← België

ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040630.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040630.18 Rolnummer: 346256 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-01 00:41 Fiches 1 - 3 De bepalingen van C.A.O. nr. 38 formuleren regels van behoorlijk handelen. Zelfs indien deze C.A.O. niet van toepassing is, kunnen de beginselen ervan als een leidraad worden gebruikt bij de beoordeling van een geschil waarbij een overheid een sollicitant weigert wegens zijn uiterlijk. Een persoon die niet wordt aangeworven voor een functie om redenen die enkel betrekking hebben op zijn uiterlijk en die geen enkele relevantie hebben met die functie, lijdt hierdoor een morele schade. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Arbeidsovereenkomst - goede trouw - precontractuele fase - CAO nr 38 - discriminatie wegens het uiterlijk - tatoeage - kaalhoofdigheid - ongeoorloofd - onrechtmatige daad - schade en schadeloosstelling - morele schade - niet worden aangeworven voor een functie om redenen die niet relevant zijn voor die functie. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN . NATIONALE ARBEIDSRAAD Arbeidsovereenkomst - goede trouw - precontractuele fase - CAO nr 38 - discriminatie wegens het uiterlijk - tatoeage - kaalhoofdigheid - ongeoorloofd - onrechtmatige daad - schade en schadeloosstelling - morele schade - niet worden aangeworven voor een functie om redenen die niet relevant zijn voor die functie. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 06-12-1983 - 2bis - 30 Link Justel databank 19831206-30 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . INTERNATIONALE ARBEIDSORGANISATIE Arbeidsovereenkomst - goede trouw - precontractuele fase - CAO nr 38 - discriminatie wegens het uiterlijk - tatoeage - kaalhoofdigheid - ongeoorloofd - onrechtmatige daad - schade en schadeloosstelling - morele schade - niet worden aangeworven voor een functie om redenen die niet relevant zijn voor alle functies. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 25-06-1958 - 1,2° Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1382, onder IV D - artikel 2bis en onder IX E - artikel 1, 2°. Annotaties Publicaties: RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - - 2005

(06)(00020,P.670-70) Tekst van de beslissing Inzake: A.R. 346.256 dd 30 juni 2004 H., arbeider, wonende te ....... EISENDE PARTIJ, ter zitting vertegenwoordigd door Mr. E.D. advocaat, tegen: 1/ S.A., vertegenwordigd door haar 2/ vzw C., met identificatienummer VERWERENDE PARTIJEN, ter zitting vertegenwoordigd door Mr.P.D.M. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS: Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en nader omschreven op de inventaris ervan en ondermeer: - het vonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 16 oktober
  1. - de conclusie na tussenvonnis van verweersters ontvangen ter griffie op 2 december
  2. - de syntheseconclusie van eiser ontvangen ter griffie op 27 februari
  3. - de aanvullende conclusie na tussenvonnis van verweersters ontvangen ter griffie op 5 juni
  4. - de syntheseconclusie van verweersters ontvangen ter griffie op 21 november
  5. - de syntheseconclusie van eiser ontvangen ter griffie op 22 december 2003 en neergelegd ter zitting van 6 mei
  6. - het schriftelijk advies van Dhr.H.V., 1e Substituut-Arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 3 juni
  7. - de replieknota van verweersters ontvangen ter griffie op 10 juni
  8. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de Wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare terechtzitting van 6 mei
  9. Het debat werd voorafgegaan door een poging tot minnelijke regeling overeen-komstig de bepalingen van artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek doch partijen kwamen niet tot verzoening. Rechtdoende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
  10. DE VORDERING : Wat de initiële vordering betreft kan verwezen worden naar het vonnis van deze rechtbank en kamer dd 16 oktober
  11. Eiser vordert thans dat verweersters in solidum zouden veroordeeld worden tot betaling van een met vergoedende en gerechtelijke intresten te vermeerderen bedrag van 6.000 euro hoofdens economische schade door verlies van een kans en 5.000 euro morele schade. Tevens vordert eiser dat verweersters in solidum zouden veroordeeld worden tot al de kosten van het geding.
