← België

ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060505.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 05 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060505.1 Rolnummer: 21903;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-26 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-01 04:25 Fiche Artikel 36, ,§ 2, tweede lid, K.B. nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen: terugvordering van ten onrechte uitgekeerde zelf-standigenrustpensioenbedragen verjaringstermijn van vijf jaar ten aanzien van sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis gepensioneerde zelfstandige die beroepsbezigheid voortzet, mits de beperking van het inkomen daaruit tot de wettelijk vastgestelde grenzen verbintenis tot aangifte in geval van wijziging van de beroepsbezigheid en van de inkom-sten die eruit voortvloeien niet aangifte dat beroepsinkomsten hoger lagen dan het grens-bedrag goede of kwade trouw doen niet ter zake. Artikel 36, ,§ 2, derde lid, K.B. nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en over-levingspensioen der zelfstandigen: stuiting van de verjaring door het opvorderen van de onverschuldigde betalingen door middel van een verbeterende beslissing, behoorlijk aan de betrokkene betekend door een rechtscollege kennisgeving per gerechtsbrief door de grif-fier van het vonnis waarin de rechter zich in de plaats van het bestuur heeft gesteld en heeft beslist door zogeheten "substitutie van motieven". Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 10-11-1967 - 36§2,2°en3°lid - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Tekst van de beslissing A.R. nr. : 219/03 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF MEI TWEEDUIZEND EN ZES. IN DE ZAAK VAN: V. T. J., wonende te, APPELLANT OP HOOFDBEROEP, GEINTIMEERDE OP INCIDENTEEL BEROEP, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. J. D., loco Mr. L. D. M., advocaat te Gent, TEGEN :

  1. R. V. P., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te EERSTE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. B. V. D. D., advocaat te Ronse,
  2. R. S. V. Z., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te TWEEDE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, APPELLANT OP INCIDEN-TEEL BEROEP, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. M. P., loco Mr. M. S., advocaat te Gent. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het eens-luidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van 22 mei 2003 van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, op tegenspraak gewezen in de samengevoegde zaken van partijen, dragend de volgnummers 24.742/IV en 24.743/IV van de algemene rol. Dat von-nis werd op 26 mei 2003 door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gegeven van de partijen. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep van 16 juni 2003, op 23 juni 2003 ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd. Gelet op het tussenarrest van 3 december
  3. De partijen werden opnieuw gehoord ter openbare terechtzitting van 3 februari 2006, waar zij hun voorgaande middelen en conclusies hebben hernomen. Het Openbaar Mi-nisterie legde zijn schriftelijk advies op 2 maart 2006 en J. V. T. zijn schriftelijke repliek op dat advies op 16 maart 2006 ter griffie van het Arbeidshof neer, waarna het Arbeidshof de zaak op 7 april 2006 in beraad nam om heden uitspraak te doen. x x x J. V. T., oorspronkelijk eiser en thans appellant op hoofdberoep, diende op 14 fe-bruari 1997 een aanvraag in tot het bekomen van een rustpensioen als zelfstandige. Hij ver-klaarde daarbij dat hij nog een beperkte beroepsbezigheid als zelfstandige verder zou blijven uitoefenen en vulde daartoe op regelmatige wijze een (geëigend) formulier 74/93 in. Er werd daarbij door hem aangekruist dat de inkomsten uit die beroepsbezigheid zouden worden be-perkt. Met ingang van 1 februari 1998 werd hem een rustpensioen toegekend (cf. de (niet bestreden) bestuurlijke beslissing van het R.S.V.Z. (hierna in 't kort het R.S.V.Z. genoemd) van 30 januari 1998, waarbij hem een jaarlijks rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel der zelfstandigen werd toegekend van 220.317 BEF, berekend op basis van een beroepsloop-baan van 39,5 jaar (van 1 oktober 1958 tot 3 juni 1961 en van 1 januari 1962 tot 31 december 1997) en van een vermindering met 25 procent (5 procent per jaar vervroeging)). Bij "nieuwe" bestuurlijke beslissing van 17 mei 2002 besliste het R.S.V.Z., oor-spronkelijk verweerder in de zaak A.R. nr. 24.743/IV en thans tweede geïntimeerde op hoofd-beroep, dat het pensioen als zelfstandige van J. V. T. van 1 februari 1998 tot 31 december 1999 zou worden geschorst en dat de R. V. P. (hierna in 't kort de R.V.P. genoemd), oorspron-kelijk verweerder in de zaak A.R. nr. 24.742/IV en thans eerste geïntimeerde op hoofdberoep, opdracht werd gegeven over te gaan tot de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde pensioenen over de betrokken periode. De gegeven, onderliggende motivering voor die nieuwe bestuurlijke beslissing was dat voor