id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 10 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060810.1 Rolnummer: 06175;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-01 04:41 Fiche Is onontvankelijk, de vordering tot erkenning van een dringende reden, ingesteld door de werkgever die de kennisgeving in artikel 4 ,§ 1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsaf-gevaardigden niet heeft gedaan aan de organisatie die de kandidatuur van de werknemer heeft voorgedragen, d.w.z. de op het nationaal vlak opgerichte interprofessionele werkne-mersorganisatie vertegenwoordigd in de NAR, in casu het ACV, maar integendeel aan een interprofessionele organisatie die aangesloten is bij de eerstgenoemde organisatie, in casu het LBC-NVK. Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19/03/1991 Arbeidsovereenkomst - Beschermde werknemer Personeelsvertegenwoordigers Ontslag dringende reden Procedure Kennisgeving aan de organisatie de kandidatuur heeft voorgedragen. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 4,§1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Tekst van de beslissing A.R. nr.: 06/175 Rep. nr.: BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN AUGUSTUS TWEEDUIZEND EN ZES. IN DE ZAAK VAN: H. H. R. M., vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te , met K.B.O.-nummer , APPELLANTE, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester W. D., advocaat te K., TEGEN :
- D. J., wonende te , EERSTE GEINTIMEERDE, die in persoon verschijnt,
- L. B. N. V. V. K."L. V.", afgekort LBC-NVK "L. V.", met zetel te , TWEEDE GEINTIMEERDE
- L. B. N. V. V. K. "B.", afgekort LBC-NVK "B.", met zetel te , met K.B.O.-nummer , DERDE GEINTIMEERDE, alle geïntimeerden ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester Y. W., in eigen naam en loco meester C. D. K., advocaat te R.. x x x Gelet op de stukken van het dossier, inzonderheid op het voor eensluidend verklaard af-schrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Roe-selare, zesde kamer, d.d. 12 juni 2006 (A.R. nr. 43.059), waarvan aan de partijen kennis werd gegeven bij gerechtsbrief van 13 juni 2006, op dezelfde datum ter post afgegeven. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, bij aangetekend schrijven van 23 juni 2006 verstuurd naar de griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge.
- Nopens de feiten De eerste geïntimeerde wordt sinds 26 september 1983 door de appellante als arbeider tewerkgesteld. Bij de sociale verkiezingen van 2004 werd de eerste geïntimeerde door het ACV, repre-sentatieve organisatie van werknemers, voorgedragen als kandidaat-personeelsvertegenwoordiger in de Ondernemingsraad en in het Comité voor bescherming en preventie op het werk. Hij werd verkozen en is personeelsafgevaardigde in het Comité voor bescherming en preventie op het werk.
- Nopens de procedure in eerste aanleg Bij aangetekend schrijven van 13 juni 2006 stuurde de appellante naar de griffie van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Roeselare, een verzoekschrift overeenkomstig artikel 4 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Bij aangetekende brieven van dezelfde datum ver-richtte zij de kennisgevingen waarvan sprake in artikel 4, ,§ 1 en 2 van dezelfde wet. De kennisgeving werd inzonderheid gedaan aan de tweede en de derde geïntimeerde. Bij beschikking van 22 maart 2006 van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Roeselare, genomen overeenkomstig artikel 5, ,§ 3, van de Wet Ontslagregeling Personeelsaf-gevaardigden, werd inzonderheid voor recht gezegd dat er redenen voorhanden waren om de uitvoe-ring van de arbeidsovereenkomst te schorsen tijdens de duur van de procedure tot erkenning van de dringende reden. Bij dagvaardingen, op 24 maart 2006 betekend door gerechtsdeurwaarder J. G. met standplaats te I. en plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder M. B. loco gerechtsdeurwaarder E. S. met standplaats te A., werden de geïntimeerden met toepassing van de artikelen 6 en 7 van de Wet Ont-slagregeling Personeelsafgevaardigden door de appellante gedagvaard om te verschijnen voor de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Roeselare. De appellante vroeg inzonderheid dat de in de dagvaarding beschreven feiten zouden erkend worden als dringende reden die elke profes-sionele samenwerking tussen haarzelf en de eerste geïntimeerde definitief onmogelijk maakten. Zij vroeg de verwijzing van de geïntimeerden in de kosten van het geding. Bij beschikking van de Voorzitter van 3 april 2006 werd de zaak naar de zesde kamer van de rechtbank verwezen. Bij conclusie, op 21 april 2006 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vroegen de geïntimeerden dat de vordering ontoelaatbaar, onontvankelijk minstens ongegrond zou verklaard wor-den. Zij vroegen de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. Bij eindvonnis, op 12 juni 2006 op tegenspraak gewezen door de zesde kamer van de Ar-beidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Roeselare, werd de vordering onontvankelijk verklaard. De appellan-te werd in de kosten van het geding verwezen. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: - dat artikel 4, ,§ 1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden de werkgever oplegde om zijn voornemen om de werknemer te ontslaan, inzonderheid kenbaar te maken aan "de or-ganisatie die hem (had) voorgedragen"; - dat artikel 31 van het K.B. van 25 mei 1999 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk, herhaald in het K.B. van 15 mei 2003, bepaalde dat de kandidatenlijsten bij de werkgever moesten worden ingediend door de representatieve werkne-mersorganisaties, bedoeld in artikel 1, 6°, a, van deze besluiten; - dat in deze laatste bepaling de op nationaal vlak opgerichte interprofessionele represen-tatieve werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de NAR en die minstens 50.000 leden tellen, werden bedoeld; - dat het ACV hiertoe behoorde; - dat artikel 1, 6°, b, van de voornoemde besluiten gewag maakte van de professionele en interprofessionele organisaties die waren aangesloten bij de onder artikel 1, 6°, a, bedoelde interprofes-sionele organisaties; - dat de LBC-NVK tot de organisaties behoorde in artikel 1, 6°, b, doch niet tot deze in hetzelfde artikel 1, 6°, a; - dat enkel het ACV kandidatenlijsten kon indienen; - dat er tussen het indienen van een kandidatenlijst en het voordragen van kandidaten geen verschil bestond; - dat de indiening van de kandidatenlijst gebeurde door het ACV, weze het door middel van een volmacht gegeven aan de heer B., die zulks deed in naam van en voor rekening van het ACV; - dat de eerste geïntimeerde lid was van het ACV; - dat de appellante de wettelijke voorschriften niet had nageleefd door haar kennisgeving niet aan het ACV doch aan de LBC-NVK te richten; - dat deze kennisgeving nietig was; - dat de vordering van de appellante onontvankelijk was; - dat overigens ook de voorschriften van artikel 7 van de Wet Ontslagregeling Perso-neelsafgevaardigden niet werden nageleefd nu bij het dossier, geopend ingevolge de dagvaarding door de appellante, geen afschrift van de brief kon worden neergelegd, verstuurd naar de organisatie die de werknemer had voorgedragen.
- Nopens de procedure in hoger beroep In haar akte van hoger beroep vraagt de appellante dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou hervormd worden, dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond verklaard zou worden en dat het Arbeidshof de dringende reden tot ontslag zou erkennen zodat de arbeidsovereenkomst van de eerste geïntimeerde zonder opzeggings-termijn of opzeggingsvergoeding zou kunnen beëindigd worden. Bij conclusie, neergelegd op 7 juli 2006, vorderen de geïntimeerden dat het hoger beroep als ongegrond zou afgewezen worden. Zij vragen dat het bestreden vonnis zou bevestigd worden, sub-sidiair dat de oorspronkelijke vordering als ongegrond zou afgewezen worden. Zij vragen de verwijzing van de appellante in de kosten van de procedure in hoger beroep. De partijen worden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 3 augustus
- De appellante verklaart geen gevolgen te willen trekken uit het feit dat de geïntimeerden hun stukken niet uiterlijk op 12 juli 2006 ter griffie hebben neergelegd.
- Nopens de grieven van het hoger beroep De appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Zij wijst er inzonderheid op: - dat de eerste rechter de vordering ten onrechte als onontvankelijk heeft afgewezen; - dat de LBC-NVK moet beschouwd worden als de organisatie die de eerste geïntimeerde als kandidaat-personeelsafgevaardigde heeft voorgedragen zodat de kennisgeving die de appellante overeenkomstig artikel 4, ,§ 1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden heeft verricht, in overeenstemming is met de wet.
- Bespreking. 5.
- Nopens de ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk. 5.
- Nopens de gegrondheid van het hoger beroep 5.2.
