← België

ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040517.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040517.7 Rolnummer: 2032146 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 10:02 Fiche Een propagandist van een vakbond die zich bij een andere vakbond aansluit schendt het vertrouwen van de werkgever. Zijn ontslag om dringende reden is gerechtvaardigd. De werkgever diende hem misschien aan te spreken vooraleer tot ontslag over te gaan, maar de werknemer, alvorens aan te sluiten bij een ander vakbond, had ook een gesprek kunnen aangaan met de werkgever. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: einde van de overeenkomst - beëindiging om dringende reden - ontslag - dringende reden - vakbond - propagandist die bij een andere vakbond aansluit - gesprek voorafgaand aan het ontslag - verplichting ook in hoofde van de werknemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 3, blz. 140-141 Tekst van de beslissing A.R. 2032146 ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Eerste kamer. Rep.nr. VONNIS van 17 mei 2004. - De heer C. M., bediende, wonende te H., eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. S.DONCKERS, loco Mr. P.LAHOUSSE, advocaat te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 64. Tegen: - CENTRALE DER VOEDING EN HOTELARBEIDERS ABVV GEWEST TURNHOUT-LIMBURG, in de persoon van haar gewestelijk secretaris mevrouw N. H., wonende te W., met zetel te 2300 Turnhout, Grote Markt 48, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. J.PEETERS, advocaat in het advocatenkantoor NULENS & VENNOTEN te 3500 Hasselt, Leopoldplein 8. 1 Procedure De rechtbank heeft de volgende documenten ingezien: - de inleidende dagvaarding van 1 augustus 2003 van gerechtsdeurwaarder Philip BROSENS te Turnhout; - het verzoekschrift in toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W. door eisende partij neergelegd op 4 november 2003, de opmerkingen hierop door verwerende partij neergelegd op 13 november 2003 en onze beschikking van 26 november 2003; - de besluiten voor verwerende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22 december 2003; - de besluiten voor eisende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 9 februari 2004; - de synthesebesluiten voor verwerende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 3 maart 2004; - de overtuigingsstukken door partijen neergelegd. De rechtbank heeft de partijen in hun argumenten en besluiten gehoord ter zitting van 5 april 2004 nadat bleek dat geen verzoening kon worden bereikt. De ontvankelijkheid van de eis wordt niet betwist en door de rechtbank worden geen middelen van niet-ontvankelijkheid, die ambtshalve dienen te worden opgeworpen, vastgesteld, zodat de eis ontvankelijk is. 2 Feiten Eiser treedt op 6 september 2001 als bediende in dienst van verweerster aanvankelijk deeltijds en met ingang van 1 maart 2002 voltijds. Hij was tewerkgesteld als bediende-propagandist (zie brief van 10 september 2002 van de LBC-NVK). Met een aangetekend schrijven van 4 september 2002 wordt eiser door verweerster ontslagen wegens dringende redenen. Het ontslagschrijven luidt als volgt: " Op 2 september 2002 werden wij in kennis gesteld van een zwaarwichtige tekortkoming die een dringende reden uitmaakt en ons toelaat uw bediendenovereenkomst zonder opzeggingstermijn of vergoeding te beëindigen. Tijdens uw ziekteperiode heeft U de meeste van uw doktersattesten steeds laattijdig verstuurd. Vb. de periode van 20 juli 2002 tot en met 9 augustus 2002 werd met de post verzonden op 23 juli 2002: periode 22 juni 2002 tot en met 5 juli 