id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 09 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050509.20 Rolnummer: 7403 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-01 03:12 Fiche De overeenkomst gesloten tussen een werknemer en de moedervennootschap van diens werkgever, waarbij hem warrants worden toegekend onder de ontbindende voorwaarde dat hij op het ogenblik van de uitoefening van zijn rechten niet meer door een arbeidsovereenkomst verbonden is, is niet in strijd met art. 6 Arbeids-overeenkomstenwet. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN - Loon - Warrant - Ontbindende voorwaarde Geldigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing A.R. nr.: 74/03 Rep. nr.: OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN MEI TWEEDUIZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN: D. P. T., wonende te, APPELLANT OP HOOFDBEROEP, GEINTIMEERDE OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna appellant genoemd, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mees-ter F. Van Trimpont, advocaat te Lessines, TEGEN :
- N.v. O. P. S. Vl., met maatschappelijke zetel te, ingeschreven in het handels-register te S.-N., onder het nummer, EERSTE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, EERSTE APPELLANTE OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna eerste geïntimeerde genoemd,
- N.v. O. P., met maatschappelijke zetel te, ingeschreven in het handelsregister te , onder het nummer, TWEEDE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, TWEEDE APPELLANTE OP INCIDENTEEL BEROEP, hierna tweede geïntimeerde genoemd, beide geïntimeerden ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester R. Honoré, advocaat te Kortrijk. x x x Gelet op de stukken van het dossier, inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, eerste kamer, d.d. 16 oktober 2002 (A.R. nr. 61.579), waarvan geen beteke-ning wordt overgelegd; Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 14 februari
- Nopens de feiten De appellant werd met ingang van 1 juli 1998 door de N.V. C.L P. S., de rechtsvoor-ganger van de eerste geïntimeerde, tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger. Op 9 november 1999 ondertekenden de appellant en de tweede geïntimeerde een "warrantovereenkomst", waarin preliminair was bepaald dat de vennootschap (zijnde de tweede ge-intimeerde) en de warranthouder (zijnde de appellant) een overeenkomst wensten aan te gaan waarbij de warranthouder de mogelijkheid werd verleend om aandelen te verwerven. Aan deze overeenkomst was het "warrantenplan" van de tweede geïntimeerde d.d. 20 april 1998 gevoegd. De warrantovereenkomst omvatte inzonderheid de volgende bepalingen: "Artikel 1 1.
- De vennootschap draagt hierbij over in eigendom van de Warranthouder, onder de op-schortende voorwaarde van de uitgifte van de Warrants en de inschrijving op de Warrants door de vennootschap, 300 Warrants om in te schrijven op evenveel Aandelen van de Vennootschap voor de prijs en onder de voorwaarden hierna bepaald. 1.
- Elke Warrant geeft recht op één
(1)Aandeel. Deze Warrants zijn nominatief en onver-draagbaar (lees: onoverdraagbaar), behalve in geval van overlijden van de Warranthouder en on-verminderd hetgeen hierna bepaald in lid
- 1.
- Elke warrant wordt toegekend onder de ontbindende voorwaarde dat de Warranthouder bij de uitoefening ervan niet meer verbonden zou zijn door een Arbeidsovereenkomst, een Bestuur-dersmandaat of Consulentenovereenkomst. Bij het einde van de Arbeidsovereenkomst, het einde van het Bestuurdersmandaat of bij het einde van de Consulentenovereenkomst van de Warrant-houder, tussenkomend vóór de uitoefenbaarheid van de Warrants, verbindt de Warranthouder zich ertoe de nog niet uitoefenbare Warrants weder te verkopen aan de Vennootschap binnen één
(1)maand na het einde van de Arbeidsovereenkomst, het einde van het Bestuurdersmandaat of het einde van de Consulentenovereenkomst. De Vennootschap verbindt zich ertoe de Warrantprijs te-rug te betalen aan de Warranthouder voor alle Warrants die op datum van het einde van de Ar-beidsovereenkomst, het einde van het Bestuurdersmandaat of het einde van de Consulentenover-eenkomst niet uitoefenbaar zijn. Artikel 2. De Warranthouder zal uiterlijk één