  12. FEITEN EN PROCEDURIELE VOORGAANDEN : Op 15.5.2001 nam eiser deel aan een informatievergadering en een eerste selectiegesprek voor de functie van buurttoezichter in het kader van het Werk Ervaring project (zogenaamde Wepplus-functies). Deze functie werd aangeboden door eerste verweerster. Eiser werd vervolgens uitgenodigd voor een tweede selectiegesprek dat plaatsvond op 12.6.
  13. Eiser werd niet geselecteerd en op 7.8.2001 kwam de wel weerhouden kandidaat in dienst. Op 8.8.2001 bood eiser zich aan bij Mevr.V., coördinator van de afdeling Sociale Tewerkstelling en contactpersoon naar de VDAB toe en in dienst van tweede verweerster, met verzoek ten behoeve van de VDAB een attest af te leveren m.b.t. de niet aanwerving als buurttoezichter. Aan eiser werd vervolgens door Mevr.V. een aan de VDAB gericht schrijven d.d. 2.8.2001 overhandigd met volgende inhoud: " Vacature voor een buurttoezichter Dhr.D.H. werd niet aangeworven omdat: betrokkene werd niet gunstig gerangschikt. Zijn voorkomen strookte niet met de functievereisten. Meer bepaald tatoeage en kaalhoofdigheid." Eiser legde vervolgens op 8.8.2001 klacht neer bij de Politie te Antwerpen lastens eerste verweerster en zulks wegens discriminatie. Met aangetekende brief d.d. 22.8.2001 stelde de raadsman van eiser Mevr. L. V. in gebreke om eiser opnieuw op te roepen met het oog op een gunstige rangschikking en indienstneming. Hierbij werd gesteld dat eiser zou geslaagd zijn in de opgelegde testen en dat buiten het uiterlijk geen andere motieven werden aangebracht zodat eiser gunstig diende gerangschikt te worden en effectief in dienst diende genomen te worden. Tevens werd Mevr. V.......... in gebreke gesteld aan dit verzoek te voldoen binnen de vijftien dagen bij gebreke waaraan overgegaan zou worden tot dagvaarding voor de bevoegde rechter waar de indienstneming gerechtelijk zou gevorderd worden, gebeurlijk vergezeld van een schadeclaim wegens machtsafwending, eerroof en rechtsmisbruik. Dit schrijven, dat klaarblijkelijk aan een foutief adres werd verzonden, werd niet afgehaald en op 23 en 24.10.2001 ging eiser over tot dagvaarding van eerste en tweede verweerster. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen d.d . 23.5.2002 werd overwogen dat niet de Rechtbank van Eerste Aanleg doch de Arbeidsrechtbank terzake bevoegd was en werd, nu eiser op de exceptie van onbevoegdheid geen verwijzing naar de Arrondissementsrechtbank had gevorderd conform art. 639, 3e lid Ger.W., de zaak naar onze rechtbank verwezen. Bij vonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 16 oktober 2002 werd de zaak naar de bijzondere rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de zaak verder in staat te stellen.
