id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041122.8 Rolnummer: 365922 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-01 01:21 Fiches 1 - 4 Voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van het K.B. van 24 juni 2004, dient beroep te worden gedaan op de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag en het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003. De behoeftigheid van eiser wordt in casu niet ernstig betwist. Vermits het OCMW niet aantoont dat zij in natura aan de behoeften van de kinderen kan voldoen dient zij een bedrag gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag te betalen. Het OCMW eiser heeft doorverwezen naar Fedasil. Eiser kan onmogelijk met terugwerkende kracht worden toegewezen aan een federaal opvangcentrum zodat het OCMW voorlopig gehouden is steun te verlenen tot dat de procedure werd gevolgd. Vanaf het ogenblik dat het OCMW het voorstel van huisvesting in een federaal opvangcentrum aan de betrokkene ter aanvaarding heeft voorgelegd is het OCMW niet meer bevoegd om financiële steun te verlenen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . VREEMDELINGEN maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9,3delid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA - verdrag rechten van de mens - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 8 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . ORGANISATIE VAN DE VERENIGDE NATIES internationaal verdrag rechten van het kind - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 2 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-06-2004 - 3 - 30 ELI link Pub nr 2004002072 Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I P - artikel 9, 3de lid, onder IX C 3 - artikel 8, onder IX F 9 - artikel 2 en onder X E - artikel 57 ,§ 2. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00003,P.157-159) Tekst van de beslissing A.R. 365.922 - datum vonnis 22 november 2004 V.C. Tegen OCMW A. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS : Gelet op de stukken van het geding allen behoorlijk gerangschikt en geïnventarieerd in het dossier van de rechtspleging o.a. : -het inleidend origineel verzoekschrift van eisende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 06 april 2004. -conclusies van eisende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 24 september 2004. -het Proces-verbaal van de terechtzittingen. Gelet op de wet van 15 juni 1935, op het gebruik van de talen in gerechtszaken gewijzigd door de wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 23 september 985, met ingang van 01 september 1988. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare zitting van 25 oktober 2004. Gehoord de heer P. Wyckaert, eerste substituut-arbeidsauditeur, in zijn andersluidend mondeling advies in de Nederlandse taal, uitgebracht ter openbare zitting van 25 oktober 2004. Rechtdoende op de stukken die zich in het dossier bevinden. I. DE VORDERING : Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 6 april 2004 tekent mijnheer V. beroep aan tegen de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van verwerende partij d.d. 3 maart 2004, betekend op 12 maart 2004. Deze luidt als volgt : " Toelage inwonende personen te weigeren vanaf 3-2-2004 tot 29-2-2004. Reden: Voorwaarden arrest 22/07/2003 Arbitragehof : Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend op voorwaarde : -dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet na komen of niet in staat zijn deze na te komen; - dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie de dienstverlening wordt aangevraagd. Zolang de wetgever geen andere gepaste regeling aanneemt is het aan het OCMW om zo een dienstverlening toe te kennen op voorwaarde evenwel : -dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind; -dat zij wordt verleend in de vorm van
- a)een dienstverlening in natura of