(1)maand na de Datum van de uitgifte van de War-rants een Warrantprijs van honderd zevenenzestig Belgische Frank (167 BEF) per Warrant betalen aan de Vennootschap, door overschrijving op een door de Vennootschap aan te duiden bankreke-ning. Artikel 3. 3.1. De Uitoefenprijs van de Warrants die worden overgedragen in overeenstemming met arti-kel 1 van deze Overeenkomst bedraagt, overeenkomstig de voorschriften van het Plan, 5.199 BEF. 3.2. Deze uitoefenprijs stemt naar het oordeel van de Vennootschap overeen met de intrinsie-ke waarde per aandeel van de vennootschap op de datum van deze Overeenkomst. Artikel 4 4.1. Onverminderd hetgeen bepaald in artikel 1, lid 4, zijn alle Warrants die krachtens deze Overeenkomst worden toegekend aan de Warranthouder, overeenkomstig de bepalingen van het Warrantplan verworven door de Warranthouder op de datum van deze overeenkomst. 4.2. Zonder afbreuk te doen aan de hiernavolgende tweede paragraaf, zullen de Warrants uit-oefenbaar worden: Voor personeelsleden: per schijf van een vijfde per jaar, op de tweede, derde, vierde, vijfde en zes-de verjaardag van de Warrantovereenkomst. Voor niet-personeelsleden: per schijf van één vierde op (
- i)de tweede, (
- ii)de derde, (iii) vierde verjaardag van de Warrantovereenkomst en (
- iv)op het einde van een periode van zes maanden na de vierde verjaardag van de Warrantovereenkomst. De Warrants die aldus uitoefenbaar worden, kunnen voor het eerst worden uitgeoefend in de daar-opvolgende Uitoefeningsperiode bepaald in punt 4.3. In principe zijn de verworven Warrants uitoefenbaar gedurende elk daaropvolgend jaar tijdens de Uitoefeningsperiode, met dien verstande dat het de Warranthouder toegelaten is maximum de helft van de Warrants die krachtens de Overeenkomst worden gekocht door de Warranthouder uit te oe-fenen in eenzelfde Uitoefeningsperiode. In geval van niet-uitoefening van de verworpen (lees: verworven) Warrants tien jaar na de datum van uitgifte van de Warrants met name op 22 mei 2008 (personeelsleden) 22 mei 2003 (niet-personeelsleden), worden de Warrants nietig van rechtswege. In deze hypothese zal de Warrantprijs voor de niet-uitgeoefende Warrants definitief verworven blij-ven door de Vennootschap. 4.3. Onverminderd hetgeen bepaald in artikel 1 lid 4, geschiedt de Uitoefening van de warrants aan de Uitoefenprijs onvoorwaardelijk en kan uitsluitend geschieden gedurende de maand novem-ber binnen de geldigheidsduur van de Warrants waarbij de Warranthouder de hem toegekende Warrants kan uitoefenen ter verkrijging van Aandelen van de Vennootschap. De Raad van Bestuur of, in voorkomend geval, het Comité kan beslissen de Warrant - Uitoefe-ningsperiodes zoals hiervoor bepaald te verlengen of te verkorten, of bijkomende Warrant - Uitoefe-ningsperiodes voorzien, binnen de grenzen van artikel 101 bis van de Vennootschappenwet. 4.4. De uitoefening van de verworven Warrants gebeurt overeenkomstig de procedure, ver-meld in Artikel 6.3 van het Warrantenplan, met naleving van de voorschriften van artikel 101 octies van de Vennootschappenwet. 4.5. In geval van uitoefening van de Warrants, zal de Uitoefenprijs volledig verschuldigd en be-taalbaar zijn binnen de maand na verzending van de notificatie vermeld in artikel 6.3. van het War-rantenplan". Op 21 februari 2001 beëindigde de appellant de arbeidsovereenkomst door een op-zegging. De opzeggingstermijn van anderhalve maand begon te lopen op 1 maart 2001. Aan de ar-beidsovereenkomst kwam een einde op 15 april 2001. Bij schrijven van 16 april 2001 liet de appellant de eerste geïntimeerde inzonderheid het volgende weten: "Anderzijds verwijs ik naar de Warrantsovereenkomst welke ik op 09.11.1999 met de NV O. P. heb ondertekend. Indien U de koopoptie wenst te lichten, dank ik U mij zulks officieel te willen melden. Ik stel voor alsdat U de prijs van de Warrant betaalt aan de dagkoers van 13 april 2001, zijnde de laatst gepresteerde dag in uw bedrijf. Ik veronderstel dat U in uw hoedanigheid van geaffilieerde vennootschap van NV O. P. hiertoe de nodige contacten zal willen nemen. Indien de NV O. P. de optie niet wenst te lichten, verkies ik de Warrants te behouden. U zal dan ook bij de NV O.A P. willen aandringen opdat deze mij fysiek worden