← België

ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060407.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 07 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060407.6 Rolnummer: 36305;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 04:19 Fiche Uit de wettelijke bepalingen volgt dat het recht op een pensioen niet wordt toegekend in-dien dat toe te kennen recht op pensioen de wettelijk toegelaten grens overschrijdt in het werknemersstelsel. De eventueel toe te kennen pensioenen in andere stelsels kunnen niet samengeteld worden met het bedrag van de pensioenrechten in het werknemersstelsel. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Samenloop met andere pensioenstelsels Beperking toekenning van recht in werknemersstelsel. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 10bis - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Tekst van de beslissing A.R. nr. 363/05 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN APRIL TWEEDUIZEND EN ZES IN DE ZAAK VAN : R. V. P., openbare instelling, te , APPELLANT, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester A.-R. V. L., advocaat te G., TEGEN: D. C. A., wonende te , GEINTIMEERDE, ter openbare terechtzitting in persoon verschenen. x x x Gelet op de stukken, onder meer deze van het dossier van de rechtspleging en het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent, zesde kamer, op tegenspraak gewezen op 11 oktober 2005 dat bij gerechtsbrief van 18 oktober 2005 aan de partijen ter kennis werd gebracht. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Ar-beidshof te Gent, afdeling Gent, op 16 november

  1. Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 6 januari
  2. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door Substi-tuut-generaal Antoine Lievens en neergelegd ter griffie op 24 januari 2006, waarop partijen niet hebben gerepliceerd.
  3. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het komt der-halve ontvankelijk voor. x x x
  4. Over het voorwerp van de betwisting Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Gent op 31 de-cember 2004, heeft geïntimeerde beroep aangetekend tegen de beslissing van appellant, meegedeeld bij brief van 11 oktober 2004, dat zij een pensioen van 75,75 euro per jaar heeft opgebouwd. Dat pensioen kan haar echter niet worden toegekend, omdat het te laag is. Geïntimeerde is het met deze beslissing niet eens. Zij verwacht ook nog een pensioen voor twee jaar werken als alleenstaande zelfstandige, maar over het bedrag daarvan werd haar nog niets medegedeeld. Geïntimeerde verwacht wél dat beide bedragen de grens van 93,43 euro zullen overtreffen. Deze vordering werd ingeschreven op de algemene rol van de Arbeidsrechtbank te Gent onder het nummer 168.139/
  5. x x x De eerste rechter heeft bij vonnis van 11 oktober 2005 de vordering van geïntimeerde gegrond verklaard. De bestreden administratieve beslissing werd vernietigd in de mate dat zij het vastgestelde pensioen niet toekent. Voor recht werd gezegd dat geïntimeerde met ingang van 1 mei 2005 recht heeft op de uitbetaling door de R. v. P. van het bedrag van haar werkne-merspensioen, zoals dat bij beslissing van 11 oktober 2004 werd vastgesteld op 75,75 euro per jaar. Appellant werd veroordeeld tot het betalen van de overeenstemmende bedragen en de kosten van het geding. De eerste rechter was van oordeel dat geïntimeerde bewijst dat zij ook recht heeft op een pensioen als zelfstandige van 355,42 euro per jaar vanaf 1 mei 2005 en dat uit geen van de geciteerde paragrafen van het K.B. van 23 december 1996 tot uitvoering van de artike-len 15, 16 en 17 van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen blijkt dat het toepassingsgebied beperkt is tot de regeling voor werknemers. Uit niets blijkt dat 'het pensioen' waarvan sprake in artikel 5, ,§ 9 enkel het pensioen in het werknemersstelsel betreft. Het pensioen van geïnti-meerde overschrijdt de drempel wel degelijk en kan dus niet worden geweigerd op basis van artikel 5, ,§
  6. Geïntimeerde heeft dan ook recht op de uitbetaling van het werknemerspensioen en dit vanaf 1 mei
