← België

ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041208.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 08 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041208.7 Rolnummer: 1999-0244 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 01:29 Fiches 1 - 4 De rechtbank is van oordeel dat aanleggende partij bij het nemen van de beslissing tot ambtshalve regularisatie ingevolge het niet bijhouden van het aanwezigheidsregister op de plaats van tewerkstelling door haar stilzitten (De RSZ werd op 21/08/1996 door het auditoraat in kennis gesteld van de vastgestelde overtreding en bracht op 13/02/1998 aan betrokkene ter kennis dat zij zou overgaan tot ambtshalve regularisatie van de bijdragen) de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden inzonderheid de redelijke termijnvereisten. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen evenwel niet leiden tot een negatie van het wettelijkheidsbeginsel, gebaseerd op een grondwettekst (art. 159) en kunnen niet ingeroepen worden tegen dwingende wetsbepalingen. Een miskenning van het beginsel van behoorlijk bestuur kan enkel leiden tot een compensatie met uit deze miskenning volgende verplichting tot schadeloosstelling. De rechtbank acht het billijk de schade die betrokkene heeft geleden te compenseren met het bedrag van de gevorderde wettelijke intresten op de openstaande bijdragen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ALGEMENE BEGINSELEN behoorlijk bestuur - gelegenheidsarbeiders - ambtshalve geregulariseerde bijdragen - aanwezigheidsregister - redelijke termijn - openbare orde - compensatie in wettelijke intresten. Wettelijke bepalingen: Varia - / Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . SOCIALE DOCUMENTEN aanwezigheidsregister - gelegenheidsarbeiders - ambtshalve geregulariseerde bijdragen - beginselen van behoorlijk bestuur - redelijke termijn - openbare orde - compensatie in wettelijke intresten. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 23-10-1978 - 5 Koninklijk Besluit - 08-08-1980 - 4,§2 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN raad van europa - rechten van de mens - ambtshalve geregulariseerde bijdragen - gelegenheidsarbeiders - aanwezigheidsregister - beginselen van behoorlijk bestuur - redelijke termijn - openbare orde - compensatie in wettelijke intresten. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 6 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING toepassingsgebied - uitbreiding van de regeling - ambtshalve geregulariseerde bijdragen - gelegenheidsarbeiders - aanwezigheidsregister - beginselen van behoorlijk bestuur - redelijke termijn - openbare orde - compensatie in wettelijke intresten. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 8 Wet - 27-06-1969 - 2 Nota: Gerangschikt onder I K - art. /, III J - art. 5, VII A - art. 2 en onder IX C - art.

  1. Tekst van de beslissing DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN , TWEEDE KAMER, heeft volgend vonnis uitgesproken Rolnr .244/1999 INZAKE : R.S.Z.,. eisende partij, verschijnende door . TEGEN : G. W.,. Verwerende partij, verschijnende door . Gezien de inleidende dagvaarding betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder H. V., met standplaats te Tongeren, op 8.01.1999 om te verschijnen op de openbare terechtzitting op 9.2.
  2. Gezien de besluiten voor verwerende partij, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 8.06.
  3. Gezien de besluiten voor aanleggende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 09.07.
  4. Gezien het verzoekschrift volgens artikel 750 ,§2 Ger.W., neergelegd door aanleggende partij, ter griffie van deze rechtbank op 23.07.2004, en aan partijen ter kennis gebracht per gerechtsbrief van 29.07.
  5. Gezien het bevelschrift van de Voorzitter van deze rechtbank d.d. 23.08.2004, houdende vaststelling van rechtsdag op 10.11.2004, aan partijen ter kennis gebracht per gerechtsbrief d.d. 24.08.
