id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 10 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060210.5 Rolnummer: 12505;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 04:09 Fiches 1 - 2 Bij het bepalen van de opzeggingstermijn van een bediende die door de werkgever ontsla-gen wordt in een periode van vermindering van de arbeidsprestaties in de zin van artikel 102 van de Sociale Herstelwet, wordt rekening gehouden met het loon dat verschuldigd ware geweest wanneer er géén vermindering van de arbeidsprestaties zou zijn geweest (art. 103 Sociale Herstelwet). De opzeggingsvergoeding, verschuldigd in geval van onre-gelmatig ontslag door de werkgever van een werknemer in een periode van vermindering van de arbeidsprestaties in de zin van artikel 102 van de Sociale Herstelwet, wordt bepaald op grond van de op de voornoemde wijze bepaalde opzeggingstermijn enerzijds en van het loon dat zonder de vermindering van de arbeidsprestaties verschuldigd ware geweest, an-derzijds. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BEDIENDEN Onderbreking van de beroepsloopbaan Ontslag door de werkgever Bediende - Opzeggingstermijn Opzeggingsvergoeding In aanmerking te nemen loon. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82§3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. II Q, art. 102 en 103. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BEROEPSLOOPBAANONDERBREKING Onderbreking van de beroepsloopbaan Ontslag door de werkgever Bediende - Opzeggingstermijn Opzeggingsvergoeding In aanmerking te nemen loon. Wettelijke bepalingen: Wet - 22-01-1985 - 102 - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Wet - 22-01-1985 - 103 - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Nota: Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. II C.N., art. 102 en 103. Tekst van de beslissing A.R. nr. : 125/05 Rep. nr. 140 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES IN DE ZAAK VAN: D. B. I., wonende te, APPELLANTE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd meester E. Lachaert, advocaat te 9051 Gent, TEGEN : F.S.M. B. M. ARR. A.-O., met zetel te, GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester S. Dupont loco meester P. Crispyn, advocaat te 9030 Mariakerke. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, eerste kamer, d.d. 7 december 2004 (A.R. nr. 23.474/I), waarvan geen betekening wordt overgelegd. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 15 maart 2005. 1. Nopens de feiten De appellante werd door de geïntimeerde en door haar rechtsvoorganger, het N.V.S.M., met ingang van 1 juli 1981 tewerkgesteld met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De appellante verminderde haar arbeidsprestaties met één derde met toepassing van de regels van de onderbreking van de beroepsloopbaan in de Sociale Herstelwet, kennelijk in onderling akkoord van de partijen (stukken dienaangaande worden niet overgelegd). De geïntimeerde verstuurde op 14 juli 2000 een aangetekend schrijven aan de appellante met de volgende inhoud: "Op dinsdag 11 juli 2000 om 15 uur 30 werd ik door vijf leden van ons directiecomité om een onderhoud verzocht. In dit onderhoud drukten betrokkenen hun bezorgdheid uit omtrent uw activiteiten als vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij H. M.r samen met uw echtgenoot, Personeelsdirecteur van ons ziekenfonds. Onmiddellijk ben ik 's anderendaags, woensdag 12 juli 2000, naar de hoofdzetel van onze landsbond, het N.V.S.M., te B., getrokken en heb de werkgever van uw echtgenoot de heer A. V. B.l, Personeelsdirecteur van het Z. S. M. B. M., waarbij u eveneens tewerkgesteld bent, ingelicht omtrent het onderhoud waarvan melding hierboven. Wij beiden, de heer G. P. als werkgever van uw echtgenoot en ikzelf, P. J., als uw werkgever hebben getracht ons een beeld te vormen van uw beider activiteiten. Op woensdag 12 juli 2000 rond het middaguur hebben wij gemeend hierop een voldoende zicht te hebben zodat wij bekwaam waren een oordeel te geven over de ernst van de zaak. Wij stellen vast dat u I. D. B.: 1. Zonder medewete, laat staan toestemming, sinds geruime tijd een activiteit in zelfstandig beroep uitoefent als verzekeringsagent voor de firma H.-M.r, evenals uw echtgenoot. 