  14. IN RECHTE : 3.
  15. Ontvankelijkheid Verweersters merken vooreerst op dat de vordering, in zoverre ze gesteld wordt lastens tweede verweerster, onontvankelijk is. Verweersters argumenteren hierbij dat de functie te begeven was door eerste verweerster en dat tweede verweerster enkel medewerkers ter beschikking stelde van de stedelijke dienst sociale tewerkstelling van de S... A.... Daar de functies te begeven zijn door eerste verweerster en daar de stedelijke dienst tot sociale tewerkstelling enkel instaat voor de selectie en recrutering zou de vordering lastens tweede verweerster onontvankelijk zijn. Middelen van niet ontvankelijkheid zijn processuele middelen die doen beslissen dat de eisende partij geen (of niet meer een) vordering kan stellen, dat zij niet (of niet meer) de wettelijke bevoegdheid heeft om een beslissing over de grond van de eis te bekomen ingevolge bevoorbeeld laattijdigheid, gebrek aan belang, gebrek aan hoedanigheid, verjaring. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een vordering dient derhalve nagegaan te worden of voldaan is, enerzijds aan de uitoefeningsvoorwaarden van het vorderingsrecht en anderzijds aan de vormvoorwaarden van het instrumentum dat werd aangewend om het geding in te leiden. De vraag van de ontvankelijkheid dient dan ook beoordeeld te worden aan de artikelen 17 en 18 Ger.W. en de regels m.b.t. de vormvoorwaarden tot het inleiden van het geding. In casu bezit eiser de bij art. 17 en 18 Ger.W. opgelegde hoedanigheid en belang en heeft hij zijn vordering ingeleid met een akte die zowel wat betreft de vormvoorwaarden alsook wat betreft de termijnen aan de wettelijke bepalingen voldoet. De vordering is dus lastens beide verweesters ontvankelijk. Of de vordering tegen tweede verweerster kan gesteld worden raakt de grond van de zaak. 3.
  16. Gegrondheid 3.2.
  17. Standpunt van partijen Eiser vordert dat beide verweersters in solidum zouden veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van 6.000 euro hoofdens economische schade door verlies van een kans enerzijds en 5.000 euro morele schadevergoeding anderzijds. Eiser wijst er daar bij op dat zijn vordering gesteund is op de art. 1382-1384 B.W. en houdt voor dat verweersters zich hebben schuldig gemaakt aan een fout die bestaat in een inbreuk op de principes van de goede trouw tijdens het selectiegebeuren, de overtreding van de bepaling van art. 2bis van de CAO nr.38 alsook de overtreding van het discriminatie verbod. Niet enkel eerste verweerster doch ook tweede verweerster, in wiens dienst Mevr. V. was, zijn ingevolge het plegen van deze fout in de precontractuele fase aansprakelijk. Eiser wijst er verder op dat er door verweersters op geen enkele manier wordt aangetoond dat er sprake zou zijn van meerdere redenen van niet aanwerving los van deze die vermeld werden op het kwestieuse formulier. Verder wijst eiser er op dat geen enkel element van het dossier toelaat te besluiten dat de attestatie door Mevr. V.......... op het formulier onder dwang gebeurde. Tenslotte wijst eiser er op dat hij wel degelijk interesse had voor andere functies doch dat het Mevr. V. Verweersters van hun kant wijzen er vooreerst op dat de verklaring van de vriendin van eiser uit de debatten dient geweerd te worden daar overeenkomstig art. 662 Ger.W. het geding wordt voortgezet in de staat waarin het zich laatstelijk bevond. Daarnaast wijzen zij er op dat deze verklaring niet als objectief kan worden aanzien. Wat de grond van de zaak betreft merken verweersters op dat het onjuist is dat eiser niet werd weerhouden louter omwille van zijn kaalhoofdigheid en tatoeages. De reden waarom hij niet weerhouden werd voor de functie is omwille van het totaal beeld dat hij gaf. Mevr. V.legde overigens aan eiser de verschillende redenen van niet aanwerving uit. Het door Mevr. V. meegegeven formulier was uitsluitend bestemd voor de VDAB met het oog op de vraag voor welke job de werkzoekende nog in aanmerking kwam en bevatte derhalve niet noodzakelijk de enige reden van niet aanwerving. Het desbetreffende stuk vormt bovendien niet het document waarvan sprake in art. 4 van de CAO nr.