afgeleverd, zodanig dat ik er vrij kan over beschikken." De raadsman van de eerste geïntimeerde antwoordde op 22 mei 2001 als volgt: "Wat de warranten betreft dien ik u te verwijzen naar de contractuele afspraken die in dat verband werden gemaakt en waarover in uw hoofde blijkbaar een misverstand bestaat. De warrantenovereenkomst die door u voor akkoord werd ondertekend verwijst naar het warranten-plan van 20 april 1998. Artikel 1.4 van de warrantenovereenkomst bepaalt dat elke warrant wordt toegekend onder de ont-bindende voorwaarde dat u als warranthouder bij de uitoefening ervan niet meer gebonden zou zijn door een arbeidsovereenkomst. Dit betekent in concreto dat u de warranten die op het einde van de arbeidsovereenkomst nog niet uitgeoefend waren of nog niet uitoefenbaar waren, niet meer kan uitoefenen. De gevolgen hiervan worden in artikel 4.1 geregeld. De vennootschap moet de warranten inkopen tegen de aanschafprijs en de warranthouder moet deze verkopen. De overeenkomst voorziet niet in de mogelijkheid dat u de niet uitgeoefende warranten kan behou-den. Het warrantenplan voorziet dat de warranten per schijf van één vijfde per jaar te rekenen vanaf de tweede verjaardag van de warrantenovereenkomst konden uitgeoefend worden. De warrantenovereenkomst werd afgesloten op 09.11.1999. De eerste in aanmerking komende ver-jaardag is 09.11.2001. Vermits u voor die datum de vennootschap hebt verlaten kwamen geen war-ranten in aanmerking voor uitoefening en bent u momenteel nog in het bezit van 300 warranten waarvoor u 50.100 BEF betaalde. Het is u bekend dat na de intekening ingevolge een fiscale maatregel bedrijfsvoorheffing op de war-ranten verschuldigd was. Mijn cliënte heeft deze bedrijfsvoorheffing voor rekening van haar werknemers betaald. Deze be-drijfsvoorheffing diende terugbetaald bij de uitoefening of, in uw geval, wederinkoop van de warran-ten. Na compensatie blijft mijn cliënte aan u een bedrag verschuldigd van 1.838 BEF dat heden op uw rekening wordt gestort". De raadsman van de appellant reageerde op 12 juni 2001 als volgt: "Uiteraard kan het standpunt als ontwikkeld in uw aangetekende brief d.d. 22.05.2001 niet worden weerhouden. Het is namelijk zo dat aan mijn cliënt, bij warrantovereenkomst d.d. 09.11.1999, 300 warrants zijn overgedragen voor de prijs van 167 Fr stuk of 50.100 Fr in totaal. Deze warrants konden worden uitgeoefend op aandelen O. P. NV voor de prijs van 5.199 Fr (voor de splitsing van het aandeel). Mijn cliënt heeft de som van 5.100 Fr effectief betaald. De warrantovereenkomst voorziet dat de eigendom op deze warrants onmiddellijk wordt overge-dragen. Er wordt anderzijds niet betwist dat de NV O. P. of O. P. S. de bevrijdende roerende voorheffing op deze warrants initieel heeft betaald. Wanneer u verwijst naar de warrantenovereenkomst met betrekking tot de ontbindende voor-waarde om de handelswijze van uw cliënte te rechtvaardigen, kan ik hiermee uiteraard niet in-stemmen. Allereerst zal u waarschijnlijk zelf reeds hebben opgemerkt dat de warrantovereenkomst zeer war-rig is opgesteld, wanneer zelfs wordt beweerd dat de overeenkomst is gesloten onder opschor-tende en ontbindende (sic) voorwaarde ... In elk geval zijn de clausules met betrekking tot het weder-inkopingsrecht, geformuleerd, zoals vermeld in uw brief, in een ontbindende voorwaarde, nietig. Deze ontbindende voorwaarde lijkt mij allereerst in te druisen tegen de Openbare Orde wanneer wordt gesteld dat de voorwaarde wordt vervuld door het feit dat partijen niet meer zouden zijn ver-bonden door een arbeidsovereenkomst. Door een zo belangrijk voordeel in het kader van een ar-beidsovereenkomst in de toekomst te stellen en volledig en integraal afhankelijk te stellen van het voortduren van de arbeidsrechtelijke band, wordt de vrijheid van werk, en de keuze van werk, principe van Openbare Orde en gegarandeerd in de Grondwet in vraag gesteld. Daarenboven heeft deze ontbindende voorwaarde, zoals u ze noemt, een volledig potestatief ka-rakter: indien uw cliënte immers, daags vóór de datum van uitoefening mijn cliënt zou ontslaan, verliest hij al zijn rechten. Dit is misschien extreem gesteld maar zeer realistisch indien het voor-deel voor uw cliënte in verhouding zou zijn. Derhalve bestaat er