2. Samen met uw echtgenoot die Personeelsdirecteur is van onze organisatie, hebt u, met bedoeling a. verzekeringscontracten en pensioenspaarplannen te verkopen b. sommigen te ronselen als agent verschillende personeelsleden en hun familie aangezocht al dan niet tijdens uw normale diensturen. 3. Wat ook het antwoord was van de aangezochte personen - positief of negatief - deze werden uitdrukkelijk gevraagd hierover met niemand van de directie te spreken en zeker niet met mij. 4. Gelet op de positie in onze organisatie van uw echtgenoot als Personeelsdirecteur, en van uzelf als maatschappelijke assistente van ons C.A.W. te R., beschouwen gecontacteerde personeelsleden deze verkoopspraktijken als bedreigend en wordt dit ervaren als een doorslaggevend argument om een polis af te sluiten. 5. Erger nog als maatschappelijk werkster hebt u cliënten van uw maatschappelijk dienstbetoon gecontacteerd met het oog op het afsluiten van een polis en/of te ronselen als agent. Tevens hebt u de wet op de privacy geschonden door het ledenbestand van het ziekenfonds te gebruiken voor het selecteren van mogelijke klanten voor uw verzekeringsactiviteit. Al deze activiteiten kunnen geobjectiveerd worden met getuigenverklaringen en bewijsstukken. Al deze redenen zijn zwaarwichtige tekortkomingen en misbruiken die elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maken en die mij noodzaken uw arbeidsovereenkomst zonder enige opzeggingstermijn of vergoeding te beëindigen wegens dringende reden. Bij deze ontslaan wij u vanaf heden, 14 juli 2000, om dringende reden, uit onze dienst." 2. Nopens de procedure in eerste aanleg Bij deurwaardersexploot, betekend op 28 februari 2001, dagvaardde de appellante de geïntimeerde om te verschijnen voor de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde en stelde zij een vordering in tegen de geïntimeerde, ertoe strekkende haar te horen veroordelen om aan de appellante te betalen: 1) 1.544.186 frank als "opzeggingsvergoeding"; 2) 463.254 frank als "beschermingsvergoeding"; 3) 4.000.000 frank als "vergoeding wegens rechtsmisbruik", alle sommen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intrest. Zij vroeg de veroordeling van de geïntimeerde tot het betalen van de kosten van het geding. Zij vroeg dat het vonnis voorlopig uitvoerbaar zou verklaard worden ondanks elk verhaal en zonder borgstelling. Bij conclusie, op 29 november 2001 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroeg de geïntimeerde dat de vordering ongegrond zou verklaard worden, met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. Bij conclusie, op 27 december 2002 ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroeg de appellante ook de veroordeling van de geïntimeerde tot de afgifte van "de aangepaste sociale documenten, zoals vakantieattest, individuele rekening...". Bij conclusie, op 31 januari 2003 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vermeerderde de appellante haar vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding tot 57.246,77 euro en deze tot betaling van een "beschermingsvergoeding" tot 17.225,73 euro. Bij tussenvonnis van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde van 1 april 2003 werd de vordering toelaatbaar verklaard. Alvorens over de grond van de zaak te oordelen, werd de geïntimeerde toegelaten door middel van getuigen te bewijzen dat: "1. de heer J. heeft pas op 11 juli 2000 voldoende kennis genomen van de feiten ten laste van de eisende partij; 2. zonder medeweten of toestemming van de werkgever is de eisende partij, samen met haar echtgenoot die personeelsdirecteur is van de verwerende partij, sinds geruime tijd zelfstandig verzekeringsagent voor H.-M.; 3. samen met haar echtgenoot heeft de eisende partij verschillende personeelsleden en hun familie aangezocht, al dan niet tijdens haar normale diensturen, met de bedoeling (
- a)verzekeringscontracten en pensioenspaarplannen te verkopen en (
