id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 16 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050916.4 Rolnummer: 32403 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 264 - laatst gezien 2026-07-04 00:34 Fiche 1 Om het vermoeden van artikel 22ter RSZ Wet te weerleggen volstaat het dat de werkgever het afdoende bewijs levert dat de tewerkstelling deeltijds is zonder meer. Hij moet niet aantonen dat de bewuste werknemers slechts de uren presteerden die door hem werden aangegeven (vgl.: Cass. 3 februari 2003, S.02.0081.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12, Website FOD Justitie). Als vermoedens kunnen naargelang de omstandigheden van de zaak, samen, in aanmer-king genomen worden: onder meer, voltijdse tewerkstelling bij een andere werkgever, het volgen van onderwijs met volledig leerplan, belastingaangiften (die een beeld geven van de omzet- en kostenevolutie, tijdens de jaren voor, tijdens en na de controle). Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. XIV A art. 5 en art.
- Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING - Art. 159 Programmawet 22 december 1989 Artikel 22 ter R.S.Z. Wet Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiches 2 - 3 De Sociale Inspectie schendt het geheim van het onderzoek niet door het aanwenden van de rechtmatig, van een andere inspectie, ontvangen stukken, en het doorzenden ervan aan de R.S.Z., in het geval dat, de Sociale Inspectie zelf de vaststellingen niet heeft gedaan of het proces-verbaal heeft opgesteld, die tot de aanvang van een opsporingsonderzoek aan-leiding zijn geweest. Toelichting: Ten dezen heeft de Inspectie van de Sociale Wetten, inlichtingen en stukken medegedeeld aan de Sociale Inspectie, en aan de Arbeidsauditeur. Het blijkt niet dat het proces-verbaal van de ISW aan de Arbeidsauditeur werd toegestuurd alvorens de stukken en inlichtingen werden overgemaakt aan de Sociale Inspectie. De Sociale Inspectie heeft vervolgens die inlichtingen en stukken aangewend en zelf over-gemaakt aan de R.S.Z., op een ogenblik dat de Arbeidsauditeur de zending had ontvangen van de Inspectie van de Sociale Wetten en dus zijn opsporingsonderzoek had aangevangen; Het Arbeidshof beslist dat de vordering van de R.S.Z. niet gesteund is op onrechtmatig verkregen stukken. Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. Onder ref. VII A art. 22 ter Vrije woorden: TOEZICHT EN CONTROLE VAN DE SOCIALE WETTEN . ARBEIDSINSPECTIE Art. 5 en 6 Wet 16 november 1972, Arbeidsinspectiewet en art. 125 eerste lid, eerste zin K.B. 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, in criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Wet - 16-11-1972 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Tekst van de beslissing Vijfde kamer A.R. nr.: 324/03 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF IN DE ZAAK VAN: V.L., wonende te , APPELLANT, verschijnend bij meester Veerle De Geeter, optredend loco mees-ter Françoise De Croo-Desguin, advocaat te Brakel, TEGEN: de R.S.Z. openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, waarvan de zetel geves-tigd is te , GEINTIMEERDE, verschijnend bij meester Vincent Cauwels, optredend loco meester Sabine Vanoverbeke, advocaat te Sint-Denijs-Westrem. x x x
- NOPENS DE PROCEDURE EN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Gelet op de stukken van het dossier en inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis tussen appellant - verweer-der in eerste aanleg - en geïntimeerde - eiser in eerste aanleg - d.d. 15 september 2003, door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent, in de zaak ingeschreven op de algemene rol van voormelde arbeidsrechtbank onder het nummer 130090/
- Van dit vonnis wordt geen betekening overgelegd. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep door appellant neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 13 oktober
- Gelet op het tussenarrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, 5de ka-mer, d.d. 17 juni 2005 waarbij de debatten ambtshalve werden heropend teneinde par-tijen toe te laten de zaak te hernemen voor een andere samenstelling van de vijfde ka-mer van dit Arbeidshof. Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting op 2 september 2005 waarna de debatten werden gesloten. Op dezelfde openbare terechtzitting van 2 september 2005 werd het Open-baar Ministerie, verwijzend naar zijn op 6 april 2005 neergelegd schriftelijk advies, ge-hoord in zijn mondeling advies waarop partijen thans niet meer hebben gerepliceerd. Waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op he-den. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ont-vankelijk.