2002 werd verzonden op 25 juli 2002. Van de dertien attesten werden er 10 laattijdig overgemaakt! Voor ieder nieuw attest moesten wij wachten of U op het werk zou verschijnen of niet. Geen enkele keer werden wij voor de aanvang van de dagtaak verwittigd. Bovendien moesten wij vaststellen dat uw lidmaatschap bij het ABVV werd stopgezet. Aangezien wij U hierover een aanmaning wilden versturen deden wij navraag over de datum van stopzetting van de domiciliëring. Op 2 september 2002 kregen wij naast het bericht van stopzetting bij het ABVV ook kennis van uw aansluiting en domiciliëring bij het ACV! De ontsteltenis is groot. Nu bent U echt te ver gegaan! Als propagandist is één van uw taken onderhandelen en CAO's afsluiten met de werkgevers terwijl U de specifieke standpunten van het ABVV dient te verdedigen in onze contacten met de andere vakbonden. Een ACV lid kan dat voor ons niet doen. Het vertrouwen is dusdanig ernstig geschonden dat een verdere samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk is. Een werknemer die tewerkgesteld is in een organisatie die aanleunt bij een bepaalde politieke strekking dient van overeenstemmende strekking te zijn. U bent vanaf heden ontslagen". Met een schrijven van 10 september 2002 vanwege het LBC wordt het gegeven ontslag om dringende reden door eiser betwist. Het laattijdig toezenden van doktersattesten word betwist. Het feit dat het de betrokkene niet toegelaten zou zijn lid te worden van het ACV wordt onaanvaardbaar geacht. Hierop reageert de raadsman van de werkgever met een schrijven van 19 september 2002 waarbij hij stelt dat het feit met betrekking tot het lidmaatschap het zwaarwichtigste feit is. In dit verband wordt het volgende gesteld: "...Mijn cliënte is een vakvereniging. Het is duidelijk dat een werkgever die een sociale organisatie is met welbepaalde maatschappelijke standpunten en strijdpunten hierbij een bijzondere situatie vormt. Uw lid was in deze vakvereniging propagandist en was onder meer ook betrokken bij het onderhandelen en sluiten van CAO's als vertegenwoordiger van het ABVV. Ik neem aan dat ik er u niet hoef van te overtuigen dat de persoonlijke maatschappelijke visie van de vakbondsman in kwestie moet stroken met deze van de vakvereniging (en leden/werknemers) waar hij voor staat. Door de houding van uw lid was dit duidelijk niet meer het geval. Het is haast alsof bv. een Renault-dealer zelf met bv. een BMW zou rijden. Bovendien strookt het standpunt van de vakbond waarnaar de heer M. muteerde op vele punten niet met de visie van cliënte..." Er volgt nog briefwisseling tussen partijen waarna eiser bij gebrek aan minnelijke regeling van zijn aanspraken zijn vroegere werkgever dagvaardt voor dit gerecht. 3 Vordering Eiser vordert de veroordeling van verwerende partij om aan hem de onderstaande bruto bedragen te betalen:

  1. a)opzeggingsvergoeding 6.243,17 EUR
  2. b)pro rata eindejaarspremie 2002 1.146,67 EUR
  3. c)saldo vakantiegeld 2003, dienstjaar 2002 175,90 EUR te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf hun eisbaarheid en te berekenen op het verschuldigde nettobedrag. Eiser vordert tevens de veroordeling van verwerende partij tot afgifte van: 1. de afrekening, meestal "loonbrief" genoemd, op het ogenblik van de betaling van de posten
  4. a)t.e.m.
  5. c)2. een afschrift van de individuele rekening binnen de twee maanden na de betaling van de posten
  6. a)t.e.m.
  7. c)3. een vakantieattest op het ogenblik van de betaling van de post
  8. c)4. de fiscale fiche nr. 281.10 vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de posten
  9. a)t.e.m.
