← België

ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050610.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 10 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050610.10 Rolnummer: 34904 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-01 03:18 Fiches 1 - 2 I.Het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegen-woordigers in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft een ruime draagwijdte. Het geldt zodra er sprake is van een "tussenpersoon" die contractueel verbonden is met een opdrachtgever. Het vermoeden kan door de werkgever weerlegd worden door aan te tonen hetzij dat er geen gezagsverhouding bestaat hetzij dat één der elementen in de omschrijving in het eerste lid van artikel 4, inzonderheid het op-sporen en bezoeken van cliënteel met het oog op het onderhandelen over en/of het sluiten van zaken, niet aanwezig is. II.In de omstandigheden van de zaak wordt vermoed door een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers verbonden te zijn, de werknemer die niet in dienst is van de vennootschappen die de door hem te "promoten" waren produceren, factureren en leveren, maar wel van de vennootschap, deel van dezelfde groep als de voornoemde vennootschappen, die tegen een vergoeding hun marketing verzorgt, wanneer het be-zochte cliënteel wel degelijk als dat van de werkgever moet worden aangezien. III.Doet, in de omstandigheden eigen aan de zaak, evenmin afbreuk aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, het feit dat de waren die door toedoen van de werknemer worden verkocht, niet rechtstreeks door haar werkge-ver of de "productievennootschappen" die van dezelfde groep deel uitmaken, aan de bezochte klanten geleverd en gefactureerd worden maar wel via de tussenkomst van groothandelaars en aankoopcentrales. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN I.ARBEIDSOVEREENKOMST - HANDELSVERTEGENWOORDIGER Wettelijk vermoeden Draagwijdte. II.ARBEIDSOVEREENKOMST - HANDELSVERTEGENWOOR-DIGER Definitie. III.ARBEIDSOVEREENKOMST - HANDELSVERTEGENWOOR-DIGER Definitie. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . HANDELSVERTEGENWOORDIGERS I.ARBEIDSOVEREENKOMST - HANDELSVERTEGENWOORDIGER Wettelijk vermoeden Draagwijdte. II.ARBEIDSOVEREENKOMST - HANDELSVERTEGENWOOR-DIGER Definitie. III.ARBEIDSOVEREENKOMST - HANDELSVERTEGENWOOR-DIGER Definitie. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 101 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing A.R. nr. :349/04 Rep.nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN: M., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te APPELLANTE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester G. De Vos loco meester E. Daneels, advocaat te 9040 Gent, TEGEN : V. M., wonende te , GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mevrouw M. D. N., afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers, houder van een schriftelijke volmacht. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging en inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Ar-beidsrechtbank te Gent, vierde kamer, d.d. 18 juni 2004 (A.R. nr. 158.667/02), waarvan geen betekening wordt overgelegd. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, door de appellante neergelegd ter grif-fie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 7 september

  1. Gelet op het tussenarrest, op 11 februari 2005 op tegenspraak gewezen door de achtste kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent.
  2. Nopens de feiten De geïntimeerde werd sinds 1 juni 1999 door de appellante als "regioverantwoorde-lijke Oost- en West-Vlaanderen" tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor onbepaal-de tijd. De taken van de geïntimeerde werden in artikel 3 van deze overeenkomst als volgt omschreven: "1.Verkoop en promotie van alle producten van S. NV met zetel te K., en van V. N. NV met ze-tel te M..
  3. Het bezoeken van een bestaande cliënteel en het opsporen van een nieuwe cliënteel met het oog op de verkoop van de hierna- omschreven producten of artikelen in naam, voor reke-ning en onder het gezag van de werkgever. De werknemer is bevoegd om de overeenkomsten met de cliënteel te sluiten in naam en voor rekening van de werkgever.
