← België

ECLI:BE:AHGNT:2007:ARR.20070126.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Gent Vonnis/arrest van 26 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHGNT:2007:ARR.20070126.1 Rolnummer: 06057;- Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 15:14 Fiche Een staatloze die als zodanig werd erkend door een Belgisch gerecht doch van de Belgi-sche overheid nog geen machtiging ontving om op het grondgebied van het Rijk te verblij-ven, kan geen aanspraak maken op het leefloon. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . RECHT OP BESTAANSMINIMUM Leefloon Toekenningsvoorwaarden Staatloze. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 2 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Wet - 26-05-2002 - 3 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Annotaties Publicaties: RW 2007-2008 - - p. 369 Tekst van de beslissing A.R. nr. : 06/057 Rep. nr. OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. IN DE ZAAK VAN : C. A., wonende te , met woonstkeuze bij zijn raadsman meester H. Camerlynck, advo-caat te 8900 Ieper, Cartonstraat 14, APPELLANT, vertegenwoordigd door meester H. Camerlynck, advocaat voornoemd, TEGEN : O.C.M.W. M., met zetel te , GEINTIMEERDE, vertegenwoordigd door mevrouw T. Van Zandycke, gevolmachtigde. x x x Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging en inzonderheid op het voor eensluidend verklaarde afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeids-rechtbank te Kortrijk, afdeling Kortrijk, tweede kamer, van 8 februari 2006 (A.R. nr. 71.604), waar-van door de griffier aan de partijen kennis werd gegeven bij gerechtsbrief van 13 februari

  1. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, op 10 maart 2006 neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge.
  2. Nopens de feiten 1.
  3. De relevante feiten worden uitvoerig uiteengezet in het geschreven advies van het Openbaar Ministerie en het Arbeidshof neemt dit overzicht, zoals hierna mutatis mutandis weer-gegeven, tot het Zijne. 1.
  4. De appellant is van Libanees-Palestijnse afkomst. Hij werd vooralsnog niet ge-machtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging. Er werd hem op 27 au-gustus 2002 een weigering verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten betekend en bij het indienen van een tweede asielaanvraag werd hem een weigering tot overwegingname van de Vluchtelingenverklaring betekend. Nadat zijn asielprocedures aldus zonder succes waren beëindigd, vroeg hij op 30 juli 2004 voor de eerste maal steun aan de geïntimeerde. Hij woonde toen samen met een vriend in de te . Er werd hem toen een tussenkomst toegekend voor dringende medische kosten. Ondertussen had hij op 8 juli 2003 een procedure aangevat tot erkenning als staatlo-ze, ditmaal met meer succes. Op 26 april 2005 attesteerde het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de appellant staatloze was in de zin van de Conventie van New York van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen goedgekeurd bij Wet van 12 mei 1960 en als gevolg van de beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, van 10 maart
  5. Het attest vermeldde uitdrukkelijk dat dit attest niet gold als ver-blijfstitel. De voornoemde beschikking stelde nog dat alle bepalingen van het Verdrag van New York op de betrokkene van toepassing waren of konden zijn. Op 20 april 2005 vroeg de appellant financiële steun op grond van zijn erkenning als staatloze. Die werd hem toegekend door geïntimeerde op 3 mei 2005 in de vorm van een aan-vullende steun ten bedrage van 115,32 euro. Enkele dagen nadien werd hij bovendien opge-nomen in een crisiswoning. Op 24 juni 2005 heeft de appellant een verzoekschrift ingediend tot het bekomen van een machtiging tot een definitief verblijf in België, om humanitaire redenen, overeenkomstig ar-tikel 9 Vreemdelingenwet van 15 december
  6. Tot heden werd door de administratie nog geen beslissing genomen i.v.m. deze aanvraag. 1.
  7. Een drietal weken later, op 15 juli 2005, heeft de appellant een aanvraag tot het betalen van leefloon ingediend op grond van zijn erkenning als staatloze en artikel 3 Wet van 26 mei
  8. Deze aanvraag werd geweigerd bij de bestreden beslissing van 26 juli 2005 om-dat de betrokkene niet over een geldige verblijfsvergunning beschikte. De beslissing werd bij aangetekend schrijven van 3 augustus 2005 aan de appellant meegedeeld. 1.