  6. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden. Gezien de neergelegde stukken door aanleggende partij. Gehoord de mevrouw K. L., substituut-arbeidsauditeur in de lezing van het schriftelijk advies; Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben op dit advies en wensen niet te repliceren. Men sprak de Nederlandse taal. I. VOORWERP De inleidende dagvaarding van aanleggende partij strekte er toe verwerende partij te horen veroordelen tot betaling van de achterstallige ambtshalve geregulariseerde R.S.Z. bijdragen voor de som van 4.424,21 EUR meer de verwijlintresten van 7% per jaar vanaf de datum van het rekeninguittreksel tot op de dag der volledige betaling op de som van 3.640,32 EUR en de gerechtelijke intresten. Bij besluiten d.d. 09.07.2004 heeft aanleggende partij haar vordering herleid overeenkomstig art. 122 van de Programmawet van 12 augustus 2004, naar 2.388,18 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten aan 7% per jaar op de som van de bijdragen, zijnde 1.983,56 EUR vanaf 4 juni 1998 tot de dag der volledige betaling en de gerechtelijke intresten. Aanleggende partij vordert tevens de veroordeling van verwerende partij in betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding, evenals de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. II. ONTVANKELIJKHEID De vordering werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voorhanden tot de ambtshalve inroeping van een grond van onontvankelijkheid. III. FEITEN 3.
  7. Op 25.07.1996 werd door de Inspectie der Sociale Wetten, in samenwerking met de rijkswachters van de brigade Sint-Truiden en de controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een controle uitgevoerd op een aardbeienveld van verwerende partij, gelegen te Ordingen, inzake de naleving van de verplichtingen voor de werkgevers in de tuinbouw inzake het aanwezigheidsregister. Uit de vaststellingen in het P.V. van 05.08.1996 blijkt dat er op hogervermelde plantage 7 personen werkzaam waren met het stekken van aardbeienplanten. Op de plaats van tewerkstelling was geen aanwezigheidsregister, ook verwerende partij was afwezig. In casu werd dan ook proces-verbaal opgesteld lastens verwerende partij wegens het niet bijhouden van het aanwezigheidsregister op de plaats van tewerkstelling, in overtreding met art. 4 ,§2 en art. 5 van het K.B. van 8.08.1980 en art. 4 van het K.B. van 17.06.1994 betreffend het bijhouden van een aanwezigheidsregister, gesanctioneerd door artikel 11 ,§3-c van het K.B. nr.
  8. Op 05.08.1996 bleek uit een controle ten huize van verwerende partij dat hij in bezit was van drie aanwezigheidsregisters en dat al de gecontroleerde personen ingevuld stonden alsook hun prestaties voor 25/07/
  9. Verwerende partij verklaarde alsdan: 'Ik ben eigenaar van de aardbeienplantage gelegen te Hondsberg te Ordeningen. Op 25/7/1996 stelde ik op deze plaats 7 mensen te werk, nl. .... Allen staan ze ingeschreven in mijn aanwezigheidsregister waarin op 25/7/1996 correct hun prestaties werden geboekt. Het werk betrof het stekken van jonge aardbeienplanten. Mijn aanwezigheidsregisters waren niet op dit veld aanwezig, omdat ik op mijn thuisadres ook nog bezig was met twee werknemers: .... Mijn aanwezigheidsregisters en de plukkaarten waren aanwezig op de uitbatingszetel. In het vervolg zal ik steeds de plukkaarden en de aanwezigheidsregisters op de plaats van tewerkstelling ter beschikking houden. Het werk op de plantage duurde slechts korte tijd, nl. 3 uren en ik reed constant op en af tussen de plantage en mijn huis met de aanwezigheidsregisters in mijn jeep om de afgebroken stekken op te halen. Ondertussen is de controle gebeurd.' Het Auditoraat te Tongeren besliste geen strafvervolging in te stellen met het oog op toepassing van de administratieve geldboete. De Directeur-Generaal van de studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid legde vervolgens, rekening houdend met de verzachtende omstandigheden, de minimum administratieve geldboete op ten bedrage van 743,68 EUR. Verwerende partij ging tegen deze administratieve beslissing in beroep bij deze rechtbank. De rechtbank heeft bij vonnis van 21.04.1999 de opgelegde administratieve geldboete volledige bevestigd mits toekenning van gemak van betaling a rato van 74,37 EUR per maand. 2.