  7. Beroepsgrieven Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 16 november 2005, heeft appellant beroep ingesteld tegen hoger vermeld vonnis. De appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis omwille van volgende redenen: Artikel 5, ,§ 9 van het K.B. van 23 december 1996 bepaalt dat het pensioen waarvan het bedrag kleiner is dan 86,32 euro (gekoppeld aan spilindex 103,14 basis 1996 = 100) per jaar niet wordt toegekend. Deze maatregel gaat terug op artikel 10, ,§ 1, 5de lid van het K.B. nr. 50, ingevoegd bij arti-kel 10 van de Herstelwet van 10 februari 1981, waarin voorzien was dat het pensioenbe-drag, wanneer het minder dan 500 frank per jaar bedraagt (gekoppeld aan indexcijfer 114,20), niet wordt toegekend. Blijkens het verslag aan de koning, dat aan het K.B. van 23 december 1996 voorafging, werd deze bepaling op een summiere wijze overgenomen. Artikel 1 van het K.B. van 23 december 1996 voorziet in zijn paragraaf 1 dat de bepalingen van de hoofdstukken I tot en met V van toepassing zijn op de pensioenen die daadwerke-lijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan, en in zijn paragraaf 2 dat, voor zover de bepalingen van deze titel (bedoeld is titel I Pensioenen van het K.B.) niet afwijken van de bepalingen van het K.B. nr. 50 en de Wet van 20 juli 1990, deze laatstbe-doelde bepalingen van toepassing blijven op de pensioenen bedoeld in paragraaf
  8. Overeenkomstig artikel 1 van het K.B. nr. 50 bedoelt dit besluit enkel een regeling te treffen voor pensioenen ten voordele van de werknemers die in België tewerkgesteld zijn geweest, ter uitvoering van enige arbeidsovereenkomst, behalve die waardoor de werknemers in aanmerking komen voor een van de pensioenregelingen als bedoeld in artikel
  9. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat zowel het K.B. nr. 50 als het K.B. van 23 de-cember 1996, en inzonderheid ook het bepaalde in artikel 5, ,§ 9 hiervan, enkel van toepas-sing zijn op de werknemerspensioenen. Bedoeld artikel 5, ,§ 9 voorziet ten andere dat het pensioen niet wordt toegekend indien het bedrag ervan kleiner is dan het bepaalde; er dient vastgesteld te worden of aan deze voor-waarde tot toekenning van een pensioen is voldaan op het ogenblik dat de R.V.P. als toe-kenningsinstelling de beslissing tot toekenning of weigering van het pensioen neemt, niet op het ogenblik dat hij als betalingsinstelling kennis krijgt van een eventuele toekenning in een andere pensioenregeling. Het K.B. van 23 december 1996 werd bekrachtigd bij artikel 5, ,§ 1 van de Wet van 13 juni
  10. De rechter kan zich bijgevolg niet meer uitspreken over de vraag of artikel 5, ,§ 9 van het K.B. van 23 december 1996 wel een rechtsgrond vindt in de machtiging gegeven door artikel 15 van de Wet van 26 juli
  11. Immers, door de bekrachtiging dient de in het ge-ding zijnde bepaling te worden beschouwd als een maatregel met wetgevende kracht, waardoor de wetgever dient te worden geacht zich de door de uitvoerende macht neerge-legde regel te hebben toegeëigend. Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 145/2005 van 21 september 2005 geoordeeld dat artikel 5, ,§ 9 van het K.B. van 23 december 1996 de bepalingen van de grondwet niet schendt. Het Hof stelt in zijn overwegingen uitdrukkelijk dat de bedoelde bepaling betrek-king heeft op personen die als werknemer prestaties hebben verricht waarop de toeken-ning van het recht op wettelijk pensioen wordt gebaseerd en op de grootte van het pensi-oenbedrag dat aan de werknemers bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou kunnen worden uitbetaald op grond van de door hen verrichtte prestaties. Het arrest voegt hieraan toe dat de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van personen met voldoende inkomsten, onder meer uit andere pensioenrechten (in huidig ge-val in het stelsel der zelfstandigen). Appellant vordert dan ook het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslis-sing van 6 oktober 2004, betekend op 11 oktober 2004, te bevestigen. x x x Geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. x x x
  12. Bespreking Het Hof verwijst naar de vaststellingen en overwegingen gedaan door het Openbaar Ministerie in zijn geschreven advies en die grotendeels worden overgenomen. 4.