  9. Ondertussen genoot de betrokkene wel verder de voornoemde aanvullende steun. Bij beslissing van 13 december 2005 werd deze aanvullende steun bepaald op 625,60 euro per maand aangezien er nog geen uitspraak was van de rechtbank noch van de dienst vreemdelingenzaken met betrekking tot de aanvraag artikel 9.3° van de Vreemdelingen-wet. Deze steun zou uitbetaald worden in het begin van elke maand. Er werd aan de appellant bovendien een huurwaarborg toegekend, die vrij cryptisch werd omschreven als volgt: "U een huurwaarborg toe te kennen. Deze huurwaarborg moet door u worden samen gespaard en wordt daarna gestort op een geblokkeerde rekening". Bij beslissing van 14 maart 2006 werd de voornoemde aanvullende steun ten bedrage van 625,60 euro met ingang van 14 maart 2006 verlengd. Verwonderlijk aangezien de kennisgeving van de vorige beslissing ook geen eindda-tum had bepaald.
  10. Nopens de procedure in eerste aanleg Bij verzoekschrift, op 5 september 2005 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vroeg de appellant dat de beslissing van de geïntimeerde van 26 juli 2005 zou vernietigd worden, dat hij in al zijn rechten zou hersteld worden alsook dat voor recht zou gezegd worden dat hij recht had op de betaling van het leefloon vanaf 15 juli 2005, datum van zijn aanvraag. Bij conclusie, op 30 september 2005 ter griffie neergelegd, vroeg de geïntimeerde dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden. Bij conclusie, op 13 december 2005 ter griffie neergelegd, vroeg de appellant ook de ge-intimeerde te veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten. Bij eindvonnis, op 8 februari 2006 op tegenspraak gewezen door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Kortrijk, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De beslissing van de geïntimeerde van 26 juli 2005 werd bevestigd. De geïntimeerde werd veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: - dat de staatloze volgens artikel 3, 3°, van de wet van 26 mei 2002 aanspraak kon maken op maatschappelijke integratie; - dat hij zich daarvoor regelmatig op het grondgebied van het Rijk moest bevinden; - dat de staatloze volgens artikel 81, eerste lid, van het K.B. van 8 oktober 1981 een machtiging moest hebben om in het Rijk te verblijven; - dat het onvoldoende was dat hij als staatloze was erkend; - dat de appellant zich niet regelmatig op het grondgebied van het Rijk bevond en geen recht had op maatschappelijke integratie.
  11. Nopens de procedure in hoger beroep In zijn akte van hoger beroep vordert de appellant dat het hoger beroep toelaatbaar, ont-vankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan en dat het Arbeidshof, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering gegrond zou verklaren en voor recht zou zeggen dat de appellant voor de periode vanaf 1 juli 2005 recht heeft op het leefloon, één en ander met verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van het geding. In zijn conclusie, op 22 mei 2006 ter griffie neergelegd, vraagt de geïntimeerde dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden. Hij vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. De partijen worden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 27 oktober
  12. Nopens de grieven van het hoger beroep De appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Hij houdt inzonderheid voor: - dat een staatloze die als zodanig werd erkend, regelmatig op het grondgebied van het Rijk verblijft; - dat hijzelf als staatloze werd erkend en bijgevolg recht heeft op maatschappelijke dienstver-lening onder de vorm van een leefloon; - dat staatlozen volgens artikel 24 van het Staatlozenverdrag op dezelfde wijze als de onder-danen moeten behandeld worden wat de ondersteuning en bijstand van overheidswege ter voorziening in het levensonderhoud betreft; - dat hij op 24 mei 2005 overigens de regularisatie van zijn verblijf overeenkomstig artikel 9, 3°, van de Vreemdelingenwet heeft gevraagd doch dat over die aanvraag nog geen beslissing is genomen; - dat deze beslissing zelfs nog jaren kan uitblijven, wat een schoolvoorbeeld is van onbehoor-lijk bestuur; - dat minstens tot de beslissing over de aanvraag het recht op leefloon moet erkend worden.
  13. Bespreking. 5.
  14. Nopens de ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk. 5.
  15. Nopens de gegrondheid van het hoger beroep 5.2.
  16. Het Openbaar Ministerie overweegt onder 6.2 tot 6.8 van zijn geschreven advies judicieus wat volgt en het Arbeidshof neemt mutatis mutandis als Zijn overwegingen aan wat volgt. 5.2.
  17. Krachtens artikel 1,1 van het Verdrag van 28 september 1954 betreffende de Status van Staatlozen (verder het Staatlozenverdrag genoemd), goedgekeurd bij wet van 12 mei 1960, geldt voor de toepassing van dat verdrag als "staatloze", een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Krachtens artikel 7, 1 van het Staatlozenverdrag zal, behoudens de gevallen waarin het Verdrag gunstiger bepalin-gen bevat, een Verdragsluitende Staat staatlozen op dezelfde wijze behandelen als vreemde-lingen in het algemeen. Krachtens artikel 23 van hetzelfde verdrag, zullen de Verdragsluitende Staten de re-gelmatig op hun grondgebied verblijvende staatlozen, wat de ondersteuning en bijstand van overheidswege ter voorziening in het levensonderhoud betreft, op dezelfde wijze als hun on-derdanen behandelen. Krachtens artikel 31 van hetzelfde verdrag zullen de Verdragsluitende Staten een re-gelmatig op hun grondgebied vertoevende staatloze niet uitzetten behoudens redenen van na-tionale veiligheid of openbare orde. 5.2.