  18. Verder wijzen verweersters er op dat er van enige discriminatie geen sprake was en dat eiser in gebreke blijft aan te tonen waarin deze discriminatie precies zou bestaan. Naar het oordeel van verweersters gebeurden de selectieprocedures objectief. Zij wijzen er daarbij op dat het aan de werkgever toekomt om vrij te beslissen wie wordt aangenomen en dit op basis van de contractsvrijheid die bestaat tussen partijen. Daarnaast houden verweersters voor dat eiser nalaat enige fout aan te tonen die in verband zou staan met de voorgehouden schade. Tenslotte bewijst eiser naar het oordeel van verweersters geenszins de omvang van de voorgehouden schade. 3.2.
  19. Beoordeling 3.2.2.
  20. Het weren van stuk 10 van eiser uit de debatten Vooreerst dient opgemerkt te worden dat er geen grond is om het stuk 10 van eiser uit de debatten te weren. De bepaling van art. 662 Ger.W. stelt weliswaar dat het geding wordt verdergezet in de staat waarin het zich laatstelijk bevond doch deze bepaling houdt geenszins in dat het niet toegelaten zou zijn om na de verwijzing nog (bijkomende) stukken voor te brengen. Partijen hebben overigens ook nog uitvoerig over en weer geconcludeerd. Eiser heeft op volledig regelmatige wijze het stuk binnen het debat gebracht en er is geen enkele reden om dit stuk te weren. De bepaling van art. 662 Ger.W. heeft enkel tot gevolg dat de procedure niet ab initio dient te worden hernomen doch verdergezet wordt overeenkomstig de procedurestand waarin het werd verwezen. In casu heeft de verwijzende rechter zich enkel uitgesproken over de bevoegdheid zonder enig enkel ander element van het geschil te beoordelen. Het stuk 10 van eiser dient dan ook geenszins uit de debatten geweerd te worden. 3.2.2.
  21. De toepasselijkheid van de CAO nr. 38 Naar het oordeel van de rechtbank is de CAO nr. 38 terzake niet van toepassing. Met toepassing van art. 2 van de Wet van 5.12.1968 betreffende de Collectieve Arbeidsovereenkomsten en de Paritair Comités zijn de werkgevers van de publieke sector uitgesloten van het toepassingsgebied. In casu is de (potentiële) werkgever de S... A... zodat de CAO nr. 38 terzake niet van toepasing is. Een gebeurlijke overtreding van de bepalingen van de CAO kan derhalve door eiser niet ingeroepen worden teneinde de fout in hoofde van verweersters aan te tonen. 3.2.2.
  22. De fout Net zoals in een contractuele fase staan partijen ook in de precontractuele fase tegenover elkaar in een rechtsverhouding die beheerst wordt door de goede trouw. Beide partijen dienen zich derhalve te gedragen als een normaal zorgvuldig en bedachtzaam persoon. Dit behoorlijk handelen is niets anders dan de naleving van een geheel van ongeschreven regels waarvan de inhoud niet verschilt van de bepalingen van de CAO nr.