  13. Een eerste vraag die zich stelt is te weten of het toepassingsgebied van het K.B. van 23 december 1996, tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (B.S. 17 januari 1997) zich beperkt tot de werknemerspensioenen. De eerste rechter betwijfelt of de bepalingen van de artikelen 15, 16 en 17 Wet van 26 juli 1996, tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wette-lijke pensioenstelsels, wel een rechtsgrond bevatten op grond van dewelke de Koning het recht op pensioenen beneden een zekere drempel kan ontzeggen. Een toetsing aan artikel 159 Grondwet is evenwel niet geboden, alleen reeds omdat zoals ap-pellant terecht stelt het K.B. van 23 december 1996 werd bekrachtigd bij artikel 5, ,§ 1 Wet van 13 juni 1997, B.S. 19 juni 1997 (waardoor het trouwens vatbaar kon zijn voor een vraag aan het Arbitragehof) terwijl, naar het oordeel van het Arbitragehof, de in het geding zijnde maatregel wel degelijk zijn grondslag vindt in artikel 15 van de voornoemde Wet van 26 juli 1996, en bij-draagt tot 'het moderniseren van het beheer van de sociale zekerheid door (..) een vereenvou-diging van de administratieve verplichtingen', dat in artikel 2, 5° van diezelfde wet wordt vermeld als één van de basisprincipes waarvan zij uitgaat (Arbitragehof, 21 september 2005, arrest nr. 145/2005, overweging B4.4, B.S. 27 oktober 2005, 46849). De eerste rechter stelt terecht dat artikel 1 K.B. 23 december 1996 tot uitvoering van de artike-len 15, 16 en 17 van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, niet uitdrukkelijk bepaalt dat de toepassing van dit Koninklijk Besluit wordt beperkt tot de pensioenen in het stelsel der werk-nemers, terwijl de artikelen 15, 16 en 17 van de Wet van 26 juli 1996 zelf, minstens niet alle bepalingen ervan, niet uitsluitend betrekking hebben op dat stelsel. Het feit dat het merendeel van de bepalingen van het K.B. van 23 december 1996 duidelijk en-kel kunnen betrekking hebben op het stelsel der werknemers, sluit anderzijds weliswaar niet uit dat bepaalde bepalingen ervan wel betrekking kunnen hebben op de pensioenen, toegekend of toe te kennen in andere stelsels. Het feit dat alle bepalingen van artikel 5, ,§ 1 tot en met ,§ 8 K.B. van 23 december 1996 het dui-delijk hebben over de pensioenen in het stelsel der werknemers, wijst er evenwel op dat met ar-tikel 5, ,§ 9 K.B. van 23 december 1996 ook enkel het pensioen in de sector der werknemers is bedoeld. Bovendien blijkt ook uit de historiek van deze bepaling dat ze (als besparingsmaatregel?) be-doeld was voor de pensioenen toe te kennen in de sector der werknemers. De in het geding zijnde maatregel gaat terug op artikel 10 van de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, waarbij artikel 10, ,§ 1 K.B. nr. 50 van 24 ok-tober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers werd aangevuld (zie voor de verdere historiek: Arbitragehof 21 september 2005, arrest nr. 145/2005, overweging B3.1 en B3.2, B.S. 27 oktober 2005, 46849). Deze rechtsvraag is bovendien niet dienstig tot oplossing van het aangebracht geschil, omdat een ander standpunt enkel tot gevolg kan hebben dat ook het pensioen in een ander stelsel desgevallend niet zou kunnen worden toegekend indien dat bedrag de bedoelde grens niet zou overschrijden. Uit een ander antwoord op deze rechtsvraag volgt trouwens ook niet dat met het woord 'pensi-oen' van artikel 5, ,§ 9 K.B. 23 december 1996, niet een afzonderlijk toe te kennen pensioen maar desgevallend al de, in verschillende stelsels toe te kennen, pensioenen samen zouden bedoeld zijn. x x x 4.