- b)sommigen te ronselen als agent; 4. de aangezochte personen werden uitdrukkelijk gevraagd hierover met niemand van de directie te spreken en zeker niet met Provinciaal Secretaris P. J.; 5. gelet op de positie van haar echtgenoot als personeelsdirecteur en van haarzelf als maatschappelijk assistente van het C.A.W. te R., beschouwen gecontacteerde personeelsleden deze verkooppraktijken als bedreigend en wordt dit ervaren als een doorslaggevend argument om een polis af te sluiten; 6. als maatschappelijk werker heeft de eisende partij cliënten van haar maatschappelijk dienstbetoon gecontacteerd met de bedoeling een polis af te sluiten en/of hen te ronselen als agent. Tevens heeft de eisende partij de wet op de privacy geschonden door het ledenbestand van het ziekenfonds te gebruiken voor het selecteren van mogelijke klanten voor haar verzekeringsactiviteit." De beslissing over de gerechtskosten werd aangehouden. Op 3 juni 2003 werden de heren G. V. H., R. D. en S. L. en de dames C. S., V. T., L. V., N. D., B. V. D. V. en S. T. als getuigen gehoord. Op 11 juni 2003 werden de heren A. V. H., L. H., R. B. en A. C. en de dames S. P., S. H. en L. D. C., S. R., P. C., P. V. O. en K. B. als getuigen gehoord. Bij eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, eerste kamer, van 7 december 2004, werd de vordering ongegrond verklaard. De appellante werd veroordeeld tot het betalen van de kosten van het geding. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: met betrekking tot de dringende reden · dat de geïntimeerde niet eerder dan op 11 juli 2000 op de hoogte geweest mag zijn van de feiten die de dringende reden uitmaken; · dat uit de getuigenverklaringen bleek dat de heer J., bevoegd om tot ontslag over te gaan, ten vroegste op 11 juli 2000 op de hoogte werd gebracht van de feiten; · dat het ontslag tijdig werd gegeven; · dat uit de getuigenissen zonder twijfel was gebleken dat de appellante, naast haar tewerkstelling als bediende bij de geïntimeerde, agent was voor de verzekeringsmaatschappij H.-M., en dat zij in samenwerking met haar echtgenoot, die personeelschef was, voor deze maatschappij onder personeelsleden en klanten van de mutualiteit ronselde en polissen aan de man bracht; · dat de geïntimeerde wel niet bewees dat het uitoefenen van een bijberoep verboden was doch dat zulks niet betekende dat de werknemers vrij waren om het even welke "klus" als bijberoep te verrichten nu de werknemer een verregaande loyauteitsplicht ten overstaan van zijn werkgever heeft; · dat de appellante daarom vooraf de toestemming van de geïntimeerde had moeten vragen nu deze laatste ook een verzekeringsinstelling was; · dat de appellante, die mocht bemiddelen voor de tak "ziekte", in rechtstreekse concurrentie met haar werkgever kwam en oneerlijke concurrentie had gepleegd; · dat niet bleek dat zij de geïntimeerde hiervan op de hoogte had gebracht; · dat de appellante een ernstige tekortkoming had begaan; · dat zij wist dat de geïntimeerde deze nevenactiviteit niet zou aanvaarden; · dat zij misbruik had gemaakt van haar status als echtgenote van de personeelsdirecteur van de geïntimeerde; · dat dit feit ook een zwaarwichtige tekortkoming was; · dat de dringende reden bewezen was; · dat de vordering in haar geheel ongegrond was. 3. Nopens de procedure in hoger beroep In haar akte van hoger beroep vordert de appellante dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou vernietigd worden en dat het Arbeidshof, opnieuw wijzende, de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van 57.246,77 euro als opzeggingsvergoeding, 17.225,73 euro als "beschermingsvergoeding omwille van de ontslagbescherming als rechthebbende op een loopbaanonderbreking" en 99.157,41 euro als "schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht", alle bedragen te vermeerderen met wettelijke intrest vanaf 14 juli 2000 tot 28 februari 2001 en met gerechtelijke intrest vanaf 28 februari 2001. Zij vraagt ook de veroordeling van de geïntimeerde tot de afgifte van "aangepaste sociale documenten en dit binnen de vijftien dagen na het tussen te komen arrest". Gevraagd wordt de geïntimeerde tot het betalen van de kosten van de beide aanleggen te veroordelen. Bij conclusie, neergelegd op 11 mei 2005, vraagt de geïntimeerde dat het hoger beroep ongegrond zou verklaard worden. Zij vraagt de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. De partijen worden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 9 december 2005. 