  18. Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie heeft elke persoon recht op maatschappelijke integratie. Dit recht kan onder de voorwaarden bepaald in deze wet bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschap-pelijke integratie. Krachtens artikel 3, 1°, 3° en 5° van dezelfde wet moet, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de persoon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld: 1° zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin; 3° behoren tot één van de volgende categorieën van personen: - hetzij staatloos zijn en onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960; 5° werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Krachtens artikel 2 van het K.B. van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben in de zin van artikel 3, 1°, van de wet, diegene die gewoonlijk en bestendig op het grondgebied van het Koninkrijk verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters bedoeld in artikel 1, ,§ 1, 1° van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, voor zover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven. 5.2.
  19. Aangezien de appellant erkend werd als staatloze en hij in feite verblijft op het grondgebied van het Rijk, volgt uit de voornoemde bepalingen van het Staatlozenverdrag, van de Wet van 26 mei 2002 en van het K.B. van 11 juli 2002 dat hij in beginsel recht heeft op het leefloon indien moet worden aangenomen dat hij ofwel "regelmatig" verblijft op dat grondgebied in de zin van de bepalingen van het voornoemde verdrag, of dat hij "mag verblijven" op dat grondgebied in de zin van artikel 2 K.B. van 11 juli
  20. 5.2.
  21. Het Staatlozenverdrag maakt zelf duidelijk een onderscheid tussen personen die staatloze zijn zonder meer en zonder verder enige machtiging in feite verblijven op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, en de personen die daarenboven regelmatig op het grondgebied van die Staat verblijven. Aan de eerste categorie van personen worden rech-ten toegekend overeenkomstig artikel 7,1, van het voornoemde verdrag, namelijk dat ze op de-zelfde wijze moeten worden behandeld als vreemdelingen in het algemeen. Bij die bepaling wordt niet vereist dat er sprake moet zijn van een "regelmatig" verblijf op het grondgebied van de Verdragsluitende Staat. Hieruit volgt dat de bepalingen van hetzelfde verdrag die bepaalde rechten toekennen aan de regelmatig op hun grondgebied verblijvende staatlozen, impliceren dat, voor de toepassing van die bepalingen, minstens een machtiging tot verblijf is vereist over-eenkomstig de in die Staat toepasselijke reglementering. Hieruit volgt ook reeds dat artikel 2 van het K.B. van 11 juli 2002, waarbij wordt vereist dat de hulpzoekende mag verblijven op het grondgebied van het Rijk, in elk geval niet in strijd is met de bepalingen van voornoemd ver-drag. De erkenning van het statuut als Staatloze van de appellant alleen impliceert niet dat hij hierdoor ook machtiging bekomt tot verblijf in het Rijk. Zoals in het overgelegde attest werd vermeld, vormt die erkenning geen titel die betrokkene het recht verschaft te verblijven op het grondgebied van het Rijk. Krachtens artikel 98, eerste lid, van het K.B. van 8 oktober 1981 betreffende de toe-gang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zijn de staatloze en zijn familieleden onderworpen aan de algemene reglementering. Aangezien de appellant niet voorhoudt, laat staan aantoont, dat zijn recht op verblijf overeenkomstig artikel 10, 1°, van de Vreemdelingenwet zou zijn erkend door een internationaal verdrag, door de wet of door een koninklijk besluit, moet hij een machtiging tot verblijf aanvragen overeenkomstig dit besluit en de Vreemdelingenwet, zoals de appellant ook ondertussen heeft gedaan overeen-komstig artikel 9 van dezelfde wet, terwijl over die aanvraag nog niet werd beslist. De erkende staatloze blijft illegaal verblijven zolang hij geen machtiging heeft beko-men tot verblijf (Arbh. Luik, 7 september 2005, A.R. nr. 32.250/05, overweging 5.4, www.juridat.be). Het is de betrokkene die zelf de nodige stappen moet ondernemen om, indien hij dat wenst, op grond van onder meer zijn statuut als staatloze en het voornoemde verdrag, machtiging te bekomen om op het grondgebied van het Rijk te mogen verblijven. 5.2.