  10. Bij schrijven van 21.08.1996 verzocht het Auditoraat aanleggende partij het onderzoek ten aanzien van verwerende partij verder te zetten aan de hand van het proces-verbaal d.d. 05.1996 en meer bepaald om na te gaan of verwerende partij zijn R.S.Z. aangifte had geregulariseerd, bij gebreke waaraan de vordering van de verschuldigde bijdragen door afwezigheid van strafvervolging ingevorderd konden worden bij dagvaarding. Aanleggende partij sloot haar bijkomend onderzoek op 30.10.1997 af en ging ingevolge haar wettelijke opdracht over tot ambtshalve regularisatie van de R.S.Z. - bijdragen van verwerende partij voor het eerste, het tweede en het derde kwartaal van 1996, door voor alle werknemers aangegeven onder categorie 015 (gelegenheidsarbeiders - forfaitair dagloon) om te zetten naar de werknemerscategorie 010 (werklieden en aangestelden) en dit op basis van de bewuste aanwezigheidsregisters, de loonkwitanties en de R.S.Z.-aangiftes van verwerende partij. Bij schrijven van 13.02.1998 stelde aanleggende partij verwerende partij in kennis van haar voornemen tot ambtshalve regularisatie overeenkomstig artikel 8bis van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27.06.
  11. Op 05.03.1998 maakte aanleggende partij haar bericht van wijziging van de bijdragen over aan verwerende partij voor een bedrag van 2 854,77 EUR. Op 04.06.1998 sloot zij het rekeninguittreksel van de verschuldigde bijdragen af voor een bedrag van 2.388,18 EUR. Bij gebreke aan vrijwillige betaling ging aanleggende partij tenslotte op 8.01.1999 over tot dagvaarding. IV. TOEPASSELIJKE REGLEMENTERING. 4.
  12. Algemeen De tuinbouwsector kent een specifieke categorie van werknemers die niet aan alle takken van de sociale zekerheid onderworpen zijn, met name de gelegenheidsarbeiders. In de tuinbouwsector (P.C. 145.00) met uitsluiting van de champignonteelt (P.C. 145.07) en van het aanplanten en onderhouden van tuinen en parken (P.C. 145.04) mag de werkgever de gelegenheidsarbeiders slechts gedurende maximum 65 dagen per gelegenheidsarbeiders tewerkstellen op 95 piekdagen die de werkgever heeft aangeduid op zijn aanwezigheidsregister. Hun onderwerping aan de sociale zekerheid blijft beperkt tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkloosheid, de pensioenen en de kinderbijslag. De bijdragen voor jaarlijkse vakantie en de loonmatigingsbijdrage zijn niet van toepassing. Door een K.B. van 9.7.2000 wordt deze regeling uitgebreid tot de sector van de landbouw. In de landbouwsector mag de werkgever de gelegenheidswerkers slechts gedurende maximum 30 dagen per kalenderjaar tewerkstellen op de 45 piekdagen die de werkgever heeft aangeduid op zijn aanwezigheidsregister. Voormeld K.B. trad in werking op 1.4.2000 en hield op uitwerking te hebben op 1.1.2001, doch werd inmiddels verlengd. 4.
  13. Aanwezigheidsregister: 3 ,§ 1, 2c van het K.B. van 17 juni 1994, art. 4,§ 2 en 11,3°, f) van het K.B. nr. 5 van 23.10.1978 Luidens het bepaalde van art. 4 ,§ 2 van het K.B. nr. 5 is het aanwezigheidsregister dat moet worden bijgehouden in de bedrijfstakken of de categorieën van ondernemingen bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit onderworpen aan de regeling van de sociale documenten zoals voorzien in voormeld K.B. Het bijhouden van het aanwezigheidsregister en het gebruik van onuitwisbare inkt is krachtens art. 4 ,§ 2 van het K.B. nr. 5 voorzien bij K.B. van 17.06.1994, gewijzigd bij K.B. van 19.01.1995, 17.07.1996 en 17.07.1997 en is gekoppeld aan het voordeel van verminderde R.S.Z.-bijdragen. Het aanwezigheidsregister is een sociaal document, waarin de aanwezigheid genoteerd wordt van alle werknemers (vast ingeschreven werknemers, seizoensarbeiders, jobstudenten, enz.) die tewerkgesteld zijn in de sector tuinbouw en is bij te houden door alle werkgevers die van de 65 of 95 dagen regeling van de R.S.Z. kunnen gebruik maken. De aangebrachte vermeldingen op het betrokken maandblad zullen de basis zijn voor de driemaandelijkse aangifte aan de R.S.Z. en de berekening van de bijdragen. Voor seizoensarbeid wordt die bijdrage berekend op basis van een forfaitair dagloon van 451 BEF (jaarlijks geactualiseerd). De manier waarop het aanwezigheidsregister dient bijgehouden te worden wordt bepaald in het K.B. van 17.06.