4. Nopens de grieven van het hoger beroep De appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Zij wijst er inzonderheid op: - dat de voor het ontslag bevoegde persoon, de heer P. J., niet vroeger dan op 11 juli 2000 kennis mag hebben gekregen van de ingeroepen feiten; - dat de geïntimeerde evenwel niet aantoonde op welk ogenblik de voornoemde persoon deze kennis heeft verworven; - dat de eerste rechter zich heeft gebaseerd op de onsamenhangende verklaringen van de getuigen; - dat hij ook ten onrechte heeft geoordeeld dat een verregaande loyauteitsplicht de appellante ertoe verplichtte de toestemming van de geïntimeerde te bekomen om een bijberoep uit te oefenen; - dat die stelling strijdig is met de vrijheid van arbeid; - dat geen enkele wet een dergelijke verplichting inhoudt, evenmin als de arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement; - dat er in casu geen sprake was van ongeoorloofde concurrentie; - dat de opdrachten van een ziekenfonds niet gelijkgeschakeld kunnen worden met die van een firma die aanvullende pensioenverzekeringen aanbiedt; - dat H.-M. geen ziekte- of hospitalisatieverzekeringen aanbood; - dat de geïntimeerde andere werknemers toeliet wél op te treden als verzekeringsagent, zelfs voor ondernemingen die wel voor de tak ziekte erkend waren; - dat de appellante overigens haar directe overste had ingelicht van het bijberoep; - dat zij ook geen misbruik heeft gemaakt van de functie van haar echtgenoot; - dat zij evenmin adressenlijsten van de geïntimeerde heeft gebruikt om huisbezoeken af te leggen in het kader van het bijberoep; - dat de dringende reden niet bewezen is. 5. Bespreking 5.1. Nopens de ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk. 5.2. Nopens de gegrondheid van het hoger beroep 5.2.1. De dringende reden 5.2.1.1. Artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat elke partij de overeenkomst zonder opzegging kan beëindigen om een dringende reden die aan het oordeel van de rechter wordt overgelaten. Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om een dringende reden mag niet meer worden gegeven wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich erop beroept. Enkel de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen 3 werkdagen na het ontslag kan ter rechtvaardiging van de regelmatigheid van het ontslag aangevoerd worden. De partij die een dringende reden inroept, moet hiervan het bewijs leveren. Bovendien moet zij bewijzen dat zij de wettelijke termijnen heeft gerespecteerd. 5.2.1.2. Vraag is of de geïntimeerde bewijst dat zij het ontslag heeft gegeven binnen de wettelijke termijn van drie werkdagen na het bekend zijn van de feiten. Met het ogenblik van het "bekend zijn" van de feiten wordt bedoeld, het ogenblik waarop de voor het ontslag bevoegde partij, om een beslissing te kunnen nemen met kennis van zaken wat betreft het bestaan van het feit en de omstandigheden die er een dringende reden kunnen aan geven, een voldoende zekerheid heeft voor zichzelf en ook ten aanzien van de andere partij en het gerecht (zie Cass., 14 mei 1979, Arr. Cass., 1979-80, 1092; Cass., 11 januari 1993, Arr. Cass., 1993, 32; Cass., 14 oktober 1996, Arr. Cass., 1996, 921; Cass., 6 september 1999, J.T.T., 1999, 457; Cass., 19 maart 2001, R.W., 2001-02, 736). De termijn vangt niet aan op het ogenblik waarop men het bewijs van het feit kan leveren (Arbh. Brussel, 20 oktober 1989, J.T.T., 1990, 97; Arbh. Bergen, 19 april 1990, J.T.T., 1990, 440; Arbh. Luik, 24 april 1997, Soc. Kron., 1998, 79). Het Arbeidshof sluit zich aan bij het oordeel van de eerste rechter dat de geïntimeerde bewijst dat zij het ontslag tijdig heeft gegeven. De appellante is het ermee eens dat de heer J. de bevoegde persoon was om tot ontslag over te gaan. Deze persoon mag niet eerder dan op 11 juli 2000 kennis hebben gekregen van de ingeroepen feiten, minstens van één van die feiten. Welnu, uit de voor de eerste rechter afgelegde getuigenverklaringen blijkt overduidelijk dat de heer J. niet eerder dan op 11 juli 2000 kennis van de feiten kan hebben gekregen. De heer V. H. verklaart dat hij de heer J. op die datum heeft bezocht om hem in kennis te stellen van de feiten die ten laste van de appellante en haar echtgenoot waren vastgesteld. De verklaringen van de heer B., mevrouw T. en mevrouw V. D. V. zijn hiermee geheel in overeenstemming. 5.2.1.3. De appellante betwist het foutieve karakter van de vastgestelde feiten, en zeker het karakter van een fout die een onmiddellijk ontslag zonder opzeggingsvergoeding verantwoordt. 