id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 03 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050603.27 Rolnummer: 37104;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 03:15 Fiche Artikel 15, ,§ 4, 1° K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen: wettelijke verhogingen op de sociale bijdragen en regularisatiebijdragen Karakter: herstelmaatregel en administratieve sanctie die rechtstreeks krachtens de wet van toepassing is op diegene die de verschuldigde bijdragen niet tijdig betaalt en dus de financiering en de goede werking van de sociale zekerheid in het gedrang kan brengen. Gerechtskosten (artikel 1018 Ger. W.): de prijs van de uitgifte van het vonnis is een gerechtskost, maar niet de kosten van betekening en van tenuitvoerlegging (de titel, waarop de gedwongen tenuitvoerlegging wordt gestoeld, vormt een voldoende grond tot terugvordering van de uitvoeringskosten; een latere bijzondere veroordeling of een latere rechterlijke taxatie is bijgevolg niet nodig; het vonnis houdende veroordeling tot betaling van de hoofdsom omvat veroordeling tot de kosten inherent aan de procedure tot gedwongen uitvoering, noodzakelijk gemaakt door het in gebreke blijven van de veroordeelde partij). Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 15,§4,1° - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing A.R. nr.: 371/04 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN: D. W., wonende te APPELLANT, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. H. V., ad-vocaat te Oudenaarde, TEGEN : S. I., V. S. V. Z., vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te, met onderne-mingsnummer, GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. M.M. B., advocaat te Gent. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van 27 februari 1997 van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, afdeling Oudenaarde, op tegenspraak ge-wezen in de zaak van de v.z.w. I., v. s. v. z., tegen W. D. en de b.v.b.a. G., dragend het volg-nummer 14.815/0/IV van de algemene rol. Dat vonnis werd op 1 oktober 1997 op verzoek van de v.z.w. I. aan W. D. betekend door V. J., gerechtsdeurwaarder te Ronse. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 23 oktober
- De zaak werd er ingeschreven op de algemene rol onder het volgnummer 529/97, maar werd met toepassing van het artikel 730, ,§ 2, a, Ger.W. op de terechtzitting van 2 december 2002 van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, ambtshalve van de rol weggela-ten (cf. het proces-verbaal van de terechtzittingen). Ingevolge de conclusies van de geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het Ar-beidshof te Gent, afdeling Gent, op 8 oktober 2004, en haar verzoek daartoe, werd de zaak opnieuw op de algemene rol ingeschreven onder het huidige volgnummer 371/
- De partijen werden in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclu-sies gehoord ter openbare terechtzitting van 6 mei
- x x x Bij dagvaarding, betekend op 30 juni 1992 door gerechtsdeurwaarder L. B. met standplaats te Oudenaarde, vorderde de v.z.w. I., v. s. v. z. (thans de v.z.w. S. I., v. s. v. z.), oorspronkelijk eiseres en thans geïntimeerde, de solidaire veroordeling van W. D. en van de b.v.b.a. G. tot betaling van 621.922 BEF (hetzij, enerzijds, 584.296 BEF wegens sociale bij-dragen, wettelijke verhogingen en kosten betrekkelijk de vier kwartalen van 1985, 1986, 1987, 1988, 1990 en 1991 en de regularisatiebijdragen betrekkelijk de vier kwartalen van 1985, 1989,1990 en de eerste twee kwartalen van 1991 in het raam van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, en, anderzijds, 37.283 BEF wegens bijzondere bijdragen, wettelijke verhogingen en kosten ten laste van de alleenstaanden en de gezinnen zonder kinderlast, met toepassing van de Koninklijke beslui-ten nr. 38 van 20 maart 1982, nr. 160 van 30 december 1982, nr. 218 van 7 november 1983 en nr. 290 van 31 maart 1984), meer de gerechtelijke intresten en de proceskosten, bij von-nis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, ondanks