  22. Aangezien de appellant op het ogenblik van de aanvraag tot het bekomen van een leefloon tot op heden nog geen dergelijke machtiging heeft bekomen, verblijft hij ook niet "regelmatig" in het Rijk zoals bedoeld in artikel 23 van voornoemde verdrag en kan hij dus geen rechtsgrond vinden in die bepaling om aanspraak te maken op een leefloon. Aangezien de ap-pellant niet over een machtiging beschikt om in het Rijk te verblijven, kan ook niet aangenomen worden dat hij op het grondgebied mag verblijven in de zin van artikel 2 van het K.B. van 11 juli
  23. Aangezien de appellant niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 2 van het K.B. van 11 juli 2002, werd hem het leefloon vooralsnog terecht geweigerd. 5.2.
  24. Het is uiteraard niet omdat overeenkomstig artikel 31 van het Staatlozenver-drag een regelmatig op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat vertoevende staatloze in beginsel niet mag worden uitgezet, dat een staatloze, laat staan een staatloze die niet re-gelmatig op dat grondgebied verblijft, aanspraak zou kunnen maken op het leefloon. 5.2.
  25. Op het ogenblik dat de appellant zijn aanvraag heeft ingediend tot het beko-men van het recht op leefloon, had hij zijn aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf om humanitaire redenen nog maar drie weken ingediend. Van een uitblijven van een beslissing van de administratie en het haar aangewreven onbehoorlijk bestuur kon op dat ogenblik dus in elk geval nog geen sprake zijn geweest. Het is niet omdat appellant desgevallend op grond van artikel 3 van het EVRM recht zou hebben op een menswaardig bestaan en dat de Belgische Staat daar zou moeten voor in-staan, dat dit veronderstelde recht in de vorm van een leefloon zou moeten worden verwezen-lijkt. En het is ook niet omdat rechtspraak een rechtsbron kan zijn dat de rechter recht zou mo-gen doen tegen de wettelijke bepalingen in. Het Arbeidshof erkent dat ook heden over de aan-vraag van de appellant nog geen beslissing werd genomen en dat niet duidelijk is wanneer dit wel het geval zal zijn. Wanneer hieruit afgeleid wordt dat de betrokken administratie in gebreke is gebleven, zou de aansprakelijkheid van de Belgische Staat in het gedrang kunnen zijn maar ook dat zou de rechter nog niet toelaten om aan de appellant het leefloon toe te kennen. De wet laat niet toe de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een vorm van schadeloos-stelling in natura omwille van de tekortkomingen van de Belgische Staat. De rechter ten gronde kan het leefloon ook niet bij wijze van voorlopige maatregel toekennen totdat over de aanvraag een beslissing is genomen (onverminderd evenwel de mogelijke bevoegdheid van de rechter in kort geding). De rechter mag uiteraard creatief zijn, doch mag de wet niet schenden. Anderzijds moet toch worden vastgesteld dat de geïntimeerde zelf reeds creatief is geweest door, gelet op de feitelijke situatie van de betrokkene, financiële steun te verlenen en een opvang in een crisiswoning bij wijze van maatschappelijke dienstverlening. Of die steun door de geïntimeerde aan de appellant wordt gegeven omdat hij er recht op heeft overeenkom-stig de OCMW-Wet, dan wel als loutere gunst, is in casu niet relevant. Of en in welke mate de appellant aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening, desgevallend met in-achtneming van onder meer artikel 7.1 van het Staatlozenverdrag, dient immers niet te worden onderzocht of beoordeeld, omdat dit niet het voorwerp vormt van het geschil. 5.2.
  26. Het hoger beroep is ongegrond. x x x HET ARBEIDSHOF, Gelet op de voornoemde gronden; Recht doende op tegenspraak. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel
  27. Gelet op het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door Substituut-generaal Antoine Lievens en ter griffie neergelegd op 10 november
  28. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Kort-rijk, afdeling Kortrijk, tweede kamer, van 8 februari 2006 (A.R. nr. 71.604), in al zijn onderdelen. Veroordeelt de geïntimeerde in overeenstemming met artikel 1017, tweede lid, Ger. W. tot het betalen van de kosten van de procedure in hoger beroep. Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten als volgt: - aan de zijde van de appellant (zoals verminderd): - uitgavenvergoeding: 59,49 euro - vaste rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 145,76 euro - aan de zijde van de geïntimeerde: niet te begroten bij gebrek aan omstandige opgave. Aldus uitgesproken op vrijdag zesentwintig januari tweeduizend en zeven in openbare terechtzitting door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Brugge en waarin zit-ting hadden : Herman Jan, raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Marc Blomme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, De Bock Alexander, raadsheer in sociale zaken, be-noemd als werknemer-arbeider en Mathys Myriam, eerstaanwezend adjunct-griffier. w.g. : M. Mathys - A. De Bock - M. Blomme - J. Herman. PDF document ECLI:BE:AHGNT:2007:ARR.20070126.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.