← België

ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060421.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 21 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060421.9 Rolnummer: 20005;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-01 04:22 Fiche 1

  1. Nadat de beslissing met betrekking tot de pensioenrechten van de gewezen echtgenote getroffen is, kan geen afstand meer gedaan worden van de aanvraag op het overlevingspensioen.
  2. Wanneer de overledene tweemaal gehuwd is, wordt het overlevingspensioen verdeeld onder de twee gewezen echtgenotes in verhouding tot het aantal arbeidsjaren van de overledene tijdens de duur van de huwelijken. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Pensioen NMBS - Overlevingspensioen - Tweede huwelijk - Afstand door een van de gewezen echtgenoten. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Fiche 2 De N.M.B.S. is geen overheid of instelling vermeld in art. 1017 tweede lid Ger. W.. De ge-rechtigde zal, in het geval hij (zij) in het ongelijk wordt gesteld veroordeeld worden tot de gedingkosten. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Gedingkosten instelling belast met de toepassing van pensioenrechten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1017,2delid Tekst van de beslissing Vijfde kamer A.R. nr.: 200/05 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES IN DE ZAAK VAN: E. D., wonende te , APPELLANTE, verschijnend bij meester I. D. B., advocaat te H., TEGEN: NMBS H., met zetel te , voorheen genaamd N. M. d. B. B., GEINTIMEERDE, verschijnend bij meester D. V., advocaat te G.. x x x
  3. NOPENS DE PROCEDURE EN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid op het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis door de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, d.d.12 april 2005, dat overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek door de griffier bij gerechtsbrief, ter post afgegeven op 18 april 2005, aan partijen ter kennis werd gebracht. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 18 mei
  4. Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzit-ting van 17 februari
  5. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door substituut-generaal Antoine Lievens, en neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 1 maart 2006, waarop appellante haar opmerkingen heeft ge-formuleerd bij repliekconclusie neergelegd ter griffie op 16 maart
  6. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ont-vankelijk.
  7. NOPENS HET VOORWERP VAN DE BETWISTING Bij beslissing (ref. 3294.3300.7) van geïntimeerde werd bij schrijven van 13 september 2000 aan appellante de toekenning en berekening van het overlevingspen-sioen ter kennis gebracht. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, op 12 december 2000, stelde appellante beroep in tegen deze beslissing. Bij vonnis van 11 mei 2005 van de vierde kamer van genoemde rechtbank werd de vordering ontoelaatbaar en onontvankelijk verklaard, gelet op het feit dat deze zaak niet kon ingeleid worden bij verzoekschrift. In toepassing van artikel 14 van het Handvest van de sociaal verzekerde (Wet 11 april 1995), dient te worden geoordeeld dat gelet op de foutieve aanduiding van de wijze waarop de voorziening diende te worden ingesteld, wat gelijk staat met een niet-vermelding ervan, de voorzieningstermijn om beroep aan te tekenen tegen de bestre-den beslissing nog niet is beginnen lopen. Op 27 juli 2004 zijn appellante en geïntimeerde vrijwillig verschenen met ver-zoek de bestreden beslissing van geïntimeerde te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat appellante gerechtigd is op de integrale som van het overlevingspensioen zonder aftrok verdeeld pensioen met de uit de echt gescheiden echtgenote van wijlen de heer F. V. L., dit met ingang van 1 januari 2000 en verder en tot het horen veroorde-len van de N.M.B.S. tot betaling van de wettelijke intresten op het overlevingspensioen dat appellante ingevolge de bestreden beslissing niet heeft ontvangen. Tevens geïnti-meerde te horen veroordelen tot de kosten van het geding. Proces-verbaal werd opgemaakt waarbij aan de partijen akte werd verleend dat de rechtbank over de vordering zal beslissen. Bij vonnis van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, af-deling Dendermonde, van 12 april 2005, werd de vordering ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond. De bestreden beslissing werd bevestigd. Appellante werd veroordeeld tot de kosten van het geding. De eerste rechter oordeelde dat aangezien er reeds een beslissing werd ge-nomen, er een definitieve rechtsverhouding was ontstaan. Indien er een definitieve rechtsverhouding is ontstaan kan er enkel afstand worden gedaan in de zin van artikel 79 Wet 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector. Mevrouw V. B., de uit de echt gescheiden echtgenote van de overledene, be-vindt zich niet in één van de opgesomde situaties, zodat er geen wettelijke basis be-staat op grond waarvan zij het recht heeft om haar pensioenaanvraag in te trekken.