- b)een ten lasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen; -dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd. In het kader van de ontwikkeling van de kinderen zou dit kunnen gaan om de schoolkosten van de kinderen. U kunt niet aantonen dat u uw onderhoudsplicht niet kan vervullen, " De vordering werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk. Mijnheer V. vordert : -een toelage gelijk aan het leefloon alleenstaande vermeerderd met de gewaarborgde kinderbijslag voor drie minderjarige kinderen voor de periode van 25 februari 2004 tot op datum van het tussenkomend vonnis. -kosten van het geding rechtsplegingvergoeding 114,03 Euro. 2. DE FEITEN: Mijnheer V. is een 39 jarige man afkomstig uit Roemenië. Hij is gehuwd en heeft drie minderjarige kinderen ten laste, de oudste is 14 jaar. Het gezin verblijft illegaal in België. Zij dienden een aanvraag tot regularisatie in op grond van artikel 9 ,§3 Vreemdelingenwet van 15 december 1980. Er werden waarborgen toegekend voor verpleging en verzorging. De twee jongste kinderen lijden aan astma, de oudste heeft vaak last van maag- en darmontstekingen. Het gezin deed reeds een aanvraag in april 2002. Op 10 april 2002 werd een huisbezoek gebracht. Zij wonen met hun vijven op een studio, de huurachterstand bedroeg 1.492 Euro. Vroeger kon de man af en toe wat verdienen in het zwart en werden zij geholpen door de vader van mijnheer, maar die is overleden. Zij deden beroep op Zenith en trachten te lenen bij vrienden. Het gezin werd doorverwezen naar de Mutsaard. Er werd geen financiële steun geleverd gelet op hun illegaal verblijf. Op 28 juli 2003 deden zij opnieuw een aanvraag. Ze waren verhuisd naar de Bleekhofstraat. Ze werden er geholpen door buren en hulporganisaties. Ze hadden een huurachterstand van 5 maanden. De steun werd geweigerd. Op 3 februari 2004 deden zij andermaal een aanvraag. Op 13 februari 2004 werd een huisbezoek gebracht. Ze wonen in een betrekkelijk goed onderhouden appartement waarvoor zij 330 Euro per maand moeten betalen. Bij Electrabel is er een achterstand van 396 Euro De kinderen gaan allen naar school. Ze krijgen hulp, zowel financieel als in vorm van voedselpakketten van vrienden en organisaties zoals Zenith en Bond zonder Naam. 3. TEN G RONDE : 3.1. Wat betreft de ouders : Artikel 57 ,§2 van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW beperkt de taak van het OCMW tot het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Een verzoek tot regularisatie op grond van artikel 9 ,§ 3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 is geen procedure van gerechtelijke aard. De aanvraag heeft geen schorsende werking en geeft geen enkele verblijfstitel. Deze machtiging geldt slechts voor de toekomst vanaf het ogenblik dat ze verleend wordt. (Cass 19 maart 2001, J.T.T., 2001, 347) Aan dit verzoek tot regularisatie kan mijnheer V. geen recht ontlenen op steun vanwege het OCMW . 3.2. Wat betreft de kinderen : 3.2.1. Situatie voor 11 juli 2004 : Mijnheer V. heeft drie minderjarige kinderen. De hamvraag is hier hebben deze kinderen, waarvan de oudste 14 jaar is, ongeacht het illegaal statuut van hun ouders, recht om in België een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Kinderen beslissen zelf niet over hun statuut en hebben zelf niet voor de illegaliteit gekozen. Hun situatie is bijgevolg verschillend van de situatie van hun ouders. Zij kunnen onmogelijk zelf terugkeren naar hun land van herkomst. Reeds in de Verklaring van Genève aangenomen door de Algemene Vergadering van de Volkenbond op 26 september 1924 erkennen en aanvaarden alle landen het als hun plicht dat zonder enig onderscheid van ras, nationaliteit of geloofsovertuiging, 1/ het kind de noodzakelijke middelen moet krijgen voor zijn normale ontwikkeling zowel op materieel als op geestelijk vlak. 2/ het kind dat honger heeft gevoed moet worden; het kind dat ziek is verzorgd moet worden. 3/ het kind moet als eerste ondersteuning krijgen in tijden van nood. (www .wvc.vlaanderen.be\kinderrechten) Meer recent met het Verdrag van New Vork betreffende de Rechten van het Kind leggen de verdragsluitende Staten de bijzondere nadruk op de noodzaak om alle kinderen, zonder dat onderscheid wordt gemaakt naargelang de nationaliteit van het kind of de verblijfsstatus, bescherming te bieden. België is op 16 december 1991 toegetreden tot dit Verdrag en het Verdrag is op 15 januari 1992 in werking getreden. Het Arbitragehof heeft, refererend naar het Verdrag van de rechten van het Kind, in een arrest van 22 juli 2003 (nr. 106/2003 ) en l oktober 2003 geoordeeld dat de weigering van maatschappelijke dienstverlening niet verantwoord is als die