  4. Actief aanwezig zijn op verkoopsbeurzen binnen als buiten de regio (zie artikel 4).
  5. Initiëren en opvolgen promoties." Artikel 4 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De werknemer zal zijn functie uitoefenen bij de volgend cliënteel: slagers, horeca, delicates-senzaken, supermarkten, superettes, kruideniers. In de volgende sector: Oost- en West Vlaanderen In dit gebied en/of ten opzichte van deze cliënteel heeft de werknemer geen alleen-vertegenwoordiging." Artikel 5 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De werknemer zal in de hierboven beschreven sector en ten opzichte van de hierboven om-schreven cliënteel de volgende producten van de werkgever vertegenwoordigen: alle produc-ten van S. NV met zetel te K., en alle producten van V. N. NV met zetel te M.. De prijzen, de termijnen van uitvoering en alle andere voorwaarden voor de met de cliënteel af te sluiten contracten worden in samenspraak met de werkgever gesteld." Artikel 6 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De werknemer verbindt er zich toe de hem toegewezen cliënteel regelmatig te bezoeken." Artikel 7 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De verkoopprijzen en de leveringstermijnen worden door de werkgever vastgesteld. De werk-nemer mag generlei bedrag, noch in geld, noch in een ander betaalmiddel, ontvangen voor re-kening van de werkgever behoudens zijn uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming of op-dracht. Hij is ertoe gehouden de sommen die hij eventueel mag ontvangen uiterlijk de volgende dag aan zijn werkgever af te geven. In geen geval mag hij deze sommen behouden in minde-ring op commissielonen of vergoedingen, hem eventueel door de werkgever verschuldigd." Artikel 10 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De brutobezoldiging van de werknemer wordt als volgt vastgesteld: - een maandelijkse vaste wedde van 70.000 fr. Na afloop van de proefperiode, 8 % premie op de maandwedde indien de persoonlijke objec-tieven werden behaald of overschreden en dit voor beide firma's apart. Deze persoonlijke ob-jectieven worden in samenspraak met de sales manager Benelux bepaald." Artikel 15 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De in artikel 10 vermelde premie is verschuldigd voor ieder order dat door de werkgever wordt aanvaard. Ieder order wordt vermoed door de werkgever te zijn aanvaard wanneer de bestel-ling door de klant en de werknemer werd ondertekend en het voorschot werd betaald, behou-dens weigering of voorbehoud door de werkgever aan de werknemer schriftelijk meegedeeld binnen een termijn van 3 maanden." Artikel 18 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De werknemer dient zich te vergewissen van de solvabiliteit van zijn klanten." Artikel 22 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidde als volgt: "De werknemer gaat tegenover de werkgever de verbintenis aan na de beëindiging van de ar-beidsovereenkomst gedurende een periode van twaalf maanden noch dezelfde noch enige ge-lijkaardige commerciële activiteit uit te oefenen voor gelijkaardige ondernemingen, of als zelf-standige binnen het geografisch gebied (zie artikel 4) waar hij zijn functie als regioverantwoor-delijke uitoefende op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. Bij overtreding van dit concurrentiebeding is de werknemer aan de werkgever een vergoeding verschuldigd gelijk aan drie maanden loon. Dit beding heeft geen uitwerking indien de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt door de werkgever zonder dringende reden en door de werknemers om een dringende reden." De appellante beëindigde de arbeidsovereenkomst bij schrijven van 31 oktober 2001 op onregelmatige wijze want zonder opzegging of dringende reden. De geïntimeerde ontving een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het loon van drie maanden.