  14. Artikel 13 ,§2 van voormeld K.B. van 17.06.1994, zoals gewijzigd door het K.B. d.d. 17.07.1997 bepaalt desbetreffend voor de tuinbouw: ' In afwijking (van de artikelen 4, eerste lid : De werkgever houdt een aanwezigheidsregister bij op iedere plaats waar werknemers tewerkgesteld worden) en ongeacht de duur van de tewerkstelling op eenzelfde plaats, mag de werkgever die op twee of meerdere plaatsen werknemers tewerkstelt en met uitzondering van de werkgevers bedoeld in ,§ 1, een aanwezigheidsregister bijhouden op het adres waaronder hij in België is ingeschreven bij een instelling belast met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, op voorwaarde dat hij op iedere plaats waar werknemers tewerkgesteld worden voor ieder van die werknemers een individueel aanwezigheidsboekje bijhoudt.' 4.
  15. Artikel 8bis van het KB van 28.11.1969 tot uitvoering van de wet van 27.06.1969 Overeenkomstig artikel 8bis en artikel 31bis par. 2 van het K.B van 28.11.1969 worden bij het niet naleven van de bepalingen inzake gelegenheidsarbeiders, de R.S.Z.-bijdragen op de werkelijke lonen voor het hele kalenderjaar berekend. Op basis van dit reglementsvoorschrift kan de R.S.Z. overgaan tot een regularisatie. In de oorspronkelijke versie van artikel 8bis werd bepaald dat geen enkele werknemer bij de R.S.Z. in de hoedanigheid van gelegenheidsarbeider kan worden aangegeven voor het hele kalenderjaar waarin inbreuken op het bijhouden van de sociale documenten wordt vastgesteld. Bij K.B. van 18.07.1997 (B.S. 29.08.1997 - in werking getreden op 01.09.1997 werd artikel 8bis van het hogervermeld K.B. van 28.11.1969 als volgt gewijzigd: "Wanneer nagelaten wordt gelegenheidsarbeiders in te schrijven in de terzake opgelegde sociale documenten, ..., kunnen de betrokken werknemers voor het hele kalenderjaar waarin dit werd nagelaten, niet in de hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders bij de R.S.Z. worden aangegeven." Uit deze reglementswijziging volgt dat het verlies van het speciaal R.S.Z.-regime voor de tuinbouwsector beperkt blijft tot de werknemers waarvoor een inbreuk werd vastgesteld. Ofschoon dit reglementvoorschrift slechts uitwerking heeft voor de toekomst, kan uit de besprekingen in de commissievergaderingen van het parlement, afgeleid worden dat de wetgever de intentie heeft gehad deze nieuwe bepaling op de lopende zaken toe te passen (beknopt verslag: Openbare Commissievergadering van de Belgische Senaat van 25.03.1997, B.S.) Voormeld K.B. van 18.07.1997 werd tenslotte gewijzigd door art. 111 van de Programmawet van 12.08.2000 waardoor een retro-actieve werking werd voorzien voor de beperking van de R.S.Z. regularisatie vanaf 01.01.
  16. Bovendien werd in art. 112 van voormelde Programmawet bepaald als volgt: 'Artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 18 juli 1997 wordt aangevuld als volgt : " In afwijking van artikel 42, 2e lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hebben de werkgevers die, omwille van niet-naleving voor één of meer werknemers gedurende de periode van 1 juli 1994 tot 31 december 1995 van de voorwaarden bedoeld in het 6e lid zoals dit luidde voor de wijziging vastgesteld door het koninklijk besluit van 22 december 1995, of wegens niet-naleving voor één of meer werknemers van de voorwaarden bepaald in het 5e lid voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 augustus 1997 zoals dit luidde voor de wijziging vastgesteld door het koninklijk besluit van 18 juli 1997, hun gelegenheidsarbeiders in deze hoedanigheid niet bij de rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben kunnen aangeven, voor de werknemers voor wie de voormelde voorwaarden werden nageleefd het recht om het verschil te recupereren tussen de werkelijk betaalde bijdragen en de bijdragen die verschuldigd zouden zijn geweest voor de gelegenheidsarbeiders, die worden berekend op basis van het forfaitair loon bedoeld in artikel 31bis. Voor de berekening van het terug te betalen bedrag wordt evenwel geen rekening gehouden met de bijdragen inzake de jaarlijkse vakantieregeling. Aanleggende partij heeft rekening houdend met deze nieuwe beperkingen van de regularisatie haar vordering herleid bij besluiten d.d. 09.07.