5.2.1.4. Als eerste feit roept de geïntimeerde in dat de appellante zonder haar medeweten, en in elk geval zonder haar toestemming, sinds geruime tijd een zelfstandig bijberoep als verzekerings(sub)agent heeft uitgeoefend. Het Arbeidshof is het niet eens met het oordeel van de eerste rechter dat de appellante de geïntimeerde vooraf op de hoogte had moeten brengen van de aanvang van een bijkomende beroepsbezigheid. Een dergelijke verbintenis vindt men niet terug in de wet, inzonderheid in (artikel 17, 3° van) de Arbeidsovereenkomstenwet noch vloeit zij voort uit de verplichting de arbeidsovereenkomst te goeder trouw uit te voeren. Zij is evenmin terug te vinden in de individuele arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement. Het is niet omdat andere werknemers van de geïntimeerde deze laatste wél hebben ingelicht van hun voornemen om een zelfstandig bijberoep uit te oefenen, dat één en ander voor de appellante het karakter van een contractuele verbintenis kan hebben gekregen. Al evenmin kan voorgehouden worden dat de appellante vooraf de toestemming van de geïntimeerde had moeten bekomen alvorens haar zelfstandig bijberoep uit te oefenen. Er moet opgewezen worden dat ook een werknemer in beginsel van de vrijheid van arbeid geniet, zoals vastgelegd in het zgn. Decreet d'Allarde, en dat het hem vrijstaat om een andere bedrijvigheid uit te oefenen, al dan niet met een professioneel karakter, hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer. De verplichting om hiervoor de voorafgaande toestemming te bekomen, vindt men overigens niet terug in de wet, inzonderheid in (artikel 17, 3° van) de Arbeidsovereenkomstenwet noch vloeit zij voort uit de verplichting de arbeidsovereenkomst te goeder trouw uit te voeren. Zij is in casu evenmin terug te vinden in de individuele arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement (nog afgezien van de vraag naar de wettigheid van zo'n clausule zie VAN HOOGENBEMT, H., "De arbeidsovereen-komst en het vermogen van de werknemer ", in VAN EECKHOUTTE, W., en RIGAUX, M., Sociaal recht: niets dan uitdagingen, Gent, 1996, 245, nr. 469). Het is niet omdat andere werknemers van de geïntimeerde van deze laatste wél de voorafgaande toestemming hebben gevraagd én bekomen om een zelfstandig bijberoep uit te oefenen (zie stukken 15-17 en 19-20 van de geïntimeerde), dat één en ander voor de appellante het karakter van een contractuele verbintenis kan hebben gekregen. Dit neemt niet weg dat een werknemer zijn arbeidsovereenkomst in het algemeen altijd te goeder trouw moet uitvoeren (zie VAN EECKHOUTTE, W., "De goede trouw in het arbeidsovereenkomstenrecht: een aanzet tot herbronning en reïntegratie", T.P.R., 1990, 971, nr. 61) alsook dat hij zich tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst van daden van concurrentie moet onthouden. Welnu, de geïntimeerde toont onvoldoende aan dat de bedrijvigheid van de appellante als "subagent" (zie stuk 13 van de appellante) een loyale uitvoering van de arbeidsovereenkomst in de weg stond dan wel dat er effectief een concurrerende activiteit is geweest. Het blijkt vooreerst niet dat de verzekeringsmaatschappij waarvoor de appellante actief was, polissen verkocht die op de tak "ziekte" betrekking hadden (zie stuk 30 van de appellante de uitleg die zij geeft over de betekenis van haar stuk 13, is plausibel en wordt door de geïntimeerde niet weerlegd). De geïntimeerde toont niet aan dat het sluiten van verzekeringen tegen lichamelijke ongevallen (zie bijv. stuk 6 van de geïntimeerde), pensioenspaarverzekeringen (zie bijv. stuk 7 van de geïntimeerde) of levensverzekeringen (stuk 35b van de appellante) de enige waarvan bewezen is dat de appellante ze poogde af te sluiten tot haar activiteiten behoorde. Hospitalisatieverzekeringen behoorden niet tot de bedrijvigheid van H.-M. (en de geïntimeerde beweert overigens enkel maar doch bewijst niet dat zij zelf hospitalisatieverzekeringen aanbiedt). Bovendien stelt het Arbeidshof vast dat de geïntimeerde heeft toegelaten dat andere werknemers (zie inderdaad de stukken 15-17 en 19-20 van de geïntimeerde en stuk 9 van de appellante; zie ook de getuigenverklaring van de heer D.) wél als zelfstandig verzekeringsagent optraden zodat zij een dergelijke activiteit kennelijk niet zonder meer als concurrerend aanzag. Het blijkt ook niet dat de appellante méér dan haar collega's in voorkomend geval misbruik kon maken van de gegevensbanken van de geïntimeerde. De geïntimeerde heeft dus zeker ook verkeerde signalen uitgestuurd. Haar houding was dubbelzinnig en voor meer dan één uitleg vatbaar. Het eerste feit kan dus niet als foutief bestempeld worden. 