  23. De beginselen van deze CAO kunnen derhalve als een leidraad gehanteerd worden bij de beoordeling van het geschil wanneer deze normen, zoals in casu, niet van toepassing zijn maar waar het gedrag van de respectieve partijen getoetst dient te worden aan de principes van de goede trouw. In hoofde van de werkgever houdt dit o.a. in dat hij in het kader van de werving en selectie enkel die criteria mag hanteren die rechtmatig zijn. Het rechtmatig karakter van een criterium dient beoordeeld te worden op basis van het relevantie- en finaliteitsbeginsel. Zulks houdt in dat enkel die criteria die relevant zijn voor de aard en de uitoefeningsvoorwaarden van de functie in overweging mogen genomen worden. Eiser verwijt aan verweersters dat zij een fout hebben gemaakt in de precontractuele fase door hem niet te selecteren voor de functie van buurttoezichter enkel en alleen omwille van het feit dat hij kaalhoofdig en getatoëerd was. Het bewijs hiervan wordt naar het oordeel van eiser geleverd door zijn stuk 3 m.n. een document bestemd voor de VDAB met volgende inhoud: " ... Werd niet gunstig gerangschikt: zijn voorkomen strookte niet met de functievereisten meer bepaald tatoeages en kaalhoofdigheid". Verweersters betwisten alsdusdanig niet dat de aspecten van tatoeages en kaalhoofdigheid op zich geen rechtmatig criterium van selectie m.b.t. de desbetreffende functie zijn doch zij houden voor dat eiser omwille van diverse redenen niet weerhouden werd. Het standpunt van verweerster wordt echter formeel tegengesproken door het door Mevr. V. in tempore non suspecto opgestelde stuk waaruit ontegensprekelijk blijkt dat niet rechtmatige criteria, nl. kaalhoofdigheid en tatoeages, als criteria van selectie werden gehanteerd. Het feit dat Mevr. V. en Dhr. H. in een latere geschreven verklaring voorhouden dat deze criteria slechts een aspect van de elementen waarom de kandidatuur werd afgewezen doet hieraan geen afbreuk. Vooreerst dient hierbij opgemerkt te worden dat het Belgisch recht alsdusdanig de geschreven verklaring niet kent als bewijsmiddel. Dergelijke verklaringen kunnen hoogstens gelden als feitelijke vermoedens. Doch bovendien, en zulks is doorslaggevend, strookt de inhoud van deze verklaring absuluut niet met de inhoud van het stuk 7 waarvan het niet betwist wordt dat het Mevr. V.......... is die, op een ogenblik dat er nog geen sprake was van een procedure, de redenen voor de niet weerhouding op papier stelde. Naar het oordeel van de rechtbank dient ook niet ingegaan te worden op het door verweerster geformuleerde getuigenaanbod. Ook hier geldt dat de inhoud van stuk 7 van eiser ondubbelzinnig en duidelijk is. Bovendien kunnen verweersters niet toegelaten worden het tegendeel te bewijzen van datgene wat uit een schriftelijk stuk blijkt. Bij dit alles dient opgemerkt te worden dat het stuk 7 precies het enige document is dat n.a.v. de selectieprocedure werd opgesteld en dat in dit stuk duidelijk de redenen van de afwijzing vermeldt werden. Het hoeft geen betoog dat verweersters, die enkel elementen die niet als rechtmatige selectiecriteria kunnen beschouwd worden in overweging hebben genomen, een inbreuk hebben gepleegd op de zorgvuldigheidsplicht. Het bestaan van een fout is naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewezen en het feit dat het stuk 7 een louter intern document betreft ten behoeve van de dienst VDAB enerzijds en niet het document is waarvan sprake in art. 4 van de CAO nr. 38 is hierbij niet relevant. De aard of de bestemmeling van het document is niet van belang doch wel de inhoud ervan. 3.2.2.
  24. Toerekenbaarheid van de fout Nu de inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht, voorgeschreven door art. 1382 e.v. B.W. vaststaat dient nagegaan te worden aan wie deze fout dient toegerekend te worden. Uit de syntheseconclusies van verweersters blijkt dat het selectiecomité gevormd werd door aangestelden van eerste en tweede verweerster. Zo blijkt dat Dhr. H. en Mevr. V. in dienst zijn van de vzw. C. terwijl Dhr. C. deel uitmaakt van het personeelsbestand van de S... A.... De selectie, evenals de criteria waarop deze steunde, werd bepaald door aan-gestelden van zowel eerste als tweede verweerster. Overeenkomstig de bepalingen van het Burgelijk Wetboek zijn de werkgevers gehouden voor de inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht begaan door hun aangestelden. In casu zijn de twee verweersters dan ook gehouden de schade te vergoeden die in oorzakelijk verband staat met de door hun aangestelden begane fout. 3.2.2.