- NOPENS HET VOORWERP VAN DE BETWISTING Bij dagvaarding van 14 februari 1997 vordert geïntimeerde de veroordeling van appellant tot betaling van het bedrag van EUR 125.877,80 meer de verwijlintresten op EUR 97.120,69 vanaf 29 november 1996 tot de dag der laatste betaling uit hoofde van so-cialezekerheidsbijdragen, wettelijke bijslagen en intresten voor het 3de en 4de kwartaal 1993, het 1ste, 2de, 3de en 4de kwartaal 1994 en de gewijzigde vakantiebijdrage geboekt in het eerste kwartaal van de jaren 1994 en
- Bij vonnis van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent van 15 sep-tember 2003, werd de vordering toelaatbaar en gegrond verklaard. Appellant werd ver-oordeeld tot betalen van de som van EUR 125.877,80 vermeerderd met de verwijlintresten vanaf 30 november 1996 tot de dag der betaling op de dan nog verschuldigde bijdra-gen. De kosten van het geding werden ten laste gelegd van appellant. De eerste rechter was van oordeel dat artikel 5 derde lid Wet van 16 novem-ber 1975 betreffende de arbeidsinspectie niet van toepassing is omdat geen onderzoek werd gevoerd op last van een rechterlijke overheid, maar op eigen initiatief. Het ver-moeden van voltijdse tewerkstelling in art. 22ter R.S.Z. is weerlegbaar. Het tegenbewijs van de veronderstelde voltijdse arbeid wordt evenwel niet geleverd.
- NOPENS DE BEROEPSGRIEVEN Appellant acht zich gegriefd door het vonnis a quo en stelt hoger beroep in om de navolgende redenen. 3.
- Appellant is van oordeel dat de oorspronkelijke vordering aangetast is door nie-tigheid omdat geen toelating werd gevraagd aan de Arbeidsauditeur om de gege-vens over te sturen die volgen uit de inspectie. Op het ogenblik van de mededeling van de gegevens aan geïntimeerde was het dossier in handen van de Arbeidsauditeur. Vanaf dat ogenblik was de toestem-ming vereist. Het onderzoeksverslag van 10 september 1996 steunt op gegevens vervat in het proces-verbaal opgemaakt door de Inspectie van de Sociale Wetten d.d. 24 okto-ber 1994 dat reeds op 17 november 1994 werd toegestuurd aan het Arbeidsaudi-toraat. De procedure is derhalve nietig. 3.
- Appellant betoogt ten gronde dat hij wel degelijk bewijst dat de betrokken perso-nen niet in een voltijdse betrekking bij hem waren tewerkgesteld. Een schoolat-test impliceert dat de lessen effectief werden gevolgd. Hetzelfde geldt voor de at-testen van personen die voltijds elders waren tewerkgesteld. Het te leveren be-wijs dient op een realistische wijze te worden beoordeeld. Uit het zakencijfer van betrokkene blijkt dat er geen middelen waren om zoveel personeel voltijds tewerk te stellen. Bovendien wordt het tegenbewijs van de vol-tijdse tewerkstelling geleverd door de overgelegde stukken. 3.
- Het aanrekenen van bijdragen op voltijds loon dient bovendien te worden aange-nomen als een sanctie die zulke vormen aanneemt dat het schadeherstellend ka-rakter ver overschreden wordt. In die mate zelfs dat het kan worden aangenomen als een strafvervolging in de zin van artikel 6 E.V.R.M. Appellant werd nochtans reeds gestraft voor dezelfde feiten door het opleggen van een administratieve geldboete. Krachtens artikel 14,7° Verdrag van New York d.d. 19 december 1966 kan appel-lant geen tweede maal worden veroordeeld en gestraft voor eenzelfde strafbaar feit. 3.