5.2.1.5. De feiten die de geïntimeerde sub 2, 3 en 4 van haar brief vermeldt, kunnen in feite als één en hetzelfde feit omschreven worden, met name het heimelijk - benaderen van collega-werknemers en hun familieleden, met de bedoeling hen hetzij een verzekeringspolis te laten afsluiten hetzij hen als agent te ronselen, op een wijze die door hen als bedreigend werd aangezien. Het Arbeidshof zal niet betwisten dat de handelwijze van de appellante niet kies was en dat zij niet getuigt van veel gezond verstand. Bij het benaderen van haar collega's wat niet geheel aan "toeval" te wijten was, zoals de appellante voorhoudt - had deze laatste zich veel terughoudender moeten opstellen. Zij had inderdaad moeten weten dat sommigen van hen een zelfs vrijblijvende vraag van de appellante "verkeerd" zouden kunnen opnemen omdat zij wisten dat de echtgenoot van de appellante personeelsdirecteur van de geïntimeerde was. Is er aldus wel degelijk sprake van een foutief optreden van de appellante, dan wordt die fout door dit Hof nochtans niet als een zwaarwichtige tekortkoming beschouwd die dan ook nog van aard is de arbeidsrelatie onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken. Ten overvloede zij erop gewezen dat slechts enkele getuigen (waaronder het echtpaar L.-V., waarbij de positie van mevrouw V. die zelf lange tijd als subagent van H.-M., is opgetreden, ook na het ontslag van de appellante, terwijl zij nog altijd in dienst is van de geïntimeerde en zelfs promotie heeft gemaakt - op zijn minst niet goed uitgeklaard
- is)verklaarden dat zij het optreden van de appellante intimiderend vonden terwijl alle anderen kennelijk geen druk ondervonden hebben. Het blijkt ook geenszins zo te zijn dat de appellante in het algemeen haar bedrijvigheid geheim heeft willen houden (en zich dus bewust was van het foutief karakter van haar optreden) nu slechts één getuige verklaard heeft dat de appellante haar zelf om discretie heeft gevraagd. De door de geïntimeerde geschreven verklaringen (haar stukken 1 en 3) acht het Arbeidshof onvoldoende bewijskrachtig. Een waarschuwing had een herhaling van de door de geïntimeerde niet gesmaakte praktijken kunnen beletten. 5.2.1.6. Ook het laatste feit, de selectie van "klanten" van het maatschappelijk dienstbetoon aan de hand van het ledenbestand van de geïntimeerde en het bezoek van de geselecteerde "klanten" met het oog op het sluiten van een polis en/of het ronselen als agent, kan niet als een dringende reden worden aangezien, noch op zichzelf noch samen met de feiten vermeld in nr. 5.2.1.5. Het gebruik (misbruik) van het ledenbestand bewijst de geïntimeerde immers niet. Er weze gesteld dat het benaderen van "klanten", mocht het zijn gebeurd, niet kies zou zijn geweest. Het bewijs daarvan vindt het Arbeidshof echter niet, noch in de getuigenverklaringen noch in de verklaring van de heer H. (stuk 1 van de geïntimeerde) die door de geïntimeerde niet als getuige werd opgeroepen. Hierboven werd al gezegd dat de verklaring van mevrouw V., al weze zij onder eed afgelegd, met het nodige voorbehoud moet bekeken worden (de geschreven verklaring die de geïntimeerde als haar stuk 2 overlegt, bewijst overigens niets). 5.2.1.7. De geïntimeerde heeft de appellante op een onregelmatige wijze ontslagen en zij is haar de opzeggingsvergoeding waarvan sprake in artikel 39, ,§ 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, verschuldigd. Het hoger beroep is gegrond. 