de jaren 1998 en 1999 de inkomsten uit zijn beroepsbezig-heid het grensbedrag telkens met 15 procent overschreden. In aansluiting hierop ontving J. V. T. een ter post aangetekende bestuurlijke be-slissing van 4 juli 2002 van de R.V.P., inhoudend een verzoek tot (terug)betaling van 10.568,13 euro. Bij verzoekschriften van 17 juli 2002, op 18 juli 2002 ter griffie van de Arbeids-rechtbank ontvangen, stelde J. V. T. tegen die twee laatstgenoemde bestuurlijke beslissingen een verhaal in bij de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde. In de zaak tegen de R.V.P. vorderde hij dat de bestreden bestuurlijke beslissing van 4 juli 2002 zou worden vernietigd en dat hem het verder genot van het toegekende pensi-oen, zoals beslist op 30 januari 1998 door het R.S.V.Z., zou worden toegekend, zodat de te-rugvordering door de R.V.P. als ongegrond moet worden afgewezen, minstens dat een beslis-sing of elke vorm van uitvoering hieromtrent moet worden uitgesteld tot wanneer een definitie-ve uitspraak werd gedaan ten gronde in het geding tegen het R.S.V.Z.. In de zaak tegen het R.S.V.Z. vorderde hij dat de bestuurlijke beslissing van 17 mei 2002 zou worden vernietigd en dat hem het verdere genot van het hem toegekende pensi-oen, zoals beslist op 30 januari 1998, door het R.S.V.Z. zou worden toegekend. Hij betwistte de herkwalificatie door het R.S.V.Z., dat de inkomsten van de verhu-ring van een onroerend goed aan de vennootschap T. als beroepsinkomsten aanmerkt: inkom-sten van onroerende goederen kunnen slechts als beroepsinkomsten worden aangemerkt als de goederen worden gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrij-ger van die inkomsten; het onroerend goed waarvan hij inkomsten geniet, wordt evenwel niet gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid zelf, doch wel voor de vennoot-schap waarvan hij werkend vennoot is; bijgevolg kunnen de betrokken huurinkomsten in zijn hoofde niet als een bedrijfsinkomen worden beschouwd; tevens werd niet gespecificeerd hoe de zogezegde inkomsten werden bekomen of hoe ze werden samengesteld, noch hoe de huur-kwalificatie werd berekend; die beslissing is dan ook in strijd met het artikel 13 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde en is bijgevolg nietig; bovendien staat geen overschrijding van de beroepsbezigheid met 15 procent conform de arti-kelen 107, ,§ 2 e.v. van het K.b. van 22 december 1967 (houdende het algemeen reglement be-treffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen) vast. In zijn te dezen bestreden vonnis voegde de eerste rechter de beide zaken sa-men en verklaarde de vorderingen gedeeltelijk gegrond. Met betrekking tot de bestreden bestuurlijke beslissing van het R.S.V.Z. van 17 mei 2002 zegde de Arbeidsrechtbank voor recht dat deze, door haar gebrekkige vorm, nietig is. De rechtbank nam evenwel, wat de grond van de zaak betreft, de inhoud van de bestreden be-stuurlijke beslissing in rechte over en bevestigde deze. Met betrekking tot de bestreden bestuurlijke beslissing van de R.V.P. van 4 juli 2002 zegde de Arbeidsrechtbank voor recht dat deze, door haar gebrekkige vorm, nietig is. De rechtbank nam evenwel, wat de grond van de zaak betreft, de inhoud van de bestreden be-stuurlijke beslissing in rechte over en bevestigde deze. J. V. T. werd toegelaten de schuld te kwijten in maandelijkse termijnen ten bedra-ge van 800 euro. De R.V.P. en het R.S.V.Z. werden solidair in de proceskosten verwezen. De eerste rechter was van oordeel dat de bestreden bestuurlijke beslissingen door hun gebrekkige motivering en hun gebrekkige vorm nietig waren, maar dat, eenmaal vastge-steld dat de bestreden beslissingen nietig waren, hij de rechten ten gronde moest onderzoeken. Krachtens het artikel 107, ,§ 2, A, 2° (K.b. van 22 december 1967) moet het R.S.V.Z. voor de vaststelling van de beroepsinkomsten rekening houden met het bruto be-roepsinkomen, verminderd met de beroepsuitgaven of lasten en eventueel met het beroeps-verlies, zoals aangenomen door het bestuur der directe belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar. Zoals blijkt uit het administratief dossier en uit de aanslagbiljetten betrekkelijk de inkomsten van 1998 en 1999, hield het R.S.V.Z. correct rekening met de beroepsinkomsten zoals bepaald door het hoger vermeld artikel. De betreffende beroepsinkomsten overschrijden volgens de Arbeidsrechtbank het toegelaten grensbedrag met ten minste 15 procent. De eerste rechter was aldus van oordeel dat de bestreden bestuurlijke beslissin-gen inhoudelijk volkomen terecht werden getroffen. x x x In hoger beroep vordert J. V. T. de vernietiging van het bestreden vonnis en te zeggen voor recht dat in zijn hoofde geen arglist in aanmerking te nemen valt en dat de terug-vordering verjaard is. Subsidiair, vordert hij te zeggen voor recht dat het R.S.V.Z. ten onrechte de inkomsten uit huur als beroepsinkomsten in aanmerking neemt en dat de grensbedragen voor 1998 en 1999 niet overschreden zijn. Uiterst subsidiair, vordert hij te zeggen voor recht dat geen rekening kan worden gehouden met inkomsten die dateren van vóór het ogenblik waarop het pensioen is ingegaan en dat derhalve niet kon worden overgegaan tot de schorsing van zijn pensioen over de jaren 1998 en