geen andere keuze dan dat uw cliënte overgaat tot: - ofwel overhandiging van de warrants in handen van mijn cliënt - het betalen van de marktwaarde van de warrants op het ogenblik van lichting van de optie door uw cliënte, te weten op datum van de aangetekend brief d.d. 22 mei 2001. Op 22 mei 2001 was de slotkoers van het aandeel O. P. op Euronext vastgesteld op 41.4 euro (gesplitst aandeel) of 414 euro voor een initieel aandeel. Aldus kan uw cliënte de warrants houden mits betaling van 300 x (414 x 40,3399 5.199)= 3.450.515 Fr. Het onmogelijke standpunt dat wordt ingenomen door uw cliënte wordt nog geaccentueerd door het feit fat zij er niet voor terugschrikt om uiteindelijk de belasting op een nooit genoten voordeel ten laste te leggen van mijn cliënt. De betaling van de som van 1.838 Fr wordt dan ook geweigerd en mijn cliënt zal dit bedrag terug-storten. Ik dien uw cliënte in gebreke te stellen de som van 3.450.515 Fr op mijn derdenrekening nr. 270-0160003-06 (met vermelding van mijn referentie VTF-01-0214-03 D. P. / O. P.) te storten binnen de 10 dagen vanaf heden of de warrants aan mijn Cliënt fysiek te overhandigen binnen dezelfde termijn. Bij gebreke hieraan heb ik instructies over te gaan tot dagvaarding". 2. Nopens de procedure in eerste aanleg Bij dagvaarding, betekend op 20 november 2001 aan de tweede geïntimeerde en op 21 november 2001 aan de eerste geïntimeerde, stelde de appellant een vordering in tegen de geïn-timeerden ertoe strekkende hen "solidair, in solidum of de een bij gebrek aan de andere", te laten veroordelen om aan hem te betalen, "de tegenwaarde van 300 warrants van de N.V. O. P. aan de koers van 22.05.2001 op Euronext Brussels", zijnde 3.450.515 frank, vermeerderd met moratoire intrest vanaf 16 april 2001, datum van de ingebrekestelling, en met gerechtelijke intrest. Hij vroeg dat de geïntimeerden "solidair, in solidum of de een bij gebrek aan de andere" tot het betalen van de gedingkosten zouden veroordeeld worden. Ten slotte vorderde hij het te vellen vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren ondanks elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van de moge-lijkheid van kantonnement. Bij conclusie, op 25 maart 2002 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroe-gen de geïntimeerden dat de arbeidsrechtbank zich volstrekt onbevoegd zou verklaren om van de zaak kennis te nemen en het geschil zou doorverwijzen naar de Rechtbank van Koophandel te Kort-rijk. Subsidiair vroegen zij de afwijzing van de eis als ongegrond, met verwijzing van de appellant in de kosten van het geding. Bij eindvonnis, op 16 oktober 2002 op tegenspraak gewezen door de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De appellant werd in de kosten van het geding verwezen. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: - dat de arbeidsrechtbank bevoegd was om van de vordering kennis te nemen nu de appellant aanspraak maakte op een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst; - dat de warrantovereenkomst bepaalde dat de appellant pas ten vroegste vanaf januari 2003 een deel van de aandelenopties kon lichten, mits hij op dat ogenblik nog door een arbeidsovereenkomst verbonden was; - dat deze ontbindende voorwaarde niet in strijd was met de openbare orde of artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet; - dat deze laatste bepaling niet toepasselijk was op een aandelenoptieplan, inzonder-heid een plan dat niet met de werkgever doch met de moedervennootschap werd overeengekomen; - dat het opleggen van voorwaarden voor het uitoefenen van de opties de rechten van de werknemer overigens niet beperkte; - dat er immers nog geen verworven recht op de verwerving van de aandelen bestond; - dat de clausule evenmin in strijd kon zijn met artikel 1178 B.W.; - dat de schuldenaar in casu niet had belet dat de voorwaarde werd vervuld nu de ap-pellant zelf ontslag had genomen en hierdoor zelf had afgezien van de hem geboden kans; - dat, wanneer men de optie enkel kon lichten wanneer men in dienst was, men van-zelfsprekend geen winst meer kon maken wanneer men het bedrijf voortijdig verliet; - dat de appellant zelfs tot januari 2007 in dienst had moeten blijven om het geheel van zijn warrants te kunnen uitoefenen; - dat de appellant ook geen fiscaal verlies leed nu zijn bijdrage door zijn werkgever werd terugbetaald; - dat, in de veronderstelling dat de appellant enig recht zou hebben gehad bij zijn ont-slag, hij uiteraard geen aanspraak had kunnen maken op de volledige waarde van de aandelen waarop de warrants betrekking zouden hebben gehad op het ogenblik van de dagvaarding. 