  8. NOPENS DE BEROEPSGRIEVEN Appellante acht zich gegriefd door het vonnis a quo en stelt hoger beroep in om navernoemde redenen. 3.
  9. Er wordt toepassing gemaakt van verdeling van het overlevingspensioen tussen de langstlevende echtgenote en de uit echtgescheiden echtgenote, dit conform de art. 34 en 35 van de bepalingen aangaande het Statuut van het Personeel van de N.M.B.S. Oorspronkelijk verweerster maakt in casu evenwel onterecht toepassing van art. 36 dat bepaalt dat het pensioen van de langstlevende echtgenoot niet wordt ge-wijzigd in geval van vermindering of schorsing van het pensioen aan de uit de echt gescheiden echtgenote of in geval van overlijden van deze laatste. De vraag die zich wel stelt is of geïntimeerde de verdeling nog kan handhaven, zo - zoals in casu - de uit de echt gescheiden echtgenote haar pensioenaanvraag intrekt en uitdrukkelijk afstand doet van de rechten die uit die aanvraag voort-vloeiden. 3.
  10. Geïntimeerde erkent in besluiten dat "enkel indien de echtgescheiden echtgenoot een pensioenaanvraag indient maar deze later intrekt, zou het volledige bedrag van het overlevingspensioen kunnen worden toegekend aan de langstlevende echtgenote. In dit geval kan de pensioenaanvraag immers als onbestaande wor-den beschouwd, voor zover er daardoor geen bestaande definitieve rechtsver-houdingen worden aangetast ". Geïntimeerde baseert zich op artikel 79 Wet 21 mei 1991 om te besluiten dat mevrouw V. B. geen afstand kon doen van haar pensioenaanvraag en de daaruit voortvloeiende gevolgen: elk persoon die een in artikel 78 bedoeld pen-sioen ge-niet, kan op elk ogenblik afstand doen van de uitbetaling van de totaliteit van dit pensioen, indien hij daardoor een ander voordeel verkrijgt in het kader van de toekenning of de berekening van een niet in dat artikel bedoeld pensioen of in-dien het een overlevingspensioen betreft, een in hetzelfde artikel bedoeld overle-vingspensioen verkrijgt waarvan de rechten voortvloeien uit een ander huwelijk. Mevrouw V. B. bevond zich niet in één van de opgesomde situaties, zodat een afstand doen van haar pensioen niet mogelijk zou zijn. Moet worden onderstreept dat mevrouw V. B. geen afstand doet van uitbetaling van het pensioen, hetwelk te allen tijde omkeerbaar is. Immers, artikel 81 van voormelde wet voorziet uitdrukkelijk dat de persoon die gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 79 bepaalde mogelijkheid, op elk ogenblik mag vragen dat de uitkering van zijn pensioen voor de toekomst wordt hervat.... Mevrouw V. B. heeft afstand gedaan van haar aanvraag zelf ( ) en logischerwijze van de gevolgen daaruit voortvloeiend. 3.
  11. Zo te allen tijde kan worden teruggekomen op de vraag tot afstand van uitbetaling van pensioen (scenario artt. 79 e.v. Wet 1991) vloeit daaruit voort dat geen ge-volg kan worden gegeven aan een verzoek zoals geformuleerd door verzoekster gelet op bestaande rechtsverhoudingen; de situatie is evenwel anders: mevrouw V. B. doet onherroepelijk afstand van haar aanvraag en aldus van elk recht in het kader van een overlevingspensioen ingevolge overlijden van haar ex-man. Mevrouw V. B. had de vrijheid haar pensioenaanvraag in te dienen. Er is geen enkel wetsartikel dat verbiedt dat mevrouw V. B. terugkomt op haar aanvraag en aldus afstand doet van haar recht "ex tunc". Het "openbaar orde karakter" van de pensioenwetgeving kan hieraan niet in de weg staan. Immers de subjectieve rechten beschermd door het openbaar orde karakter ervan, ontstaan slechts voor mevrouw V. B. zodra zij daarvoor kiest, in concreto met een aanvraag. Zo de grondslag voor het ontstaan van haar recht, met name een aanvraag (vrij-willige rechtshandeling), wordt weggenomen, met name door de intrekking ervan (vrijwillige rechtshandeling), kan onmogelijk verder gevolg worden gegeven aan een (onbestaande) aanvraag. Het overlevingspensioen naar aanleiding van het overlijden van wijlen de heer F. V. L. komt integraal toe aan appellante. 3.