  10. c)5. het aangepaste formulier C4 op het ogenblik van de betaling van de post
  11. a)en dit telkens op verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag en per ontbrekend document na dat de wettelijk voorziene termijn van één maand zal overschreden zijn. Tot slot vordert eiser de veroordeling van verweerster tot betaling van de gerechtskosten en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussen te komen vonnis, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met verbod van kantonnement. 4 Middelen van de partijen 4.1. Tijdigheid van het ontslag om dringende reden. Verwijzend naar artikel 35 derde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet werpt eiser vooreerst op dat de reden van steeds laattijdige verwittiging van ziekte buiten de periode van drie dagen vóór het ontslag wegens dringende reden valt, zodat deze reden onmogelijk als dringende reden kan worden aangewend. Hij houdt voor overigens niet verplicht geweest te zijn medische attesten over te maken vermits hij nooit een arbeidsreglement ontving. Verweerster verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 19 september 1994 (T.R.D., 1994, 949) en stelt voorop dat in geval van voortdurende tekortkoming de werkgever de datum bepaalt waarop die lopende voortdurende tekortkomingen elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maken. Deze dringende reden bestaat uit herhaalde meerdere tekortkomingen en de werkgever kon aldus rechtmatig beslissen dat voor haar precies op 4 september 2002 de maat vol was. 4.2. Ten gronde. Verwijzend naar de Wet van 24 mei 1921 tot waarborging der vrijheid van Vereniging houdt eiser voor dat de vrijheid deel uit te maken van een vakvereniging behoort tot de essentie van de syndicale vrijheid van elkeen die een beroep uitoefent. Deze vrijheid dient beschermd te worden tegen ongeoorloofde aantastingen. Verweerster is steeds tevreden geweest over de werkzaamheden van concluant en toch beslist ze zonder enige uitleg te vragen aan concluant hem te ontslagen wegens dringende redenen... Concluant werd niet eens gehoord. Sinds de voltijdse tewerkstelling bij verweerster besteedde eiser 80% van zijn arbeidstijd aan administratieve boekhoudkundige taken. Hij heeft nooit een CAO mede onderhandeld of ondertekend. Hij voerde nooit het werk van propagandist uit. Indien hij aanwezig was op vergaderingen was er van zijn kant geen inmenging of betrokkenheid. Hij maakte zich lid van het ACV teneinde individueel ondersteuning te krijgen daar de werkgever een einde wilde stellen aan de arbeidsrelatie wegens definitieve ongeschiktheid. Verwijzend naar artikel 2 van de Wet van 24 mei 1921 tot waarborging der vrijheid van vereniging stelt eiser zich de vraag welke beginselverklaring vervat in de statuten van het ABVV hij zou hebben overtreden. Hij meent dan ook dat dit feit geen rechtvaardiging voor het ontslag om dringende reden kan uitmaken. Verweerster verwijst naar de conclusies van advocaat-generaal Lenaerts (Cass. 8 februari 1988, J.T.T., 1988, 157) en stelt dat "de fout" geen constitutief element is van het begrip "ernstige tekortkoming". Er dient zich een "objectieve situatie voor te doen die de voortzetting van de contractuele relatie onmogelijk maakt". Schade of opzet om de werkgever te benadelen is niet vereist. De overeenkomst dient evenwel ter goede trouw te worden uitgevoerd. De goede trouw veronderstelt loyauteit ten opzichte van de werkgever. De ingeroepen tekortkoming moet worden beoordeeld in functie van het onhoudbaar karakter van de toestand die ze heeft tot stand gebracht... Toegepast op deze zaak besluit verweerster met betrekking tot de aansluiting bij een ander vakverbond dat uit de jobomschrijving en de sollicitatie van eiser duidelijk blijkt dat het om een "propagandist" ging. Voor de aanwerving werd gepeild naar het syndicaal engagement van de heer M. en verweerster verwijst verder naar stukken en verklaringen waaruit blijkt dat hij inhoudelijk effectief het takenpakket van propagandist uitoefende. Verweerster