  6. Nopens de procedure in eerste aanleg Bij dagvaarding, betekend op 3 oktober 2002, stelde de geïntimeerde een vordering in tegen de appellante, strekkende tot veroordeling van deze laatste om aan haar te betalen, een uitwinningsvergoeding van 7.895,73 euro, vermeerderd met wettelijke intrest, met gerech-telijke intrest en met de gedingkosten. Zij vorderde de veroordeling van de appellante tot de "afgifte van de sociale en fiscale documenten ad hoc zoals een loonstrook uitwinningsvergoe-ding en de fiscale loonfiche 281.10", onder verbeurte van een dwangsom van 2,50 euro per dag en per ontbrekend document, vanaf één maand na de betekening van het vonnis. Zij vor-derde het tussen te komen vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren ondanks elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement. Bij conclusie, op 5 december 2002 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroeg de appellante dat de vordering als ongegrond zou afgewezen worden. Zij vroeg de ver-wijzing van de geïntimeerde in de kosten van het geding. Bij eindvonnis, op 18 juni 2004 op tegenspraak gewezen, werd de vordering toelaat-baar en gegrond verklaard. De appellante werd veroordeeld tot het betalen aan de geïntimeer-de van de som van 7.895,73 euro als uitwinningsvergoeding, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intrest op het nettobedrag. De appellante werd veroordeeld tot de aflevering van "aangepaste sociale documenten in overeenstemming met de toegekende aanvullende vergoedingen, en dit onder de verbeurte van een dwangsom van 2,50 euro per dag vertraging (...) na verloop van één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis en mits het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan". De appellante werd veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het vonnis werd voorlopig uitvoerbaar verklaard ondanks elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel dat: - de functieomschrijving in de geschreven arbeidsovereenkomst globaal overeenkwam met die van een handelsvertegenwoordiger; - de inhoud van de functieomschrijving, opgenomen in een brief van het sociaal secretariaat van de appellante aan de vakbondsorganisatie van de geïntimeerde d.d. 25 februari 2002, door die vakbondsorganisatie werd betwist; - de omschrijving van de "sleuteltaken" door de appellante op 26 april 2001 niet "essentieel" afweek van die in de arbeidsovereenkomst; - in dit document sprake was van een bonus ingevolge het "noteren van verkoopsorders"; - de geïntimeerde een variabel commissieloon ontving; - de geïntimeerde bestelbons overlegde; - het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst de aanbreng van cliënteel deed ver-moeden; - dat de appellante in haar bewijsvoering faalde en de geïntimeerde recht had op de gevor-derde uitwinningsvergoeding.
  7. Nopens de procedure in hoger beroep 3.
  8. In haar akte van hoger beroep vordert de appellante dat het Arbeidshof het ho-ger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren, dat het bestreden vonnis zou worden te-nietgedaan en dat het Arbeidshof, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren, met verwijzing van de geïntimeerde in alle kosten van het ge-ding. In haar conclusie, op 22 september 2004 ter griffie neergelegd, vraagt de geïnti-meerde dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden. Zij vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij vraagt de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. 3.
  9. Het tussenarrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 11 februari 2005: - verklaart het hoger beroep ontvankelijk; - alvorens over de gegrondheid van het hoger beroep te oordelen, heropent ambtshalve de debatten teneinde de partijen toe te laten nader te concluderen; - houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan. Het Arbeidshof overweegt in dit arrest wat volgt: "

(1)Over de volgende feitelijke gegevens kan er geen betwisting zijn. De geïntimeerde werd in dienst genomen door de appellante met de geschreven ar-beidsovereenkomst waarvan de inhoud sub 1 uitvoerig werd weergegeven. De appellante is de enige rechtspersoon die als werkgever van de geïntimeerde heeft gefungeerd. De bedrijvigheid van de geïntimeerde had uitsluitend betrekking op de producten van de N.V. S. en de N.V. N.. Deze vennootschappen behoren tot dezelfde "groep" als de appel-lante (de naam van de appellante wordt overigens gevormd door drie letters van de plaats waar deze vennootschappen gevestigd zijn, M. en K.). De N.V. S. en de N.V. N. zijn "produc-tievennootschappen" terwijl de appellante "deze 2 productievennootschappen overkoepelt en (instaat) voor het personeelsbeleid en de merchandising van de beide vennootschappen" (zie de termen van de appellante in haar conclusie voor de eerste rechter). Samen met de N.V. D. K. zijn de N.V. S. en de N.V. N. de drie enige "klanten" van de appellante, waaronder moet verstaan worden dat deze laatste aan deze vennootschappen factureerde. Deze facturen had-den inzonderheid betrekking op de promotie door de appellante van de producten van haar "klanten" bij handelaars (slagers, warenhuizen) door de tewerkstelling van inzonderheid de ge-intimeerde. De N.V. S. en de N.V. N. leverden en factureerden niet zelf aan de handelaars die de geïntimeerde bezocht. Dit werd gedaan door groothandelaars en aankoopcentrales, die op hun beurt leverden en factureerden aan de voornoemde handelaars.
