← België

ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20051007.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 07 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20051007.2 Rolnummer: 30801;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 03:28 Fiche Artikel 15, ,§ 1, derde lid K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen: hoofdelijkheid van de rechtspersonen samen met hun vennoten of mandatarissen tot het betalen van de door deze laatsten verschuldigde bijdragen: - heeft niet alleen betrekking op de sociale bijdragen zelf, maar ook op de ac-cessoria, zoals de wettelijke bijdrageverhogingen (cf. artikel 15, ,§ 4, 1e K.B. nr. 38), de kosten (cf. artikel 20, ,§ 5 K.B. nr. 38) en de gerechtelijke intres-ten; - maar heeft geen betrekking op de kosten van uitvoering van een vonnis. Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 15,§1,3elid - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing A.R. nr.: 308/01 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIJF. IN DE ZAAK VAN: A. S. V., vereniging zonder winstoogmerk, (voorheen A. S. K. Z., kortweg A.S.K.Z. genoemd), met zetel te, APPELLANTE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. J. D., loco Mr. G. L., advocaat te Antwerpen, TEGEN T & A, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting niet verschijnend en evenmin verte-genwoordigd. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het eens-luidend verklaard afschrift van het bestreden (tussen)vonnis van 19 september 2000 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent, geacht op tegenspraak te zijn gewezen in de zaak van partijen en van D. K. P., dragend het volgnummer 135.101/97 van de algemene rol. Van dat vonnis wordt geen betekening voorgebracht. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep van 7 augustus 2001, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 9 augustus

  1. De appellante werd in de mondelinge uiteenzetting van haar middelen en conclu-sies gehoord ter openbare terechtzitting van 2 september 2005, waar zij arrest geacht op tegen-spraak te zijn gewezen vorderde tegen de behoorlijk, bij gerechtsbrief van 28 april 2005 door de griffier opgeroepen, doch niet verschenen en evenmin vertegenwoordigde n.v. T & A (haar raadsman werd eveneens bij gewone brief van dezelfde datum opgeroepen). x x x Bij dagvaarding, betekend op 10 december 1997 door gerechtsdeurwaarder G. D. W. met standplaats te Gent, vorderde de v.z.w. A.S.K.Z. (thans A. S. V. genoemd), oor-spronkelijk eiseres en thans appellante, de veroordeling van de n.v. T & A, oorspronkelijk ver-weerster en thans geïntimeerde, solidair, in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere, met P. D. K. (reeds veroordeeld bij vonnis van 12 maart 1996), tot betaling van 101.917 BEF, meer de gerechtelijke intresten op 66.844 BEF en de kosten bepaald in artikel 1018 Ger.W., bij vonnis waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging wordt bevolen zonder borgstelling en met uitslui-ting van kantonnement. Het zo-even genoemd bedrag van 101.917 BEF was als volgt samengesteld: - 66.844 BEF wegens sociale bijdragen, verhogingen en rappelkosten in het raam van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen betrekkelijk de vier kwartalen van 1995; - 473 BEF aanmaningskosten; - 34.600 BEF "kosten vonnis 12.3.96" (m.n. 3.005 BEF dagvaardingskosten, 60 BEF kosten van de uitgifte, 7.200 BEF rechtsplegingsvergoeding, 15.470 BEF betekeningskosten en 8.865 BEF gerechtelijke intresten tot 15 december 1997). Bij dagvaarding, betekend op 9 maart 1998 door gerechtsdeurwaarder E. R. met standplaats te Antwerpen, werd P. D. K. op zijn beurt door de n.v. T & A gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring. Die vordering strekte ertoe hem te veroordelen haar te vrijwaren voor alle vorderingen van de v.z.w. A.S.K.Z. in deze procedure en hem te veroordelen om haar alle sommen te betalen waartoe zij zou worden veroordeeld ten verzoeke van de v.z.w. A.S.K.Z., meer de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Het