  17. V. BEOORDELING TEN GRONDE 5.
  18. Verwerende partij argumenteert in besluiten dat de aanwezigheidregisters wel degelijk aanwezig waren en correct waren ingevuld. Zoals reeds hoger vermeld dient de werkgever overeenkomstig het bepaalde van artikel 4 eerste lid van het K.B. d.d. 17.06.1994 de aanwezigheidsregisters bij te houden op de plaats van tewerkstelling, in casu op de aardbeienplantage, opdat de bevoegde inspectiediensten hiertoe te allen tijde toegang kunnen hebben. In casu gaf verwerende partij bij zijn verhoor d.d. 05.08.1996 te kennen dat hij de aanwezigheidsregisters in zijn Jeep bijhield terwijl hij tussen de uitbatingszetel en de aardbeienplantage pendelde om de stekken van de aardbeienplantage te vervoeren. Hieruit blijkt duidelijk dat de aanwezigheidsregisters op het ogenblik van de controle in strijd met art. 4, 1ste lid van het K.B. van 17.06.1994 niet aanwezig waren op de aardbeienplantage waar 7 mensen door verwerende partij tewerk gesteld werden, zodat een controle door de bevoegde inspectiediensten onmogelijk werd gemaakt. Het feit dat de aanwezigheidsregisters al dan niet in orde waren voor de tewerkgestelde personen op de aardbeienplantage is terzake niet dienend. Het volstaat dat de aanwezigheidsregisters niet aanwezig waren ter controle van de inspectiediensten om aanleggende partij toe te laten overeenkomstig artikel 8bis van het K.B van 28.11.1969 over te gaan tot ambtshalve regularisatie. Het getuigenaanbod van verwerende partij desbetreffend is dan ook niet terzake dienend. Verwerende partij werpt tevens op dat hij steeds ter goeder trouw heeft gehandeld en dat de opgelegde regularisatie niet in evenredigheid staat tot de ernst van de inbreuk. Hierbij dient evenwel opgemerkt dat de ambtshalve regularisatie van de R.S.Z.- bijdragen ingevolge art. 8bis van de wet van 28.11.1969 geenszins een sanctie uitmaakt, maar een wettelijke opdracht in hoofde van aanleggende partij waarvan de omvang en de modaliteiten bij wet werden vastgesteld. Tenslotte verwijst verwerende partij naar de versoepeling van de wetgeving betreffende het bijhouden van een aanwezigheidsregister, waarbij aan de werkgever thans ook de mogelijkheid wordt gelaten een aanwezigheidsregister bij te houden op de bedrijfszetel. Het nieuw artikel 13 ,§2 ingevoegd bij K.B. van 17.07.1997 dat de werkgever toelaat het aanwezigheidsregister bij te houden op het adres waaronder hij in België is ingeschreven bij een instelling belast met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, was op het ogenblik van de vaststellingen d.d. 25.07.1996 nog niet van kracht en geldt overigens enkel op voorwaarde dat de werkgever op iedere plaats waar werknemers tewerkgesteld worden voor ieder van die werknemers een individueel aanwezigheidsboekje bijhoudt, hetgeen door in casu evenmin het geval was. Rekening houdend met het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat aanleggende partij overeenkomstig art. 8 bis van het K.B. d.d. 28.11.1969 gerechtigd was over te gaan tot ambtshalve regularisatie van de R.S.Z.-bijdragen van de betrokken werknemers door omzetting van de werknemerscategorie 015 naar
  19. 5.
  20. De samenstelling van de ambtshalve regularisatie werd door aanleggende partij opgesteld aan de hand van de door verwerende partij overhandigde loonkwitanties, de bewuste aanwezigheidsregisters en de door verwerende partij opgestelde R.S.Z.-aangiftes. Rekening houdend met de retro-actieve wetswijzigingen ingevoerd bij K.B. van 18.07.1997 en de Programmawet van 12.08.2000 heeft aanleggende partij de ambtshalve regularisatie beperkt tot het aantal betrokken werknemers

(7)en onder aftrek van de werkelijk betaalde R.S.Z. bijdragen. De samenstelling van de gevorderde bijdragen blijkt dan ook naar genoegen van recht uit de door aanleggende partij overlegde stukken en rekeninguittreksels en werd conform de vigerende wettelijke bepalingen opgesteld. 5.