- Appellant is te goeder trouw, en was in de veronderstelling dat hij administratief alle verplichtingen had vervuld, wat gelet op de onduidelijkheid van de verschil-lende toepasbare wetgevende bepalingen inzake deeltijdse arbeid, aan te nemen is. Er zijn ook geen elementen aan te nemen die wijzen op kwade trouw van ap-pellant. Appellant vordert het vonnis a quo te vernietigen in al zijn beschikkingen, en op-nieuw wijzende de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen als ongegrond. De kosten van het geding ten laste te leggen van geïntimeerde. x x x In besluiten neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 18 december 2003 en 29 april 2004 werkt geïntimeerde zijn stelling uit. Geïntimeerde is van oordeel dat de vordering niet behept is met nietigheid. Het onderzoek bij appellant werd immers niet bevolen door een rechterlijke overheid, maar was een vrijwillig initiatief van een aantal inspectiediensten. Het principe "non bis in idem" is enkel toepasselijk voor het opleggen van twee strafsancties. Het vorderen van socialezekerheidsbijdragen is evenwel geen straf-sanctie. Het vereiste tegenbewijs wordt niet geleverd. Van de bewering dat de werknemers meestal niet werkten op vrijdag of maandag, wordt geen bewijs aangebracht. De bewering dat ze 20 uur per dag moeten werken om aan een voltijdse arbeidsduur te komen is niet bewezen. Voltijdse arbeid is mogelijk door 10 uur per dag te presteren, wat in de horeca geen uitzondering is. De voltijdse tewerkstelling bij een andere werkgever verhindert geen voltijdse tewerkstelling bij appellant. De eventuele goede of kwade trouw van appellant is niet relevant tot oplos-sing van het aangebracht geschil.
- BESPREKING 4.
- Voor de retro-acten verwijst het Arbeidshof naar de vaststellingen gedaan door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk advies en wiens verdere overwegingen hierna grotendeels worden overgenomen. 4.
- Nopens de nietigheid van het sociaal onderzoeksverslag Krachtens artikel 5 Wet 16 november 1972, Arbeidsinspectiewet, delen de socia-le inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlich-tingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee, aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspec-teurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Er bestaat een verplichting om deze inlichtingen mee te delen wanneer de open-bare instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere in-spectiediensten of de andere met toezicht belaste ambtenaren, erom verzoeken. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meege-deeld met toestemming van deze laatste. Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsge-heim. De eerste rechter stelt terecht dat de Sociale Inspectie inlichtingen die ze zelf heeft bekomen naar aanleiding van haar onderzoek mag mededelen aan de R.S.Z. (in de mate) dat er geen onderzoek werd gevoerd op last van een rechter-lijke overheid. Te dezen werden evenwel niet alleen inlichtingen verstrekt door de Sociale In-spectie aan de R.S.Z., maar tevens stukken medegedeeld die de Sociale Inspec-tie zelf heeft ontvangen van de Inspectie van de Sociale Wetten, en die tevens aan de Arbeidsauditeur werden toegestuurd door de Inspectie van de Sociale Wetten. Krachtens artikel 6 ,§ 1 derde lid Wet 16 november 1972 mogen de akten, stuk-ken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de Procureur-generaal, terwijl krachtens art. 125 eerste lid, eerste zin K.B. 