  12. Geïntimeerde ent haar standpunt op het gegeven dat met het ingaan op de vor-dering van verzoekster "bestaande definitieve rechtsverhoudingen worden aan-getast". De eerste rechter heeft dit standpunt gevolgd, aannemend dat met de beslissing bestaande definitieve rechtsverhoudingen zijn ontstaan. Vraag is daarbij wanneer onomkeerbare definitieve rechtsverhoudingen ontstaan. In de Ministeriële Omzendbrief met betrekking tot de toepassing van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde en het Koninklijk Besluit van 16 juli 1998 tot uitvoering voor de pensioenstelsels van de openbare sector van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, leest verzoekster onder V, Herziening van beslissin-gen: de artikelen 17 en 18 van het Handvest bepalen de gevolgen van de herzie-ning van een beslissing. Volgende principes gelden voor beslissingen inzake pensioenen van de openbare sector: deze beslissingen kunnen steeds herzien worden... Bij de kennisgeving van de berekening van het pensioen kan mevrouw V. B. zich de consequenties gerealiseerd hebben, wat voor haar een nieuw gegeven was, waardoor zij duidelijk heeft te kennen gegeven afstand te doen van de aan-vraag en alle gevolgen daaruit voortvloeiend. De vraag moet dan gesteld worden, in de lijn van de toepassing van artikel 1134, 2de en 3de lid B.W., in hoeverre geïntimeerde zich te goeder trouw heeft opgesteld (beperkende werking van de goede trouw). Immers in huidige omstandigheden gaat het aandeel van mevrouw V. B., waarvan zij uitdrukkelijk afstand doet, inte-graal naar de pensioenkas. Appellante vordert het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het vonnis a quo te vernietigen. De bestreden beslissing te vernietigen en te zeggen voor recht dat appellante gerechtigd is de integrale som van het overlevings-pensioen te ontvangen, zonder aftrok verdeeld pensioen met uit de echt gescheiden echtgenote, met ingang van 1 januari
  13. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. x x x In besluiten neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, op 8 september 2005, volhardt geïntimeerde in zijn stelling.
  14. BESPREKING Het Hof verwijst naar het geschreven advies van het Openbaar Ministerie dat groten-deels wordt overgenomen. 4.
  15. Feitelijke gegevens 4.1.
  16. Appellante is de langstlevende echtgenote van wijlen V. L. F.. Vóór het huwelijk van appellante en F. V. L. is laatstgenoemde gehuwd geweest met M. V. B. tot 25 oktober
  17. F. V. L., die tewerkgesteld is geweest bij geïntimeerde, is overleden op 31 december
  18. Vervolgens dienden beide gewezen echtgenotes van de overledene tijdig een aanvraag in bij geïntimeerde tot het bekomen van een overlevings-pensioen, appellante op 10 januari 2000 en M. V. B. op 2 februari
  19. Aan appellante, D. E., wordt bij brief van 13 september 2000 de bereke-ning van haar overlevingspensioen ter kennis gebracht. Met die berekening wordt haar een overlevingspensioen toegekend van 376.578 BEF, zijnde het principieel toe te kennen overlevingspensioen van 501.099 BEF verminderd met het aan M. V. B. toe te kennen pensioen van 124.521 BEF. Eveneens op 13 september 2000 werd door geïntimeerde aan M. V. B. een overlevingspensioen toegekend vanaf 1 januari 2000 uit hoofde van de prestaties van wijlen F. V. L., van 124.521 BEF, haar daarbij evenwel aan-zeggende dat dit bedrag op 1 januari 2000 wordt teruggebracht tot nul BEF op grond van de cumulatieregels met het rustpensioen van betrokkene. Om reden dat M. V. B. een eigen rustpensioen geniet dat hoger is dan 55% van de globale gemiddelde wedde van de laatste vijf loopbaanjaren van de overlevende, wordt haar deel van het overlevingspensioen niet uit-betaald en werd het geschorst overeenkomstig artikel 40bis Wet van 5 augustus