3. Nopens de procedure in hoger beroep In zijn akte van hoger beroep vordert de appellant dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat dienvolgens het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan en dat het Arbeidshof, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering gegrond zou verklaren. Ge-vraagd wordt de geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen te verwijzen. Bij conclusie, ter griffie neergelegd op 29 juli 2003, vorderen de geïntimeerden dat het Arbeidshof "zich ratione materiae onbevoegd zou verklaren en overeenkomstig het contractueel be-voegdheidsbeding het geschil (zou) verzenden naar de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk". Subsidiair vragen zij dat het hoger beroep als ongegrond zou afgewezen worden, nog meer subsi-diair dat de warrantovereenkomst nietig zou verklaard worden. Zij vragen de verwijzing van de ap-pellant in de kosten van de procedure in hoger beroep. Bij conclusie, ter griffie neergelegd op 22 november 2004, vordert de appellant dat het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond zou bevonden worden. De partijen worden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 14 februari 2005. 4. Nopens de grieven van de hogere beroepen De appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Hij wijst er inzonderheid op: - dat, in tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft geoordeeld, de ontbindende voor-waarde in de warrantovereenkomst strijdig is met de openbare orde; - dat de clausule neerkomt op een boetebeding in geval van ontslag door de werkne-mer, vermits hij een verworven voordeel moet teruggeven wanneer hij de onderneming verlaat; - dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het recht op een voordeel, toegekend door een aandelenoptieplan, pendente conditione nog niet is verworven; - dat de teruggave van een verworven recht in strijd is met de artikelen 6 en 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 3 van de Loonbeschermingswet; - dat de warrantovereenkomst immers uitdrukkelijk bepaalt dat de appellant een recht verwerft; - dat de eerste rechter ten onrechte deze ontbindende voorwaarde niet in strijd bevond met de Grondwet en de artikelen 6 en 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet; - dat de voorwaarde ook een louter potestatief karakter heeft; - dat aan het bestaan van de arbeidsovereenkomst altijd eenzijdig een einde kan ge-steld worden; - dat de geldigheid van een potestatieve voorwaarde moet onderzocht worden, los van de wijze waarop zij zich heeft gerealiseerd, met name los van het feit dat de appellant zelf ontslag heeft genomen; - dat de tweede geïntimeerde niet kan voorhouden dat zij een derde is in de arbeids-rechtelijke relatie tussen de appellant en de eerste geïntimeerde en bijgevolg kan genieten van de ontbindende voorwaarde; - dat, mocht dit wél het geval zijn, zij zich heeft schuldig gemaakt aan de contractuele tekortkomingen van de eerste geïntimeerde; - dat de vordering van de appellant zelfs gegrond is wanneer men zou aannemen dat de ontbindende voorwaarde geldig is; - dat rekening moest gehouden worden met artikel 4.1 van de warrantovereenkomst; - dat deze clausule een tijdsbepaling bevat; - dat de appellant zelf meteen na het einde van de arbeidsovereenkomst te kennen heeft gegeven dat hij de warrants wilde behouden; - dat, nu de geïntimeerden niet reageerden binnen de wettelijke termijn, de appellant er mocht van uit gaan dat zij de ontbindende voorwaarde buiten werking wilden laten; - dat de appellant van het aldus verworven voordeel moet kunnen genieten; - dat over de waardebepaling van de warrants voor de eerste rechter geen betwisting werd gevoerd. Ook de geïntimeerden achten zich gegriefd door het bestreden vonnis. Zij houden in-zonderheid voor: - dat het geschil geen betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst doch enkel op een warrantovereenkomst waarbij de eerste geïntimeerde geen partij was zodat de vordering die tegen haar werd ingesteld, onontvankelijk is bij gebrek aan rechtsband; - dat de tweede geïntimeerde niet de werkgever van de appellant was en de vordering die tegen haar werd ingesteld, onontvankelijk is ratione personae; - dat het niet om een geschil inzake arbeidsovereenkomsten gaat maar om een geschil inzake warrants die niets te maken hebben met het bestaan van een arbeidsovereenkomst; - dat de arbeidsovereenkomst geen enkele verwijzing bevat naar de warrantovereen-komst; - dat de appellant niet optreedt als werknemer maar als aandeelhouder van een ven-nootschap die toevallig ook zijn werkgever is; - dat de beide geïntimeerden twee afzonderlijke vennootschappen zijn die in casu in een onderscheiden hoedanigheid optraden, waarbij de een niet aansprakelijk is voor de verbinte-nissen aangegaan door de andere; - dat de appellant enkel over een vordering tegen de tweede geïntimeerde beschikt waarvan enkel de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk kennis kan nemen. 5. Bespreking. 5.1. Nopens de ontvankelijkheid van de hogere beroepen Het hoofdberoep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. 5.2. Over de gegrondheid van het incidenteel beroep 5.2.1. Artikel 9, eerste lid, Ger. W. bepaalt: "Volstrekte bevoegdheid is de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp (...) van de vordering (...) van de partijen". Artikel 578, 1°, Ger. W. luidt als volgt: "De arbeidsrechtbank neemt kennis van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten". De volstrekte bevoegdheid, inzonderheid die van de arbeidsrechtbank op grond van ar-tikel 578, 1°, Ger. W., wordt bepaald door het voorwerp van de vordering, zoals omschreven door de eisende partij (Cass., 8 september 1978, R.W., 1978-79, 960; Cass., 4 mei 1981, R.W., 1982-83, 147, noot LAENENS, J.; LAENENS, J., "Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank", in VAN LIMBERGHEN, G., (ed.), Sociaal procesrecht, Antwerpen, Maklu, 1995, 123, nr. 3; PETIT, J., Soci-aal procesrecht, Brugge, Die Keure, 1999, nr. 499). Het werkelijke voorwerp van het geding is niet van belang (Cass., 19 december 1985, R.W., 1986-87, 279). 5.2.2. De dagvaarding maakt melding van het feit dat aan de appellant "een arbeids-voordeel werd toegekend door een overdracht van aandelen". Volgens deze omschrijving is de vor-dering er één "inzake arbeidsovereenkomsten". Of dit werkelijk zo is, dus of de appellant werkelijk op grond van zijn arbeidsovereenkomst beschikt over het door hem gevorderde voordeel, is niet van belang. Het geschil is er één waarvoor de arbeidsrechtbank volstrekt bevoegd is. 5.2.3. De appellant stelt zijn vordering echter niet alleen in tegen zijn gewezen werkge-ver maar ook tegen diens moedervennootschap, de tweede geïntimeerde. Het is door toedoen van deze laatste dat het "arbeidsvoordeel" ter beschikking werd gesteld en de tweede geïntimeerde is bijgevolg wat het voornoemde "arbeidsvoordeel" betreft, geen derde. Het Arbeidshof sluit zich verder aan bij wat het Openbaar Ministerie in zijn geschreven advies zegt: "Overigens is het duidelijk dat de ter discussie staande warrantovereenkomst tussen (
- de)appellant en (
- de)tweede geïntimeerde werd gesloten uit hoofde van het feit dat (
- de)appellant in dienst was van een dochteronderneming. Het mag dan juist zijn dat warrantovereenkomsten ook (kunnen) worden gesloten met niet-werknemers (te weten met bestuurders en consulenten), in dit concrete geval is de enige bestaansreden van de warrantovereenkomst precies het bestaan van een arbeidsovereenkomst, in casu met een geaffilieerde vennootschap van (
- de)tweede geïnti-meerde. Of dit enige arbeidsrechtelijke implicatie heeft, en zo welke, raakt ook weer de grond van de zaak, en is niet relevant voor de beoordeling van de bevoegdheid. Het is in elk geval niet van belang dat in de aanvankelijke arbeidsovereenkomst van (
- de)appellant met (
- de)eerste geïntimeerde er geen beding of verwijzing is naar enig recht op het verwerven van aandelen. Naar mag aangenomen worden was de toenmalige werkgever N.V. C. P. S. nog geen geaffilieerde vennootschap van (
