← België

ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050901.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 01 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050901.1 Rolnummer: 378-99 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-07-04 07:57 Fiche 1 Periodes van tijdelijke (volledige of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid (als gevolg van een arbeidsongeval overkomen in dienst van een O.C.M.W.), die ratione temporis vallen nadat de statutaire dienst ingevolge ambtsneerlegging reeds was beëindigd door toedoen van het O.C.M.W.- personeelslid zelf (teneinde een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uit te oefenen), komen niet in aanmerking voor vergoeding binnen de arbeidsongevallenre-geling, publieke sector. Toelichting : Betrokkene is eind 1989 het slachtoffer geworden van een arbeidsongeval in het raam van haar contractuele dienstbetrekking (verpleegkundige) bij een O.C.M.W.. Na datum van het arbeidsongeval werd ze statutair vast benoemd. Vervolgens heeft ze zelf haar ambt neer-gelegd om een zelfstandige activiteit als thuisverpleegster aan te vangen, activiteit die zij tijdelijk (begin 1994) gedurende 2,5 jaar vrijwillig onderbrak om een kind op te voeden, periode gedurende dewelke zij in maart 1994 wegens hervallen een arthroscopie onderging als gevolg van het arbeidsongeval (waarvan de restletsels medisch als geconsolideerd wer-den beschouwd in augustus 1994) . Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. VI C art. 3 bis. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - - Artikel 3 bis eerste lid Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel 3 juli 1967. Artikel 23 Arbeidsongevallenwet 10 april 1971. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 23 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. VI C art. 3 bis. Fiche 2 Periodes van tijdelijke (volledige of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid (als gevolg van een arbeidsongeval overkomen in dienst van een O.C.M.W.), die ratione temporis vallen nadat de statutaire dienst ingevolge ambtsneerlegging reeds was beëindigd door toedoen van het O.C.M.W.- personeelslid zelf (teneinde een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uit te oefenen), komen niet in aanmerking voor vergoeding binnen de arbeidsongevallenre-geling, publieke sector. Toelichting : Betrokkene is eind 1989 het slachtoffer geworden van een arbeidsongeval in het raam van haar contractuele dienstbetrekking (verpleegkundige) bij een O.C.M.W.. Na datum van het arbeidsongeval werd ze statutair vast benoemd. Vervolgens heeft ze zelf haar ambt neer-gelegd om een zelfstandige activiteit als thuisverpleegster aan te vangen, activiteit die zij tijdelijk (begin 1994) gedurende 2,5 jaar vrijwillig onderbrak om een kind op te voeden, periode gedurende dewelke zij in maart 1994 wegens hervallen een arthroscopie onderging als gevolg van het arbeidsongeval (waarvan de restletsels medisch als geconsolideerd wer-den beschouwd in augustus 1994) . Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. VI A art. 23. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OVERHEIDSSECTOR - Artikel 3 bis eerste lid Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel 3 juli 1967. Artikel 23 Arbeidsongevallenwet 10 april 1971. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 3bis - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Nota: Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. VI A art. 23. Tekst van de beslissing A.R. nr. : 378/99 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN: P & V, met maatschappelijke zetel te , APPELLANTE op principaal beroep, GEINTIMEERDE op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester B. Vanaeken, loco meester J. Calewaert, advocaat te Antwerpen, TEGEN : D.K., wonende te , GEINTIMEERDE op principaal beroep, APPELLANTE op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting in persoon verschijnend, bijgestaan door meester I. Verscha-eren, advocaat te Hamme. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het eenslui-dend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van 3 november 1998 van de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, geacht op tegenspraak te zijn gewezen in de zaak van partijen, dragend het volgnummer 47.692 van de algemene rol. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, op 25 oktober 1999 ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd. Gelet op de tussenarresten van 6 januari 2000 en van 6 juni 2002. De partijen werden opnieuw gehoord ter openbare terechtzitting van 3 februari 2005, waar zij hun voorgaande middelen en conclusies hebben hernomen. Het Openbaar Ministerie heeft zijn schriftelijk advies op 2 maart 2005 ter griffie van het Arbeidshof neergelegd en P & V haar schriftelijke repliek op dat advies op 19 april 2005, waarna het Arbeidshof de zaak in beraad nam, om heden uitspraak te doen. x x x Bij exploot, op 15 februari 1995 betekend door Paul Lambrechts, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Omer Snoeck, gerechtsdeurwaarder te Sint-Niklaas, heeft arbeids-ongevallenverzekeraar P & V K. D. gedagvaard om voor de Arbeidsrechtbank te Dendermon-de, afdeling Sint-Niklaas, te verschijnen. De vordering strekte ertoe: - door de rechtbank uitspraak te horen doen omtrent de gevolgen van een arbeidsongeval waardoor K. D. op 17 oktober 1989 werd getroffen, toen zij tewerkgesteld werd door het O.C.M.W.-Antwerpen, instelling A.Z. M., dat tegen het risico van het arbeidsongeval is ver-zekerd bij P & V ; - een geneesheer-expert te willen aanstellen met als opdracht : - het slachtoffer K. D. te onderzoeken en zich uit te spreken over de gevolgen van het ar-beidsongeval van 17 oktober 1989 ; - zich uit te spreken over het causaal verband tussen het arbeidsongeval en de arbeids-ongeschiktheid na 21 november 1989, datum waarop het werk werd hervat ; - K. D. te veroordelen tot de kosten van het geding, bij vonnis waarvan de voorlopige tenuit-voerlegging wordt toegestaan, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borg en met uit-sluiting van het recht op kantonnement. Een (in casu niet bestreden) tegensprekelijk, voorbereidend vonnis van 4 april 1995 van de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, ver-klaarde de vordering toelaatbaar en ontvankelijk. Bovendien stelde het, vooraleer ten gronde uitspraak te doen, dokter J. R., arts te Dendermonde, als deskundige aan, met als opdracht: K. D. te onderzoeken, te oordelen of er al dan niet een causaal verband bestaat tussen haar ar-beidsongeschiktheid na 21 november 1989 en het ongeval van 17 oktober 1989, verder haar toestand te beschrijven ingevolge het ongeval van 17 oktober 1989, meer bepaald advies te geven over de graad en de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de datum van consoli-datie van de letsels, de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, dit is: de blijvende vermin-dering van het economisch potentieel rekening gehouden met leeftijd, vakkundigheid, aanpas-singsvermogen, mogelijkheden tot omscholing, concurrentiële bekwaamheid op de algemene arbeidsmarkt ten opzichte van het geheel van de beroepen die K. D. nog regelmatig kan blijven uitoefenen. Die deskundige, die K. D. heeft onderzocht op 3 februari 1997, legde zijn verslag op 30 mei 1997 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neer, nadat door hem werd vastgesteld dat K. D. bij aangetekend schrijven van 5 maart 1997 door hem was uitgenodigd voor een tweede zit-ting, maar dat