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, in criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging mogen worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep. Uit voornoemde bepalingen volgt dat de inlichtingen nodig om de bijdragen te be-rekenen voor de socialezekerheidsregeling door de Sociale Inspectie door be-middeling van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep dienen te worden verstrekt (vgl. Cass. 11 januari 1982, Arr. Cass. 1981-82, 600) krachtens artikel 6 ,§ 1 derde lid Wet 16 november 1972 en artikel 125 eerste lid eerste zin K.B. 28 december 1950 en bovendien na machtiging van de Arbeidsauditeur, krachtens artikel 5 derde lid Wet 16 november 1972, indien op dat ogenblik het opsporings-onderzoek of het gerechtelijk onderzoek reeds een aanvang heeft genomen. Op het ogenblik dat een proces-verbaal wordt toegestuurd aan de Arbeidsaudi-teur is de zaak in onderzoek en kunnen geen gegevens betreffende deze zaak zonder toestemming worden toegestuurd (al bestaat daarover onenigheid in de rechtsleer - D. TORFS, "Bevoegdheid van de Inspectiediensten" T.S.R. 2000, blz. 442, nr. 48). Het toesturen van die stukken gebeurt evenwel wettig, zonder dat de voornoem-de machtigingen vereist zijn, indien de inspectie die stukken door een spontaan onderzoek heeft bekomen, en ze toestuurt aan een andere inspectie of een be-voegde overheid, vooraleer (of op hetzelfde ogenblik - wat volgens sommigen ook op moeilijkheden kan stuiten) dat het eventueel proces-verbaal wordt toege-stuurd aan de Arbeidsauditeur. Het opsporingsonderzoek, laat staan een gerech-telijk onderzoek, heeft op dat ogenblik immers nog geen aanvang genomen (vgl. Arbh. Bergen 18 maart 1992, J.T.T. 1992, 294; D. TORFS, "Bevoegdheid van de Inspectiediensten" T.S.R. 2000, blz. 442, nr. 48 en 49). Aangezien nu uit de overgelegde stukken niet blijkt dat het proces-verbaal van de Inspectie van de Sociale Wetten aan de Arbeidsauditeur werd toegestuurd alvo-rens de zending van 30 oktober 1995 werd verzonden aan de Sociale Inspectie, kan niet aangenomen worden dat de Inspectie van de Sociale Wetten de stukken op 30 oktober 1995 onwettig heeft toegestuurd aan de Sociale Inspectie. De Sociale Inspectie schendt het geheim van het onderzoek niet door het aan-wenden van de rechtmatig ontvangen stukken en het doorzenden ervan aan de R.S.Z., aangezien de Sociale Inspectie zelf de vaststellingen niet heeft gedaan of het proces-verbaal heeft opgesteld, die tot de aanvang van een opsporingson-derzoek aanleiding zijn geweest. Anderzijds was de R.S.Z. zelf aanwezig bij de vaststellingen gedaan op 22 okto-ber 1994 en werd appellant ook verhoord door een inspecteur van de R.S.Z., zo-dat mag worden aangenomen dat de R.S.Z. toen reeds kennis had van deze vaststellingen, zoals omschreven in het overgelegd 'feitenrelaas' (uittreksel van het proces-verbaal van 24 oktober 1994), en van de op 22 oktober 1994 afgeno-men verhoren. De actie van 22 oktober 1994 ging uit niet van de Inspectie van de Sociale Wet-ten maar van de Arrondissementele Cel, waarvan ook de R.S.Z. deel uitmaakt, en waaraan hij ook effectief zijn medewerking heeft verleend. Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen de materiële vaststellingen verricht door de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, met hun bewijs-kracht, gebruikt worden door de sociale inspecteurs van dezelfde dienst, van de andere inspectiediensten of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen (art. 9 in fine Wet 16 november 1972 betref-fende de arbeidsinspectie). Zoals het Openbaar Ministerie opmerkt kan er dus niet aangenomen worden dat de vordering van geïntimeerde gesteund is op onrechtmatig verkregen stukken. 4.