  4. Tevens vordert hij te zeggen voor recht, en dit enkel in het geval dat het Hof van oordeel zou zijn dat hij niet pensioengerechtigd zou zijn in de periode van 1 februari 1998 tot 31 december 1999, dat de periode van 1 februari 1998 tot 31 december 1999 bij zijn loopbaan moet worden gerekend voor de berekening van zijn rust-pensioen en dat hem ten opzichte van eerste geïntimeerde op hoofdberoep afbetalingsfacilitei-ten worden toegekend a rato van 592,12 euro per maand. Hij voert als grieven aan dat het R.S.V.Z. ten onrechte arglist in zijn hoofde in aan-merking neemt en stelt dat ter zake niet de vijfjarige, maar de zesmaandelijkse verjaring moet worden toegepast. Hij voert aan dat de belastingsdiensten bepaalde inkomsten uit huur als be-roepsinkomsten hebben gecatalogeerd. De geïntimeerden op hoofdberoep moeten volgens hem het bewijs leveren dat hij met bedrieglijk inzicht heeft gehandeld of dat hij wetens en willens bepaalde daden heeft ver-richt of niet heeft verricht én dit met het oogmerk een bepaald doel te bereiken, namelijk zich te verrijken ten nadele van de gemeenschap: het bedrieglijk inzicht is in casu niet voorhanden, minstens niet bewezen, zodat de zesmaandelijkse verjaringstermijn moet worden toegepast in plaats van de vijfjarige verjaringstermijn; de vordering van de geïntimeerden op hoofdberoep is dan ook verjaard. Door geen van de partijen wordt betwist dat de uiteindelijke beslissing het gevolg is van het feit dat de belastingsdiensten de gezinsinkomsten uit huur herkwalificeerden als een beroepsinkomen. Dit is volgens J. V. T. fundamenteel onjuist: uit het artikel 23 W.I.B. komt dui-delijk tot uiting dat er een bepaalde activiteit moet zijn; het louter ontvangen van een bepaalde huursom valt niet onder die noemer te catalogeren; het is dan ook volkomen ten onrechte dat de inkomsten uit huur bij het beroepsinkomen worden ondergebracht; uit de berekeningsnota van de belastingsdiensten over de jaren 1998 en 1999 blijkt ten andere dat daar duidelijk een onderscheid werd gemaakt tussen enerzijds de post "bezoldigingen"

(400)en de post "huurin-komsten"
(401); ook dat wijst er op dat de beide inkomsten naast mekaar moeten gezien wor-den; geen enkele wetsbepaling verbiedt de cumul van het pensioen met een inkomen uit on-roerende goederen; er is geen inkomenstoets op dat punt; om die reden is de oorspronkelijke beslissing van het R.S.V.Z. dan ook niet gegrond en is de terugvordering van de R.V.P. volko-men onterecht. J. V. T. is van oordeel dat de eerste rechter terecht de beslissing van het R.S.V.Z. nietig heeft verklaard, omdat het niet had medegedeeld hoe zijn beroepsinkomen voor de in-komensjaren 1998 en 1999 werd samengesteld. Wanneer de eerste rechter zich in de plaats stelt van het bestuur dat een nietige beslissing heeft genomen, dient hij dat in alle facetten te doen, met inbegrip van een volledige en gedetailleerde berekening, waartoe het R.S.V.Z. niet is overgegaan. In dat verband wijst hij er op dat het inkomstenjaar 1998 geen volledig pensi-oenjaar was, aangezien het pensioen pas inging op 1 februari
  1. De dienst der directe be-lastingen heeft zijn aanslag gevestigd op het ganse jaar. Door het R.S.V.Z. is echter niet be-twist geworden dat hij in januari 1998, met andere woorden vóór het ingaan van het pensioen, een beroepsinkomen verwierf van 71.500 frank. Gezien dit zich situeert buiten de pensioenpe-riode kon dit niet mee in aanmerking worden genomen. Voor het jaar 1998 dient de bezoldiging als bedrijfsleider derhalve te worden verminderd met het nettobedrag van 43.500 frank (bruto 71.500 frank). Op die manier zou het inkomen voor 1998 236.675 frank bedragen, terwijl het grensbedrag 230.207 frank bedroeg, wat voor gevolg heeft dat het inkomen over 1998 zeker niet meer dan 15 procent hoger ligt van het grensbedrag, zodat integrale schorsing voor 1998 uitgesloten was. De eerste rechter had die herberekening moeten maken, hetgeen hij niet heeft gedaan, zodat zijn beslissing niet naar recht is verantwoord. Tevens is de eerste rechter voorbijgegaan aan het feit dat hij uit de vennootschap huurinkomsten ontving van gebouwde en niet-gebouwde onroerende goederen. Bijgevolg dien-de er enkel rekening te worden gehouden met het gebouwd onroerend goed van de vennoot-schap. De splitsing tussen gebouwd en ongebouwd onroerend goed werd in eerste aanleg niet beoordeeld. Volgens J. V. T. geven de berekeningen, gemaakt voor 1998 en 1999, duidelijk aan dat er voor 1998, noch voor 1999 een overschrijding is. x x x Het R.S.V.Z. vordert van zijn kant het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat J. V. T. met ingang van 1 februari 1998 tot 31 december 1998 aanspraak kan maken op een vervroegd rustpensioen als zelfstandige, waar-van het bedrag wordt verminderd naar rata van 6 procent en dat van 1 januari 1999 tot 31 de-cember 1999 het vervroegd rustpensioen van de appellant niet betaalbaar is. Tevens wordt gevorderd de bedragen voor de rechtsplegingsvergoeding te herleiden. x x x De R.V.P. "vordert het hoger beroep van appellant af te wijzen als ongegrond, min-stens wat de verjaringstermijn betreft, en (zijn) bestuurlijke beslissing (...) desbetreffend te be-krachtigen en het vonnis a quo te bevestigen." x x x Het tussenarrest van 3 december 2004 van deze kamer van dit Arbeidshof ver-klaarde hoofd- en incidenteel beroep ontvankelijk, doch alvorens nader ten gronde erover te beslechten, werd ambtshalve de heropening van de debatten bevolen. Het Arbeidshof overwoog daarbij:
  2. "Het Arbeidshof stelt vast dat J. V. T. reeds in zijn in eerste aanleg, op 25 maart 2003 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde conclusies het volgende liet gelden: "Dat in het geval de rechtbank per impossibile van oordeel zou zijn dat hij voor de periode van 1 fe-bruari 1998 tot 31 december 1999 niet pensioengerechtigd zou zijn wegens overschrijding van de toege-laten grensbedragen voor de uitoefening van een beperkte beroepsbezigheid gedurende deze periode, deze jaren moeten meegeteld worden voor de berekening van zijn pensioen. Dat deze jaren bijgevolg bij zijn loopbaan dienen gerekend te worden." Ofschoon ook herhaald in het beschikkend gedeelte van die conclusies, heeft het R.S.V.Z. aangaande die vordering niet geconcludeerd. De eerste rechter heeft er evenmin recht over gesproken. In het beschikkend gedeelte van zijn op 20 februari 2004 ter griffie van het Ar-beidshof neergelegde conclusies herhaalt J. V. T. die vordering, met name: "Te zeggen voor recht, en dit enkel in het geval dat het Hof van oordeel zou zijn dat hij niet pensioenge-rechtigd zou zijn in de periode van 1 februari 1998 tot 31 december 1999, dat de periode van 1 februari 1998 tot 31 december 1999 bij zijn loopbaan dient gerekend te worden voor de berekening van zijn rust-pensioen en dat er hem ten opzichte van eerste geïntimeerde afbetalingsfaciliteiten zullen worden toege-kend a rato van 592,12 euro per maand." Het R.S.V.Z. heeft hier nog steeds niet in rechte op geantwoord en wordt door het Arbeidshof uitgenodigd hieraan, gemotiveerd, gevolg te geven. x x x 2.
  3. Blijkens zijn op 20 januari 2004 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclu-sies acht het R.S.V.Z. het hoger beroep van J. V. T. gedeeltelijk gegrond, m.n. in zover het be-trekking heeft op het jaar 1998: "Dit betekent dat de betaling van het vervroegd rustpensioen van appellant voor de periode van 1 februari 1998 tot 31 december 1998 geschorst moet worden naar rata van een percentage van het pensioenbe-drag dat gelijk is aan het percentage waarmee het grensbedrag wordt overschreden, i.c. 6 procent (arti-kel 107, ,§ 4, 2°, van het voormeld koninklijk besluit van 22 december 1967). De vordering van appellant omtrent de betaalbaarstelling van het vervroegd rustpensioen tijdens de peri-ode van 1 februari 1998 tot 31 december 1998 is dan ook gedeeltelijk gegrond." De R.V.P., die in conclusies laat gelden enkel gelast te zijn met de terugvordering van uitkeringen die blijkens een beslissing van het R.S.V.Z. ten onrechte werden uitbetaald, zal zijn terugvordering in conclusies aanpassen en herberekenen, overeenkomstig het, hangend het geding, in hoger beroep gewijzigde standpunt van het R.S.V.Z.. 2.
  4. Tevens zal de R.V.P. concluderen omtrent het argument aangaande de verjaring, ontwikkeld door J. V. T. sub het punt 6 van zijn schriftelijke repliek op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie (cf. dossier van de rechtspleging, stuk 33, p. 6) en luidend: "Appellant wil tot slot nog opmerken dat waar de eerste rechter de bestreden beslissingen heeft vernie-tigd, deze beslissingen als onbestaande moeten worden beschouwd. Zelfs indien de verjaring vijf jaar zou zijn, quod non, dan is de terugvordering hoe dan ook voor een stuk verjaard aangezien het uitgangspunt voor de verjaring niet de vernietigde beslissing is maar wel het von-nis van de eerste rechter." x x x Het beschikkend gedeelte van de op 2 maart 2005 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde "conclusies na tussenarrest" van het R.S.V.Z. luidt als volgt: "behage het aan het Arbeidshof: - de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat appellant (op hoofdberoep) met ingang van 1 februari 1998 tot 31 december 1998 aan- spraak kan maken op een vervroegd rustpensioen als zelfstandige waarvan het bedrag verminderd wordt naar rata van 6 % en dat van 1 januari 1999 tot 31 december 1999 het vervroegd rustpensioen van appellant (op hoofdberoep) niet betaalbaar is; - de gevorderde bedragen met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot de bedragen voorzien in het koninklijk besluit van