  20. Eveneens op 13 september 2000, met twee afzonderlijke brieven, zendt geïntimeerde dezelfde berekeningnota's (voor zowel V. B. als E.) aan de Administratie der Pensioenen, destijds Ministerie van Financiën, met verzoek zijn akkoord met de berekening mede te delen. De reden hiervan is, blijkens de berekeningnota's, dat een zeer beperkt deel van het overlevingspensioen dient ten laste te worden genomen door de Administratie der Pensioenen, voor 7 maanden en 27 dagen dienst van de overlevende bij het Ministerie van Financiën van destijds. Bij brief van 27 september 2000 van haar raadsman betwist appellante de berekening van haar overlevingspensioen zoals haar ter kennis gebracht bij brief van 13 september
  21. Ze vraagt of de aanvraag tot het beko-men van een overlevingspensioen door V. B. al dan niet onomkeerbaar is en of zij desgevallend het volledig pensioen kan ontvangen. Dit wordt door geïntimeerde bij brief van 13 oktober 2000 ontkennend be-antwoord. De aangevochten beslissing werd een eerste maal bestreden bij verzoek-schrift van 12 december 2000, dat werd afgewezen om procedureredenen. Geïntimeerde erkent bij onder meer conclusie van 8 september 2005 dat M. V. B. hem (tijdens de eerste procedure) heeft aangeschreven bij brief van 19 november 2001, met de bedoeling dat het haar toegekende pensi-oen aan appellante zou worden toegekend. Met die brief zou V. B. haar pensioenaanvraag hebben ingetrokken en af-stand gedaan van ieder pensioen. Van deze brief zelf wordt geen afschrift overgelegd door partijen. 4.1.
  22. Zowel de langstlevende als de uit de echt gescheiden echtgenote van wij-len F. V. L. hebben tijdig een aanvraag ingediend bij geïntimeerde tot het bekomen van een overlevingspensioen gesteund op de beroepsloopbaan van de overledene. Het tijdig indienen van de aanvraag was vooral voor de uit de echtgeschei-den echtgenote van belang omdat, indien die echtgenote geen aanvraag had ingediend binnen een termijn van één jaar, zij dan dat recht had verlo-ren overeenkomstig artikel 33 van Hoofdstuk XVI van het Statuut van het Personeel van de N.M.B.S. en het volledig pensioen dan zou zijn toege-kend aan de langstlevende echtgenote. Het bewust overlevingspensioen werd door geïntimeerde bij beslissingen van 13 september 2000, in beginsel op juiste wijze verdeeld onder de twee gewezen echtgenotes van de overledene, overeenkomstig onder meer de artikelen 7 en 8 Wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmoni-sering in de pensioenregelingen en (zie kopie in administratief dossier) de artikelen 34 en 35 van Hoofdstuk XVI van het Statuut van het Personeel van de N.M.B.S., onder meer in verhouding tot het aantal arbeidsjaren van de overledene tijdens de duur van de huwelijken. De juistheid van de door geïntimeerde toegepaste verdeling en toekenning van het overlevingspensioen wordt op zich niet betwist, maar appellante vraagt dat het deel van V. B. aan haar zou worden toegekend en uitbe-taald, omdat V. B. toch haar deel van het overlevingspensioen niet kan ge-nieten, en dat de aanvraag van V. B. als niet bestaande zou worden be-schouwd, zodat dus overeenkomstig artikel 33 voornoemd het volledig overlevingspensioen aan haar zou kunnen worden toegekend. 4.