- de)tweede geïntimeerde.". De eerste rechter was bevoegd om van het geschil kennis te nemen en hij heeft de vordering ingesteld tegen de beide geïntimeerden terecht ontvankelijk verklaard. Het incidenteel beroep is ongegrond. 5.3. Over de gegrondheid van het hoofdberoep 5.3.1. Een warrant is een aandelenoptie, en wel een optie op nieuwe aandelen. Zij geeft de warranthouder het recht om, in het kader van een kapitaalverhoging, tegen de voorwaar-den en binnen de termijnen bepaald in de uitgifte, in te schrijven op aandelen van de vennootschap. Het gaat om effecten die een vennootschapsrechtelijk afdwingbaar recht vertegenwoordigen op de intekening van nieuwe aandelen (zie ERNST, Ph., en HERBOSCH, D., "De uitgifte van warrants of de wondere wereld van de warrant: financieringsmiddel, beschermingsconstructie, instrument voor 'stock option'-plannen en personeelsparticipatie", in TILLEMAN, B., en DU LAING, B., (eds.), On-derneming en effecten, Brugge, Die Keure, 2001, 73, nr. 2; JANSSENS, E., "Inkoop van aandelen-opties en warrants uitgegeven ten voordele van het personeel", T. Fin. R., 2004, 852, nr. 5). De voorwaarden waaronder de appellant aandelen van de tweede geïntimeerde kon verwerven, zijn duidelijk in de warrantovereenkomst gestipuleerd. Artikel 1.4 bepaalt dat de war-rants worden toegekend onder de ontbindende voorwaarde dat de appellant bij de uitoefening ervan niet meer verbonden is door een arbeidsovereenkomst. Aan de arbeidsovereenkomst kwam een einde op 15 april 2001. De appellant had op dat ogenblik zijn recht nog niet uitgeoefend en had dit, gelet op de bepalingen van artikel 4.2 van de warrantovereenkomst, ook nog niet kunnen doen nu de tweede verjaardag van die overeenkomst nog niet verstreken was. 5.3.2. Ten onrechte houdt de appellant voor dat de geïntimeerden de wil hebben geuit om de voornoemde ontbindende voorwaarde buiten werking te laten. Het Openbaar Ministerie stelt in zijn geschreven advies, en het Arbeidshof neemt aan als Zijn overweging: "De volgens (
- de)appellant 'primordiale' discussie met betrekking tot de tijdsbepaling snijdt geen hout. Er is immers bepaald in artikel 1.4. van de warrantovereenkomst dat (
- de)appel-lant, als warranthouder, zich ertoe verbindt om binnen de maand na het einde van de arbeidsover-eenkomst de nog niet uitoefenbare warrant "weder te verkopen" aan de vennootschap. De verbinte-nis van (
- de)tweede geïntimeerde om de warrantprijs terug te betalen is niet aan een tijdsbepaling gekoppeld. Overigens heeft (
- de)appellant binnen de maand (met brief van 16 april 2001) de ver-koop aangeboden, maar heeft dit laten weten aan (
- de)eerste geïntimeerde, in de uitdrukkelijk ver-melde veronderstelling dat zij in haar hoedanigheid van geaffilieerde vennootschap van (
- de)tweede geïntimeerde hiertoe de nodige contacten zou willen opnemen. Als er derhalve al een tijdsbepaling zou spelen voor beide partijen, is de "laattijdige" reactie (met brief van 22 mei 2001) van (
- de)twee-de geïntimeerde mede aan (
- de)appellant zelf te wijten, door zich niet rechtstreeks te wenden tot (
- de)tweede geïntimeerde.". 5.3.3. De appellant betwist de rechtsgeldigheid van de ontbindende voorwaarde. Ten onrechte. 5.3.3.1. Artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet is vooreerst niet toepasselijk nu de warrantovereenkomst niet met de werkgever maar met de moedervennootschap werd gesloten (DE KOSTER, P., en VANDERREKEN, I., Financiële participatie voor werknemers. Resultaatsde-ling, opties en aandeelhouderschap, Diegem, Ced-Samsom, 2001, 108). Ware dat wél het geval, dan nog zou de clausule niet in strijd zijn met artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet (vgl. met HERMANS, K., en LIEVENS, B., "Aandelenopties en de be-eindiging van de arbeidsrelatie. Bespreking van recente rechtspraak inzake opzeggingsvergoeding en aanverwante problemen", Or., 2004, 68-69). De voorwaarde om op een bepaald ogenblik door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn, is immers niet in strijd met enige in het voordeel van de werknemer geldende imperatieve wetsbepaling (laat staan met enige bepaling van openbare or-de, waaronder grondwettelijke bepalingen) noch kort zij de rechten van de appellant in noch ver-zwaart zij diens verplichtingen, zelfs niet wanneer men