- Artikel 4, ,§ 1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden luidt als volgt: "De werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, moet hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover inlichten bij een ter post aangetekende brief, die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ont-slag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens, binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aan-hangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank". Wat wordt verstaan onder "de organisatie die (de werknemer) heeft voorgedragen", wordt niet in de voornoemde wet verduidelijkt doch moet afgeleid worden uit de wettelijke bepalingen die op de sociale verkiezingen betrekking hebben. Noch uit de voornoemde wettelijke bepaling zelf noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de voornoemde bewoordingen op een andere wijze moeten uitge-legd worden. Artikel 20ter, eerste lid, van de Bedrijfsorganisatiewet luidt als volgt: "De afgevaardigden van het personeel worden verkozen op door de interprofessionele re-presentatieve werknemersorganisaties in de zin van artikel 14, ,§ 1, tweede lid, 4°, a), voorgedragen kandidatenlijsten. Deze organisaties zijn gerechtigd om een volmacht te geven voor de neerlegging van de kandidatenlijsten. (...)". Artikel 58 van de Welzijnswet Werknemers luidt als volgt: "De gewone en plaatsvervangende afgevaardigden worden (...) verkozen op door de in-terprofessionele representatieve werknemersorganisaties in de zin van artikel 3, ,§ 2, 1°, voorgedragen kandidatenlijsten (...).Deze organisaties zijn gerechtigd om een volmacht te geven voor de neerlegging van deze kandidatenlijsten. (...)". Volgens artikel 14, ,§ 1, tweede lid, 4°, a) van de Bedrijfsorganisatiewet zijn "representatie-ve werknemersorganisaties", " de op het nationaal vlak opgerichte interprofessionele werknemersorga-nisaties vertegenwoordigd in de Centrale Raad van het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden tellen". Artikel 3, ,§ 2, 1°, van de Welzijnswet Werknemers heeft eenzelfde inhoud. Artikel 31, eerste lid, van het K.B. van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk bepaalt dat "de representatieve werknemersor-ganisaties bedoeld in artikel 1, 6°, a), of hun volmachthebbers bij de werkgever kandidatenlijsten indie-nen. Artikel 1, 6°, a), omschrijft het begrip "representatieve werknemersorganisaties als "de op het nati-onaal vlak opgerichte interprofessionele werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Centrale Raad van het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden tellen". 5.2.
- Uit deze bepalingen volgt dat enkel de op het nationaal vlak opgerichte interprofessio-nele werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Centrale Raad van het Bedrijfsleven en in de Na-tionale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden tellen, het recht hebben om kandidatenlijsten voor de sociale verkiezingen in te dienen en aldus kandidaten "voor te dragen" (tussen de beide termen is er geen enkel verschil) (Parl. St., Kamer, 1998-99, nr. 1858/3, 7; Cass., 24 september 2001, Soc. Kron., 2002, 608; Arbrb. Brussel, 12 mei 2000, Soc. Kron. 2001, 605; CEULEMANS, B., MOINEAUX, D., KURZ, F., PLASSCHAERT, E., en PELTZER, L., "Chronique de jurisprudence: Elections sociales 2000", Soc. Kron., 2001, 509-510). Andere representatieve werknemersorganisaties, meer bepaald deze in de zin van artikel 14, ,§ 1, tweede lid, 4°, b), van de Bedrijfsorganisatiewet of artikel 3, ,§ 2, 2°, van de Welzijnswet Werk-nemers, zijnde de professionele en interprofessionele organisaties die aangesloten zijn bij of deel uit-maken van een onder artikel 14, ,§ 1, tweede lid, 4°, a), van de Bedrijfsorganisatiewet of artikel 3, ,§ 2, 1°, van de Welzijnswet Werknemers genoemde interprofessionele organisatie (zie ook artikel 1, 6°, b), van het K.B. van 15 mei 2003), zijn niet gerechtigd om kandidatenlijsten voor de sociale verkiezingen in te dienen en kandidaten voor te dragen. Zij kunnen in voorkomend geval enkel fungeren als gemanda-teerde van een organisatie die hiertoe wél gemachtigd is. De huidige betwisting heeft niets te maken met de hypothese waarin de vakbondsafvaar-diging de taken van het Comité P.B.W. uitvoert (art. 52 Welzijnswet Werknemers) zodat de overwegin-gen van de appellante aangaande de hoedanigheid van de organisatie die in dit geval moet verwittigd worden, in casu niet relevant zijn. 5.2.