(2)Artikel 4, eerste en tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet luidt als volgt: "De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers is de overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliëntèle op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over (of) het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers. Niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij het stilzwij-gen ervan wordt de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordi-gers, tenzij het tegendeel wordt bewezen". De betwisting tussen de partijen gaat in eerste instantie over de vraag of de geïnti-meerde al dan niet verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoor-digers. Het is dan ook enigszins vreemd dat tot dusver nooit melding werd gemaakt van de mogelijke gevolgen van de toepassing van het tweede lid van artikel 4 van de Arbeidsovereen-komstenwet, meer bepaald wat de bewijslast van de partijen betreft. De geïntimeerde moet duidelijk maken of zij zich al dan niet op het vermoeden in artikel 4, tweede lid, van de Ar-beidsovereenkomstenwet kan en wil beroepen (zie o.a. PETIT, J., "De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers", in BLANPAIN, R., (ed.), Arbeidsrecht, Brugge, Die Keure, II, 8, 1994, nr. 36). Het Arbeidshof dient bepalingen van dwingend recht ambtshalve toe te passen, zij het niet zonder de partijen hierover te hebben gehoord. Bovendien moet nagegaan worden of de partij die de bepalingen beschermen, er zich wel wil op beroepen (vgl. Cass., 22 mei 2000, J.T.T., 2000, 369, concl. LECLERCQ; VAN REGENMORTEL, A., "Enkele bedenkingen bij de betekenis en de draagwijdte van het begrip openbare orde in het sociaal recht", T.P.R., 1997, 3, nr. 30). De debatten worden met het oog op dit alles ambtshalve heropend.". 3.
  1. In de conclusies, door de partijen na de heropening van de debatten neergelegd, verklaren zij te volharden. De partijen worden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 13 mei
  2. Nopens de grieven van het hoger beroep De appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Zij stelt inzonderheid dat: - zij de geïntimeerde niet als handelsvertegenwoordiger tewerkstelde; - de door haar bezochte personen geen klant van haar waren of konden worden; - zij bovendien geen klant waren van de firma's wiens producten de geïntimeerde moest promoten, de N.V. S. en de N.V. N.; - het om vennootschappen ging die moesten worden onderscheiden van de appellante zelf; - de klanten van deze firma's groothandelaars en aankoopcentrales waren, die de geïnti-meerde niet bezocht; - de geïntimeerde geen bestellingen noteerde; - de geïntimeerde zelfs geen handelsvertegenwoordiger ware geweest mocht zij in dienst van de N.V. S. en de N.V. N. zijn geweest; - de geïntimeerde geen recht had op een uitwinningsvergoeding; - mocht de geïntimeerde toch handelsvertegenwoordiger zijn geweest, zij de appellante geen cliënteel heeft aangebracht.
  3. Bespreking 5.
  4. Nopens de draagwijdte van het vermoeden in artikel 4, tweede lid, van de Ar-beidsovereenkomstenwet De geïntimeerde verklaart in haar laatste conclusie dat zij zich "kan en wil" beroepen op het vermoeden in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Over de draagwijdte van deze bepaling zijn er twee standpunten. Volgens de eerste interpretatie (waarbij de appellante zich aansluit) heeft het ver-moeden alleen betrekking op het bestaan van een gezagsverhouding. Dat betekent dat het vermoeden enkel in werking treedt wanneer eerst al vaststaat (en in voorkomend geval door de beweerde handelsvertegenwoordiger bewezen wordt) dat een persoon zich verbonden heeft tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over of het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers. Ontbreekt één van deze elementen, dan is er geen sprake van een vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Men vindt deze opvatting onder meer terug in een recent arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 13 fe-bruari 2004 (J.T.T. 2004, 361). Volgens de andere interpretatie (die de voorkeur van de geïntimeerde geniet) geldt het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger zodra er sprake is van een "tussenpersoon" in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Arbeids-overeenkomstenwet, die contractueel verbonden is met een opdrachtgever. Het vermoeden kan door de werkgever weerlegd worden door aan te tonen hetzij dat er geen gezagsverhou-ding bestond hetzij dat één der elementen in de omschrijving in het eerste lid van de voor-noemde bepaling inzonderheid het opsporen en bezoeken van cliënteel met het oog op het onderhandelen over of het sluiten van zaken, niet voorhanden is. Deze interpretatie wordt op vrij uitvoerige en overtuigende wijze - verdedigd door auteurs als BLANPAIN, R., "Arbeids-overeenkomst voor handelsvertegenwoordigers. Begrip en bewijs", in BLANPAIN, R., (ed.), Ju-ridisch statuut van de handelsvertegenwoordiger, Antwerpen, 1980, 10 en 26; BUYSSENS, H., "Bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht", in RIGAUX, M., (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht. 4, Antwerpen, 1993, nr. 324; DE THEUX, A., Le droit de la représentation commerciale, I, Brussel, 1975, nr. 249; ENGELS, C., Het ondergeschikt verband naar Bel-gisch recht, Gent, 1989, 478-484; JAMOULLE, M., Le contrat de travail, I, 1982, nr. 309, 388-389, en PETIT, J., l.c., nr.