er zou,toe leiden dat kinderen van ouders die illegaal in het land verblijven, in omstandigheden moeten leven die schadelijk zijn voor hun ontwikkeling en gezondheid. Het Hof stelde dat een discriminatie toelaatbaar is op gronden van redelijke verantwoording en van proportionaliteit tussen het gestelde doel en de middelen en meer bepaald dat de inkorting van de maatschappelijke dienstverlening jegens illegale vreemdelingen oorbaar is wanneer prioritair alle rechtstreekse middelen voor de handhaving van het migratiebeleid uitgeput zijn. Het Hof erkent dat het migratiebeleid een redelijke en objectieve grond kan zijn maar zegt dat dit " eventueel niet kunnen verantwoorden dat ze volledig en in alle gevallen wordt geweigerd aan een kind; terwijl zou blijken dat deze weigering het kind ertoe zou verplichten te leven in omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid en ontwikkeling terwijl er geen gevaar zou bestaan dat ouders die geen recht erop hebben, die dienstverlening zouden genieten." (Arbitragehof 22 juli 2003, S. 4.11.2003; Arbrb Brugge 24 maart 2004, AR onuitgeg. ) Het Arbitragehof stelde drie voorwaarden voor het toekennen van maatschappelijke dienstverlening: -het moet vaststaan dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of dat niet kunnen; -de aanvraag moet betrekking hebben op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind; -de dienstverlening dient enkel om de uitgaven van de kinderen te dekken. Het Arbitragehof erkent hier bijgevolg het recht van deze kinderen op maatschappelijke dienstverlening zonder afbreuk te doen aan zijn vorige rechtspraak nl. dat zorg dient gedragen worden dat deze dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd en dat het vreemdelingenbeleid overeind blijft. Het toepassen van de voorwaarden van het Arbitragehof is in de praktijk geen sinecure. Gelet op de leeftijd van de kinderen zal elke steun via de ouders moeten gebeuren. De kinderen hebben immers het recht te verblijven in hun eigen gezin en opgevoed te worden door hun ouders. Zelfs indien deze steun in natura gebeurt, is het onmogelijk absoluut te verhinderen dat de ouders mee kunnen genieten van deze steun. De rechtbank oordeelt dat men er op mag vertrouwen dat de ouders het beste willen voor hun kinderen en uit eigen beweging de (beperkte) steun zullen aanwenden in diens belang. De zorg om te beletten dat de maatschappelijke dienstverlening van haar doel wordt afgewend, kan niet verantwoorden dat ze volledig en in alle gevallen wordt geweigerd aan deze kinderen. Het OCMW beperkt zich ertoe te stellen dat niet bewezen is dat voldaan is aan de eerste voorwaarde nl. dat de ouders hun onderhoudsplicht niet kunnen nakomen en stelt bovendien dat alleen enkele schoolkosten aangetoond worden. De behoeftigheid kan in casu echter niet ernstig betwist worden. Het sociaal verslag geeft hierover geen duidelijkheid. De maatschappelijk werker meldt slechts dat zij in een redelijk goed onderhouden appartement wonen. Ze hebben huurschulden en achterstal bij Electrabel. Het gezin is volledig afhankelijk van liefdadigheid. Ze worden gesteund door allerlei liefdadigheidsorganisaties zoals Bond zonder Naam. Zij krijgen wekelijks een voedselpakket van Zenith. Zij krijgen levensmiddelen in de plaatselijke supermarkt. De inboedel van hun appartement werd bijeengebracht door de medebewoners van hun vorige woning. Ze worden materieel en financieel geholpen door allerlei personen o.a. door de eigenaar van de winkel die onder hun appartement gevestigd is. Dit wordt bevestigd door het sociaal verslag en de verklaringen die mijnheer V. voorlegt. Een menswaardig bestaan heeft niet alleen betrekking op schoolkosten. Kinderen dienen allereerst behoorlijk gevoed en gekleed worden. Vermits zij afhankelijk zijn van voedselpakketten kan geen evenwichtige voeding gegarandeerd worden. Uit het dossier blijkt wel dat zij voorlopig een behoorlijk onderdak hebben. Mijnheer V. toont niet aan dat zij eerstdaags het risico lopen dakloos te worden. Het OCMW dient ervoor te zorgen: -dat deze kinderen elke dag drie behoorlijke maaltijden krijgen; -dat hun ouders in staat zijn te zorgen voor de nodige hygiëne zoals verzorgingsproducten, zeep, tandenborstels, ...; -dat ze behoorlijk gekleed zijn, naargelang het seizoen; -dat de schoolkosten betaald worden, rechtstreeks of via het Sociaal Fonds. Vermits het OCMW niet aantoont dat zij hieraan kunnen voldoen "in natura" dient zij hiervoor een bedrag te betalen gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag. Vermits mijnheer V. aantoont dat hij in het verleden schulden heeft moeten maken om te overleven kan de steun met terugwerkende kracht worden toegekend. De kinderen van mijnheer V. hebben recht op financieel steun gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag vanaf 3 februari 2004 en betaling van de schoolkosten indien het Sociaal Fonds niet tussenkomt. 