alle verhaal en zonder borg, noch kantonne-ment. Op eensluidend advies van het Openbaar Ministerie verklaarde het bestreden vonnis de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het veroordeelde W. D. en de b.v.b.a. G. solidair om aan de v.z.w. I. de som van 431.683 BEF te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de dagvaarding, 30 juni 1992, tot de dag der betaling, meer de in dat vonnis nader begrote proceskosten. x x x Aanvankelijk (in zijn verzoekschrift tot hoger beroep) vorderde W. D. (die beves-tigde dat hij zijn hoger beroep enkel tegen de v.z.w. I. S. heeft gericht en niet tegen de b.v.b.a. G. (cf. het zittingsblad van de vierde kamer van 6 mei 2005)) de vernietiging van het bestreden vonnis, en dat het Arbeidshof, opnieuw oordelend, de oorspronkelijke vordering als ongegrond zou afwijzen met veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen. Ter openbare terechtzitting van 6 mei 2005 heeft W. D. zijn vordering in hoger beroep nader gepreciseerd als volgt (cf. het zo-even vermelde zittingsblad): hij bevestigt het bedrag van de sociale bijdragen, zoals herleid door de eerste rechter, in hoger beroep niet meer te betwisten; in de huidige stand van het geding vecht hij enkel nog de intresten en de proceskosten aan, in essentie op grond van de volgende argumentatie: "Na dertien jaar procedure heeft concluant, samen met de beroepsconclusie voor geïnti-meerde, eindelijk kennis gekregen van de berekening van de gevorderde bijdragen. Concluant wenst er de nadruk op te leggen dat de aanvullende stukken 9 t.e.m. 12 van geïn-timeerde aan concluant pas met de beroepsconclusie voor geïntimeerde werden medege-deeld. De stukken vermelden trouwens bovenaan "simulatie". Dit bevestigt dat deze berekening nooit aan concluant werd overgemaakt. Waarom moet concluant dertien jaar wachten alvorens te vernemen hoe in zijnen hoofde de bijdrageplicht werd bepaald ??? De stukken 9 t.e.m. 11 van het dossier van geïntimeerde werden trouwens pas geproduceerd op 09.07.1998, d.w.z. NADAT concluant onderhavig hoger beroep had aangetekend. Het heeft vervolgens zeven jaar geduurd alvorens deze stukken aan concluant werden over-gemaakt. Dat concluant toelichting eiste bij de hem aangerekende bedragen, was volkomen normaal en verantwoord: concluant heeft voor de betrokken jaren immers helemaal geen inkomen genoten, zodat het hem een volslagen raadsel was hoe geïntimeerde tot het verschuldigd zijn van bijdragen kwam. Had geïntimeerde deze berekeningen van meetaf aan gemaakt en voorgelegd, dan zou de ganse proceduregang overbodig geweest zijn." x x x De v.z.w. S. I., die op de terechtzitting van 6 mei 2005 bevestigde het erover eens te zijn dat zij als enige geïntimeerde in zake is (cf. het reeds vermelde zittingsblad), vordert van haar kant de bevestiging van het bestreden vonnis. x x x De beoordeling. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ontvankelijk is. x x x Reeds bij brief van 23 september 1991 legde de v.z.w. I. op omstandige wijze aan W. D. uit op welke inkomsten en van welk jaar de sociale bijdragen werden berekend. Bovendien weerlegde W. D. in hoger beroep geenszins de uitdrukkelijk in het vonnis vermelde bedrijfsinkomsten, die door de eerste rechter werden in aanmerking geno-men ter berekening van de sociale bijdragen waartoe hij werd veroordeeld. Hij heeft verder als partij geen procedurele stappen ondernomen om zelf de afwikkeling van de zaak te be-naarstigen. Wettelijke verhogingen op de sociale bijdragen en op de regularisatiebijdragen moeten worden aangemerkt als een boete en dus als een administratieve sanctie (of min-stens als een maatregel met gemengd karakter: herstelmaatregel en administratieve sanc-tie), die rechtstreeks krachtens de wet van toepassing is op diegene die de verschuldigde bijdragen niet stipt en tijdig betaalt en aldus de financiering en ook de goede werking van de sociale zekerheid, een openbare dienst, in het gedrang kan brengen (LENAERTS, H., Inlei-ding tot het sociaal recht, Kluwer, 1995, nr. 