zij hem telefonisch mededeelde dat zij van verder onderzoek afzag in het kader van de expertise. Hij besloot dat het hem onmogelijk was de expertise verder te laten doorgaan en advies uit te brengen omtrent de door de arbeidsrechtbank gestelde vragen. In haar op 8 september 1997 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde conclu-sies vroeg P & V dat haar akte zou worden verleend van het feit dat zij akkoord ging de gevol-gen van het arbeidsongeval van 17 oktober 1989 als volgt te regelen: - tijdelijke, volledige arbeidsongeschiktheid van 25 oktober 1989 tot en met 20 november 1989; - consolidatie op 21 november 1989 ; - basisloon : publieke sector. P & V legde daarbij uit: - dat K. D. het slachtoffer werd van een arbeidsongeval op 17 oktober 1989 op het ogenblik dat zij als verpleegster in het Academisch Ziekenhuis M. een patiënt optilde ; - dat K. D. door de Administratieve Gezondheidsdienst werd onderzocht en dat die dienst de blijvende "invaliditeit" vaststelde op 6%, met als consolidatiedatum 29 augustus 1994 ; - dat haar raadgevend arts met dit besluit niet akkoord kon gaan, omdat K. D. omstreeks 1985 een bromfietsongeval heeft gehad, waarbij zij een fractuur van het rechter tibia-plateau opliep, alsmede omdat zij door haar eigen behandelende arts volledig genezen werd verklaard op 30 januari 1990 ; - dat zij van oordeel is dat K. D. zich bij de bevindingen van de raadgevend arts van de ver-zekeraar aansluit. In een brief van 4 november 1997 legde K. D. aan de Arbeidsrechtbank uit dat P & V het initiatief had genomen om haar arbeidsongeschiktheid te betwisten, zodat het haar billijk leek dat P & V de hiervoor gemaakte kosten zou dragen en, anderzijds, dat zij op de laatste zit-ting bij de deskundige niet meer was verschenen, aangezien na de eerste bespreking openlijk werd verklaard dat er voor haar geen mogelijkheid bestond om er beter van te worden (cf. dos-sier van de rechtspleging van de Arbeidsrechtbank, stuk 23). Een (niet bestreden) vonnis van 7 april 1998 van de derde kamer van de Arbeids-rechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, heeft het bedrag van ereloon en kosten van de deskundige bepaald op 14.750 fr.. Dit vonnis werd, overeenkomstig het artikel 984, tweede lid, Ger. W., uitvoerbaar verklaard tegenover P & V , die het deskundigenonderzoek heeft doen uitvoeren. Het bestreden vonnis van 3 november 1998 ten slotte verklaarde de vordering ge-grond in de volgende mate: "zegt voor recht dat verweerster (K. D.) ingevolge het ongeval van 17 oktober 1989 getroffen was door een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% vanaf 25 oktober 1989 tot en met 20 november 1989, dat de letsels geconsolideerd zijn sedert 21 november 1989 met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 6 percent, en dat zij hiervoor recht heeft op een vergoeding in het raam van de wet van 3 juli 1967 aan een basisloon van 800.160 frank, verwijst eiseres (P & V) tot de kosten, tot op heden begroot op 2.571 frank dagvaardingskosten in hoofde van eiseres en 14.750 frank kosten deskundigenonderzoek." De eerste rechter grondde zijn uitspraak in essentie op de volgende overwegingen: - de deskundige heeft het gevraagde advies niet kunnen verlenen, omdat K. D. op de tweede expertisezitting niet aanwezig was en telefonisch liet weten dat zij wenste af te zien van verder onderzoek ; - er kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat K. D. akkoord gaat met de be-vindingen van de raadgevend arts van P & V, zijnde volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 25 oktober 1989 tot en met 20 november 1989, met consolidatie der letsels op 21 november 1989 met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 6 percent. x x x In het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift tot hoger beroep vorderde P & V dat het Arbeidshof het bestreden vonnis van "03.11.1999" (lees : 03.11.1998) in al zijn beschikkingen zou vernietigen en, opnieuw wijzend, voor recht zou zeggen dat K. D. ingevolge het arbeidsongeval van 17 oktober 1989 getroffen was door een arbeidsonge-schiktheid van 100 % vanaf 25 oktober tot 20 november 1989, dat de letsels geconsolideerd zijn op 21 november 1989, zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. Zij achtte zich gegriefd, omdat in het verslag van 22 mei 1990 van haar raadgevend arts, dokter Fr. C. uit A., het volgende werd besloten: "bijgevolg meen ik dat de zaak kan ge-consolideerd worden op de datum van werkhervatting, 21.11.1989, zonder blijvende arbeids-ongeschiktheid" ; in de mate dat de eerste rechter naar het verslag van de raadgevend arts van P & V verwees, diende hij derhalve ook de besluiten en cijfers van dit verslag na te leven. De blijvende arbeidsongeschiktheid dient dan ook vastgesteld te worden op 0 % in plaats van op 6 %, zoals verkeerdelijk opgenomen in het bestreden vonnis. Aldus P & V. x x x Ter openbare inleidingzitting van het Arbeidshof van 2 december 1999 in persoon verschenen, heeft K. D. verklaard (cf. het zittingsblad van 2 december 1999 van de eerste ka-mer): - dat zij sinds het begin van de jaren 1990 zelfstandige verpleegster is geworden ; - dat zij van het arbeidsongeval van 17 oktober 1989 een blijvend letsel heeft overgehouden; - dat zij de vaststelling door de rechter van haar graad van blijvende arbeidsongeschiktheid vordert, aanvoerend dat zij nog steeds hinder aan haar rechterknie ondervindt ; - dat zij in 1994 een arthroscopie heeft ondergaan, uitgevoerd door dokter M. M., arts te H., die uiteindelijk tot een echte ingreep is overgegaan, toen bleek dat de meniscus was ge-scheurd. x x x Bij tussenarrest van 6 januari 2000 van dit Arbeidshof werden principaal en incidenteel beroep ontvankelijk verklaard, doch werd, alvorens nader ten gronde erover te beslissen, Em. Prof. Dr. H. C. te G., als deskundige aangesteld, met de opdracht het Arbeidshof van advies te dienen omtrent de volgende punten: na kennis te hebben genomen van het deskundigenverslag van dokter J. R.:

  1. a)de letsels vast te stellen en te beschrijven die K. D., enerzijds, heeft opgelopen bij en, an-derzijds, heeft overgehouden van het arbeidsongeval waarvan zij op 17 oktober 1989 het slachtoffer is geweest; in concreto de beschrijving te geven van de door het slachtoffer in verband met die (in voorkomend geval aanwezige) restletsels ondervonden functionele en professionele hinder;
  2. b)de periode(
  3. s)en de graad van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid vast te stellen, beoor-deeld in functie van het laatste door K. D. op 17 oktober 1989 uitgeoefend beroep (zieken-huisverpleegkundige);
  4. c)de datum van de consolidatie van de restletsels vast te stellen ;
  5. d)de (eventuele) graad van de blijvende arbeidsongeschiktheid vast te stellen, rekening hou-dend met haar leeftijd, met de in het verleden uitgeoefende beroepen, de genoten scholing en beroepsvorming, de omscholingsmogelijkheid en het verlies aan concurrentievermogen of de vermindering van het arbeidspotentieel op de algemene arbeidsmarkt, in acht geno-men het geheel van de beroepen in loondienst die zij nog regelmatig kan uitoefenen ;
  6. e)1. te zeggen omtrent het voorafbestaande letsel aan de rechterknie ingevolge het verkeersongeval van medio de tachtiger jaren of het al dan niet dient te worden beschouwd als zijnde geheeld op datum van 17 oktober 1989; 2. in ontkennend geval te preciseren of dat verkeersongevalletsel medisch gesproken dient te worden aangezien als evolutief/degeneratief; 3. indien de vraagstelling sub.