3.2.2. Situatie vanaf 11 juli 2004 : Ingevolge het arrest van het Arbitragehof werd artikel 57 ,§2 van de OCMW -wet gewijzigd. Het nieuwe artikel 57 ,§2, eerste lid, 2° bepaalt dat wanneer een aanvraag wordt gedaan voor maatschappelijke dienstverlening voor een minderjarige, die met zijn ouders illegaal in het land verblijft het OCMW, de staat van behoeftigheid dient vast te stellen. Het OCMW moet nagaan of de ouders de onderhoudsplicht niet nakomen of niet kunnen nakomen. De maatschappelijke hulp wordt beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de koning. (Programmawet 22 december 2003, S. 31 december 2003) In het Belgisch Staatsblad van 1 juli 2004 verscheen het K.B. van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. Dit K.B. treedt in werking op 11 juli 2004. Volgens dit K.B. moet het OCMW op basis van een sociaalonderzoek nagaan of volgende wettelijke voorwaarden vervuld zijn : -het kind is jonger dan 18 jaar; -het kind en zijn ouders verblijven illegaal in het land; -er bestaat de vereiste verwantschapsband; -het kind is behoeftig; -de ouders komen hun onderhoudsplicht niet na of zijn niet in staat hun onderhoudsplicht na te komen. Wanneer de voorwaarden vervuld zijn neemt het OCMW een beslissing en deelt aan betrokkene mede dat hij zich voor de materiële hulp kan aanbieden in een bepaald federaal opvangcentrum. Een omzendbrief d.d. 16 augustus 2004 beschrijft de te volgen procedure. De wettelijke voorwaarden voor het verlenen van maatschappelijke dienstverlening op grond van artikel 57 ,§ 2, 1° lid, 2° zijn voldaan. In casu heeft het OCMW , naar het oordeel van deze rechtbank ten onrechte, de behoeftigheid niet vastgesteld zodat mijnheer V. niet werd doorverwezen naar Fedasil. Mijnheer V. kan thans onmogelijk met terugwerkende kracht worden toegewezen aan een federaal opvangcentrum. Het OCMW dient hiervan de gevolgen te dragen en is gehouden voorlopig steun te verlenen totdat de procedure gevolgd werd. Vanaf het ogenblik dat het OCMW het voorstel van huisvesting en een federaal opvangcentrum aan de betrokkene ter 'aanvaarding' heeft voorgelegd, is het OCMW niet meer bevoegd om financiële steun te verlenen. Mijnheer V. vordert financiële steun tot datum van het vonnis. Om deze redenen, De arbeidsrechtbank, Rechtdoende op tegenspraak Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andere en ver strekkende besluiten verwerpende, Verklaart de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond. Vernietigt de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand d.d. 03 maart 2004 en opnieuw rechtdoende : Zegt voor recht dat de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van maatschappelijke dienstverlening op grond van artikel 57 ,§2 tweede lid, zoals hervormd door de Programmawet van 22 december 2003 en het K.B. van 24 juni 2004 voldaan zijn. Zegt voor recht dat mijnheer V., in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van V. N., V. M. J. en V. G. D., gerechtigd is op financiële steun gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag voor drie kinderen vanaf 25 februari 2004 tot datum van dit vonnis. Legt de kosten van huidig geding ten laste van verwerende partij, in toepassing van artikel 1017, 2° Gerechtelijk Wetboek, deze kosten tot op heden begroot aan de zijde van eisende partij begroot op 114,03 ten titel van rechtsplegingsvergoeding doch dit wordt door de rechtbank herleid tot 104,86 ten titel van gewone rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verwerende partij tot op heden niet begroot. PDF document ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041122.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div