  25. De schade Wat de schade betreft dient het volgende opgemerkt. Eiser maakt vooreerst aanspraak op een bedrag van 6.000 euro hoofdens economische schade. Hij omschrijft deze schadepost als het verlies van een kans. Het aspect van de vraag of een verloren kans een vergoedbare schade tot gevolg heeft valt samen met de vraag naar de zekerheid van de schade. Er dient derhalve onderzocht te worden of, indien de fout zich niet had voorgedaan, de kans zich naar alle waarschijnlijkheid had gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen voldoende zekerheid over het feit dat onder de gewone gang van zaken de kans zou verwezenlijkt zijn. Eiser toont immers niet naar genoegen van recht aan dat, indien de fout zich niet had voorgedaan, hij zou aangenomen geweest zijn voor de te begeven betrekking. Hierbij dient er op gewezen te worden dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat het een vergelijkend examen betrof waarbij de S... A... gehouden zou zijn om de best gerangschikte kandidaat in dienst te nemen. Zelfs indien zou aangetoond zijn dat eiser voor de beide proeven zou geslaagd zijn, hetgeen door verweersters wordt betwist, dan nog zou zulks op zich niet het bewijs dat er een waarschijnlijkheid van tewerkstelling was inhouden. Bij gebreke aan een vergelijkend examen beschikte de werkgever immers nog altijd over zijn principiële vrijheid om aan te werven wie hij wou. Er wordt evenmin door eiser aangetoond dat de kandidaat die uiteindelijk in dienst werd genomen op de diverse selectieproeven lager zou gescoord hebben. Tenslotte liggen er evenmin gegevens voor waaruit blijkt hoeveel kandidaten er precies waren voor de vacature en wat hun resultaten waren in het kader van de selectieproeven. Er dient dan ook besloten te worden dat eiser de waarschijnlijkheid van de realisatie van de kans niet aantoont zodat dit gedeelte van zijn vordering als ongegrond dient afgewezen te worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de door verweersters begane fout wel het gevolg gehad dat eiser morele schade heeft geleden. De afwijzing van de kandidatuur op gronden die vreemd zijn aan de te begeven betrekking heeft in casu geleid tot morele schade. Anders dan verweersters in hun repliek voorhouden is de rechtbank van oordeel dat verweersters hadden dienen te voorzien dat de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm schade kon teweegbrengen. Zelfs indien bewezen zou zijn dat het eiser vrijstond om opnieuw deel te nemen aan selectieproeven voor andere functies in het kader van het websysteem, quod non, dan nog blijft er voor eiser schade bestaan die gelegen is in het feit dat hij omwille van onrechtmatige criteria niet weerhouden werd. Het (niet bewezen) aanbod van een andere functie maakt naar het oordeel van de rechtbank niet het herstel van de schade in natura uit. Dat er schade bestaat staat voor de rechtbank vast. Het niet weerhouden worden voor een functie om redenen die enkel betrekking hebben op het uiterlijk en geen enkele relevantie hebben met de te begeven betrekking brengt aan diegene die niet weerhouden wordt een nadeel toe. Het is niet mogelijk om de preciese hoegrootheid van dit nadeel te becijferen en om die redenen dringt zich een vergoeding ex aequo et bono op die door de rechtbank bepaald wordt op 2.500 euro. OM DIE REDENEN DE RECHTBANK, Recht doende op tegenspraak, na erover beraadslaagd te hebben, alle andere en strijdige conclusies verwerpend, Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt verweersters, in solidum, om aan eiser te betalen: - TWEEDUIZEND VIJFHONDERD EURO, _ 2.500, morele schadevergoeding, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten. dagvaarding, 342,10 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 205,25 Begroot de kosten tot op heden aan de zijde van eiser op 243,18 euro, kosten euro rechtsplegingsvergoeding Arbeidsrechtbank en aan de zijde van verweerster op 342,10 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 205,25 euro rechtsplegingsvergoeding Arbeidsrechtbank. PDF document ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040630.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.