  7. e)1. ontkennend beantwoord wordt, te zeggen of de invloed van het trauma van 17 oktober 1989 dient aangezien te worden als hebbend op een gegeven ogenblik opgehouden uitwerking te hebben, hetzij omdat er terugkeer is naar de aan 17 oktober 1989 voorafbestaande toestand, hetzij omdat vanaf dan alleen de evolutie-ve voorafbestaande pathologische toestand zich verder ontwikkelt. En, in bevestigend ge-val, die datum vast te stellen;
  8. f)te zeggen of het dragen van een prothese of een orthese vereist is en, zo ja, dewelke. Die deskundige, die K. D. op 27 maart 2000 en op 11 mei 2000 heeft onderzocht, legde zijn verslag op 15 november 2000 ter griffie van het Arbeidshof neer. In zijn zo-even genoemd tussenarrest van 6 januari 2000 had het Arbeidshof inzon-derheid het volgende onderstreept: - dat er nog steeds een geschil blijkt te bestaan aangaande de gevolgen van het (niet be-twist) arbeidsongeval van 17 oktober 1989, dat zich heeft voorgedaan op het ogenblik dat K. D. als verpleegster in het Academisch Ziekenhuis M. een patiënt optilde (Is er een rest-letsel? Welke zijn de datum van de consolidatie van de letsels en de periode(
  9. s)en graad van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid?); - dat ook de vraag rijst naar het causaal verband tussen, enerzijds, het litigieus arbeidsonge-val en, anderzijds, de arbeidsongeschiktheid van na 20 november 1989 (d.w.z. na de ar-beidshervatting) en de door orthopedist M. uitgevoerde artroscopisch-chirurgische ingreep van 21 maart 1994 (de diagnose van dokter M. luidde : "VH mediale meniscus gedisinse-reerd van anterieur aanhechting ; KB letsels : erosie mediale condyl, verweking lat. tibia pla-teau ; laxiteit II° VKB". Tevens dient te worden rekening gehouden met het feit dat K. D. reeds medio de tachtiger jaren het slachtoffer was van een verkeersongeval met een motor-fiets, waarbij zij een proximale tibia-fractuur rechts opliep. De arbeidsongevallenverzekeraar laat in 't bijzonder gelden niet akkoord te kunnen gaan met het besluit van de Administratie-ve Gezondheidsdienst (6 % blijvende invaliditeit), gelet op dit motorfietsongeval, enerzijds, en gelet op het feit dat K. D. door haar behandelend arts op 30 januari 1990 volledig gene-zen werd verklaard van de "tendinitis t.h.v. Re knie" waarvoor hij haar had behandeld (cf. medisch getuigschrift van dokter G. V. H.r, arts (algemene heelkunde en traumatologie) te H.)). Het antwoord van de deskundige, Em. Prof. Dr. C., op de hem door het Arbeidshof gegeven opdracht luidt: "a. Met de grootste graad van waarschijnlijkheid stelt men vast dat bij het ongeval van 17.10.1989 een beperkt letsel van de rechter mediale meniscus werd opgelopen. Hierdoor is er een trage beschadiging van het kraakbeen ter hoogte van de mediale tibiofemorale gewrichtsspleet opgetreden. Hierbij was het haar niet onmogelijk om haar beroep vanaf 21.11.1989 volledig uit te oefenen. Men moet aanvaarden dat deze kraakbeenletsels niet verder zullen evolueren en zij geven enkel aanleiding tot intermittente last waardoor een ietwat hogere inspanning moet geleverd worden bij het verrichten van haar taken. b. Er waren volgende perioden en graden van werkongeschiktheid: - een volledige tijdelijke werkongeschiktheid (100%) van 20.10.1989 tot en met 20.11.1989; - een tijdelijke gedeeltelijke werkongeschiktheid van 50 % van 17.10.1989 tot en met 19.10.1989; - een gemiddelde van 5 % van 21.11.1989 tot en met 31.12.1993; - een volledige (100 %) werkongeschiktheid van 21.03.1994 tot en met 31.05.1994; - een tijdelijke gedeeltelijke werkongeschiktheid van 25 % van 01.06.1994 tot en met 31.07.1994. Deze graden van tijdelijke werkongeschiktheid zijn bepaald in functie van haar beroep als zie-kenhuisverpleegkundige. c. De restletsels waren geconsolideerd op 01.08.1994. d. Wegens de noodzaak om een grotere inspanning te moeten leveren bij het verrichten van de taken die eigen zijn aan de beroepen die tot haar algemene arbeidsmarkt behoren, be-draagt de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid 3 % (drie procent). Daarenboven bestaat er ook een morele schade, graad 2 op 7. e.1. Het voorafbestaand letsel ingevolge het ongeval van 1986 was geheeld op 17.10.1989. Zij behield wel de constitutionele patellofemorale dysplasie. e.2. e.3. Het ongeval van 17.10.1989 had verder uitwerking. f. het dragen van een prothese of orthese is niet vereist." Blijkens de inhoud van haar op 9 januari 2002 ter griffie van het Arbeidshof neerge-legde conclusies legt P&V zich bij de besluiten van dit deskundigenverslag neer. K. D. formuleert dienaangaande evenmin grieven. x x x In zijn jongste tussenarrest van 6 juni 2002 overwoog dit Arbeidshof het volgende: "Zoals door het Arbeidshof werd gevraagd in zijn arrest van 6 januari 2000, werden de oorspronkelijke aangifte van het arbeidsongeval, het getuigschrift van eerste medische vast-stelling van 24 oktober 1989 en de beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst van 30 augustus 1994 bij de stukken gevoegd (cf. dossier van de rechtspleging, stukken gebundeld onder het nummer 13). In dat tussenarrest nodigde het Hof de partijen tevens uit te concluderen omtrent de ter zake dienende rechtsvraag of te dezen, gelet op de Cassatie-rechtspraak, niet hoe dan ook de door de Administratieve Gezondheidsdienst (A.G.D.) vastgestelde graad van blijvende "in-validiteit" voor de betrokken overheid bindend is als minimumpercentage (cf. Cass., 19 decem-ber 1994, Soc. Kron., 1995, 370 ; Arbh. Gent, afd. Gent, 1e k., 19 februari 1998, inzake Stad Sint-Niklaas/C. H. en P & V, A.R. nr. 509/96, onuitg., en waartegen op 15 juni 1999 een voor-ziening in Cassatie werd ingediend) (te noteren in dit verband dat de Administratieve Gezond-heidsdienst de "globale blijvende invaliditeit" van K. D. op 6 % heeft bepaald (cf. dossier van de rechtspleging, stuk 13)). De partijen hebben aan dit verzoek vooralsnog geen gevolg gegeven. x x x K. D., die al enige jaren als zelfstandige thuisverpleegster werkzaam is en die dus al geruime tijd niet meer als gebreveteerde verpleegkundige van het Algemeen Ziekenhuis Mid-delheim van het O.C.M.W. te Antwerpen tewerkgesteld is, werd om die reden in het tussenar-rest van 6 januari 2000 door het Arbeidshof uitgenodigd, aan de hand van bewijskrachtige stukken, te staven : - de juiste datum waarop haar betrekking als verpleegkundige in dienst van het O.C.M.W.