  5. Zij steunt inzonderheid op de duidelijke tekst van artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet en de parlementaire voorbereiding. Zij heeft ook de logica voor zich. Het Arbeidshof meent dan ook zich bij deze visie te moeten aanslui-ten. Dat betekent dat de geïntimeerde zich in casu kan beroepen op het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers en dat het de ap-pellante toekomt dit vermoeden te weerleggen. Het staat immers vast dat de geïntimeerde een "tussenpersoon" is in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet. 5.
  6. Over de weerlegging van het wettelijk vermoeden door de appellante 5.2.
  7. De appellante die betwist dat de geïntimeerde een handelsvertegenwoordiger was in haar dienst, weerlegt het vermoeden wanneer zij aantoont dat de geïntimeerde - geen cliënteel opspoorde en bezocht en/of - niet onderhandelde over zaken of zaken afsloot en/of - dit niet deed voor haar rekening en in haar naam (zie DE THEUX, A., o.c., nr. 249; ENGELS, C., o.c., 486-487; JAMOULLE, M., o.c., nr. 313). Het bestaan van een gezagsverhouding tussen de partijen staat in casu niet ter dis-cussie. 5.2.
  8. Dat de appellante met de geïntimeerde een geschreven arbeidsovereenkomst (zie 1) sloot die geen enkele twijfel laat bestaan over de werkelijke aard ervan, meer bepaald met betrekking tot het voorwerp van de te verrichten arbeid, te weten die van een handelsver-tegenwoordiger, ondersteunt de visie van de appellante in elk geval al niet. De geïntimeerde moge er wel als "regioverantwoordelijke" zijn aangeduid, alle clausules van de overeenkomst kaderen perfect in een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers. De appellante blijft volkomen in gebreke aan te duiden wat hiermee dan wel haar bedoeling mag zijn geweest indien er geen sprake van handelsvertegenwoordiging zou zijn geweest. 5.2.
  9. Het is correct dat de geïntimeerde niet door een arbeidsovereenkomst verbon-den was met de vennootschappen die de door haar te "promoten" waren produceerden, factu-reerden en leverden. Het is echter wel zo dat de appellante zelf in de praktijk geen onderscheid maakte tussen zichzelf en de twee andere vennootschappen die deel uitmaakten van haar groep. Het Arbeidshof wijst er inzonderheid op dat: - in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het (enkel) de producten van de N.V. S. en N.V. N. zijn waarvan de "verkoop en promotie" aan de geïntimeerde is opgedra-gen; - de te promoten producten in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst zelfs uitdrukkelijk als die van de appellante zelf worden bestempeld; - in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst ook is bepaald dat een cliënteel moet bezocht worden "in naam, voor rekening en onder het gezag" van de appellante, waarbij niet is be-paald dat het om "cliënteel" van derden gaat; - tevens is bepaald dat de geïntimeerde bevoegd is om de producten te verkopen aan deze cliënteel "in naam en voor rekening van" de appellante; - de functieomschrijving (stuk 3 van de geïntimeerde) uitdrukkelijk spreekt over de distributie van "onze" producten en "onze klantenrelaties" alsook over het "noteren van verkoopor-ders" voor of het behalen van een omzet bij "N.