5.2.2. De opzeggingsvergoeding 5.2.2.1. De duur van de opzeggingstermijn moet bepaald worden overeenkomstig artikel 82, ,§ 3, van de Arbeidsovereenkomstenwet, nu het loon van de appellante de loongrens in de voornoemde bepaling, zoals toepasselijk in 2000, te weten 23.698,62 euro, overschreed. Dat om te bepalen of de voornoemde loongrens al dan niet is overschreden, rekening moet gehouden worden met het loon voor de prestaties alsof er geen vermindering van de arbeidsprestaties is geweest (dus met een maandloon van 2.273,80 euro), blijkt ondubbelzinnig uit artikel 103 van de Sociale Herstelwet. Artikel 82, ,§ 3, van de Arbeidsovereenkomstenwet, zegt dat de opzeggingstermijn wordt bepaald hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. De opzeggingstermijn voor een hogere bediende moet in de eerste plaats worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van het ontslag bestaande kans om spoedig een passende en gelijkwaardige betrekking te vinden, inzonderheid rekening houdend met de anciënniteit van de bediende, zijn leeftijd, zijn functie en zijn jaarloon (Cass., 3 februari 1986, Arr. Cass., 1985-86, 746). Het Arbeidshof oordeelt dat de geïntimeerde een einde had kunnen maken aan de arbeidsovereenkomst door middel van een opzeggingstermijn van negentien maanden, gelet op het gewicht van de factoren leeftijd (40 jaar en 10 maanden), anciënniteit (19 jaar), functie en loon (34.451,45 euro in 2000). Het Arbeidshof benadrukt dat uit artikel 103 van de Sociale Herstelwet ook volgt dat bij het bepalen van de concrete opzeggingstermijn rekening moet gehouden worden met het loon alsof de arbeidsprestaties niet waren verminderd. 5.2.2.2. De opzeggingsvergoeding waarop de appellante aanspraak kan maken, moet berekend worden op grond van het loon verschuldigd voor prestaties alsof er géén vermindering overeenkomstig artikel 102 van de Sociale Herstelwet ware geweest. De geïntimeerde verwart de gedeeltelijke schorsing in het kader van een vermindering van de arbeidsprestaties met het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid. De wetgever is overigens bij de redactie van het voornoemde artikel 103 van de Sociale Herstelwet van een zelfde verkeerde premisse uitgegaan. Is het "lopend loon" bij een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid evident het loon voor de deeltijdse prestaties, dan is dit bij een gedeeltelijke schorsing, zoals de vermindering van de arbeidsprestaties er één is, wel anders. Het is een algemene regel dat het "lopend loon" bij ontslag in een periode van schorsing (zowel volledig als gedeeltelijk) het loon is dat verschuldigd zou zijn wanneer er géén schorsing ware geweest. Een andersluidend standpunt zou tot volkomen absurde toestanden leiden. De vraag of en wanneer er aan de schorsing een einde zou zijn gekomen, is in het geheel niet relevant. Over de berekening van het basisloon dat de appellante hanteert, kan er geen ernstige betwisting zijn. De appellante heeft recht op een opzeggingsvergoeding van 19/12 van 34.451,90 euro hetzij van 54.548,13 euro. 5.2.3. De bijzondere vergoeding verschuldigd op grond van de Sociale Herstelwet 5.2.3.1. De appellante beroept zich op een onregelmatig ontslag op 24 juli 2000. Artikel 101, eerste, tweede en derde lid, van de Sociale Herstelwet, zoals toepasselijk op de datum van het ontslag, luidt als volgt: "Wanneer (...) de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van artikel 102, ,§ 1 en 102bis , mag de werkgever geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of om een voldoende reden. Dit verbod gaat in: - de dag van het akkoord (...). Als voldoende reden geldt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan (...) de in de artikelen 102 en 102bis bedoelde vermindering". 5.2.3.2. De "voldoende reden" in artikel 101 van de Sociale Herstelwet is elke reden die niets te maken heeft met de vermindering van de arbeidsprestaties door de appellante. Dit kan een reden van bedrijfsorganisatorische aard zijn of een reden verband houdend met de bekwaamheid of het gedrag van de geïntimeerde. Het komt de geïntimeerde toe te bewijzen dat de door haar ingeroepen reden de enige reden is voor het ontslag van de appellante en dat dit ontslag niet mede het gevolg is van het feit dat de appellante aanspraak heeft gemaakt op de uitoefening van de rechten die de Sociale Herstelwet haar toekende en waarmee de geïntimeerde trouwens zelf heeft ingestemd. Welnu, de reden van het ontslag wordt ondubbelzinnig gevormd door de feiten die de appellante in de ontslagbrief aangewreven worden. Het is niet omdat deze feiten niet voldoen aan het begrip dringende reden, dat zij geen voldoende reden voor het ontslag kunnen zijn. Het Arbeidshof heeft vastgesteld dat de appellante tekortkomingen heeft begaan. De geïntimeerde kon deze tekortkomingen aangrijpen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen (zij het niet zonder opzeggingstermijn) en zij toont aldus aan dat zij een "voldoende reden" had om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het hoger beroep is ongegrond. 