  1. Verwerende partij werpt tenslotte op dat aanleggende partij manifest de beginselen van behoorlijk bestuur, vervat in art. 6 E.V.R.M., en in het bijzonder de redelijke termijnvereiste zou hebben geschonden, doordat slechts op 13.02.1998 (anderhalf jaar na de controle) werd beslist over te gaan tot ambtshalve regularisatie en uiteindelijk maar op 08.01.1999 werd overgegaan tot dagvaarding. x Artikel 6 E.V.R.M. hetwelk waarborgen voorschrijft op procedurevlak en in feite het basisartikel is inzake het recht op een behoorlijk proces, stelt onder ,§1 dat éénieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. In burgerlijke zaken begint de termijn voor de beoordeling van een mogelijke schending van artikel 6 E.V.R.M. te lopen vanaf het ogenblik dat er een geschil is, dit is vanaf het moment waarop de rechtzoekende de zaak aanhangig maakt bij de rechter. (Arbeidshof Antwerpen, 02.04.2004, inzake A.R. 2020434, niet gepubliceerd.) Het verloop van de tijd tussen het ontstaan van het geschil en het tijdstip waarop de dagvaarding is uitgebracht kan dus geen aanleiding geven tot een vordering die gebaseerd is op een schenking van artikel 6 E.V.R.M. (PUT, J.: Administratieve sancties in de sociale zekerheid en artikel 6 E.V.R.M.. in Sociaal Recht: niets dan uitdagingen. Post Universitaire Cyclus Willy Delva 1995/1996, Mys en Breesch, Gent, pag 720.) Artikel 6 E.V.R.M. is derhalve niet van toepassing om de redelijke termijnvereiste met betrekking tot de administratieve procedure voorafgaand aan de dagvaarding te beoordelen. x Behoorlijk bestuur houdt in dat, in gevallen waarin de overheid verplicht is uitspraak te doen zonder dat enige termijnbepaling voorhanden is, de beslissing wordt genomen binnen een redelijke termijn. (Raad van State: nr. 26 155, 05.02.1996). De 'redelijke-termijneis' welke zich, relatief recent, steeds nadrukkelijker is gaan manifesteren als een autonoom beginsel van behoorlijk bestuur, vloeit voort uit het zorgvuldigheidsbeginsel, doch heeft evenzeer de rechtszekerheid als oogmerk in zoverre erdoor wordt vermeden dat burgers, ambtenaren of administratieveoverheden gedurende lange tijd onzeker zouden zijn over hun rechtstoestand. (Cfr. OPDEBEEK, I., Rechtsbescherming tegen stilzitten van het bestuur, Brugge Die Keure 1992, nrs. 222-224) De redelijke termijn dient in concreto beoordeeld te worden. De redelijkheid van de termijn wordt voornamelijk bepaald door de mogelijkheid voor de bestuursoverheid om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het haar mogelijk maken om met kennis van zaken tot een beslissing te komen (Arr. nr. 43.552 van 30/06/1993; R.v.St. nr. 42.153, 08/03/1993; R.v.St. 26.155, 06/02/1986). Er moet eveneens rekening worden gehouden met de complexiteit van de zaak, met het gedrag van de betrokkenen en het gedrag van het betrokken bestuur zelf. De rechtbank is in casu van oordeel dat aanleggende partij door meer dan twee jaar en half na de controle van de bevoegde inspectiediensten en het verhoor van verwerende partij te wachten alvorens tot dagvaarding over te gaan, het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt. Aanleggende partij werd op 21.08.1996 door het Auditoraat in kennis gesteld van de vastgestelde overtreding lastens verwerende partij en van het proces-verbaal. Zij beschikte alsdan over de nodige informatie om haar beslissing tot ambtshalve regularisatie te staven. Slechts op 13.02.1998 gaf aanleggende partij kennis van het feit dat zij zou overgaan tot ambtshalve regularisatie van de R.S.Z. bijdragen. Nochtans blijkt uit de stukken van aanleggende partij dat zij van verwerende partij tijdig alle nodige stukken (aanwezigheidsregisters en loonkwitanties) noodzakelijk voor de ambtshalve regularisatie in haar bezit had. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de complexiteit van onderhavig geschil niet dermate is dat aanleggende partij slechts na anderhalf jaar een beslissing desbetreffend kon nemen. Aanleggende partij werpt in besluiten enkel op dat de verjaringstermijn ter zake als enig relevant criterium zou kunnen gehanteerd worden, doch verduidelijkt voor het overige niet om welke reden er meer dan anderhalf jaar nadat aanleggende partij in kennis werd gesteld van het proces-verbaal werd gewacht alvorens tot ambtshalve regularisatie over te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verwerende partij alleszins bij het nemen van de beslissing tot ambtshalve regularisatie door haar stilzitten de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden inzonderheid de redelijke termijnvereiste. x Ingevolge art. 8 bis van het K.B. 28.11.1969 tot uitvoering van de wet van 27.06.1969 kan de R.S.Z. evenwel ingeval van het niet-naleven van de bepalingen inzake de sociale documenten voor gelegenheidsarbeiders, niet toelaten dat de betrokken werknemers in hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders worden aangegeven. Het stelsel van de sociale zekerheid voor arbeiders raakt de openbare orde. De toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan geen afwijking van de wet rechtvaardigen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet leiden tot een negatie van het wettigheidsbeginsel. Anders dan de beginselen van behoorlijk bestuur is het wettigheidsbeginsel immers rechtstreeks gegrond op een grondwettekst, nl. artikel 159 van de Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. (Cass. 20.09.2004, zie www.just.fgov.be) De argumentatie van verwerende partij om de vordering van aanleggende partij op grond van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, als ongegrond af te wijzen, kan derhalve niet gevolgd worden. Zoals reeds hoger werd aangehaald bewijst aanleggende partij immers dat verwerende partij in strijd met wettelijke bepalingen van openbare orde, nagelaten heeft zijn aanwezigheidsregister ter beschikking van de inspectiediensten te laten op de plaats van de tewerkstelling. Overeenkomstig het wettelijkheidsbeginsel is verwerende partij dan ook alleszins het bedrag van de geregulariseerde bijdragen verschuldigd. Het beginsel van behoorlijk bestuur kan derhalve niet ingeroepen worden tegen deze dwingende wetsbepalingen, doch kan enkel bij miskenning ervan leiden tot een compensatie met de uit deze miskenning volgende verplichting tot schadeloosstelling. (Arbeidshof Antwerpen, 07.04.1992, T.S.R., 1993, p. 183.) Het komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden dan ook billijk voor de schade die verwerende partij heeft geleden ingevolge de overschrijding van de redelijke termijnvereiste door aanleggende partij, te compenseren met het bedrag van de gevorderde wettelijke intresten op de openstaande bijdragen ten bedrage van 1.983,56 EUR vanaf 4 juni 1998 tot de dag der volledige betaling. 5.
  2. Rekening houdend met het voorgaande komt de vordering van aanleggende partij dan ook ontvankelijk doch deels gegrond voor en wordt verwerende partij veroordeeld tot betaling van de som van 2.388,18 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten. Verwerende partij dient als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de kosten van het geding. Aanleggende partij vraagt de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis. Zij brengt desbetreffend geen argumenten bij, en de rechtbank meent dat uit de omstandigheden van de zaak, niet kan afgeleid worden dat op dit verzoek dient ingegaan te worden. In casu is er geen enkel gevaar op insolvabiliteit, minstens wordt deze door aanleggende partij niet aangetekend. De uitvoerbaarheid bij voorraad is in huidige betwisting dan ook niet verantwoord. Gelet op de artikelen van de wet op 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK, na beraad uitspraak doende op tegenspraak, Verleent aanleggende partij akte van haar eisherleiding. Verklaart de vordering ontvankelijk en deels gegrond. Veroordeelt dienvolgens verwerende partij tot betaling aan aanleggende partij van de som van tweeduizend driehonderd achtentachtig euro en achttien eurocent (2.388,18 EUR), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van dagvaarding. Legt de kosten van het geding ten laste van verwerende partij deze tot op heden begroot in hoofde van aanleggende partij op 89,42 EUR dagvaardingskosten en 104,86 EUR rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verwerende partij op 104,86 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting op 8 december
  3. PDF document ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041208.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.