327; PUT, J., Administratieve sancties in het so-ciaalzekerheidsrecht, Die Keure, 1998, nr. 89). Zij zijn verschuldigd tot bij het verstrijken van het kwartaal voorafgaand aan de dagvaarding voor de Arbeidsrechtbank; vanaf de dagvaarding kunnen, zoals te dezen, ge-rechtelijke intresten worden gevorderd, die dienen om de schade geleden door het niet ont-vangen van de geëiste som tussen de inleiding van het geschil en de uitvoering van het von-nis te vergoeden. Wel staat het W. D. vrij tot het R.S.V.Z. een verzoek tot verzaking te richten (cf. artikel 48 K.b. van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen). x x x De v.z.w. S. I. van haar kant vordert eveneens de veroordeling van W. D. tot be-taling van de kosten van de grosse van het bestreden vonnis en van de kosten van de bete-kening en van het herhaald bevel. De prijs van de uitgifte van het vonnis is een gerechtskost (cf. artikel 1018, 3°, Ger.W.). De kosten van betekening en die van het herhaald bevel komen evenwel niet voor onder de opsomming in het artikel 1018 Ger.W.. Het artikel 1024 Ger.W. luidt: "De kosten van tenuitvoerlegging komen ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd." Dat wetsartikel betreft dus de uitvoeringskosten, t.t.z. kosten die volgen op het bekomen van de titel en die worden gemaakt om de tenuitvoerlegging te bekomen; zij komen krachtens de wet ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. De titel, waarop de gedwongen tenuitvoerlegging wordt gestoeld, vormt een vol-doende grond tot terugvordering van de uitvoeringskosten. Een latere bijzondere veroorde-ling of een latere rechterlijke taxatie is bijgevolg niet nodig. Het vonnis houdende veroordeling tot betaling van de hoofdsom omvat veroordeling tot de kosten inherent aan de procedure tot gedwongen uitvoering, noodzakelijk gemaakt door het in gebreke blijven van de veroordeel-de partij (cf. DE LEVAL, G., "Eléments de procédure civile", Larcier, nr. 382). x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzon-derheid het artikel
- Gelet op het eensluidend, mondeling advies van het Openbaar Ministerie ter openbare terechtzitting van 6 mei 2005, uitgebracht door de heer Patrick Bricout, Eerste Ad-vocaat-generaal. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als ongegrond. Oordelend binnen de perken van het hoger beroep. Verklaart het (beperkt) hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als onge-grond. Bevestigt, in de mate dat het bestreden werd, het vonnis van 27 februari 1997 van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, afdeling Oudenaarde. Legt ook de kosten van de grosse van het bestreden vonnis en die betref-fende de procesvoering in hoger beroep ten laste van W. D., overeenkomstig het artikel 1017, eerste lid, Ger.W.. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten als volgt: x aan de zijde van W. D. (zoals gevorderd): - vaste rechtsplegingsvergoeding: 279,62 euro x aan de zijde van de v.z.w. S. I.: - grosse vonnis: 4,46 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding: 279,62 euro. Aldus uitgesproken op vrijdag drie juni tweeduizend en vijf, in openbare terecht-zitting door de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden Gregor Vande Vyver, Kamervoorzitter in het Arbeidshof, Viviane Verwilghen, Raads-heer in het Arbeidshof, Guido Cammaert, Raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelf-standige, en Ronan Van Hecke, Griffier, nadat bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter bij beschikking van drieëntwintig mei tweeduizend en vijf, met toepassing van het artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, Viviane Verwilghen, Raadsheer in het Arbeidshof, aangewe-zen werd in vervanging van Jan Vilain, Raadsheer in het Arbeidshof, die heden wettig verhin-derd is de uitspraak bij te wonen van het arrest in deze zaak, waarover zij mede heeft be-raadslaagd. Get. R. Van Hecke - G. Cammaert - V. Verwilghen - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050603.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div