-Antwerpen een einde heeft genomen ; - de datum met ingang waarvan zij als zelfstandige verpleegkundige voor eigen rekening is beginnen werken. Het Arbeidshof dient vast te stellen dat zij aan dit verzoek evenmin gevolg heeft ge-geven. Op ondervraging, doch zonder enig stavend bewijsstuk over te leggen, heeft K. D., dienaangaande recent op 18 april 2002 het volgende verklaard (cf. het zittingsblad van de eer-ste kamer van 18 april 2002): "Mevr. K. D. verklaart dat zij als verpleegkundige in het O.C.M.W. Zie-kenhuis van A. heeft gewerkt tot 1992 en nadien zelfstandige thuisverpleegkundige geworden is. Zij ver-klaart die laatste activiteit gestaakt te hebben in januari 1994 na adoptie van haar tweede kind en zulks gedurende 2,5 jaar. In september 1996 is zij opnieuw begonnen als zelfstandige thuisverpleegster." Het Hof noteert ook dat in de deskundigenverslagen dienaangaande verschillende gegevens worden vermeld: - K. D. werkte in april 1992 als zelfstandig verpleegster gedurende twee jaar (cf. verslag Prof. Dr. C.); - begin januari 1994 onderbrak zij gedurende drie jaar haar loopbaan wegens familiale rede-nen (om op haar kinderen te letten), waarna zij opnieuw als zelfstandige verpleegster in teamverband is gaan werken, aldus het verslag van Em. Prof. Dr. C. (in het verslag van dokter R. wordt vermeld dat zij haar activiteiten stopzette en voor haar kinderen heeft ge-zorgd van 1993 tot 1996; sinds september 1996 is ze opnieuw werkzaam als zelfstandige verpleegster). De beide partijen ook P&V, dat dienaangaande informatie kan inwinnen bij haar verzekeringsnemer moeten, gestaafd aan de hand van overtuigingstukken, uitsluitsel geven omtrent het volgende: - de precieze rechtspositie van K. D als gebrevetteerde verpleegkundige bij het Algemeen Ziekenhuis M.van het O.C.M.W. te A. (was zij verbonden krachtens een arbeidsovereen-komst (zo ja, van bepaalde tijd of van onbepaalde tijd?) of was zij ambtenaar (en zo ja, was zij vast benoemd?)?); - de juiste datum waarop de tewerkstelling van K. D. bij het Algemeen Ziekenhuis M. van het O.C.M.W. te Antwerpen een einde heeft genomen, alsmede omtrent de juiste oorzaak van die beëindiging (gebeurde dit door opzegging (en zo ja, door wie (door eigen toedoen, dus op initiatief van K. D. zelf, of door het O.C.M.W.?) of op een andere wijze ?); - het recht van K. D. op enigerlei arbeidsongevallenvergoeding: - met betrekking tot de tijdvakken van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid, ener-zijds, en van tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, anderzijds, één en ander steeds gezien in het licht van de Wet van 3 juli 1967 en haar te dezen toepasselijke uit-voeringsbesluit(en); - de partijen zullen omtrent het voorgaande punt bovendien in het bijzonder rekening moe-ten houden met het feit dat K. D. op een gegeven ogenblik (datum waaromtrent de par-tijen nog uitsluitsel moeten geven: cf. supra) tijdens de door deskundige C. in zijn ver-slag in aanmerking genomen verschillende tijdvakken van de tijdelijke arbeidsonge-schiktheid kennelijk niet meer voor het Algemeen Ziekenhuis Mi. van het O.C.M.W. te A. heeft gewerkt, doch compleet van statuut is veranderd (zij werd thuisverpleegster, wer-kend onder het zogeheten sociaal statuut der zelfstandigen); de in dat verband ter zake dienende en door de partijen te beantwoorden vraagstelling luidt: heeft K.D., vanaf het ogenblik dat zij zelfstandige thuisverpleegster werd, recht op arbeidsongevallenvergoe-dingen gedurende de vanaf dat ogenblik door deskundige C. nog in aanmerking geno-men tijdvakken van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid, enerzijds, en van tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, anderzijds (en zo ja, op welk bedrag?)? Te noteren dat partij P&V het Arbeidshof uitdrukkelijk heeft verzocht omtrent die rechtsvraag nader te mogen concluderen (cf. het zittingsblad van de eerste kamer van 18 april 2002). x x x De partijen moeten bovendien nader concluderen omtrent: - het bedrag van de in aanmerking te nemen jaarlijkse bezoldiging (aangepast aan het peil van het indexcijfer op de datum van de consolidatie) op grond waarvan in casu de toe te kennen rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid moet worden gebaseerd (en, in voorkomend geval, omtrent de in dat verband in aanmerking te nemen loongrens); - de vraag of die rente al dan niet aan het indexcijfer van de consumptieprijzen moet worden gekoppeld, gelet op het bepaalde in de Wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalin-gen (B.S. van 31 maart 1994, tweede uitgave), enerzijds, en in het K.b. van 8 augustus 1997 (B.S. van 27 augustus 1997), anderzijds." Het Arbeidshof, dat vaststelde dat de zaak niet in staat van wijzen was, beval aldus de heropening van de debatten. De beslissing omtrent de proceskosten werd aangehouden. x x x Vorderingen en standpunten van P & V na het tweede tussenarrest. P & V is van oordeel dat K. D. vanaf haar ontslag bij het O.C.M.W. te A. geen recht meer had op een arbeidsongevallenvergoeding. De deskundige heeft de ongeschiktheden be-paald in functie van haar beroep als ziekenhuisverpleegkundige. Krachtens artikel 3bis van de Wet van 3 juli 1967 zijn de voordelen enkel van toepas-sing op personeelsleden. Door ontslag te nemen heeft zij vrijwillig afstand gedaan van haar rechten die voort-vloeien uit haar statutaire vaste benoeming en dus van haar recht om een arbeidsongevallen-vergoeding te bekomen. Het basisloon dat in aanmerking moet worden genomen voor de blijvende arbeids-ongeschiktheid is het wettelijk maximum tegen 100%, zijnde 7.438,80 euro. P & V is van oordeel dat, vermits de consolidatiedatum op 1 augustus 1994 is be-paald, de wet niet in indexatie voorziet van de renten. P & V vordert haar akte te verlenen van haar akkoord met het besluit van de deskun-dige, en dat voor recht zou worden gezegd dat zij vanaf 31 maart 1992 geen arbeidsongeval-lenvergoeding meer verschuldigd is. Vorderingen en standpunten van K. D. na het tweede tussenarrest. K. D. is van oordeel dat, gelet op de desbetreffende cassatierechtspraak, er geen la-ger percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid kan worden toegekend dan aangenomen door de AGD. Het feit dat zij als zelfstandige is gaan werken, doet volgens haar geen afbreuk aan haar rechten op de toe te kennen vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid. Bovendien was ze ook toen tewerkgesteld als verpleegkundige, namelijk als thuisverpleegster. De vraag of zij rechten kan putten uit artikel 3bis Wet van 3 juli 1967 moet worden beoordeeld op het ogen-blik van het ontstaan van het recht. Op dat ogenblik was zij personeelslid tewerkgesteld in de openbare sector. Haar ontslag impliceert geen afstand van haar thans in betwisting zijnde rech-ten. Het bedrag van de in aanmerking te nemen jaarlijkse bezoldiging dient desgevallend te worden, verminderd tot het wettelijk plafond van 1 augustus 1994. De renten dienen te worden gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op datum van het ongeval. K. D. vordert het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond te ver-klaren: - dat akte zou worden verleend van haar akkoord met de bevindingen van Dr. C. van 13 no-vember 2000, met uitzondering van het door de deskundige aangenomen percentage blij-vende invaliditeit; - te zeggen voor recht dat op het vlak van de blijvende invaliditeit de door de AGD vastge-stelde percentages bindend zijn voor P & V en dat haar 6% blijvende invaliditeit wordt toe-gekend; - te zeggen voor recht dat er een arbeidsongevallenvergoeding verschuldigd is tot en met de datum van consolidatie, gebaseerd op het basisloon. x x x DE BEOORDELING. Het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie luidt inzonderheid: ""11.1. - Aangezien de arbeidsongevallenverzekeraar krachtens de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel een louter financiële rol te vervullen heeft, en de verzekeraar niet in de plaats wordt gesteld van de verplichtingen en de rechten van de tewerkstellende overheid die eigen verzekeraar voor het overheidspersoneelslid blijft (R. JANVIER, "Dossier 1998/1: Ar-beidsongevallen Publieke Sector", in Arbeidsongevallen Actualiteit, Ced. Samsom, november 1998, 87), kan de toelaatbaarheid en/of ontvankelijkheid van de respectievelijke vorderingen in vraag worden gesteld. Aangezien er evenwel geen beroep werd ingesteld tegen het voorbereidend vonnis van 4 april 1995 dat de vordering van de verzekeraar ontvankelijk en toelaatbaar heeft verklaard (noot en toevoeging van het Arbeidshof: en aangezien dit Arbeidshof moet oordelen binnen de perken van het principaal en incidenteel beroep), kan het Arbeidshof niets anders dan het aangebracht geschil ten gronde te behandelen, in aanmerking nemend dat er enkel rechten kunnen worden vastgesteld, waarvan de tegenstelbaarheid aan de werkgever nog in vraag kan worden gesteld (noot en toevoeging van het Arbeidshof: in de publieke sector in tegenstelling tot de private is de verzekeraar tegenover het slachtoffer een derde, die geenszins in de plaats wordt gesteld van de verplichtingen en de rechten van de tewerkstellende overheid, die eigen verzekeraar voor het overheidspersoneelslid blijft; overigens vordert K. D. niet de veroordeling van P & V). 11.2. - In 1985 was .K. D. reeds het slachtoffer van een bromfietsongeval, waardoor ze was gevallen op de rechterknie (de knie die later bij het arbeidsongeval nogmaals werd ge-kwetst). Ze liep een fissuur op ter hoogte van het tibia-plateau (zie stuk 2 dossier appellant). Ze was in dienst bij het OCMW-A. van 1 augustus 1985 tot en met 31 maart 1992 als gebrevet-teerde verpleegkundige. Zij was verbonden door een bediendecontract van onbepaalde duur van 1 augustus 1985 tot en met 30 juni 1991 (zie stuk 39 rechtsplegingdossier). Op 17 oktober 1989 werd ze het slachtoffer van een arbeidsongeval bij het optillen van een pa-tiënt, dus op een ogenblik dat ze nog in dienst was van het OCMW-A. in het kader van een ar-beidsovereenkomst. Ze liep een distorsie op van de rechterknie. Ze heeft het werk onderbroken van 25 oktober 1989 en hervat op 21 november 1989. Naar het oordeel van de raadsgeneesheren van appellant van 5 februari 1990 was de tijdelijke arbeidsongeschiktheid volledig van 25 oktober 1989 tot en met 20 november 1989. Er werd een opvolgend onderzoek in het vooruitzicht gesteld (zie brief van 5 februari 1990 - stuk 2 dos-sier appellant). Bij brief van 5 februari 1990 stellen dezelfde raadsgeneesheren dat op dat ogenblik de klachten uiterst gering en sporadisch zijn, welke waarschijnlijk voor een deel in verband staan met het vroegere ongeval. Daarom zijn ze van oordeel dat de consolidatie kan worden aangenomen op de datum van de werkhervatting, namelijk 21 november 1989, zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. Sedert 1 juli 1991 bekwam betrokkene een aanstelling als statutair vast benoemd personeels-lid. Deze tewerkstelling heeft een einde genomen op 31 maart 1992. Betrokkene heeft zelf haar ambt neergelegd (zie stuk 39 rechtsplegingsdossier). Vanaf 1 april 1992 werkt ze als verpleegkundige in hoofdberoep als zelfstandige (stuk 40 rechtsplegingdossier (noot van het Arbeidshof: zoals blijkt uit haar aansluiting bij de v.z.w. Acerta, haar sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, alsmede uit het zittingsblad van 3 februari 2005 van de eerste kamer van dit Arbeidshof (K. D. bevestigde toen dat zij na de be-eindiging van haar rechtspositie als statutaire verpleegkundige een voltijdse zelfstandige bezig-heid heeft uitgeoefend als thuisverpleegster))) met een onderbreking om persoonlijke redenen van januari 1994 tot september 1996 (zie zittingsblad 18 april 2002). Op 29 september 1994, dus op een ogenblik dat ze reeds uit dienst was en een zelfstandigen-statuut had aangenomen, en ook dit statuut, om persoonlijke redenen had onderbroken, werd betrokkene onderzocht door de Administratieve Gezondheidsdienst te A. die de gevolgen van het arbeidsongeval van 17 oktober 1989 als volgt heeft bepaald: - letsels en sequelen: distorsie rechterknie; - na consolidatiedatum worden geen tijdelijke ongeschiktheden meer aanvaard; - alle afwezigheden in verband met dit ongeval werden vroeger overgemaakt via AGD.1B at-testen zijn te aanvaarden; - globale blijvende invaliditeit: 6 %; - consolidatiedatum: 29 augustus 1994 (zie stuk 13 rechtsplegingsdossier en stuk 4 dossier appellant). Blijkbaar was de AGD niet in kennis gesteld van de wijziging van het statuut van betrokkene. Blijkens stuk 12 van het dossier van appellant, bedroeg het brutojaarloon van betrokkene op 23 november 1989: 346.123 oude Belgische frank, niet geïndexeerd. 11.3. - Aangezien krachtens artikel 1 Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de bij die wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, bij in Ministerraad overlegd besluit, on-der de voorwaarden en binnen de perken die de Koning bepaalt, toepasselijk wordt verklaard op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst die behoren tot : 1° de federale besturen en andere rijksdiensten, met inbegrip van de rechterlijke macht; 2° de bij deze bepaling vermelde instellingen (..), is de wijziging van het statuut van betrokkene van een arbeidsovereenkomst voor de korte pe-riode van 1 juli 1991 tot 30 maart 1992 naar een vast verband, behoudens het onderscheid van de toepasselijke wettelijke bepalingen die de vergoedingen steunen, op zich niet relevant tot oplossing van de te beslechten geschilpunten. De wijziging van het statuut van betrokkene naar zelfstandige vanaf 1 april 1992 daarentegen, veroorzaakt wel complicaties wat de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid betreft. 11.4. - Aangezien de AGD betrokkene heeft onderzocht teneinde de gevolgen te bepalen van het bewust ongeval, vaststellingen, waarvan niet blijkt dat ze worden betwist door het OCMW-A., kan worden aangenomen dat die vaststellingen aan het OCMW- A., tegenstelbaar zijn. Terwijl de raadsgeneesheren van appellant van oordeel waren dat de consolidatie is ingetreden op 21 november 1989, heeft de AGD deze datum bepaald op 29 augustus 1994. De door het Arbeidshof ondertussen aangestelde deskundige anderzijds heeft dan weer de da-tum van 1 augustus 1994 aangenomen. (...) (noot en aanvulling van het Arbeidshof: P & V vor-dert zelf dat de consolidatiedatum zou worden vastgesteld zoals bepaald door de deskundige, Em. Prof. Dr. H. C.. Bovendien komt het met respect voor de medico-juridische logica passend voor dat die consolidatiedatum nauw zou aansluiten bij het einde van het door die deskundige in aanmerking genomen laatste tijdssegment van tijdelijke, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, eindigend op 31 juli 1994). 11.5.1. - De blijvende arbeidsongeschiktheid wordt normaliter vastgesteld door een besluit van de overheid-werkgever, ten dezen de gewezen werkgever, te vergoeden desgevallend door haar verzekeraar, waarbij aan betrokkene de betaling van een rente wordt toegekend overeen-komstig onder meer artikel 3,