houdt verder voor dat, nadat eiser in een gesprek met de gewestelijk secretaris gewag maakte van een depressieve toestand, hij niet meer terug kwam werken, herhaaldelijk afwezig was wegens ziekte en op een bepaald moment gevraagd heeft aan een collega door overmacht te worden ontslaan. Door het ABVV werd er op verzoek van eiser beslist de ernst van de ziekte te laten onderzoeken doch de arbeidsgeneesheer verzekerde dat er geen sprake was van definitieve ongeschiktheid. De heer M. koos er op dat ogenblik voor zich bij het ACV aan te sluiten in plaats van samen met de werkgever (die hiertoe bereid was) een oplossing te zoeken. Volgens verweerster is één van de taken van een propagandist onderhandelen en CAO's afsluiten met de werkgevers waarbij hij de specifieke standpunten van het ABVV dient te verdedigen ook in de contacten met andere vakbonden... Het vertrouwen van de werkgever was dusdanig geschonden dat een verdere samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk werd. Niet alleen voor de werkgever maar ook voor de andere militanten was de houding van eiser onaanvaardbaar. De werkgever heeft als sociale organisatie welbepaalde maatschappelijke standpunten. Het is nogal logisch dat de persoonlijke maatschappelijke visie van de vakbondsman moet stroken met deze van de vakvereniging waar hij voor staat. Tot slot verwijst verweerster naar een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Limburg, van 28 augustus 1989 (R.W. 1989-1990, 1368) om zijn standpunt kracht bij te zetten. 5 Beoordeling 5.1. Tijdigheid van het ontslag om dringende redenen. Terecht betwist eiser, naar het oordeel van de rechtbank, de tijdigheid van het ontslag om dringende reden voor wat betreft "het laattijdig of niet overmaken van medische attesten". Dit feit werd immers niet, in tegenstelling tot hetgeen in het ontslagschrijven werd vermeld, slechts vastgesteld op 2 september 2002. In het ontslagschrijven wordt melding gemaakt van "de verzending van de attesten op 23 en 25 juli 2002" voor ziekte in juli en augustus van dat jaar zodat het duidelijk is dat op datum van het ontslag meer bepaald 4 september 2002 de wettelijke driedagentermijn ruim was overschreden. Eiser betwist overigens dat er enig doktersattest zou verzonden geweest zijn op 23 of 25 juli 2002. Uit de door verweerster neergelegde attesten van arbeidsongeschiktheid (10 tussen januari 2002 en augustus 2002) blijken wel de data van ongeschiktheid maar, hoewel sommige omslagen met poststempel werden bijgevoegd, is de poststempel onleesbaar. Het laatst bijgevoegde attest betreft de ongeschiktheid van eiser tot 31 augustus 2002 maar uit de briefwisseling der partijen blijkt dan weer dat eiser arbeidsongeschikt was tot 30 september 2002. De rechtspraak van het Hof van Cassatie interpreteren zoals verweerster dit doet, zet de driedagentermijn op de helling of holt ze uit. In het door verweerster geciteerde arrest betrof het overigens een voortdurende tekortkoming (zie in dezelfde zin 19 januari 1998, R.W.., 1998-1999,306) terwijl in casu te weinig elementen worden aangebracht waaruit zou blijken dat het een voortdurende tekortkoming zou zijn. De libellering in het ontslagschrijven wijst evenmin in die richting. In latere arresten preciseerde het Hof van Cassatie dat bij voortgezette tekortkoming de rechter de termijn waarbinnen de dringende reden wordt ingeroepen beoordeelt door na te gaan of het motief drie werkdagen voor het ontslag nog voor handen was. (Cass, 28 mei 2001, J.T.T.2001, 389; Cass, 8 april 2002, J.T.T.2002, 419) Het is duidelijk dat dit hier niet meer het geval was alleszins niet voor de feiten m.b.t. de medische attesten zoals omschreven in de ontslagbrief. 