  14. De tweede vraag die zich stelt is te weten of de samenloop met eventueel andere pensioenstelsels invloed heeft op de bepalingen van artikel 5, ,§ 9 K.B. van 23 december
  15. Krachtens artikel 5, ,§ 9 K.B. van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het pensioen waarvan het bedrag kleiner is dan 86,32 euro per jaar niet toegekend. Dit bedrag is gekoppeld aan spilindexcijfer 103,14 basis 1996 : 100 (..). (In het geval van geïntimeerde bedraagt het theoretisch rustpensioen werknemers 75,75 euro per jaar, geïndexeerd). Uit deze wettelijke bepalingen volgt dat dit recht zelf niet wordt toegekend, indien dat toe te kennen recht, dat toe te kennen pensioen, de bedoelde grens niet overschrijdt en niet indien al-le eventueel aan betrokkene in verschillende stelsels toe te kennen pensioenen samen die grens zouden overschrijden. Het feit dat de rechtzoekende daarnaast nog aanspraak kan maken op een ander pensioens-recht is daarbij niet relevant. (Geïntimeerde is gerechtigd op een rustpensioen zelfstandige al-leenstaande ten bedrage van 355,42 euro (index 113,87) per jaar). Het feit dat appellant zowel de pensioenen in de sector werknemers als in de sector zelfstandi-gen uitbetaalt doet daar niets aan af. Indien dit in aanmerking zou worden genomen, wat trouwens in strijd is met de duidelijke en dus niet, ook niet aan de hand van de ratio legis, nader te interpreteren bepaling, wordt een voorwaarde toegevoegd aan de wet en zou er bovendien een discriminatie ontstaan tussen de rechthebbenden die aanspraak kunnen maken op meerdere pensioenen die uitbetaald worden door appellant en personen die aanspraak kunnen maken op meerdere pensioenen, zoals een pensioen in de openbare sector, die deels door andere instellingen worden uitbetaald. Ten overvloede kan er nog worden op gewezen dat het Arbitragehof heeft vastgesteld en aan-genomen dat de maatregel slechts geldt voor pensioenen waarvan het bedrag op jaarbasis zeer klein is en als dusdanig geen onevenredige gevolgen heeft, niet ten aanzien van personen met voldoende inkomsten, onder meer uit andere pensioenrechten, en evenmin ten aanzien van personen met onvoldoende inkomsten die een beroep kunnen doen op het gewaarborgd inkomen voor bejaarden (thans inkomensgarantie voor ouderen) (Arbitragehof 21 september 2005, arrest nr. 145/2005, overweging B6, B.S. 27 oktober 2005, 46849). Appellant heeft het in geschil zijnde pensioenrecht van betrokkene in de sector der werknemers terecht niet toegekend, zodat het bijgevolg ook niet kan worden uitbetaald samen met het pen-sioenrecht haar wel toegekend in de sector der zelfstandigen. x x x 4.
  16. Besluit: Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond. x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzon-derheid op het artikel 24; Alle andere en strijdige conclusies verwerpende; Rechtdoende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt derhalve het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent, zesde kamer, op tegenspraak gewezen op 11 oktober 2005 in al zijn beschikkingen. En opnieuw wijzende, Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de bestreden administratieve beslissing van appellant, betekend op 11 oktober
  17. Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, alinea 2 van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van beide aanleggen, niet vereffend bij gebrek aan opgave. Aldus uitgesproken op vrijdag zeven april tweeduizend en zes in openbare te-rechtzitting door de vijfde Kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zitting hadden: Lionel Dewulf, kamervoorzitter in het Arbeidshof, Walter Uyttenhove, raads-heer in sociale zaken benoemd als werkgever, Willy Impens, raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende en Lutgardis Van Schoors, eerstaanwezend adjunct-griffier. w.g. L. Van Schoors W. Impens - W. Uyttenhove - L. Dewulf. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060407.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.