id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 02 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040902.1 Rolnummer: 2023780 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 00:45 Fiches 1 - 2 Opdat de werknemer zou kunnen genieten van de ontslagbescherming voorzien in artikel 32tredecies van de Welzijnswet is vereist dat hij een klacht heeft ingediend overeenkomstig de vigerende procedures. Een ontslag is willekeurig wanneer het geen verband houdt met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of met de noodwendigheden van de onderneming of instelling. De afwezigheid wegens ziekte kan enkel als geldig motief voor een ontslag worden ingeroepen indien die langdurige afwezigheid de goede gang van zaken in de onderneming of instelling verhindert m.a.w. wanneer het belang van de onderneming of instelling geschaad wordt. Wanneer dit niet wordt bewezen en er bovendien ernstige indicaties zijn dat de afwezigheid het gevolg is van een spanningen naar aanleiding van interne problemen op het werk en de werknemer bovendien aannemelijk maakt dat het ontslag verband houdt met de klachten in verband met pesten op het werk, is het ontslag willekeurig. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . WERKLIEDEN einde van de overeenkomst - willekeurige afdanking - welzijnswet - pesterijen op het werk - werking in de tijd - ontslagbescherming - klacht overeenkomstig de vigerende procedures - willekeurig ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK welzijnswet - pesterijen op het werk - werking in de tijd - ontslagbescherming - klacht overeenkomstig de vigerende procedures - willekeurig ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32tredecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder II BN - artikel 63 en onder III AB - artikel 32tredecies. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00008,P.469-470) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Eerste kamer. Rep.nr. VONNIS van 02.09.
- De heer D.V., geboren op x en wonende te x, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr.R.BEEKEN, advocaat te 3390 Tielt-Winghe, Kraasbeekstraat, 41; tegen: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de MINISTER VAN FINANCIËN, ALGEMEEN SECRETARIAAT, COMPTABILITEIT EN BEGROTING, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Bisschofheimlaan, 38, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. Lafosse loco Mr.F.REARD, advocaat te 3700 Tongeren, Kogelstraat,
- In de inleidende dagvaarding van 27.11.2002 van gerechtsdeurwaarder Leleux uit Sint Jans Molenbeek vordert de eisende partij van de verwerende partij het bedrag van 8.861,04 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten. De partijen werden behoorlijk opgeroepen en in hun middelen en besluiten gehoord. Pogingen van de rechtbank om tot een minnelijke schikking tussen de partijen te komen bleven vruchteloos. De vordering is ontvankelijk. Eiser was in dienst van de verwerende partij van 01.05.1987 tot 26.09.
- Eiser vordert een schadevergoeding ten belope van 6 maanden brutoloon. Het standpunt van de eisende partij. De eisende partij werd ontslagen door middel van een brief van 26.09.2002 op grond van artikel 58 van de wet van 03.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (sinds meer dan 6 maanden geschorst wegens zikete). De eisende partij meent dat zijn arbeidsongeschiktheid te wijten was aan pesterijen op het werk. Eiser zou op 14.01.2002 een met redenen omklede klacht verstuurd hebben naar zijn werkgever. Deze klacht zou op 12.08.2002 bevestigd zijn door de raadslieden van de eisende partij. Na zijn ontslag heeft de eisende partij op 09.10.2002 schriftelijk verzocht om hem opnieuw in dienst te nemen onder de voorwaarden die bestonden vóór de feiten die leidden tot de klacht die werd ingediend op grond van hoofdstuk Vbis van de wet van 04.08.