- Toepasselijke regelgeving Het staat vast, en is trouwens niet betwist, dat alle werknemers van appellant deeltijds werden tewerkgesteld met variabel werkrooster, terwijl ze niet werden ingelicht van de te presteren uren door middel van het aanplakken van een be-richt waarop hun uurrooster is vermeld, zoals opgelegd door artikel 159 Pro-grammawet 22 december
- Krachtens artikel 22ter R.S.Z.-Wet worden, behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld in de artikelen 160, 162, 163 en 165 Programmawet 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld in artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uit-gevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het raam van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De vermoedens neergelegd in artikel 22ter Wet 27 juni 1969 sanctioneren de niet-naleving van de voorschriften van de artikelen 157 tot 169 Programmawet 22 december 1989 en zijn specifiek ten gunste van de Rijksdienst voor Sociale Ze-kerheid ingesteld, ten behoeve van de inning en invordering van de verschuldig-de socialezekerheidsbijdragen (Cass. 18 februari 2002, S.01.0093.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.3/7, Website. FOD Justitie). Artikel 22ter R.S.Z.-Wet schept het vermoeden dat de aangifte van deeltijdse prestaties door een werkgever onjuist is en laat de R.S.Z. overeenkomstig artikel 22 R.S.Z.-Wet toe het bedrag van de verschuldigde bijdragen ambtshalve vast te stellen op basis van loon voor voltijdse arbeidsprestaties, wanneer de werkroos-ters van de deeltijdse werknemers niet werden openbaar gemaakt zoals voorge-schreven in de artikelen 157 tot 159 Wet Deeltijdse Arbeid. Het is precies daarom dat de R.S.Z. uiteraard zelf niet dient te bewijzen dat de tewerkstelling effectief voltijds is. De ondertussen vaststaande rechtspraak neemt aan dat het tegenbewijs mogelijk is, terwijl de bewijslast voor de werkgever in belangrijke mate werd versoepeld. Het bewijs van het tegendeel bestaat erin te bewijzen dat de deeltijdse werkne-mers geen voltijdse arbeid hebben verricht in het raam van een arbeidsovereen-komst voor voltijdse arbeid. Dit betekent evenwel niet dat de werkgever de om-vang van de werkelijk verrichte prestaties in het raam van de arbeidsovereen-komst voor deeltijdarbeid moet bewijzen (Cass. 3 februari 2003, S.02.0081.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12, Website FOD Justitie). Hieruit volgt dat de werkgever kan voldoen met het afdoende bewijs dat de te-werkstelling deeltijds is zonder meer en niet moet aantonen dat de bewuste werknemers slechts de uren presteerden die door hem werden aangegeven, zo-als de eerste rechter aanneemt. 4.
- Wat de concrete zaak ten gronde betreft 4.4.
- Appellant verklaarde op 22 oktober 1994 aan de heer B., inspecteur van de R.S.Z., onder meer dat zijn zaak enkel open is vanaf vrijdag tot en met maandag. De werknemers zijn bijna alleen aanwezig op zaterdag en zon-dag. Vrijdag en maandag trachten hij en zijn echtgenote de zaak uit te ba-ten zonder ander personeel. Hij verwittigt de werknemers in de loop van de week wanneer ze aanwezig moeten zijn en dit ten laatste zaterdagmiddag. Er wordt hen enkel gemeld wanneer ze dienen beginnen te werken. Meestal werken ze van 20.00 tot 24.00 of van 21.00 tot 01.00 uur. In het aanwezigheidsregister vermeldt hij, nadat de prestatie werd verricht, enkel het totaal aantal gepresteerde uren. Begin- en einduur worden niet vermeld. Hij stelt samen met inspecteur B. vast dat op dat ogenblik (zaterdagavond om 23.00 uur) aan het werk zijn: L.P., M. C., S. D.G., C. D. G., P.l V. B. en P. D..S.. C.D.G. is student. Al deze werknemers verklaren slechts een zeer beperkt aantal uren per weekend te werken met opgave van dag of uur. Zoals geïntimeerde opmerkt in zijn repliek gewagen de voorgelegde ar-beidsovereenkomsten van deeltijdse prestaties van 10 uur per week (te presteren van vrijdag tot maandag). Dat bekent niet dat iedere werknemer van vrijdag tot maandag heeft gewerkt. De mogelijkheid bestond ook dat ze voor één van deze dagen werden opgeroepen. Bij het verhoor van de werknemers werd meestal gespecificeerd om hoeveel uren en welke da-gen het ging. Zo verklaart P. V. B. kennelijk op zaterdag en zondag in totaal 8 uur te werken in 2 dagen en niet op zaterdag en zondag elk 8 uur. Het is niet ernstig te beweren dat appellant zijn werkelijke openingsuren niet bewijst, nu hij tijdens het onderzoek ter plaatse tot tweemaal toe ver-klaart dat zijn zaak enkel open is vanaf vrijdag tot en met maandag en dat alleen op zaterdag en zondag beroep wordt gedaan op personeel. De ope-ningsuren hingen ongetwijfeld uit en ook het aanwezigheidsregister, dat de controleurs konden inzien, bevatten geen andere dagen van tewerkstelling. De sociale inspectie heeft terzake geen vaststellingen gedaan die de be-weringen van appellant tegenspreken, maar gaat uit van veronderstellin-gen. 4.4.