-S."; - de bestellingen werden genoteerd op documenten waarop de naam van de appellante niet voorkwam maar wel die van de N.V. N. en de N.V. S., en die het Arbeidshof wel degelijk als bestelbons aanziet; - niet de appellante maar de N.V. S. op 10 december 2001 een verklaring afleverde die als volgt luidt (en waarvan de appellante ten onrechte voorhoudt dat de geïntimeerde ook de inhoud als waar heeft aanvaard): "M. V. werkte bij ons (onderlijning door het Arbeidshof) als regio verantwoordelijke Oost- en West-Vlaanderen van 1 juni 1999 tot 31 oktober
  10. Haar verantwoordelijkheden behelsden het bezoeken van verkooppunten van vlees-waren, om aldaar onze producten aan te prijzen en te verkopen via onze groothandela-ren/klanten. Zij was ook verantwoordelijk voor de inrichting van en de verkoop op huisbeurzen bij klanten. Tijdens haar werkzaamheden bij ons (onderlijning door het Arbeidshof), liet M. zien dat zij een capabele werknemer is. Wij hebben met haar steeds een goede samenwerking ge-had en werd zowel bij ons als bij haar collega's ervaren als een waardevolle en aangename persoon om mee samen te werken". 5.2.
  11. Het Arbeidshof oordeelt dat de appellante zich niet kan verschuilen achter de formele bedrijfsstructuur die zij (om redenen die zij alleen kent) heeft opgebouwd. Zij be-schouwde de door de geïntimeerde te bezoeken cliënteel als het hare. Wanneer de geïnti-meerde "zaken" moest behartigen (zie 5.2.5) , deed zij dat voor rekening van en in naam van de appellante. Dat de overeenkomsten met de klanten niet met de appellante zelf werden ge-sloten, kan waar zijn maar dat enkel feit is niet doorslaggevend. Wanneer de stelling van de appellante zou gevolgd worden, zou ware dit voor een werkgever wel het ei van Columbus. Het zou voor hem wel zeer gemakkelijk worden om via kunstgrepen (inzonderheid de aanwerving van de "handelsvertegenwoordiger" door een derde vennootschap in plaats van door de vennootschap wiens cliënteel wordt bezocht) te ontsnap-pen aan de verplichting om in voorkomend geval een uitwinningsvergoeding te betalen. 5.2.
  12. De stelling dat de geïntimeerde geen cliënteel opspoorde en bezocht met het oog op het onderhandelen over en/of het afsluiten van zaken, is volkomen in strijd met alle ge-gevens van het dossier. Er kan vooreerst verwezen worden naar de termen van de geschreven arbeidsover-eenkomst alsook naar de functieomschrijving die van de appellante uitgaat. De geïntimeerde noteerde de bestellingen (zie haar stukken 14) van nieuwe (zie haar stukken 15) en oude klanten, zij het dat de voorwaarden van de contracten in samen-spraak met de appellante werden bepaald (zie artikel 5 van de arbeidsovereenkomst). Zij kon kortingen toestaan (zie haar stukken 11). De geïntimeerde had recht op een commissieloon wanneer zij bepaalde objectieven behaalde (zie artikel 8 van de arbeidsovereenkomst), weze het enkel op door de appellante aanvaarde orders (zie art. 15 van de arbeidsovereenkomst). 5.2.