- Op 28.10.2002 zou de verwerende partij haar weigering meegedeeld hebben met verwijzing naar de ontslaggrond, namelijk ziekte. De eisende partij zegt dat de verwerende partij de bewijslast draagt omdat eiser ontslagen werd binnen de 12 maanden na het indienen van een klacht. Verwijzende naar artikel 32terdecies van de wet van 04.08.1996 vraagt de eisende partij een schadevergoeding ten belope van 6 maanden loon. De eisende partij verwijst naar de door hem geschreven brieven en een brief van zijn gedragstherapeut om te bewijzen dat de reden van de ziekte het pesten op het werk is. Ondergeschikt meent de eisende partij dat er sprake is van rechtsmisbruik en willekeurig ontslag omdat de ziekte waarnaar verwezen wordt als ontslagreden, juist te wijten was aan pesterijen op het werk. Het standpunt van de verwerende partij. De verwerende partij benadrukt vooreerst dat het artikel 32terdecies van de wet van 04.08.1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk werd ingevoegd door de wet van 11.06.2002 (B.S.22.06.2002), die in werking is getreden op 01.07.2002 en geen terugwerkende kracht zou hebben. Dit zou voor gevolg hebben dat er enkel rekening kan gehouden worden met de met redenen omklede klacht die de werknemer indient wegens feiten van pesterijen na 01.07.
- De klacht van 14.01.2002 zou dus niet in aanmerking komen voor de toepassing van art.32terdecies van de wet van 04.08.1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De verwerende partij voert verder aan dat, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat voor de toepassing van art.32terdecies van de wet van 04.08.1996 er wel rekening dient gehouden te worden met de vermeende klacht die eiser op 14.01.2002 ingediend heeft wegens feiten van pesterijen - quod non -, zij duidelijk laat weten dat eiser niet ontslagen werd om redenen die vermeld werden in de brief van 14.01.2002, maar omwille van de langdurige arbeidsongeschiktheid van eiser. De verwerende partij meent dat er geen bewijs van causaal verband wordt geleverd tussen het ziekteverlof van eiser, m.a.w. zijn arbeidsongeschiktheid, en de ziekte van eiser die te wijten zou zijn aan de feiten van pesterijen. Eiser zou ontslagen geworden zijn wegens de meer dan zes maanden durende arbeidsongeschiktheid, die te wijten was aan een ziekte (de verwerende partij stelt zich de vraag naar de oorzaak van deze ziekte). De verwerende partij meent dat zij voldaan heeft aan de bewijslast van artikel 63 van de arbeidsovereenkomstenwet. De beoordeling door de rechtbank. De eisende partij meent vooreerst dat het ontslag duidelijk indruist tegen artikel 32terdecies van de wet van 09.08.
- Artikel 32terdecies luidt onder andere als volgt: ",§
- De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, mag de rechtsverhouding niet beëindigen noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht of aan de rechtsvordering. ,§
- Wanneer de werknemer na het in ,§3 bedoelde verzoek, niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder de voorwaarden die bestonden vóór de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven kan uitoefenen en de rechter geoordeeld heeft dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van ,§1, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is aan hetzij een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor 6 maanden, hetzij aan de werkelijk geleden schade; in laatstgenoemd geval moet de werknemer de omvang van de geleden schade bewijzen." De rechtbank is van oordeel dat, op het ogenblik van de brief van 14.01.2002, de pestwet nog niet van toepassing was; de pestwet wordt daarentegen toepasselijk vanaf 01.07.2002, zodat ten tijde van de brief van 12.08.2002 en ten tijde van het ontslag de pestwet wel van toepassing was. Teneinde aanspraak te kunnen maken op de beschermingsvergoeding, voorzien in art.32terdecies ,§4, dient de werknemer een met redenen omklede klacht te hebben neergelegd. De rechtbank benadrukt dat de brief van 14.01.2002 niet voldoet aan "de vigerende procedures" zodat deze brief niet geleid heeft tot bescherming van de eisende partij. Ten overvloede wenst de rechtbank te stellen dat de brief van 14.01.2002 geen aanleiding kon geven tot ontslagbescherming conform de pestwet omdat deze wet toen nog niet van toepassing was. Ten tijde van de brief van 12.08.2002 (brief van de raadsman van eiser) was de pestwet wel van toepassing maar deze brief voldoet evenmin aan de voorschriften van art.32terdecies ,§1 van de welzijnswet, zodat deze brief niet kan beschouwd worden als een met redenen omklede klacht die de ontslagbescherming kan doen ingaan. Gezien de formele procedure conform artikel 32terdecies ,§1 niet gevolgd werd kan er geen aanspraak gemaakt worden op de vergoeding die voorzien wordt in artikel 32terdecies ,§