- R. D., en M. V., werknemers die niet werden verhoord, hebben blijkens de overgelegde arbeidsovereenkomst nog een voltijdse tewerkstelling bij een andere werkgever. Appellant bewijst verder met een attest van de werkgever, dat M. V., L. P. en P.l V. B., naast hun tewerkstelling bij hem, nog voltijds tewerk-gesteld zijn als arbeider bij een andere werkgever. P. D. S. verklaart aan de controleurs voltijds te werken in de oliefabriek V.D. te D., terwijl S. D. G. verklaart noch werkloosheids- noch ziekte-uitkeringen te ontvangen. Appellant bewijst met overgelegde getuigschriften dat C. D. G. lessen heeft gevolgd als student K.S.O. Beeldende Kunsten met een voltijds leerplan, tijdens het schooljaar 1992-1993 en het schooljaar 1993-1994 en dat M.V. tijdens het schooljaar 1992-1993 regelmatig was ingeschreven om leer-gangen te volgen van het 6de jaar beroeps Hotel, onderwijsvorm B.S.O. Onafgezien dat het ingevoerde wettelijk vermoeden de bewijsregeling voor de R.S.Z. vergemakkelijkt, moet nog steeds gezocht worden naar de ob-jectieve werkelijkheid. De insinuatie dat in de vakantie de danstaverne ook op andere dagen open zou zijn, wordt door niets gestaafd, evenmin de voltijdse tewerkstelling van studenten tijdens de vakantie. Tenslotte moet in geval van onvolledige of tegenstrijdige getuigenissen de voorkeur gegeven worden aan de verklaringen die werden opgenomen in een niet verdacht ogenblik door de onderzoekers (Brussel 15 oktober 1996, R.G.A.R. 1998, nr. 12.973). 4.4.