bestreden (tussen)vonnis verklaarde de vordering op hoofdeis ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Het veroordeelde de n.v. T & A om aan de v.z.w. A.S.K.Z. (thans A. S. V.) te betalen de som van 67.317 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke intres-ten op het bedrag van 66.844 BEF vanaf de datum van de dagvaarding. Het meer gevorderde werd als ongegrond afgewezen. De proceskosten van de vordering op hoofdeis werden ten laste gelegd van de n.v. T & A (aan de zijde van de v.z.w. A.S.K.Z. begroot op: 3.412 BEF kosten van dagvaarding en 3.780 BEF rechtsplegingsvergoeding). De (tussen)vordering in gedwongen tus-senkomst en vrijwaring werd niet in staat van wijzen verklaard; zij werd naar de bijzondere rol van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank verzonden. De beslissing omtrent de daarmee verband houdende proceskosten werd aangehouden. x x x In hoger beroep vordert de v.z.w. A. S. V. (voorheen A.S.K.Z.) dat haar akte zou worden gegeven van haar naamswijziging, dat het bestreden (tussen)vonnis teniet zou worden gedaan, en dat het Arbeidshof, opnieuw wijzend, de n.v. T & A zou veroordelen om haar te beta-len het door haar in eerste aanleg gevorderde, meer de proceskosten van de beide aanleggen. Zij voert in hoofdorde als grieven aan dat de eerste rechter de rechtsplegingsver-goeding ten onrechte heeft herleid van 7.380 BEF tot 3.780 BEF en de vordering afwees voor zover deze de betaling betrof van de kosten van het vonnis van 12 maart 1996, zoals opgesomd in het rekeninguittreksel, gehecht aan de dagvaarding. De eerste rechter stelde dat zij deze kos-ten zelf dient te dragen, daar zij door te kiezen voor twee afzonderlijke procedures tegen de hoofdelijke schuldenaars voor een duurdere procedure koos. Deze stelling is in strijd met de wettelijke bepalingen en de rechtspraak ter zake. De hoofdelijkheid, ingesteld ten aanzien van de rechtspersoon waarvan de vennoot of de mandataris de sociale bijdragen niet betaalt, heeft niet alleen betrekking op de bijdragen en de intrest (en/of verhogingen), maar tevens op de kosten gemaakt naar aanleiding en ten ge-volge van het vonnis dat deze vennoot of mandataris afzonderlijk heeft veroordeeld. Dit is slechts een toepassing van "accessorium sequitur principale". Volgens dit adagium volgen de bijhorigheden (intresten verhogingen - kosten) van de hoofdvordering (bijdragen) het lot van deze laatste. De passieve hoofdelijkheid houdt in dat de schuldeiser de keuze heeft tussen ver-schillende schuldenaars om de betaling van de gehele schuld te vragen. Het instellen van ver-schillende opeenvolgende vorderingen is perfect toegelaten (DE PAGE, "Traité élémentaire", T. III, nr. 344). Aangezien het artikel 1204 van het Burgerlijk Wetboek de schuldeiser toestaat de ene na de andere hoofdelijke schuldenaar te vervolgen, begaat hij geen fout door de verschil-lende schuldenaars niet met hetzelfde exploot in dezelfde procedure te dagvaarden. Hieruit volgt dat niet enkel de hoofdelijke medeschuldenaar solidair gehouden is tot het betalen van de pro-cedurekosten in een geschil tegen een andere (hoofdelijke) schuldenaar, doch eveneens dat hij verplicht is de kosten te vergoeden voor een procedure die voorafgaandelijk tegen een andere hoofdelijke schuldenaar (bijvoorbeeld de verzekeringsplichtige) werd gevoerd. De schuldeiser is dus gerechtigd de gerechtskosten te vorderen, zowel in een pro-cedure gericht tegen de hoofdschuldenaar, als in een procedure gericht tegen de hoofdelijke medeschuldenaar. De vordering dient dus integraal te worden toegekend, inclusief de kosten in de procedure tegen P. D. K. Aldus de appellante. x x x De beoordeling. Het (beperkt) hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ontvankelijk is. x x x Krachtens het artikel 15, ,§ 1, derde lid, van het K.b. nr. 38 van 27 juli 1967 (hou-dende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) zijn de rechtspersonen (in casu de n.v. T & A) samen met hun vennoten of hun mandatarissen (in casu P. D. K., in hoger beroep niet in zake geroepen als