  23. Nopens de zogenaamde afstand van het pensioen van de uit de echtgescheiden gerechtigde Geïntimeerde erkent dat M. V. B., bij brief van 19 november 2001 haar "aan-vraag" zou hebben ingetrokken en afstand zou hebben gedaan van haar pensi-oen. Het blijkt in elk geval niet dat geïntimeerde zou zijn ingegaan op een van deze aanvragen en, ofwel de oorspronkelijke aanvraag als ingetrokken zou hebben aangenomen of desgevallend een nieuwe beslissing zou hebben genomen tot herziening van de oorspronkelijke beslissing wat de rechten, ook al zijn het slechts principiële, van M. V. B. betreft. Aangezien door geïntimeerde op de aanvraag van V. B. reeds werd beslist op 13 september 2000, kon die aanvraag niet meer, met enig rechtsgevolg, als onbe-staande of ingetrokken worden aangenomen. Er was gewoon geen aanvraag meer maar wel een beslissing. Door het intrekken van de aanvraag, wordt de beslissing niet aangevochten laat staan aangetast. Evenmin doet een herzieningsaanvraag van de beslissing de (definitief) gedane aanvraag teniet, zoals appellante suggereert in haar repliek op het advies van het Openbaar Ministerie. Een herzieningsaanvraag en afstand van aanvraag zijn ver-schillende rechtshandelingen en mogen niet verward worden. Een afstand van recht ex tunc is een imaginaire constructie die nochtans niet een beslissing, die reeds uitwerking heeft (gehad), ongedaan kan maken. Appellante stelt terecht dat krachtens artikel 79 (zoals van toepassing tot 1 janua-ri 2003 - nadien gewijzigd maar met een vergelijkbare inhoud) Wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector, elke persoon die een in artikel 78 bedoeld pensioen ge-niet (onder meer overlevingspensioen in de openbare sector) op elk ogenblik af-stand kan doen van de uitbetaling van de totaliteit van dit pensioen, indien hij daardoor een ander voordeel verkrijgt in het kader van de toekenning of de bere-kening van een niet in dat artikel bedoeld pensioen of, indien het een overle-vingspensioen betreft, een in hetzelfde artikel bedoeld overlevingspensioen ver-krijgt waarvan de rechten echter voorvloeien uit een ander huwelijk. Deze bepaling is te dezen evenwel niet toepasselijk omdat niet blijkt dat V. B. door haar afstand een ander voordeel zou kunnen bekomen. Bij afdeling V van de door appellante overgelegde Ministeriële Omzendbrief van 17 september 1998 wordt weliswaar terecht gesteld dat de beslissingen overeen-komstig de artikelen 17 en 18 van het Handvest van de sociaal verzekerde en het K.B. van 16 juli 1998 steeds kunnen worden herzien, maar dat betekent niet dat elke beslissing kan of dient te worden herzien in de zin dat een rechtzoekende dat zou wensen, laat staan door het Arbeidshof met betrekking tot de rechten van die rechtzoekende die niet in zake is. 4.
  24. Nopens de rechtsgevolgen van de aanvraag van en toekenning van het overle-vingspensioen aan de uit de echt gescheiden vrouw Het blijkt in elk geval niet dat M. V. B. de beslissing die haar werd betekend (tij-dig) heeft aangevochten en het blijkt evenmin dat geïntimeerde, desgevallend in-gaand op de brief van 19 november 2001, de rechten van M. V. B. zou hebben herzien, bijvoorbeeld door de principiële toekenning van het overlevingspensioen teniet te doen, wat op zich evenmin blijkt te zijn betwist door M. V. B.. Bovendien blijkt, zoals hierboven uiteengezet, ook niet dat M. V. B. enige rechts-grond zou hebben of hebben gehad waardoor ze de beslissing die betrekking heeft op het haar in beginsel toegekend overlevingspensioen gesteund op de te-werkstelling van wijlen F. V. L., zou kunnen betwisten of doen herzien. Anderzijds mogen we niet vergeten dat M. V. B. niet in zake is zodat door het Ar-beidshof op tegenstelbare wijze, niet aan haar principiële rechten kan worden ge-raakt. In de veronderstelling dat er een herziening mogelijk zou zijn van de verminde-ring van de toekenning van het pensioen aan appellante, dan impliceert dit ook dat tevens de beslissing met betrekking tot M. V. B. moet worden vernietigd en herzien. Aangezien M. V. B. niet in zake is, is dat uiteraard niet mogelijk. Gelet alleen daarop reeds kan het Arbeidshof onmogelijk het deel van het overle-vingspensioen dat in beginsel is toegekend aan M. V. B., toekennen aan appel-lante. 4.