5.2.Ten gronde. Overeenkomstig artikel 35, lid 2 Arbeidsovereenkomstenwet wordt onder dringende reden verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Aan de partij die tot ontslag wil overgaan wordt een vrij ruime appreciatiemarge toegekend om al dan niet beroep te doen op deze ultieme sanctie. De rechter oordeelt of de ingeroepen dringende reden het ontslag zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn wettigt. Terecht werpt de werkgever op dat een arbeidsovereenkomst te goeder trouw dient te worden uitgevoerd en dat loyauteit een vereiste is. Ook de rechtbank is de mening toegedaan dat door de handelingen van eiser het vertrouwen van de werkgever ernstig geschonden werd. Eiser werpt op dat de werkgever, alvorens hem te ontslagen om dringende reden, hem had dienen aan te spreken. Welnu de rechtbank is de mening toegedaan dat ook eiser, alvorens zijn lidmaatschap op te zeggen en aan te sluiten bij een ander vakverbond, een gesprek had kunnen aangaan met de werkgever. In dienst treden bij een vakverbond vereist welbepaalde engagementen die de partijen bij de aanwerving overeenkomen. Dit is van algemene bekendheid. Bovendien vereist de functie van eiser uiteraard een specifiek doorgedreven engagement. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser als propagandist was tewerkgesteld. Dit wordt zo gesteld in een brief van het vakverbond na het ontslag (zie hoger bij de feiten) en bovendien werd hij als propagandist aangeworven. De handeling van eiser tast de geloofwaardigheid in zijn functie van propagandist aan waardoor de werkgever zijn vertrouwen, noodzakelijk voor het verderzetten van de arbeidsrelatie, verliest. Bovendien kan dit tevens het vertrouwen schaden en de geloofwaardigheid aantasten van de organisatie. Het feit dat eiser arbeidsongeschikt was en deze feiten niet naar buitenbracht en er aldus geen schade werd aangericht is niet relevant. Hoewel de partijen vrij karig zijn met hun informatie over de periode van arbeidsongeschiktheid van eiser blijkt uit de bijgebrachte stukken dat eiser in 2002 tot datum van het ontslag praktisch permanent arbeidsongeschikt was. De rechtbank stelt zich zelfs de vraag of eiser gewerkt heeft sedert de overgang van zijn overeenkomst van deeltijds naar voltijds. In ieder geval vindt de rechtbank het perfect normaal dat de werkgever op een bepaald ogenblik ertoe beslist eiser te laten onderzoeken door de arbeidsgeneesheer. Of dit op eigen initiatief is dan wel op verzoek van eiser (partijen zijn het hierover oneens) is niet relevant. Alleszins kan dit geen verontschuldiging zijn voor het feit dat eiser het vertrouwen in de werkgever verloor en zijn lidmaatschap opzegde om over te gaan naar een ander vakverbond. Niemand verplichtte eiser in dienst te treden bij verweerster. Hij deed dit uit vrije wil. Hieraan waren zekere consequenties verbonden. Eiser wist dit of behoorde dit alleszins te weten. Tijdens de ganse duur van de arbeidsovereenkomst dient hij zich loyaal te gedragen opzichtens de werkgever. De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van verweerster dat door zijn lidmaatschap op te zeggen en aan te sluiten bij een ander vakverbond het vertrouwen van de werkgever dusdanig geschonden was dat iedere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk werd. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen. De rechtbank heeft de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken nageleefd. OM DEZE REDENEN BESLIST DE ARBEIDSRECHTBANK Na beraadslaging en op tegenspraak. De vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De gerechtskosten ten laste te leggen van de eisende partij, volgens kostenopgave in hoofde van eisende partij begroot op 102,65 EUR dagvaardingskosten en 205,26 EUR rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van verwerende partij begroot op 205,26 EUR rechtsplegingsvergoeding en dienovereenkomstig vereffend. Dit vonnis werd uitgesproken in openbare terechtzitting van ZEVENTIEN MEI TWEEDUIZEND EN VIER waar zitting hielden: mevrouw B.DEWAEL, voorzitter van de rechtbank; de heer P.ROBBEN, rechter in sociale zaken werkgever; mevrouw I.MAURISSEN, rechter in sociale zaken werknemer-bediende; mevrouw A.BERVOETS, griffier-hoofd van dienst. PDF document ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040517.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.