OCMW-Wet in werking getreden, maar het uitvoeringsbesluit slechts voor de periode vanaf 11 juli 2004 tot 31 oktober 2004. Indien wordt aangenomen dat het OCMW, zolang de modaliteiten voor de toepassing van littera 2° van de voornoemde bepaling niet bij koninklijk besluit waren vastgelegd, de be-voegdheden behield zoals vastgelegd in het vroegere artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de OCMW-Wet, dan moet worden aangenomen dat enkel de passende materiële steun kan worden toe-gekend zoals omschreven in de rechtspraak van het Arbitragehof (zie 5.2.3.3.2). Aangezien nu de eerste rechter de appellant niet heeft veroordeeld tot het verlenen van materiële steun, maar tot een welbepaalde financiële steun, die duidelijk niet voldoet aan de omschrijving bepaald door het Arbitragehof, terwijl de geïntimeerden q.q. ook geen inciden-teel beroep hebben ingesteld tegen de impliciete afwijzing van de vordering tot het bekomen van materiële steun, kan het Arbeidshof enkel vaststellen dat de financiële steun toegekend voor de periode van 1 mei 2004 tot 10 juli 2004 geen enkele rechtsgrond heeft en onrechtmatig werd toegekend. Het is evident dat de ouders van de kinderen niet kunnen aangezien worden als der-den aan wie vergoedingen kunnen worden uitbetaald zoals bedoeld in het arrest van het Arbitagehof van 22 juli 2003, zoals de geïntimeerden q.q. ten onrechte stellen. Dit zou trou-wens enkel tot resultaat hebben dat die ouders er geldelijk beter van worden en dat niet de kin-deren worden geholpen. 5.2.7. Aangezien minstens vanaf 11 juli 2004, de appellant, behoudens diens vereiste medewerking voor de verwerking van de aanvraag tot steun, niet meer bevoegd kan zijn om steun te verlenen aan de bedoelde kinderen, aangezien deze taak werd toevertrouwd aan FEDASIL, kunnen de geïntimeerden, materiële procespartijen, vanaf 11 juli 2004 geen aan-spraak maken, noch op materiële noch op financiële steun ten laste van de appellant, zodat het hoger beroep gegrond is, evenwel, zoals het Openbaar Ministerie opmerkt, onder voorbehoud van wat volgt met betrekking tot de verschillende excepties van onwettigheid opgeworpen door de eerste rechter en de (geïntimeerden q.q.) tot bestrijding van de nieuwe bepalingen van de OCMW-Wet en hun uitvoeringsbesluiten. 5.2.8. Welnu, met betrekking tot deze beweerde onwettigheden zegt het Openbaar Ministerie in zijn geschreven advies wat volgt, waarbij het Arbeidshof deze overwegingen ove-rigens geheel voor Zijn rekening neemt: "(5.2.8.1.) Er kan klaarblijkelijk niet aangenomen worden dat het nieuwe artikel 57 (van
- de)OCMW-Wet of zijn Uitvoeringsbesluit, (hetzij de artikelen 3 of 8 van het EVRM, hetzij) de door de eerste rechter en (de geïntimeerden q.q.) aangehaalde bepalingen van het Kinder-rechtenverdrag van 20 november 1989, al dan niet in combinatie met het gelijkheidsbeginsel (en/of artikel 23 en/of artikel 191 G.W.) schenden, noch dat (zij) op enigerlei wijze deze Ver-dragsrechtelijke bepalingen op discriminerende wijze zouden toepassen of miskennen. Met de bestreden bepalingen mengt het openbaar gezag zich immers niet in de uit-oefening van de bedoelde rechten, maar geeft het enkel de gelegenheid aan de bedoelde kin-deren en hun ouders, om indien deze zich niet in staat achten hun ouderlijke plicht te vervullen, dit te laten doen door bepaalde overheidsinstellingen. Het is enkel en alleen om te vermijden dat de bedoelde kinderen zouden verwaarloosd worden door hun ouders, dat deze noodmaat-regel kan worden genomen in het belang van het kind, en ter bescherming van de rechten van het kind. Hierdoor wordt perfect voldaan aan de voorwaarden gesteld bij de rechtspraak van het Arbitragehof. Het feit dat de hulp aan de kinderen slechts mogelijk is door een verblijf in het op-vangcentrum is niet discriminerend maar noodzakelijk gemaakt door de ouders van die kinde-ren. Er zijn aldus geen vergelijkbare groepen van personen aan te nemen die (verschil-lend) worden behandeld. Ook kinderen van wettig in het Rijk verblijvende ouders zullen op een vergelijkbare wijze worden opgevangen en desnoods in een instelling of een ander gezin wor-den geplaatst indien ze door hun ouders worden verwaarloosd of dreigen te worden verwaar-loosd. Wat (de geïntimeerden q.q.) echter willen is niet de gelijke behandeling van hun kinde-ren met andere kinderen die zich in eenzelfde situatie zouden bevinden, maar het bekomen van financiële steun voor zichzelf en hun gezin om hun onwettig verblijf verder te financieren, waarbij ze niet te beroerd zijn om te pogen tal van bepalingen van het EVRM en het Kinder-rechtenverdrag van hun doel af te wenden. Dat is de werkelijkheid en niets anders. Vergeten we daarbij niet dat het de ouders van die kinderen zijn die, door onwettig in het land te blijven, zichzelf behoeftig maken omdat ze geen recht hebben op steun noch op tewerkstelling en hier-door ook hun kinderen in een staat van behoeftigheid brengen. Het zijn zij die er aldus voor zorgen dat zij hun kinderen niet de ontwikkeling geven of kunnen geven die ze verdienen. In-dien de kinderen hierdoor in gevaar komen kan de overheid trouwens ook optreden net zoals dit gebeurt bij kinderen die legaal in het land verblijven. (5.2.8.2) Noch artikel 57, ,§ 2, van de OCMW-Wet noch het K.B. van 24 juni 2004 or-ganiseren de scheiding van de kinderen van hun ouders, maar bieden enkel de noodzakelijke steun aan kinderen, wier ouders in gebreke blijven dat zelf te doen. Indien uit de opvang voort-vloeit dat de kinderen worden gescheiden van de ouders, vloeit dat enkel voort uit de situatie en de houding van die ouders zelf, die iedereen voor voldongen feiten zetten en niet uit de mo-gelijkheid die door de Belgische Staat en zijn instellingen wordt geboden. Bovendien sluiten noch artikel 57 van de OCMW-Wet noch het Uitvoeringsbesluit de mogelijkheid uit dat de ou-ders desgevallend de kinderen vergezellen, terwijl de voornoemde Omzendbrief zelfs uitdruk-kelijk in die mogelijkheid voorziet. (5.2.8.3) Er kan geen schending aangenomen worden van artikel 3 van het Kinder-rechtenverdrag, noch (door) het geven van materiële steun zoals bedoeld door het Arbitragehof (noch door) de regeling ingesteld (ingevolge) de wijziging van de OCMW-Wet, zijn Uitvoerings-besluit en de Omzendbrief. Door deze laatste regeling wordt zelfs uitdrukkelijk gevolg gegeven aan de bedoeling van artikel 3 van dat Verdrag, namelijk dat de belangen van het kind de eer-ste overweging ervan zijn. (5.2.8.4) (Mochten de beschikbare plaatsen in de onderscheiden opvangcentra in-derdaad vrij beperkt zijn, zoals de eerste rechter voorhoudt, dan betekent dat) nog niet dat FEDASIL zijn opgedragen taak niet naar behoren zou kunnen vervullen. De eerste rechter en (de geïntimeerden q.q.) gaan er trouwens ten onrechte van uit dat alle tienduizenden onwettig in het Rijk uitgeprocedeerde vreemdelingen zullen nalaten een einde te stellen aan hun onwet-tig verblijf. Van de Belgische Staat kan toch niet worden verwacht infrastructuur en financiële middelen te voorzien voor een onbepaald aantal wereldburgers die zich ooit op het grondge-bied van het Rijk onwettig zouden kunnen bevinden en misbruik zouden willen maken van hun onwettig gedrag. (5.2.8.5) Krachtens artikel 3 (van het) EVRM mag inderdaad niemand worden on-derworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Er wordt evenwel op geen enkele manier aangetoond dat door het toekennen van materiële steun in plaats van financiële steun aan de bedoelde kinderen, door de wijze van steun zoals (aanvaard) door het Arbitragehof of door de nieuwe bepalingen van artikel 57 (van