  5. november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek." x x x In zijn op 4 maart 2005 neergelegde conclusies "volhardt" de R.V.P.. x x x Het beschikkend gedeelte van zijn op 1 april 2005 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies van J. V. T. luidt als volgt: "Volhardt concluant in de voorheen ontwikkelde argumenten. Strikt volledigheidshalve herhaalt concluant dat, waar de eerste rechter de bestreden beslissin-gen nietig heeft verklaard, deze als onbestaande moeten worden beschouwd, dit uiteraard voor zover het Arbeidshof van oordeel zou zijn dat terzake de vijfjarige verjaringstermijn zou moeten worden toegepast, quod certe non. Aangezien de eerste rechter zich naderhand in de plaats heeft gesteld van de onderscheiden besturen en de zaak ten gronde heeft beoordeeld, moet de verjaring en de stuiting daarvan be-oordeeld worden in functie van het vonnis van de eerste rechter." x x x DE BEOORDELING. J. V. T. heeft nog een (van meet af aan door hem aan de bevoegde pensioeninstan-ties gedeclareerde) beroepsbezigheid als zelfstandige uitgeoefend, nadat hem een zelfstandi-genrustpensioen was toegekend. Die verplichte voorafgaande verklaring wordt verantwoord doordat de gepensio-neerde er zich zodoende toe verbindt zijn beroepsbezigheid te behouden binnen de perken die de uitbetaling van het pensioen toelaten en hij er zich tevens toe verbindt een nieuwe aangifte te doen in geval van wijziging van de beroepsbezigheid of van de inkomsten die eruit voort-vloeien. Een bijkomende voorwaarde om desalniettemin onverkort verder de betaling van het rustpensioen te genieten, is dat die inkomsten uit de beroepsbezigheid een bepaald bedrag niet mogen overschrijden. Krachtens het artikel 107 ,§2, A, 2°, tweede lid, K.b. van 22 december 1967 (hou-dende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen) wordt onder beroepsinkomen verstaan het brutoberoepsinkomen, verminderd met de beroeps-uitgaven of lasten en, desgevallend met het beroepsverlies, "dat in aanmerking werd geno-men door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar." De beroepsinkomsten die in aanmerking moeten worden genomen, zijn de inkom-sten die de administratie der directe belastingen heeft vastgesteld of, bij betwisting, die de overheid of het gerecht die kennisnemen van het fiscaal beroep, bij het oplossen van het ge-schil vastleggen. Het R.S.V.Z. en de arbeidsgerechten mogen het bedrag van de brutoberoepsin-komsten, verminderd met de beroepskosten, en eventueel met de beroepsverliezen, vastge-steld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting, niet meer in vraag stel-len. Het artikel 32, derde lid, van het Wetboek van Inkomstenbelasting (W.I.B.) 1992 luidt: "Wanneer een bestuurder van een vennootschap aan deze laatste een gebouwd onroerend goed verhuurt, worden, in afwijking van artikel 7, de huurprijs en de huurvoordelen als bezoldi-gingen van bestuurder aangemerkt, in zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadas-traal, inkomen gerevaloriseerd met de in artikel 13 vermelde coëfficiënt. Van deze bezoldigingen worden de kosten in verband met het verhuurde onroerend goed niet in aftrek gebracht." Een gelijkluidende bepaling geldt voor de werkend vennoot van een vennootschap (cf. artikel 33, derde lid, W.I.B. 1992). Blijkens de parlementaire voorbereiding (van de Wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen) beoogde de wetgever hiermee een einde te maken aan een praktijk waarbij beroepsinkomsten worden omgevormd tot onroerende inkomsten, wat niet al-leen een negatieve weerslag heeft op de opbrengst van de personenbelasting, maar ook de verlaging van de inningsgrond van de sociale-zekerheidsbijdragen van zelfstandigen tot gevolg heeft. Die wettelijke regeling gaat er kennelijk van uit dat de praktijk, waarbij beroepsin-komsten worden omgevormd tot onroerende inkomsten, voornamelijk toepassing vindt door het verhuren van gebouwde onroerende goederen aan vennootschappen tegen een overdreven huurprijs. Dat verklaart waarom bepalingen werden vastgesteld die precies op die hypothese betrekking hebben en niet op die van andere onroerende inkomsten (cf. Arbitragehof, arrest nr. 80/93 van 9 november 1993, rolnr. 513). Bij overschrijding van een bepaalde drempel moeten de huurinkomsten en voor-delen dus als bedrijfsinkomsten worden beschouwd. Het is in dit opzicht dat wordt gesproken van het als bedrijfsinkomsten geherkwalificeerde gedeelte van de huurinkomsten en huurvoor-delen. Het is trouwens iets waarvan J. V. T. nota bene - en dit moet toch ook worden be-klemtoond - zelf spontaan aangifte bij de fiscus heeft gedaan (zie het onderzoek door de soci-aal controleur van het R.S.V.Z. van het fiscaal dossier van betrokkene bij de Controle Zotte-gem 1 (b.v. voor het jaar 2000: "nog geen aanslag, volgens aangifte a) pensioen b) 216.000 BEF bezoldigingen + 69.398 BEF geherkwalificeerde (sic ) huurinkomsten bruto als bedrijfsleider 54.318 BEF betaalde sociale bijdragen" (cf. administratief dossier van het R.S.V.Z., bijlage van stuk B7)). x x x Pensioenbedragen worden maar uitbetaald op voorwaarde dat de pensioengerech-tigde geen andere dan toegelaten arbeid verricht en geen vervangingsinkomen geniet (cf. LENAERTS, H., Inleiding tot het sociaal recht, p. 164, nr. 116). Zelfstandigenrust- en overlevingspensioenen zijn in beginsel slechts betaalbaar indien de pensioengerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent (cf. artikel 30bis van het