- Wanneer artikel 4, ,§ 1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden de werkgever oplegt om "de organisatie die de kandidatuur van de (werknemer) heeft voorgedragen", in te lichten, betekent dit dat hij de op het nationaal vlak opgerichte interprofessionele werknemersorganisa-tie, vertegenwoordigd in de Centrale Raad van het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden telt, en die de kandidatuur van de eerste geïntimeerde in casu heeft voorge-dragen, moet inlichten, in casu het Algemeen Christelijk Vakverbond, niet een professionele of interpro-fessionele organisatie die aangesloten is bij of deel uitmaakt van de eerstgenoemde organisatie, zoals de LBC-NVK (in dezelfde zin Arbh. Antwerpen, 17 juni 2003, Soc. Kron., 2003, 433 overigens zeer uitvoerig; Arbh. Brussel, 16 december 2004, J.T.T., 2005, 58; ELIAERTS, L., Beschermde werknemers. Ondernemingsraad en comité voor preventie en bescherming op het werk, Brussel, Larcier, 2002, nr. 597). Wanneer het ACV de LBC-NVK een volmacht zou gegeven hebben om een kandidatenlijst in te dienen, maakt dat van de gemandateerde zelf nog niet de organisatie die de kandidatuur heeft voorge-dragen. Uit de stukken 1 en 2 van de geïntimeerden blijkt overigens niet dat de heer B., aan wie door het ACV volmacht werd gegeven, de kandidatenlijst heeft ingediend in zijn hoedanigheid van secretaris van de LBC-NVK. Ware dat wél het geval geweest, dan zou de voordracht trouwens onregelmatig zijn geweest en had de appellante er geen rekening moeten mee houden, quod non. De eerste geïntimeer-de zou dan zelfs niet van de bescherming van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden heb-ben kunnen genieten (Arbh. Brussel, 16 december 2004, J.T.T., 2005, 58). De appellante heeft het Algemeen Christelijk Vakverbond niet ingelicht terwijl enkel deze organisatie de kandidatuur van de eerste geïntimeerde had voorgedragen. Zij heeft de overigens van openbare orde zijnde bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet geres-pecteerd (vgl. Cass., 4 september 1995, J.T.T., 1995, 493, noot WANTIEZ, C.; Arbh. Antwerpen, 25 april 2001, Soc. Kron., 2002, 18; VAN REGENMORTEL, A., "Sociale verkiezingen en ontslagbescher-ming. Aard van bepalingen: openbare orde of dwingend recht?", in GOEMANS, J., Het statuut van de beschermde werknemer. Een stand van zaken in het nieuwe millennium, Antwerpen, 2001, 7, nrs. 10-12). Dit openbare-orde karakter belet ook dat de rechter rekening zou houden met de "beken-tenis" die de heer B. bij de verschijning voor de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank op 13 maart 2006 zou hebben gedaan, nl. dat de kandidatuur van de eerste geïntimeerde door de LBC-NVK werd voor-gedragen (wat, zoals werd geoordeeld, overigens onjuist is). Het blijkt ten andere niet dat de heer B. gemachtigd was welke bekentenis dan ook af te leggen in naam van de geïntimeerden. Een bekentenis kan ten slotte geen betrekking hebben op rechtsvragen (zie PETIT, J., Sociaal procesrecht, Brugge, 2001, nr. 448). Ofschoon dat eigenlijk niet van belang is, merkt het Arbeidshof op dat de eerste geïnti-meerde duidelijk ook lid is van het ACV (stukken 8a en 8b van de geïntimeerden). De vordering van de appellante is onontvankelijk. Het hoger beroep is ongegrond. x x x HET ARBEIDSHOF, gelet op de bovenvermelde gronden Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak; Alle andere en strijdige conclusies verwerpende; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt dienvolgens het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afde-ling Roeselare, zesde kamer, d.d. 12 juni 2006 (A.R. nr. 43.059), in al zijn onderdelen. Verwijst de appellante overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, Ger. W. in de kosten van de procedure in hoger beroep; Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten in hoger beroep als volgt: - aan de zijde van de appellante: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 145,78 euro - aan de zijde van de geïntimeerden: - vaste rechtsplegingsvergoeding: 145,78 euro. Aldus uitgesproken op donderdag tien augustus tweeduizend en zes in buitengewone openbare terechtzitting door de vakantiekamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Brugge en waarin zitting hadden Jan Herman, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Romain Lefebvre, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, Marc D'Haene, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider en Ronan Van Hecke, griffier. w.g. R. Van Hecke - M. D'Haene - R. Lefebvre - J. Herman PDF document ECLI:BE:AHGNT:2006:ARR.20060810.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div