- Ook zijn er nog andere elementen die de stelling van appellant kracht bij-zetten onder meer de overgelegde aanslagbiljetten in de personenbelas-ting. In 1991 bedroeg de brutowinst van de taverne 2.749.955 BEF en de be-roepskosten 1.405.163 BEF In 1992 respectievelijk 2.619.768 BEF en 1.611.215 BEF In 1993 onbekend In 1994 respectievelijk 2.286.194 BEF en 1.756.427 BEF In 1995 respectievelijk 2.415.654 BEF en 1.759.511 BEF In 1996 respectievelijk 2.375.051 BEF en 1.914.217 BEF Aangezien ook de belastingsinspectie heeft meegewerkt aan de zoge-naamde protocolactie op 22 oktober 1994, mag verondersteld worden dat ook de gegevens van de boekhouding werden onderzocht. De ingestelde vordering van appellant heeft betrekking op het derde en vierde kwartaal 1993 en het volledige jaar 1994 en bedraagt aan sociale-zekerheidsbijdragen voor het jaar 1994 (inclusief de verhoogde vakantie-bijdragen) 2.324.269 BEF wat een brutoloon vertegenwoordigt van bijna 5.000.000 BEF. Dit betekent dus een bedrag ongeveer gelijk aan het dubbel van de bruto-winst per jaar van de jaren 1991 tot 1996, daargelaten dat er geen cijfers bekend zijn voor
- In de veronderstelling dat de werknemers van betrokkene steeds voltijds zouden hebben gewerkt in 1993 en 1994, terwijl appellant verklaart dat hij zich vanaf 1995 volledig in orde heeft gesteld, wat niet wordt betwist, dan kan hij dit enkel door de betrokken werknemers effectief voltijds in te schrijven, of indien hun tewerkstelling effectief zou zijn herleid tot de voor-dien aangegeven uren, door het in dienst nemen van bijkomend personeel. Aangezien niet blijkt dat appellant in 1995 en 1996 verder de inbreuken heeft gepleegd die hem worden verweten voor 1993 en 1994, kan de voor-noemde redenering niet worden aangenomen. Immers dan zouden de beroepskosten (waaronder de loonkost) opgeno-men in de belastingaanslag voor de inkomsten van 1995 en 1996 (aan-slagbiljet code 606 - en voordien voor de echtgenote 631) moeten verdrie-dubbeld zijn ten opzichte van 1994, wat niet blijkt, integendeel. Dit zou tevens impliceren dat ook de omzet zou moeten zijn verdriedubbeld en bijgevolg de brutowinst (omzet min de inkomende facturen) (aanslagbil-jet code 600 en 625), in de veronderstelling dat dit verschil tijdens de voor-gaande jaren in het zwart zou zijn ontvangen. Het alternatief dat de effectieve omzet en beroepskosten in 1995 en 1996 ten opzichte van 1994 plots zouden herleid zijn tot één derde is, voor een taverne, commercieel gezien niet aannemelijk. 4.4.
- Samen met de andere vermoedens die wijzen op een deeltijdse tewerkstel-ling, zoals de voltijdse tewerkstelling van bepaalde werknemers bij andere werkgevers, en het feit dat andere werknemers, behoudens tijdens de va-kantieperiodes, lessen volgen met volledig leerplan, bewijst appellant, aan de hand van de overgelegde belastingaangiften dat de bedoelde werkne-mers in elk geval niet voltijds kunnen tewerkgesteld geweest zijn tijdens de te dezen relevante periode. Gelet op de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie, volstaat die vaststelling opdat het vermoeden niet zou kunnen worden toegepast. De vordering is ongegrond. Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en inzonderheid op artikel
- Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Rechtdoende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent, tweede ka-mer, d.d. 15 september
- En opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, eerste alinea, van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van beide aanleggen. Vereffent de kosten als volgt: - aan zijde van appellant: in eerste aanleg: rechtsplegingsvergoeding: EUR 200,79 (tweehonderd euro en negenenzeventig cent) in hoger beroep: (zoals gevraagd) rechtsplegingsvergoeding: EUR 273,67 (tweehonderd drieënzeventig euro en zevenenzes-tig cent) - aan zijde van geïntimeerde: in eerste aanleg: kosten van dagvaarding: EUR 120,13 (honderd twintig euro en dertien cent) rechtsplegingsvergoeding: EUR 200,79 (tweehonderd euro en negenenzeventig cent) in hoger beroep: (zoals gevraagd) rechtsplegingsvergoeding: EUR 273,67 (tweehonderd drieënzeventig euro en zevenenzes-tig cent). Aldus uitgesproken op vrijdag zestien september tweeduizend en vijf in open-bare terechtzitting door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden, Lionel Dewulf, kamervoorzitter in het arbeidshof, voorzitter, Walter Uyttenhove, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Willy Impens, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende, en Dorine De Clercq, griffier. D. DE CLERCQ W. UYTTENHOVE W. IMPENS L. DEWULF PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20050916.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.3 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div