de aandelenoptie in casu zou aanzien als loon in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet of de Loonbeschermingswet (zie DE VOS, M., "Aandelenopties en opzeggingsvergoeding", noot Cass., 4 februari 2002, R.W., 2002-03, 423-424; VANSCHOEBEKE, B., en HOSTE, A., "Het Arbeidshof te Brussel (Fr.): over het toekennen van warrants en de opzeggingsvergoeding", Or., 2004, 108-109). Aan de appellant werd geenszins een onvoorwaardelijk recht op aandelen toegekend, enkel een kans op het verwerven van een financi-eel voordeel, weliswaar mits uitoefening van het optierecht én het daadwerkelijk voorhanden zijn van winst. Het Openbaar Ministerie merkt terecht op dat de vermelding door de appellant van ar-tikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet in casu geen relevantie heeft. 5.3.3.2. De clausule is ook niet in strijd met de vrijheid van arbeid. Zij heeft niet de uit-werking van een boetebeding en heeft de appellant niet belet om zelf ontslag te nemen. Hij leidt door het ontslag overigens geen financiële schade. Zoals het Openbaar Ministerie in zijn geschre-ven advies stelt, is het feit dat de appellant toch verlies lijdt bij de wederverkoop van de warrants, louter het gevolg van de fiscale fictie inzake belastbaarheid. Het verlies werd trouwens door de ge-intimeerden gecompenseerd. 5.3.3.3. Artikel 1178 B.W. luidt als volgt: "De voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft". De geïntimeerden hebben geen enkele fout gemaakt die belet heeft dat de voorwaarde in vervulling ging (Cass., 8 september 1989, R.W., 1989-90, 1220). Het is integendeel de appellant zelf die door zijn ontslag heeft belet dat de voorwaarde nog kon vervuld worden. 5.3.3.4. Bij afwezigheid van enige fout van de eerste geïntimeerde kan er geen sprake zijn van toepassing op de tweede geïntimeerde van de leer van de derde-medeplichtigheid. 5.3.3.5. Artikel 1174 B.W. volgens dewelke iedere verbintenis nietig is, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt, is niet toepasselijk op de ontbindende voorwaarde. In casu is er overigens geen louter potestatieve voor-waarde, d.w.z. een voorwaarde waarvan de vervulling uitsluitend afhangt van de wil van de schul-denaar, nu het (niet meer) verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst ook van de wil van de ap-pellant afhankelijk kan zijn of zelfs van de werking van een vreemde oorzaak (vgl. HERMANS, K., en LIEVENS, B., l.c., 70). 5.3.3.6. Nu de voorwaarde in de warrantovereenkomst volkomen rechtsgeldig is, kan de appellant uit de warrantovereenkomst niet de rechten putten waarop hij aanspraak maakt. Het hoofdberoep is ongegrond. x x x HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenvermelde gronden Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak; Gelet op het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door Advocaat-generaal Jean-Pierre Diependaele en ter griffie neergelegd op 4 maart 2005; Alle andere en strijdige conclusies verwerpende; Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt dienvolgens het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrecht-bank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, eerste kamer, d.d. 16 oktober 2002 (A.R. nr. 61.579), in al zijn beschikkingen. Verwijst de appellant overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, Ger. W., in de kosten van de procedure in hoger beroep; Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten in hoger beroep als volgt: x aan de zijde van de appellant: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 279,62 euro x aan de zijde van de geïntimeerden: - vaste rechtsplegingsvergoeding(zoals gevorderd): 267,72euro. Aldus uitgesproken op maandag negen mei tweeduizend en vijf in openbare terecht-zitting door de tweede kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting had-den Jan Herman, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Christian De Ryck, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Roland Huylebroeck, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende en Ronan Van Hecke, griffier. w.g. R. Van Hecke - R. Huylebroeck - C. De Ryck - J. Herman PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050509.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div