partij) hoofdelijk gehouden tot de betaling van de door deze laatsten verschuldigde (sociale) bijdragen. Door die hoofdelijkheid, welke de inning wil waarborgen van de "verschuldigde bij-dragen" in verband met de uitoefening van mandaten die aanleiding geven tot onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen, zijn de rechtspersonen verplicht tot dezelfde schuld als hun vennoten en mandatarissen. De hoofdelijkheid heeft aldus ongetwijfeld niet alleen betrekking op de (sociale) bij-dragen zelf, maar tevens op de krachtens het Sociaal Statuut Zelfstandigen bij die bijdragen ho-rende accessoria, zoals de wettelijke bijdrageverhogingen (cf. artikel 15, ,§ 4, 1° K.b. nr. 38) en de in het artikel 20, ,§ 5 K.b. nr. 38 bedoelde kosten. In burgerlijke zaken bestaat evenwel geen wetsbepaling die ook de hoofdelijkheid bepaalt met betrekking tot de in casu in betwisting staande kosten van uitvoering van een von-nis. Betrekkelijk die uitvoeringskosten mag de rechter die solidariteit derhalve niet uitspreken (cf. Cass., 5 april 1883, Pas. 1883, I, 104; Arbh. Gent, afd. Brugge, vierde kamer, 8 januari 1991, A.R. nr. 88/551, onuitg.; Arbh. Gent, afd. Brugge, vierde kamer, 13 september 1994, A.R. nr. 91/340, onuitg.; Arbh. Gent, afd. Brugge, vierde kamer, 10 februari 1998, A.R. nr. 97/54, onuitg.; Arbh. Gent, afd. Brugge, vierde kamer, 12 september 2000, A.R. nr. 99/368, onuitg.; Arbh. Gent, afd. Gent, vierde kamer, 7 december 2001, A.R. nr. 226/01, Soc. Kron. 2005, 285; Rb. Kph. Sint-Niklaas, 22 oktober 1957, R.W. 1958-59, 399; DE PAGE, H., ²Traité élémentaire de droit civil belge² , T. III, p. 324, nr. 331). Uit het rekeninguittreksel, gehecht aan het exploot van rechtsingang van 10 de-cember 1997, blijkt evenwel dat het in hoger beroep in betwisting staand bedrag van 34.600 BEF in werkelijkheid ook voor een deel is samengesteld uit "gerechtelijke intresten tot 15 de-cember 1997, 8.865 BEF" (zie ook het schriftelijk advies van de Arbeidsauditeur: dossier van de rechtspleging van de Arbeidsrechtbank, stuk 10). De overige componenten bestaan het uit: dag-vaardingskosten (3.005 BEF), uitgiftekosten (60 BEF), rechtsplegingsvergoeding (7.200 BEF) en betekeningskosten (15.470 BEF). Uit haar stukken genummerd 2 blijkt bovendien dat hetgeen de v.z.w. A. S. V. in haar inleidende dagvaarding vordert als "betekeningskosten 15.470 BEF" in werkelijkheid zelf als volgt is samengesteld (cf. de afrekening van 12 december 1996 van gerechtsdeurwaarder B. uit te Antwerpen): - vonnis d.d. 12.03.1996 - - betekening d.d. 17.06.1996 3.316 BEF - bevel tot betalen d.d. 19.07.1996 3.340 BEF - rappelkosten 480 BEF - uitvoerend beslag d.d. 14.11.1996 7.418 BEF - uitvoeringskosten d.d. 26.11.1996 916 BEF 15.470 BEF. Gerechtelijke intresten zijn geen kosten van uitvoering van een vonnis. Zij dienen om de schade geleden door het niet ontvangen van de geëiste som tussen de inleiding van het geschil en de datum van de uitspraak, evenals tussen de datum van de uitspraak en de uitvoe-ring van het vonnis, te vergoeden (cf. PETIT, J., Interest, A.P.R., p. 171, nr. 176). Met betrekking tot de binnen het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen verschuldigde wettelijke verhoging wegens laattijdige betaling, wordt die verhoging kwartaalsge-wijze toegepast en aangerekend uiterlijk bij het verstrijken van het kwartaal voorafgaand aan datgene waarin de bijdrageplichtige voor de arbeidsrechtbank wordt gedagvaard tot betaling van die bijdragen. Nadien worden die wettelijke verhogingen vervangen door gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot op het ogenblik van de betaling. De eis tot betaling van intresten tegen één van de hoofdelijke schuldenaars doet de intrest ten aanzien van allen lopen (cf. artikel 1207 B.W.; Cass., 14 september 1972, Arr. Cass. 1973, 59). Alzo laat het artikel 1207 B.W. de schuldeiser een bijkomend voordeel genieten bij de hoofdelijkheid. Louter cijfermatig blijkt het deelbedrag van 8.865 BEF, dat duidelijk betrekking heeft op het deel van de schuld waarvoor de v.z.w. A.S.K.Z. (thans