- de)OCMW-Wet, zijn Uitvoeringsbesluit en de voornoemde Omzendbrief, om het even wie op een onmen-selijke of vernederende manier zou worden behandeld, integendeel. De (geïntimeerden q.q.) bewijzen op geen enkele wijze dat dit op een onmenselijke of vernederende manier zou gebeu-ren. De bewering dat de opvangcentra en de aangeboden opvang ten dezen in de praktijk niet zouden voldoen aan een menswaardig bestaan, of een schending zouden inhouden van enige hogere norm, van welke aard ook, wordt niet alleen niet bewezen, maar is bovendien niet rele-vant. Een beweerde en veronderstelde (mensonwaardige) praktische uitwerking van de wette-lijke bepalingen heeft niet tot gevolg dat zou moeten worden aangenomen dat die bepalingen zelf, hierdoor bepaalde hogere normen zouden schenden. (5.2.8.6) Er kan evenmin van de Belgische Staat worden verwacht dat er over gans de oppervlakte van het Rijk opvangcentra zouden worden gevestigd, het liefst in de buurt van de woningen waar de vreemdelingen onwettig verblijven, om hun kinderen te bezoeken. Niets zal trouwens de ouders van de bewuste kinderen, die opgevangen worden in een bedoeld cen-trum, indien ze al zelf niet mee worden opgevangen in dat centrum, verhinderen zich in de buurt te vestigen van dat centrum, in afwachting dat ze met hun kinderen het Rijk verlaten. (5.2.8.7) Het argument dat het onderscheid in behandeling zou gesteund zijn op na-tionaliteit, is gesteund op een drogredenering. De onderscheiden groepen van personen zijn enerzijds de personen die zich wettig op het Belgisch grondgebied bevinden en anderzijds de personen die er zich niet bevinden of er zich onwettig bevinden, steeds om het even van welke nationaliteit die personen zijn. De omstandigheid dat de modaliteiten voor de toegekende hulp variëren afhankelijk van het al of niet regelmatige karakter van het verblijf van de ouders, doet niets af van het feit dat beide categorieën van personen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening, zodat er geen discriminerend verschil in behandeling tussen beide categorieën aan te nemen is (vgl. Arbitragehof, 24 november 2004, nr. 189/2004, overweging B.7 en B.8.1, onuitgeg.). (5.2.8.8) Aangezien er klaarblijkelijk geen schending aan te nemen is van het gelijk-heidsbeginsel noch (sprake
- is)van een discriminerende toepassing of miskenning van bepaal-de aangehaalde verdragen, noch door het nieuwe artikel 57, ,§ 2, (van
- de)OCMW-Wet noch door het K.B. van 24 juni 2004, bestaat er geen reden voor het Arbeidshof (...) om het K.B. van 24 juni 2004 niet toe te passen (
- of)om een vraag te stellen aan het Arbitragehof. (5.2.8.9) Het argument van de eerste rechter dat artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat het Agentschap een andere opvangstructuur kan aanduiden dan die vermeld in de beslissing en daarom strijdig (
- is)met artikel 57, ,§ 2, (van
- de)OCMW-Wet dat bepaalt dat de hulp aan de bedoelde kinderen uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum, is ten dezen niet dienend. Met "een andere opvangstructuur" wordt niet noodzakelijk een ander opvangcentrum dan een federaal opvangcentrum bedoeld, en indien voornoemd artikel 5 in strijd zou zijn met de wet, en dus niet kan worden toegepast, is dat niet relevant voor de oplos-sing van het (...) geschil. (5.2.8.10) Het argument dat kinderen van (de geïntimeerden q.q.) recht zouden heb-ben op financiële steun omdat ze in het land worden gedoogd, is gesteund op een drogredene-ring, daargelaten het feit dat volgens vaststaande rechtspraak een gedoogbeleid geen rechten doet ontstaan. Betrokkenen blijven immers niet in het Rijk omdat ze "gedoogd" worden in de zin dat (de Belgische Staat) daar geen bezwaar zou tegen hebben, maar wel omdat ze weigeren te vertrekken. Het feit dat de wetgever de steun beperkt bewijst precies dat het verblijf van die vreemdelingen niet wordt gedoogd. Niets verhindert (de geïntimeerden q.q.) het (...) Rijk te verlaten en zich opnieuw met hun kinderen passend te integreren in hun land van herkomst. In België hebben ze geen toekomst. Zij hebben geen recht om te werken en een inkomen te ver-werven, terwijl ze, hoe langer ze hun onwettig gedrag bestendigen, des te meer hun kinderen de kansen, waarop