  10. b)en 4 e.v. Wet van 3 juli 1967. Alhoewel uit niets blijkt of het OCMW-A. reeds dergelijke beslissing al dan niet zou hebben ge-nomen, staat dit het Arbeidshof niet in de weg om in de rechtsverhouding tussen de procespar-tijen de elementen die het mogelijk moeten maken de rente te bepalen, te omschrijven mits het onder het littera 11.1 vermeld voorbehoud. 11.5.2. - Krachtens artikel 19 van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroeps-ziekten in de overheidssector worden alle geschillen met betrekking tot de toepassing van deze wet, ook die over de vaststelling van het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid (tot 24 november 1998 : "invaliditeit"), verwezen naar de rechterlijke overheid die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de vergoedingen, waarin de wetgeving inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten voorziet. Uit de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 13 juli 1970, meer bepaald de artikelen 3 3°, 8 en 9, volgt evenwel dat de beslissing van de geneeskundige dienst voor de overheid bindend is in zoverre deze dienst een blijvende invaliditeit erkent en dat de overheid alleen het vastgestel-de percentage kan verhogen (Cass. 7 februari 2000, S990122N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000207.6, J.T.T. 31 maart 2000, 129 en Cass. 19 december 1994, Soc. Kron. 1995, 370). Hieruit volgt dat de arbeidsrechtbank, die oordeelt over een geschil met betrekking tot het per-centage van blijvende invaliditeit van een personeelslid van een OCMW, zoals bedoeld in arti-kel 19 van de Wet van 3 juli 1967, geen lager percentage van blijvende invaliditeit kan toeken-nen dan datgene dat door de voormelde geneeskundige dienst is erkend. Krachtens artikel 4 ,§ 1 laatste lid van de Wet van 3 juli 1967 kan de Koning een regeling invoe-ren tot bindende erkenning van de graad van blijvende invaliditeit van het personeelslid. (In dezelfde zin: het door het Arbeidshof in het eerste voorbereidend arrest geciteerd arrest: Arbh. Gent, Afd. Gent, eerste Kamer, 19 februari 1998, Stad Sint-Niklaas / C. H. en P&V, A.R. nr. 509/96 onuitg., en het (noot van het Arbeidshof: boven, zo-even aangehaalde) arrest van het Hof van Cassatie van 7 februari 2000, S.99.0122.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000207.6, waarbij de voorziening in cassatie (noot van het Arbeidshof: tegen een arrest van dit Arbeidshof) werd verworpen). 11.5.3. - Aangezien de door het Arbeidshof aangestelde deskundige (noot van het Arbeidshof: Em. Prof. Dr. H. C.) een graad van blijvende arbeidsongeschiktheid heeft aangenomen van 3%, maar de AGD een graad van 6%, wat blijkbaar ook niet werd betwist door het OCMW-A., dient de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid zonder meer te worden bepaald op 6% (noot van het Arbeidshof: zoals door K. D. wordt gevorderd). 11.5.4. - Voor de arbeidsongevallen die dateren van vóór 1 januari 1990 en waarvan de conso-lidatiedatum zich situeert na 6 april 1994, wordt een niet geïndexeerde jaarlijkse bezoldiging met spilindex 114,20 getoetst aan een vast loonplafond van 300.000 oude Belgische frank (7.436,81 euro) (R. JANVIER, "Dossier 1998/1: Arbeidsongevallen Publieke Sector", in Ar-beidsongevallen Actualiteiten, Ced. Samsom, november 1998, 50; Cass. 13 maart 1995, Arr. Cass. 1995, 296). Aangezien het arbeidsongeval dat het voorwerp uitmaakt van het aangebracht geschil dateert van vóór 1 januari 1990 met een consolidatie na 6 april 1994, is voornoemde regeling toepas-selijk. Aangezien blijkens stuk 12 van het dossier van appellant de bedoelde grens wordt overschre-den, dient, zoals appellant terecht stelt in conclusie van 16 december 2002, het basisloon te worden bepaald op 7.436,81 euro. 11.5.5. - De renten worden krachtens artikel 13 eerste lid Wet van 3 juli 1967 gekoppeld aan het indexcijfer voor consumptieprijzen. Krachtens het tweede lid, van die bepaling zoals van toepassing op datum van de consolidatie is deze bepaling evenwel enkel van toepassing op de arbeidsongevallen die zijn gebeurd se-dert 1 januari 1990. Krachtens het derde lid van die bepaling is het eerste lid bovendien niet van toepassing wan-neer de permanente arbeidsongeschiktheid geen 16% bereikt (van 10 april 1994 tot 27 augus-tus 1997: 10% en vóór 10 april 1994: zonder beperking ). Aangezien het arbeidsongeval dateert van vóór 1 januari 1990 en bovendien de graad van blij-vende arbeidsongeschiktheid dient te worden bepaald op 6%, bestaat er geen aanleiding tot koppeling van de renten aan het indexcijfer. 11.5.6. - Aangezien het Arbeidshof ten dezen geen rente kan toekennen zonder meer omdat de schuldenaar van die rente niet in zake is, kan enkel gezegd worden voor recht dat geïnti-meerde aanspraak kan maken op een niet-geïndexeerde rente, in het raam van de Wet van 3 juli 1967, met ingang van 29 augustus 1994, met een graad van blijvende arbeidsongeschikt-heid van 6%, berekend op een basisloon van 7.436,81 euro (...). 11.6.1. - Krachtens artikel 3bis eerste lid van voornoemde Wet van 3 juli 1967, zoals toepasse-lijk op heden, genieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, onder voorbehoud van de toepassing van een gunstiger wets- of verordeningbepaling, gedu-rende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of voor de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastge-steld. Krachtens artikel 3bis eerste lid van voornoemde Wet van 3 juli 1967, zoals van toepassing tij-dens de ten dezen relevante periode, dus tot eind juli 1994, genieten, onder voorbehoud van de toepassing van een gunstiger wets- of verordeningsbepaling, de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetge-ving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld. 11.6.2. - De ongeschiktheid die krachtens de Arbeidsongevallenwet Publieke Sector wordt ver-goed, is de ongeschiktheid om zijn normale wedde die men op het ogenblik van het arbeidson-geval verdiende, te behouden. De term "arbeidsongeschiktheid" verwijst naar de onmogelijkheid voor het slachtoffer om zon-der nadeel voor zijn gezondheid of voor de vlotte werking van de dienst waarbij hij is tewerkge-steld, zijn normale functies uit te oefenen (R. JANVIER, Arbeidsongevallen, Publieke Sector, Die Keure, 1988, 155). Vanaf het ogenblik dat het slachtoffer van een arbeidsongeval zijn vroegere taken in het nor-male arbeidsregime opnieuw vervult, met andere woorden vanaf de datum van volledige werk-hervatting, zal hij geen recht meer kunnen doen gelden op enige vergoeding wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid indien hij het werk heeft hervat. Het feit dat het slachtoffer van een arbeidsongeval bijkomende inspanningen moet leveren om zijn normale werk uit te voeren, wordt evenwel conform de