  25. Nopens de rechtsgevolgen van de aanvraag van en toekenning van het overle-vingspensioen aan de weduwe De situatie van appellante is bovendien, van haar kant, duidelijk opgenomen in artikel 8 zesde lid Wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en in artikel 36 van voornoemd Statuut, die stellen dat het pensioen van de langstlevende echtgenoot niet wordt gewijzigd in geval van vermindering of schorsing van het pensioen van de uit de echt gescheiden echt-genoot of in geval van overlijden van deze laatste. Appellante stelt ten onrechte dat er geen sprake zou zijn van een vermindering of schorsing van het pensioen maar van een afstand van het pensioen. Op het ogenblik dat de brief tot afstand werd verzonden was er al een verminde-ring (lees schorsing) toegepast. In haar repliek geeft appellante toe dat mevrouw V. B. kennelijk nooit een aan-vraag tot het overlevingspensioen zou gedaan hebben indien zij op de hoogte zou geweest zijn van de geldende bepalingen. Laatstgenoemde zou nochtans beter moeten weten gezien zij zelf een pensioen genoot van geïntimeerde en zelf onder het statuut viel. Indien geïntimeerde, ingaand op die brief de rechten van V. B. en van appellante zou hebben herzien, dan zou hij onder meer voornoemde wettelijke bepalingen hebben geschonden, wat het Arbeidshof uiteraard ook niet mag. Appellante heeft haar rechten bekomen overeenkomstig de toepasselijke wettelij-ke bepalingen, en kan geen bijkomende rechten putten uit het feit dat de andere echtgenote door toepassing van cumulatieregels geen overlevingspensioen kan ontvangen. Terecht merkt het Openbaar Ministerie op dat uit niets blijkt dat geïntimeerde eni-ge kwade trouw zou kunnen worden verweten. De toegepaste regeling steunt niet op willekeur maar is verantwoord op grond van wettelijke bepalingen. Het is niet omdat een deel van het overlevingspensioen niet moet worden uitbe-taald door toepassing van wettelijke cumulatieregelingen, dat geïntimeerde te kwader trouw zou zijn. Artikel 1134 B.W. is toepasselijk op overeenkomsten en te dezen dus niet toe-passelijk. 4.
  26. Nopens de gedingkosten De arbeidsgerechten zijn bevoegd om kennis te nemen van het aangebracht ge-schil krachtens artikel 13 laatste lid (toegevoegd bij Wet van 10 oktober 1967) Wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de N.M.B.S. (zie o.m. ook: Cass. 28 maart 1973, R.W. 1974-75, 1047). Deze bepaling is niet opgenomen in artikel 1017 tweede lid Ger. W. Aangezien geïntimeerde in de bestreden beslissing noch de bevoegde rechts-macht, noch de termijn, noch de wijze waarop verhaal kan worden ingesteld, heeft vermeld, meent het Hof dat de kosten voor 9/10 ten laste dienen gelegd van geïntimeerde. Het hoger beroep is ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond wat de kosten betreft. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en inzonderheid op artikel
  27. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Rechtdoende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch in beperkte mate gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, van 12 april 2005, behalve wat de veroordeling tot de kosten betreft. Zegt voor recht dat, overeenkomstig artikel 1017, derde alinea, van het Ge-rechtelijk Wetboek de kosten van beide aanleggen voor 9/10 ten laste worden gelegd van geïntimeerde en voor 1/10 ten laste van appellant. Vereffent de kosten als volgt: - aan zijde van appellant: in eerste aanleg: rechtsplegingsvergoeding: EUR 104,86 (herleid bedrag) in hoger beroep: rechtsplegingsvergoeding: EUR 142,79 - aan zijde van geïntimeerde: geen opgave van kosten. Aldus uitgesproken op vrijdag éénentwintig april tweeduizend en zes in open-bare terechtzitting door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting hadden, Lionel Dewulf, kamervoorzitter in het arbeidshof, voorzitter, Paul Verdonck, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Dirk Schaillée, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende, en Dorine De Clercq, griffier. D. DE CLERCQ P. VERDONCK D. SCHAILLEE L. DEWULF PDF document ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060421.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.