K.b. nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen). In het Algemeen Reglement Pensioen Zelfstandigen (K.b. van 22 december 1967) worden evenwel uitzonderingen op dat beginsel bepaald. Mits voorafgaande verklaring mag de pensioengerechtigde zijn pensioen cumuleren met een inkomen uit een beroepsbezigheid, voor zover het beroepsinkomen dat daaruit voorvloeit het toegelaten grensbedrag niet overschrijdt en dus wordt beperkt (cf. Afdeling 7 "cumulaties" van hoofdstuk I). Het pensioen betreft immers een vervangingsinkomen en de toegelaten cumulatie met een beroepsbezigheid waarvan het inkomen een bepaald plafond niet overschrijdt, vormt een uitzondering op de principiële voorwaarde dat elke activiteit moet zijn stopgezet (cf. Arbh. Gent, afd. Gent, vierde kamer, 5 januari 2001, A.R. nr. 312/99, onuitg.; Arbh. Gent, afd. Gent, vierde kamer, 5 december 2003, A.R. nr. 368/00, onuitg.). Op 2 april 1997 ondertekende J. V. T. voor "gelezen en goedgekeurd" een docu-ment ("mod. 74
(93)", getiteld "verklaring betreffende de beroepsbezigheid van gepensioneer-den en het genot van sociale uitkeringen"), naar luid waarvan hij zijn beroepsbezigheid als zelf-standige zou voortzetten en zijn inkomen uit die beroepsbezigheid beperkt zou worden tot de wettelijk vastgestelde grenzen vermeld in het Model 74A/
  1. Op dat document verbond hij zich ertoe ("verbind mij ertoe") telkens een nieuw aangifteformulier (Mod. 74) aan de diensten van het R.S.V.Z. toe te sturen, in geval van (onder meer) "wijziging van zijn beroepsbezigheid of van de inkomsten die eruit voortvloeien" (cf. administratief dossier van het R.S.V.Z., stuk A 2). De verjaringstermijn van zes maanden, bedoeld in het artikel 36, ,§ 2, eerste lid, van het K.b. nr. 72 van 10 november 1967, wordt tot vijf jaar opgevoerd ook ten aanzien van sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis (cf. artikel 36, ,§ 2, tweede lid, laatste zin). Het artikel 107, ,§ 4, van het K.b. van 22 december 1967 schrijft voor hoe de ver-klaring betreffende de beroepsbezigheid moet worden gedaan en dat wijzigingen in de verkla-ringen van uitoefening, herneming of stopzetting van een beroepsbezigheid aan het R.S.V.Z. moeten worden gesignaleerd. Bovendien is te dezen als een vroeger aangegane verbintenis te beschouwen de boven in dit arrest aangehaalde verbintenis van J. V. T., vervat in zijn oorspronkelijke verkla-ring met betrekking tot de uitoefening van een beroepsbezigheid. J. V. T. is echter zijn boven vermelde, anno 1997 onderschreven verbintenis, zijn beroepsinkomsten te beperken, niet nagekomen. Die verjaringstermijn van vijf jaar vindt toepassing telkens als de onverschuldigde betaling plaatsvindt vóór het indienen van de verklaring waartoe de schuldenaar verplicht is, en de gegevens van die verklaring de mogelijkheid zouden hebben geboden geen onverschuldig-de betaling te doen (cf. Cass. 25 april 1994, Arr. Cass. 1994, 405). Het is ook het vermelden waard dat de uitbreiding van de verhoging van de verja-ringstermijn (van zes maanden naar vijf jaar) tot de aangehaalde gevallen door de wetgever werd gewild, omdat het vaak gebeurt dat het niet mogelijk is zich op de begrippen arglist, frau-duleuze handelingen of bedrog (die bovendien op restrictieve wijze moeten worden geïnterpre-teerd) te beroepen om het onverschuldigd betaalde terug te vorderen "alhoewel deze terugvor-dering zich opdringt", eraan toevoegend: "Dit probleem stelt zich voornamelijk in geval van cu-mulatie van het pensioen met een beroepsbezigheid" (zie b.v.: K.b. nr. 205 van 29 augustus 1983 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pensioenen van de sociale sector, Verslag aan de Koning, B.S. van 6 september 1983, p. 11094; zie ook het artikel 148 van de Wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en de Memo-rie van Toelichting bij de Wet (Senaat, zitting 1982-1983, 9 september 1983, 557 (1982-1983) Nr. 1, 61)). Sommigen hebben die wettelijke uitbreiding betreurd, vooral omdat hierdoor de ge-vallen van opzet, frauduleuze handelingen en bedrog op één lijn worden gesteld met de een-voudige vergissing, nalatigheid, soms volledige onwetendheid van de betrokkene te goeder trouw (cf. LINDEMANS, A., Verjaring in het Sociale-zekerheidsrecht, Kluwer Rechtsweten-schappen, p. 389). Maar goede of kwade trouw doen niet ter zake (cf. Arbh. Liège 9 februari 1993, T.S.R. 1993, 213; Arbh. Gent, afd. Gent, 5 december 2003, aangeh.). De R.V.P. en - nadien - de eerste rechter hebben op oordeelkundige wijze toepas-sing gemaakt van de verjaringstermijn van vijf jaar, aangezien J. V. T. geen aangifte heeft ge-daan dat zijn beroepsinkomsten hoger lagen dan het grensbedrag. Hoewel volgens het artikel 1068, eerste lid, Ger. W. hoger beroep tegen een eind-vonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, staat het evenwel aan de partijen (krachtens het beschikkingsbeginsel) door het hoofdberoep of door het incidenteel beroep de perken te bepalen waarbinnen de ap-pelrechter over de aan de eerste rechter voorgelegde betwistingen uitspraak moet doen (cf. Cass. 2 maart 2006, rolnr. C 040567 