arbeidsongevallenregeling niet ver-goed (R. JANVIER, "Dossier 1998/1: Arbeidsongevallen Publieke Sector", in Arbeidsongevallen Actualiteiten, Ced. Samsom, november 1998, 40). Dit betekent dat de door de expert in aanmerking genomen periodes van tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid tijdens de periode dat betrokkene nog in dienst was van het OCMW-A., niet in aanmerking komen voor enige vergoeding, indien betrokkene haar werk heeft hervat. Aangezien anderzijds de AGD heeft beslist dat alle afwezigheden die in verband met dit onge-val vroeger werden overgemaakt via AGD.1B-attesten te aanvaarden zijn, kunnen de dagen van die effectieve afwezigheid aangenomen worden als vergoedbare periodes van tijdelijke ar-beidsongeschiktheid. Er kan worden aangenomen dat deze periodes van afwezigheid ook effectief werden uitbetaald door het OCMW-A., door de doorbetaling van de wedde tijdens de periode dat betrokkene vast benoemd was of door de betaling van het gewaarborgd loon, en eventueel een vergoeding voor de verdere periode op grond van de suppletoire regels van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (zie in dat verband onder meer : Omzendbrief nr. 349 van de Minister van Open-baar Ambt van 28 oktober 1991 (B.S. 22 november 1991, 26228, 26233, 26234), voor de peri-ode dat betrokkene verbonden was door een arbeidsovereenkomst. De vraag aangaande de rechten van het OCMW-A. ten opzichte van appellant is evenwel niet relevant in de rechtsverhouding tussen de procespartijen en de bepaling van de precieze peri-odes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn in het kader van het aangebracht geschil van on-dergeschikt belang voor betrokkene aangezien tijdens de periode dat ze vast benoemd was, de periode tijdens dewelke dus de aanrekening van de aanwezigheden op het ziektekrediet van belang is, zonder gevolgen zijn aangezien betrokkene haar ambt zelf heeft neergelegd en er bovendien tijdens die periode geen afwezigheden aan te nemen zijn die het gevolg zijn van het arbeidsongeval. 11.6.3. - Aangezien het (niet statutair) overheidspersoneel (na het gewaarborgd loon), mini-maal recht heeft op de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, bedoeld bij de Ar-beidsongevallenwet van 10 april 1971, die een residuair karakter hebben, dient de vraag ge-steld of betrokkene vervolgens, ook nadat ze haar ambt heeft neergelegd, geen aanspraak kan maken op vergoedingen op grond van niet alleen de Wet van 3 juli 1967 maar bovendien artikel 22 Wet van 10 april 1971. (zie o.m.: R. JANVIER, "Dossier 1998/1: Arbeidsongevallen Publieke Sector", in Arbeidsonge-vallen Actualiteiten, Ced. Samsom, november 1998, 46, 180, 197 en R. JANVIER, "Dossier 1998/1: Arbeidsongevallen Publieke Sector", in Arbeidsongevallen Actualiteiten, Ced. Samsom, november 1998, 46). 11.6.4. - De uitbetaling van een vergoeding wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid veronder-stelt de onderbreking van de tewerkstelling ten gevolge van die tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Vanaf 1 april 1992 kan betrokkene echter geen tewerkstelling hebben onderbroken aangezien ze niet meer tewerkgesteld werd noch als werknemer, noch als ambtenaar. Wanneer de arbeidsovereenkomst (of het statuut) buiten toedoen van de getroffene eindigt, en de getroffene niet opnieuw aan het werk wordt gesteld, heeft hij evenwel overeenkomstig arti-kel 23 vierde lid 2° Arbeidsongevallenwet 1971, tot de dag van zijn volledige wedertewerkstel-ling of van de consolidatie toch recht op de vergoeding van tijdelijke algehele arbeidsonge-schiktheid (Cass. 2 november 1998, J.T.T. 1998, 473, en de onder 'noot' vermelde voorgaande rechtspraak). Dit betekent anderzijds a contrario dat geïntimeerde dat recht vanaf 1 april 1992 niet heeft, aangezien haar statutaire dienst door haar eigen toedoen is geëindigd. Het onderbreken van een zelfstandige activiteit dat het gevolg is van een arbeidsongeval over-komen in het raam van een arbeidsovereenkomst of statutaire dienst, beëindigd door toedoen van de werknemer, komt niet voor vergoeding in aanmerking in het raam van, noch de Ar-beidsongevallenwet van 10 april 1971 noch de Arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967. Bovendien blijkt dat betrokkene ook haar zelfstandige activiteit heeft onderbroken van januari 1994 tot september 1996 om louter persoonlijke redenen, namelijk om haar tweede geadop-teerd kind op te voeden (zie verklaring van betrokkene waarvan akte op het zittingsblad op 18 april 2002). 11.7. Samenvattend dient te worden aangenomen dat geïntimeerde op 17 oktober 1989 het slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval in het raam van haar contractuele dienstbe-trekking bij het OCMW te A., waarvan de gevolgen als volgt kunnen worden omschreven. Ze was volledig tijdelijk arbeidsongeschikt van 20 oktober 1989 tot en met 20 november 1989 (waarvan kan verondersteld worden dat ze vergoed werd door het OCMW te A.). Er was een tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 50% van 17 oktober 1989 tot en met 19 oktober 1989 (met dezelfde voornoemde opmerking in die zin dat ze werd doorbe-taald om het even of ze tijdens deze periodes heeft gewerkt of niet). In de rechtsverhouding tussen de verzekeraar en het slachtoffer is het van geen belang te we-ten of betrokkene het werk heeft hervat of niet. Het blijkt uit niets dat het gemiddelde van 5% (noot van het Arbeidshof: tijdelijke) arbeidsonge-schiktheid van 21 november 1989 tot en met 31 december 1993 een onderbreking van de te-werkstelling tot gevolg heeft gehad tot 31 maart 1992, terwijl vanaf 1 april 1992 geen periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid meer kunnen worden aangenomen. De periodes van tijdelijke, volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 1 april 1992 kunnen niet worden aangenomen (als in casu in aanmerking komend voor vergoeding binnen de arbeidsongevallenregeling: noot en toevoeging van het Arbeidshof). De consolidatiedatum dient te worden bepaald op 29 augustus 1994 (noot en toevoeging van het Arbeidshof: lees (cf. supra): 1 augustus 1994), met een (...) graad van (noot en toevoeging van het Arbeidshof: blijvende, gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van 6% en een basisloon van 7.436,81 euro. (...)". Het Arbeidshof onderschrijft in de geciteerde mate dit (deels door het Hof in niet cur-sief lettertype aangevulde) rechtskundig op gedegen wijze onderbouwd advies van het Open-baar Ministerie en neemt het, zoals aangehaald, tot zijn overwegingen. Verder moet voor de volledigheid ook nog worden herinnerd aan de volgende, wette-lijke regel: rente betrekkelijk blijvende, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid die ten minste gelijk is aan 5%, maar minder dan 10%, moet met een kwart (25%) worden verminderd, met toepas-sing van het artikel 4, ,§3 Wet van 3 juli 1967. x x x In haar schriftelijke repliek op het advies van het Openbaar Ministerie laat P & V (die volhardt in haar vordering de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid op 3% te horen vast-stellen, zoals geadviseerd door de deskundige, aangesteld door het Arbeidshof) ten slotte ook gelden dat het niet is dat omdat de overheid gebonden is door het percentage blijvende invali-diteit dat door de AGD werd vastgesteld, dat de overheid of de arbeidsgerechten geen lager percentage blijvende arbeidsongeschiktheid zouden kunnen in aanmerking nemen. Zij verwijst in dat verband naar het artikel 9 van het K.b. van 13 juli 1970 (zijnde het uitvoeringsbesluit gel-dend voor de personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten), dat enkel gewaagt van een eventuele verhoging van het percentage blijvende invaliditeit, om te besluiten dat de redenering dat een verlaging van het percentage invaliditeit uitgesloten is, niet opgaat voor de blijvende arbeidsongeschiktheid. Volgens haar lijkt er geen beletsel te zijn voor de overheid of het arbeidsgerecht om op basis van het door de AGD vastgestelde percentage blij-vende invaliditeit, een lager percentage arbeidsongeschiktheid in aanmerking te nemen. Tevergeefs. Want, het zo-even vermelde verschil in woordgebruik is immers louter het gevolg van de Wet van 19 oktober 1998 (tot wijziging van de Wet van 3 juli 1967 betreffen-de de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; B.S. 25 november 1998). Die wet bracht onder meer een aantal technische wijzigingen aan de Arbeidsongevallenwet Overheidsperso-neel, waaronder terminologische verbeteringen: zij beoogden eenheid te brengen in het ge-bruik der begrippen en verwarring te vermijden bij de toepassing van de verschillende wetge-vingen (het garanderen dat hetzelfde vocabularium wordt gebruikt als in de regeling die voor de privé-sector geldt door de vervanging van de termen "invaliditeit" door "arbeidsongeschikt-heid" en "invalide" door slachtoffer" (cf. Memorie van Toelichting, Kamer, 1534/1, gewone zit-ting 1997-1998, 7 mei 1998, 1-2; Verslag van An Hermans, Kamer, 1534/2, gewone zitting 1997-1998, 26 juni 1998, 2). De redactie van het door P & V ingeroepen K.b. van 13 juli 1970 (dat uitdrukkelijk refereert aan de regeling ingesteld bij de Wet van 3 juli 1967), uitvoeringsbe-sluit dat werd uitgevaardigd in een periode waarin de oorspronkelijke, in de kaderwet van 1967 gebruikte terminologie ("invaliditeit") nog niet was gewijzigd. Maar, het is duidelijk dat de aan-vankelijke, wetgevingstechnisch gesproken minder zorgvuldige, wettelijke terminologie ("invali-diteit") en de thans geldende en gebruikte ("arbeidsongeschiktheid") inhoudelijk precies dezelf-de lading dekken. x x x Het voorgaande is op grond van de voorliggende gegevens het kader binnen hetwelk, enerzijds, de mogelijke wettelijke aanspraken die K. D. op grond van de Arbeidsonge-vallenwet Overheidssector jegens het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn te A. (dat evenwel niet eens partij in zake
  11. is)zou kunnen laten gelden en, anderzijds, a fortiori de geldelijke tussenkomst van P & V als verzekeraar kunnen worden vastgelegd (één en ander vanzelfsprekend ook binnen de gebeurlijke perken van de in voorkomend geval geldende voorwaarden van de verzekeringswaarborg, bepaald in de vigerende, maar niet voorliggende, met het O.C.M.W. te Antwerpen onderschreven verzekeringspolis; provinciale en plaatselijke overheidsdiensten hebben immers het recht, maar niet de plicht een verzekering te onder-schrijven om het geheel of een deel van de schade te dekken die voortvloeit uit de realisa-tie van het arbeidsongevallenrisico van hun personeel (cf. JANVIER, R., Arbeidsongevallen publieke sector, Universiteit Antwerpen Management School, oktober 2001, p. 104)). x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzon-derheid het artikel 24, Gelet op de tussenarresten van 6 januari 2000 en van 6 juni 2002. Gelet op het voor het leeuwendeel eensluidend, schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, op 2 maart 2005 ter griffie van het Arbeidshof neergelegd door de heer Antoine Lievens, substituut-generaal. Alle andere en strijdige conclusies als niet gegrond verwerpend. Oordelend binnen de perken van het principaal en van het incidenteel beroep. Verklaart het principaal en het incidenteel beroep in de hierna bepaalde mate ge-grond. Vernietigt het bestreden vonnis van 3 november 1998 van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, behalve, primo, waar het voor recht zegt dat K. D. getroffen is door een blijvende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van 6 percent (6%) en, secundo, de in hoger beroep niet bekritiseerde beschikking van de eerste rechter die alle in eerste aanleg gevallen en in dat vonnis nader begrote proceskosten ten laste legt van P & V. En, opnieuw wijzend, zegt voor recht dat de gevolgen van het (niet betwist) arbeids-ongeval waarvan K. D. op 17 oktober 1989 het slachtoffer was, verder zoals volgt moeten wor-den bepaald: K. D. was getroffen - door een tijdelijke, volledige arbeidsongeschiktheid (100%): o van 20 oktober 1989 tot en met 20 november 1989; o en van 21 maart 1994 tot en met 31 mei 1994; - door een tijdelijke, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid: o van 50% van 17 oktober 1989 tot en met 19 oktober 1989; o van 5% van 21 november 1989 tot en met 31 december 1993; o en van 25% van 1 juni 1994 tot en met 31 juli 1994. Zegt voor recht dat de datum van de consolidatie van de restletsels wordt bepaald op 1 augustus 1994. Zegt voor recht dat het basisloon wordt bepaald op 7.436,81 euro. Zegt bovendien voor recht dat rente betrekkelijk een blijvende, gedeeltelijke arbeids-ongeschiktheid van 6%, zoals te dezen, moet worden verminderd met 25%, met toepassing van het artikel 4, ,§3 Wet van 3 juli 1967. Zegt voor recht dat K. D. aanspraken op wettelijke vergoeding in het raam van de Ar-beidsongevallenwet Overheidspersoneel van 3 juli 1967 kunnen worden bepaald op grond van de hoger vermelde elementen van dit arrest, enerzijds, en van die van de niet vernietigde be-schikkingen van het zo-even genoemde bestreden vonnis, anderzijds. Legt ook de kosten aangaande de procesvoering in hoger beroep ten laste van P & V. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten op heden als volgt: - kosten van het deskundigenonderzoek: - staat van ereloon en kosten van Em. Prof. Dr. H. C.: EUR 977,94 - aan de zijde van P & V: - niet begroot bij gebrek aan opgave; - aan de zijde van K. D.: - niet begroot bij gebrek aan opgave. Aldus uitgesproken op donderdag één september tweeduizend en vijf door de eerste kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting hadden: Vande Vyver Gregor, kamervoorzitter in het Arbeidshof, Vanhaecke Arnold, raadsheer in sociale zaken, be-noemd als werkgever, Reygaert Luc, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider en Mathys Myriam, eerstaanwezend adjunct-griffier. w.g. M. Mathys - L. Reygaert - A. Vanhaecke - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050901.1 Gerelateerde publicatie(
  12. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000207.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.