ze recht hebben, om zich in hun eigen land passend te ontwikkelen, ont-nemen. (5.2.8.11) Het Arbitragehof heeft in verschillende arresten duidelijk gesteld dat het niet onredelijk is dat een Staat die de immigratie wil beperken, vaststellende dat de middelen die hij daartoe aanwendt niet doeltreffend zijn, niet dezelfde verplichtingen op zich neemt ten aanzien van de noden van diegenen, enerzijds, die op wettige wijze op zijn grondgebied ver-blijven (zijn onderdanen en bepaalde categorieën van vreemdelingen) en van de vreemdelin-gen, anderzijds, die er zich nog bevinden na het bevel om het grondgebied te verlaten te heb-ben ontvangen (arrest nr. 51/94 van 29 juni 1994, B.S. 14 juli 1994; R.W. 1994-95, 356; arrest nr. 43/98 van 22 april 1998, B.S. 29 april 1998; arrest nr. 17/2001 van 14 februari 2001, B.S. 24 april 2001). Rekening houdend met de doelstelling om proceduremisbruik tegen te gaan, kan de weigering van de maatschappelijke dienstverlening worden verantwoord (arrest nr. 21/2001 van 1 maart 2001, B.S. 3 mei 2001). Het standpunt van de eerste rechter dat een en ander een chantage-instrument vormt om betrokkenen ertoe te bewegen het land te verlaten en dat het aanwenden van het kind als drukkingsmiddel in strijd is met de meest elementaire rechtsbegin-selen, kan ten dezen niet worden aangenomen en is gesteund op een drogredenering. Het is niet de Belgische Staat en zijn instellingen die kinderen gebruiken als drukkingsmiddel om de il-legalen te verplichten het land te verlaten, maar het zijn de ouders van die kinderen die, om het eufemistisch uit te drukken, een oneigenlijk gebruik maken van de theoretische rechten van hun kinderen om aldus financiële steun te bekomen wat hen in staat moet stellen hun onwettig gedrag te bestendigen (...). Door het uitvoeringsbesluit van 24 juni 2004 worden de ouders niet voor de keuze geplaatst ofwel hun kinderen (af te staan) en/of het land (
- te)verlaten of met hun kinderen in volledige illegaliteit trachten te overleven, zoals de eerste rechter het stelt, maar wordt bevestigd dat ze slechts één wettige keuze kunnen hebben, een einde maken aan hun onwettig gedrag.". 5.2.9. De vordering van de geïntimeerden q.q. werd door de eerste rechter ten on-rechte gegrond verklaard. Het hoger beroep is gegrond. HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenstaande gronden Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24. Gelet op het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door Substituut-generaal Antoine Lievens en ter griffie neergelegd op 22 februari 2005. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrecht-bank te Brugge, eerste vakantiekamer, d.d. 16 juli 2004 (A.R. nr. 117.868), behalve waar het de vordering ontvankelijk verklaart en de kosten van de partijen bepaalt. Opnieuw wijzende, verklaart de vordering ongegrond. Bevestigt de beslissing van de appellant van 8 april 2004 in al haar onderdelen. Veroordeelt de appellant overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger. W., tot het beta-len van de kosten van het hoger beroep. Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten als volgt: - aan de zijde van de appellant - niet te begroten bij gebrek aan omstandige opgave; - aan de zijde van de geïntimeerden q.q.: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 139, 81 euro. Aldus uitgesproken op vrijdag tweeëntwintig april tweeduizend en vijf in openbare te-rechtzitting door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Brugge en waarin zit-ting hadden : Herman Jan, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Blomme Marc, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, D'Haene Marc, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider en Mathys Myriam, eerstaanwezend adjunct-griffier. w.g. : M. Mathys - M. D'Haene - M. Blomme - J. Herman. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050422.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div