N, www.juridat.be; Cass. 28 juni 1999, Arr. Cass. 1999, 979). Het blijkt, primo, dat de beschikkingen van de eerste rechter "dat de beslissing van de tweede verwerende partij (R.S.V.Z.) dd. 17 mei 2002 door zijn gebrekkige vorm nietig is" en "dat de beslissing van de eerste verwerende partij (R.V.P.) dd. 4 juli 2002 door zijn gebrekkige vorm nietig is" door J. V. T. niet worden aangevochten, secundo, dat de R.V.P. geen inciden-teel beroep heeft ingesteld tegen het te dezen bestreden vonnis en, a fortiori, evenmin tegen de zo-even aangehaalde, de R.V.P. betreffende beschikking (de boven in dit arrest aangehaal-de, procesrechtelijke stellingname van de R.V.P. kan bezwaarlijk worden aangezien als een in-gesteld rechtsmiddel, zelfs niet impliciet) en, tertio, dat het R.S.V.Z. zijn incidenteel beroep niet heeft gericht tegen de zo-even vermelde, het R.S.V.Z. betreffende beschikking. Krachtens het artikel 36, ,§ 2, derde lid, K.b. nr. 72 van 10 november 1967 (betref-fende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen) wordt, benevens de gevallen be-paald in het Burgerlijk Wetboek, de verjaring gestuit door het opvorderen van de onverschul-digde betalingen door middel van een ter post aangetekend en aan de schuldenaar betekend schrijven of door een verbeterende beslissing behoorlijk aan de betrokkene betekend door het R.S.V.Z. of door een rechtscollege bedoeld in artikel 41 (een Arbeidsrechtbank of een Arbeids-hof), naargelang het geval. Vermits, op grond van de in hoger beroep niet bestreden, zo-even aangehaalde beschikkingen van het vonnis van 22 mei 2003, zowel de verbeterende bestuurlijke beslissing van 17 mei 2002 van het R.S.V.Z., als het ter post aangetekend schrijven van 4 juli 2002 van de R.V.P. (het verzoek tot terugbetaling van 10.568,13 euro) nietig zijn, moet ook hun stuitend effect ten aanzien van de verjaring voor niet bestaande worden gehouden (vgl. artikel 2247 B.W.). Verder moet de stuiting uitgaan van diegene die wil verhinderen dat een ander zich op de verjaring beroept (cf. artikel 2244 B.W.). In casu werd de oorspronkelijke, inleidende vordering ingesteld door J. V. T. zelf, die evenwel de begunstigde van de verjaring is. De R.V.P. kan zich dus niet beroepen op enig stuitend effect van die inleidende vordering. De inleidende akte stuit immers enkel de verjaring van de vordering die hij inleidt en laat de loop van de verjaringstermijn van de vordering die niet begrepen was in de inleiden-de akte onaangeroerd (cf. Cass. 26 november 1990, R.W. 1990-91, 1302; Cass. 24 april 1992, R.W. 1992-93, 236). De R.V.P. heeft bovendien, lopend dit proces, zelf geen tegenvordering ingesteld. De eerste oorzaak die in het voorliggend geschil de verjaring heeft gestuit, is der-halve de kennisgeving van het bestreden vonnis bij gerechtsbrief van 26 mei 2003 door de grif-fier (vonnis waarin de eerste rechter zich in de plaats van het bestuur heeft gesteld en heeft beslist door zogeheten substitutie van motieven)(cf. artikel 36, ,§ 2, derde lid, K.b. nr. 72), ook al wordt dat vonnis zoals te dezen (gedeeltelijk) in hoger beroep hervormd. De terugvordering van de litigieuze, ten onrechte aan J. V. T. uitgekeerde zelf-standigenrustpensioenbedragen betrekkelijk de jaren 1998 en 1999 is aldus verjaard in zoverre de betaling ervan is geschied vóór 26 mei
  2. Het bedrag van de onverschuldigd aan J. V. T. uitbetaalde pensioenen kan even-wel in de huidige stand van het geding door dit Arbeidshof, dat bovendien de betalingsdata niet kent, niet nauwkeurig worden bepaald, mede gelet op de hierna vermelde overwegingen (wat wel zeker is, is dat het minder beloopt dan de aanvankelijk teruggevorderde som). Vermits het rustpensioen van J. V. T. slechts op 1 februari 1998 inging, heeft het R.S.V.Z., evenwel voor 't eerst in graad van hoger beroep (cf. zijn incidenteel beroep), terecht toepassing gemaakt van het artikel 107, ,§ 3, vijfde lid, K.b. van 22 december 1967, door zowel de beroepsinkomsten, als het grensbedrag van het jaar 1998 te vermenigvuldigen met 11/
  3. Na deze (louter cijfermatig) niet betwiste principiële herberekening door het R.S.V.Z., wordt vastgesteld dat het grensbedrag in 1998 met 6 procent werd overschreden, zo-dat (overeenkomstig het artikel 107 ,§ 4, eerste lid, 2°, K.b. van 22 december 1967) het pensi-oenbedrag over dat jaar 1998 slechts moet worden verminderd (geschorst) tot beloop van het-zelfde percentage. Aangezien het pensioen van het jaar 1998 derhalve niet volledig moet worden ge-schorst, ging het daadwerkelijk en voor de eerste maal in op 1 februari