  13. Het is correct dat de waren die door toedoen van de geïntimeerde werden ver-kocht, niet rechtstreeks door de appellante (of beter, door haar nevenvennootschappen, maar dit heeft zoals hierboven geoordeeld geen belang) aan de cliënteel werden geleverd noch wer-den gefactureerd (zie de stukken 2-9 van de appellante). Naar het oordeel van het Arbeidshof heeft de wijze van distributie evenwel geen doorslaggevend belang. Wanneer in de sector (of een deel ervan) wordt geopteerd voor het inschakelen van een tussenpersoon in de persoon van een groothandelaar of aankoopcentrale, dan zullen hiervoor wel goede redenen bestaan. In casu brengt dit nochtans niet mee dat niet de door de geïntimeerde bezochte en bewerkte klanten het cliënteel van de appellante uitmaken, doch wel deze tussenpersonen zelf. Het is niet bewezen dat deze laatsten een rol speelden bij het sluiten van de "zaken", meer bepaald dat er over voorwerp en voorwaarden van de contracten met hen onderhandeld werd. Het staat enkel vast dat zij fungeerden als "doorgeefluik". De bestellingen die door de geïntimeer-de werden genoteerd, werden aan de appellante (of haar nevenvennootschappen) om wiens cliënteel het ging - doorgegeven. Met de wijze waarop die orders vervolgens worden uitge-voerd, heeft de geïntimeerde geen uitstaans. Ook hier: wanneer het inschakelen van een tus-senpersoon zou volstaan om aan een werknemer het statuut van handelsvertegenwoordiger te ontnemen, ware dit wel een goede vondst. 5.2.
  14. Het Arbeidshof stelt vast dat de appellante geen enkel stuk overlegt dat be-trekking heeft op de door de partijen tot stand gebrachte arbeidsverhouding, wat het vermoe-den doet ontstaan dat zij over geen stukken beschikt die haar stelling ondersteunen. Het Arbeidshof besluit finaal dat de appellante het vermoeden in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet niet heeft weerlegd. De partijen waren door een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers verbonden. 5.
  15. Over de uitwinningsvergoeding Artikel 101, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet luidt als volgt: "Wanneer de overeenkomst wordt beëindigd door de werkgever zonder dringende reden of door de handelsvertegenwoordiger om een dringende reden, is een vergoeding we-gens uitwinning verschuldigd aan de handelsvertegenwoordiger die een cliënteel heeft aange-bracht tenzij de werkgever bewijst dat uit de beëindiging van de overeenkomst geen enkel na-deel volgt voor de handelsvertegenwoordiger". Alle voorwaarden van deze bepaling zijn vervuld. Inzonderheid moet aangenomen worden dat de geïntimeerde een cliënteel heeft aangebracht. Zij wordt vermoed dit te hebben gedaan ingevolge de opname van een concur-rentiebeding in de arbeidsovereenkomst (art. 105 Arbeidsovereenkomstenwet). De appellante bewijst het tegendeel niet. Hierboven werd al geoordeeld dat de cliënteel dat de geïntimeerde bezocht, in werkelijkheid als dat van de appellante zelf moet aangezien worden. De appellante mag uit de bewoordingen van het tussenarrest geen gevolgen trekken die zij niet hebben. Wanneer het Arbeidshof sub 5.2.1 stelt dat de N.V. D. K., de N.V. N. en de N.V. S. de drie eni-ge "klanten" van de appellante zijn, dan wordt de term "klanten" enerzijds tussen haakjes gezet en wordt anderzijds gezegd wat er mee wordt bedoeld, nl. dat de appellante (enkel) aan deze vennootschappen factureerde, niets meer of minder. In geen geval diende het Arbeidshof reeds te oordelen over het bestaan een "cliënteel" in de zin van de artikelen 4, eerste lid, en 88 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Over de hoogte van de gevorderde vergoeding is er geen betwisting. Het hoger beroep is ongegrond. x x x HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenstaande gronden, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonder-heid op artikel
  16. Recht doende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ongegrond. Bevestigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent, vierde kamer, d.d. 18 juni 2004 (A.R. nr. 158.667/02), in al zijn onderdelen Veroordeelt de appellante overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, Ger. W., tot het betalen van de kosten van de procedure in hoger beroep. Bepaalt de nog te vereffenen gerechtskosten in hoger beroep als volgt: x aan de zijde van de appellante: - uitgavenvergoeding: 58,25 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 279,62 euro x aan de zijde van de geïntimeerde: - niet te begroten bij gebrek aan omstandige opgave. Aldus uitgesproken op vrijdag tien juni tweeduizend en vijf in openbare terechtzitting door de achtste kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting hadden: Jan Herman, raadsheer in het arbeidshof, voorzitter, Roseline Vroman, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, René Geerts, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werk-nemer-bediende en Lucienne Noerens, griffier. (get.) L. Noerens R. Geerts R. Vroman J. Herman. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050610.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.