5.2.4. De schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht 5.2.4.1. De appellante beroept zich op een misbruik door de geïntimeerde van haar ontslagrecht. Misbruik van recht kan er zijn wanneer het ontslagrecht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon, wat inzonderheid het geval kan zijn indien het ontslag wordt gegeven: - om de ontslagen partij te schaden; - zonder dat diegene die ontslaat, hierbij een redelijk belang heeft; - waarbij het redelijk belang dat door het ontslag wordt gediend, buiten verhouding staat tot het nadeel dat door de uitoefening ervan wordt toegebracht. Misbruik van recht kan er ook zijn wanneer het ontslagrecht van zijn doel wordt afgeleid (zie hierover CUYPERS, D., Misbruik van ontslagrecht en willekeurig ontslag, Brussel, 2002, nrs. 31-38; VAN EECKHOUTTE, W., "De motivering van het ontslag", in RIGAUX, M., (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht. 4, Antwerpen, 1993, nrs. 402 e.v.). Ten slotte kan misbruik van ontslag ook blijken uit de wijze waarop het ontslag werd gegeven. 5.2.4.2. Het Arbeidshof oordeelt dat van de stelling dat er in casu misbruik van ontslagrecht is geweest, geen enkel bewijs voorligt. Misbruik van recht volgt niet uit het feit dat de geïntimeerde de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft beëindigd om een dringende reden. Uit wat voorafgaat, blijkt dat het Arbeidshof het ontslag onregelmatig acht omdat de aan de appellante aangewreven fouten niet voldoen aan het begrip dringende reden. Fouten zijn er echter toch wel geweest. Bij een ontslag dat zich hierop beroept, kan bijgevolg geen misbruik gepleegd zijn. De geïntimeerde is aan de appellante generlei schadevergoeding verschuldigd. Het hoger beroep is ongegrond. 5.2.5. De vordering tot afgifte van sociale documenten De geïntimeerde voert terzake geen verweer. De vordering kan gegrond bevonden worden, weze het dat, ware dit gevraagd, aan de veroordeling geen dwangsom zou kunnen verbonden worden nu de vordering daarvoor te weinig concreet werd omschreven. HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenstaande gronden, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24. Recht doende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt dienvolgens het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, eerste kamer, d.d. 7 december 2004 (A.R. nr. 23.474/I), in zoverre de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding en tot afgifte van sociale documenten ongegrond wordt verklaard en in zoverre de appellante in de kosten van het geding wordt verwezen. Opnieuw wijzende, verklaart de vordering tot betaling een opzeggingsvergoeding gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt de geïntimeerde om aan de appellante te betalen als opzeggingsvergoeding de som van 54.548,13 euro (VIERENVIJFTIGDUIZEND VIJFHONDERD ACHTENVEERTIG EURO DERTIEN CENT), vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf 14 juli 2000 tot en met 27 februari 2001 en met gerechtelijke intrest vanaf 28 februari 2001. Veroordeelt de geïntimeerde tot de afgifte aan de appellante van aangepaste sociale documenten binnen de vijftien dagen na de betekening van het arrest. Veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten als volgt: - aan de zijde van de appellante: - uitgavenvergoeding: 58,25 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 279,62 euro - aan de zijde van de geïntimeerde: - vaste rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 279,60 euro Aldus uitgesproken op vrijdag tien februari tweeduizend en zes in openbare terechtzitting door de achtste kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting hadden: Jan Herman, raadsheer in het arbeidshof, voorzitter, Vroman Roseline, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Geerts René, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende en Hans Vermeiren, adjunct-griffier. (get.) H. Vermeiren - R. Geerts - R. Vroman - J. Herman. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060210.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div