  4. Voor de vaststel-ling van de zelfstandigenberoepsloopbaan van J. V. T. kan er, voor het verkrijgen van de teller van de breuk bedoeld in het artikel 4, ,§ 1, enkel rekening worden gehouden met de kwartalen die gelegen zijn vóór 1998 (cf. artikel 4, ,§ 3, eerste lid, K.b. van 30 januari 1997). De al dan niet betaling van sociale kwartaalbijdragen betrekkelijk 1998 of later is met betrekking tot zijn pensioen niet ter zake dienend. In de mate dat de uitbetaling van het zelfstandigenrustpensioen betrekkelijk het jaar 1998 niet volledig moet worden geschorst (in tegenstelling tot wat door de Arbeidsrecht-bank werd gevonnist, in navolging van de aanvankelijke beslissing van 17 mei 2002 van het R.S.V.Z.), zijn het hoofdberoep en het incidenteel beroep in de hierna in het beschikkend ge-deelte van dit arrest bepaalde mate gegrond, en waarbij de gevorderde termijnen van respijt inwilligbaar zijn x x x Gelet op het bedrag waarop de in betwisting staande terugvordering van de R.V.P. betrekking heeft, enerzijds, en op het bepaalde in het artikel 3, tweede lid, van het K.b. van 30 november 1970 (tot vaststelling van de invorderbare kosten bedoeld in het artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek), anderzijds, bestaat er grond tot inwilliging van de vordering van J. V. T. tot verdubbeling van de vaste rechtsplegingsvergoeding. x x x OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzon-derheid het artikel
  5. Gelet op het tussenarrest van 3 december
  6. Gelet op de eensluidende, en grotendeels eensluidende schriftelijke adviezen van het Openbaar Ministerie, respectievelijk op 1 oktober 2004 en op 2 maart 2006 ter griffie van het Arbeidshof neergelegd door de heer Patrick Bricout, Eerste Advocaat-generaal. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als ongegrond. Oordelend binnen de perken van het hoofd- en van het incidenteel beroep. Verklaart het (beperkt) hoofdberoep en het (dito) incidenteel beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Vernietigt, in de mate dat het werd bestreden, gedeeltelijk het vonnis van 22 mei 2003 van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, met name: - primo, waar het met betrekking tot de beslissing van het R.S.V.Z. van 17 mei 2002, wat de grond van de zaak betreft, de inhoud van de bestreden bestuurlijke beslissing in rechte overneemt en die beslissing bevestigt; - secundo, waar het met betrekking tot de beslissing van de R.V.P. van 4 juli 2002, wat de grond van de zaak betreft, de inhoud van de bestreden bestuurlijke beslissing in rechte overneemt en die beslissing bevestigt; - tertio, waar het J. V. T. toelaat de schuld te kwijten in maandelijkse termijnen ten bedrage van 800 euro, vervallend de eerste dag van elke maand en voor het eerst op 1 juni 2003; - quarto, waar het, rechtsprekend betreffende de proceskosten, het bedrag van de in eerste aanleg te vereffenen kosten (wegens rechtsplegingsvergoeding) aan de zijde van J. V. T. bepaalt op het verminderd bedrag van 100,40 euro. En, desbetreffend opnieuw wijzend, zegt voor recht: - primo, dat, enerzijds, J. V. T. met ingang van 1 februari 1998 tot en met 31 decem-ber 1998 aanspraak kan maken op een vervroegd zelfstandigenrustpensioen, waarvan het be-drag bovendien nog wordt verminderd naar rata van 6 procent en dat, anderzijds, het ver-vroegd zelfstandigenrustpensioen van J. V. T. niet betaalbaar is met ingang van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999; - secundo, dat, eendeels, de terugvordering van de ten onrechte aan J. V. T. betrek-kelijk de jaren 1998 en 1999 uitgekeerde zelfstandigenrustpensioenbedragen verjaard is in zo-verre de betaling ervan is geschied vóór 26 mei 1998 en, anderdeels, dat de R.V.P. het (over-eenkomstig hetgeen in dit arrest wordt beslist) juiste bedrag van de onverschuldigd aan J. V. T . betaalde pensioenbedragen (betrekkelijk de jaren 1998 en 1999) zal opvorderen door middel van een nieuw, ter post aangetekend en aan schuldenaar J. V. T. betekend schrijven; - tertio, dat J. V. T. wordt toegelaten het bedrag van die zo-even vermelde schuld te kwijten in maandelijkse termijnen van 592,12 euro per maand, vervallend op de eerste dag van elke maand en voor het eerst op de eerste dag van de tweede maand volgend op datum van het zo-even (sub "secundo") vermelde nog te betekenen, nieuw ter post aangetekend schrijven van de R.V.P.; - quarto, dat het bedrag van de zo-even vermelde, in eerste aanleg gevallen proces-kosten wordt vastgesteld, zoals hierna verder bepaald. Legt ook de kosten betreffende de procesvoering in hoger beroep ten laste van de R.V.P. en van het R.S.V.Z., overeenkomstig het artikel 1017, tweede lid, Ger. W.. Begroot het bedrag van die te vereffenen kosten als volgt: x aan de zijde van J. V. T. (zoals gevorderd): - vaste rechtsplegingsvergoeding (eerste aanleg): 196,33 euro - uitgavenvergoeding: 54,54 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding (hoger beroep): 261,78 euro x aan de zijde van de R.V.P. en van het R.S.V.Z. : niet vereffend bij gebrek aan omstandige opgave. Aldus uitgesproken op vrijdag vijf mei tweeduizend en zes in openbare terechtzit-ting door de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent, en waarin zitting had-den Gregor Vande Vyver, Kamervoorzitter in het Arbeidshof, Viviane Verwilghen, Raadsheer in het Arbeidshof, Philippe Bonne, Raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, en Lucien-ne Noerens, Griffier. get. L. Noerens - Ph. Bonne - V. Verwilghen - G. Vande Vyver. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060505.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.