A. S. V.) reeds bij vonnis van 12 maart 1996 veroordeling bekwam van P. D. K., niet te worden betwist (wel worden door haar hiermee nota bene intresten gevorderd tot 15 december 1997: cf. het beschikkend gedeelte van dit arrest). Zij is gegrond (cf. Arbh. Gent, afd. Gent, 7 december 2001, aangeh.). Met betrekking tot de zo-even aangehaalde, overige samenstellende delen van het bedrag van 30.600 BEF gelden dezelfde, in dit arrest geciteerde beginselen toepasselijk op de kosten van uitvoering van het vonnis (cf. Arbh. Gent, afd. Gent, 7 december 2001, aangeh.). x x x Gelet op hetgeen door de v.z.w. A.S.K.Z., thans A. S. V., in eerste aanleg werd ge-vorderd (cf. supra) en op het bepaalde in de artikelen 557, 1018 en 1022 Ger.W., alsmede in het artikel 3, tweede lid, K.b. van 30 november 1970 (tot vaststelling van het tarief van de invorder-bare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek), kan zij (zowel in eerste aan-leg als in hoger beroep) geen aanspraak maken op de gevorderde verdubbelde (vaste rechts-plegings)vergoeding. Betreffende de proceskosten moet het bestreden vonnis worden beves-tigd. De v.z.w. A. S. V. vordert bovendien eveneens onterecht een "rechtsplegingsver-goeding aantekenen beroep: 57,02 EUR". Het indienen van een verzoekschrift bedoeld in het ar-tikel 1056 Ger.W. geeft immers geen recht op een (aanvullende vaste) rechtsplegingsvergoe-ding (vgl. de artikelen 4 en 6 K.b. van 30 november 1970). x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, rechtsprekend bij arrest geacht op tegenspraak te zijn gewezen. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonder-heid het artikel
  2. Gelet op het mondeling advies van het Openbaar Ministerie, ter openbare terecht-zitting van 2 september 2005 uitgebracht door de heer Patrick Bricout, Eerste Advocaat-generaal. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als ongegrond. Oordelend binnen de perken van het hoger beroep. Geeft de appellante, die voorheen A. S. K.Z. noemde, akte van haar naamsveran-dering in A. S. V. Verklaart het (beperkt) hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde, gedeel-telijke mate gegrond. Vernietigt, in de mate dat het bestreden werd, gedeeltelijk het tussenvonnis van 19 september 2000 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent, met name enkel waar het verwerende partij op hoofdeis n.v. T & A veroordeelt om aan de v.z.w. A.S.K.Z. (thans A. S. V.) te betalen de som van 67.317 BEF, meer de gerechtelijke intresten op het bedrag van 66.844 BEF, vanaf de datum van de dagvaarding. En, desbetreffend opnieuw wijzend, veroordeelt de n.v. T & A om (solidair met P. D. K.) aan de v.z.w. A. S. V. te betalen de som van (67.317 BEF + 8.865 BEF) = 76.182 BEF, hetzij 1.888,50 euro, meer de gerechtelijke intresten op 66.844 BEF, hetzij op 1.657,02 euro, vanaf 16 december
  3. Wijst het meer gevorderde af als ongegrond en bevestigt, in de mate dat het be-streden werd, het zo-even genoemde tussenvonnis van 19 september 2000 voor het overige. Zegt voor recht dat de kosten betreffende de procesvoering in hoger beroep wor-den omgeslagen, overeenkomstig het artikel 1017, derde lid, Ger.W., derwijze dat elke partij de helft van de aan haar zijde gevallen proceskosten moet dragen en de andere partij de overige helft. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten als volgt: x aan de zijde van de v.z.w. A. S. V.: - vaste rechtsplegingsvergoeding (verminderd bedrag): EUR 142,79; x aan de zijde van de n.v. T & A: EUR
  4. Aldus uitgesproken op vrijdag zeven oktober tweeduizend en vijf, in openbare te-rechtzitting door de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden: Gregor Vande Vyver, Kamervoorzitter in het Arbeidshof, Viviane Verwilghen, Raads-heer in het Arbeidshof, Jan Gallet Verriest, Raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandi-ge, en Dorine De Clercq, Griffier. get. D. De Clercq - J. Gallet Verriest - V. Verwilghen - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2005:ARR.20051007.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.