- In ondergeschikte orde vordert de eisende partij een schadeloosstelling wegens willekeurig ontslag. Artikel 63 van de wet op arbeidsovereenkomsten bepaalt dat als willekeurig ontslag dient gekwalificeerd, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst. De werkgever die de bewijslast draagt, verwijst louter naar artikel 58 van de wet van 03.07.1978, zijnde een schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte gedurende meer dan 6 maanden. De rechtbank stelt vast dat de verwerende partij niet aangeeft in hoeverre deze schorsing wegens arbeidsongeschiktheid verband houdt met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of met de noodwendigheden van de onderneming of de instelling. De rechtbank meent dat de gewettigde afwezigheid wegens ziekte slechts kan ingeroepen worden als motief voor een ontslag indien die langdurige afwezigheid de goede gang van zaken in de onderneming of de instelling hindert, m.a.w. indien het belang van de onderneming of de instelling geschaad wordt. De verwerende partij geeft niet aan in hoeverre deze langdurige afwezigheid storend gewerkt heeft op de organisatie van het werk in de onderneming of de instelling en bewijst evenmin dat deze afwezigheid invloed had op de noodwendigheden van de onderneming of de instelling. Ten overvloede voegt de rechtbank eraan toe dat uit het dossier van de eisende partij blijkt dat er ernstige indicaties waren dat de afwezigheid wegens ziekte veroorzaakt werd door interne problemen op het werk door spanningen tussen collega's. Door de verwerende partij werd klaarblijkelijk terzake een onderzoek gevoerd maar er worden door de verwerende partij geen stukken neergelegd betreffende de eventuele inspanningen van de verwerende partij om het "probleem" op te lossen. Het lijkt dus aannemelijk dat het ontslag inderdaad verband hield met de klachten van de eisende partij i.v.m. het pesten op het werk zodat het ontslag willekeurig voorkomt. De vordering inzake schadeloosstelling wegens willekeurig ontslag komt gegrond voor ten bedrage van 8.861,04 EUR. OM DEZE REDENEN: na naleving van de voorschriften van de wet van 15.06.1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken; na Mevrouw I.JANNES, substituut-arbeidsauditeur gehoord te hebben in het gelijkluidend mondeling advies waarop geen repliek werd gegeven ter zitting van 24.06.2004; beslist de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank na beraad, OP TEGENSPRAAK: verklaart de vordering ontvankelijk. Verklaart de vordering inzake schadevergoeding conform art.32 terdecies van de wet van 04.08.1996 ongegrond. Verklaart de vordering inzake schadeloosstelling wegens willekeurig ontslag gegrond. Veroordeelt de verwerende partij om aan de eisende partij het bedrag te betalen van ACHTDUIZEND ACHTHONDERD EENENZESTIG EURO VIER CENT (8.861,04 EUR), te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de datum van opeisbaarheid en de gerechtelijke intresten. Zegt voor recht dat bij de uitvoering van onderhavige beslissing mag worden overgegaan tot de sociale en fiskale afhoudingen en dat de intresten berekend worden op de netto opeisbare bedragen. Verwijst de verwerende partij in de kosten van het geding, die voor de eisende partij vereffend worden op 82,81 EUR dagvaardingskosten + 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding en voor de verwerende partij op 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus uitgesproken in de openbare terechtzitting van TWEE SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER door: E. HERTOGHS,ondervoorzitter, voorzitter van de kamer; R. GIJSEN,rechter in sociale zaken, werkgever; J. GEUTEN,rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider; T. MAES, griffier. PDF document ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20040902.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div