id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041216.10 Rolnummer: 370027 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-01 01:32 Fiches 1 - 4 Voor de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van het K.B. van 24 juni 2004 dient het OCMW hulp in natura of terugbetaling van de werkelijk door het kind gedragen kosten aan te bieden. Bij gebreke aan een onderzoek door het OCMW dient het bedrag van de gewaarborgde kinderbijlsag te worden toegekend. Met ingang van 11 juli 2004 kan er geen financiële steun meer worden toegekend omdat eiser vrijwillig heeft afgezien van het recht op materiële steun in een opvangcentrum. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . VREEMDELINGEN maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9,3delid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA verdrag rechten van de mens - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 8 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . ORGANISATIE VAN DE VERENIGDE NATIES internationaal verdrag rechten van het kind - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 3 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-06-2004 - 3 - 30 ELI link Pub nr 2004002072 Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I P - artikel 9, 3de lid, onder IX C 3 - artikel 8, onder IX F - artikel 3 en onder X E - artikel 57 ,§
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00003,P.174-175) Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER in de openbare zitting van de TWEEDE KAMER van de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: R. V., Rechter in de arbeidsrechtbank, Voorzitter van deze kamer, P. D., Rechter in sociale zaken, werkgever F. V.R., Rechter in sociale zaken, werknemer, arbeider M. V.L., Griffier, Inzake : A.R. nr. 370.027 K.D. EISENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door Mr. J. H. tegen: het OCMW S, VERWERENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door mevr. E. D.D.. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging, zoals vermeld op de inventaris ervan, o.m.: - het inleidend verzoekschrift van eiser, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 8/8/2004, - de conclusie van eiser, neergelegd ter openbare terechtzitting van 4/11/2004, - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18/11/2004, - het P.V. van terechtzitting. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij Wet van 23 september 1985, met ingang van 1 september
- Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare terechtzitting van 4/11/
- Gezien het schriftelijk advies van dhr. D. T., eerste substituut arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18/11/
- Partijen zagen af van hun recht op repliek. Rechtdoende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
- Voorwerp van de vordering: Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 8 augustus 2004, tekent eiser beroep aan tegen de beslissing van 2 juli 2004 waarbij het OCMW de financiële steun als kinderbijslag vanaf 17 juni 2004 weigert omdat eiser en zijn gezin illegaal op het grondgebied verblijven. Eiser vraagt financiële steun, minstens ten bedrage van de kinderbijslag vanaf 17 juni
- Beoordeling: 2.
- De ontvankelijkheid: De vordering werd tijdig (gelet op het ontbreken van het bewijs van aangetekende zending) en regelmatig naar de vorm ingesteld. De vordering is ontvankelijk. 2.
- Ten gronde: 2.2.
- Recht op steun op grond van aanvraag op basis van art. 9,3 Vreemdelingenwet: In hoofdorde verzoekt eiser om steun voor het ganse gezin. Hij verwijst hiervoor naar de aanvraag op basis van artikel 9,3 Vreemdelingenwet die hij indiende. Eiser en zijn gezin verblijven illegaal op het grondgebied. Er wordt immers enkel melding gemaakt van een aanvraag conform artikel 9,3 Vreemdelingenwet die niets aan de verblijfstoestand van eiser verandert, zodat hij ook na dergelijke aanvraag illegaal blijft. Het Hof van Cassatie besliste reeds op 21 april 1997 dat de aanvraag van een verlengde verblijfstitel in de zin van artikel 9, 3° Vreemdelingenwet, geen schorsende werking heeft (Cass. 21 april 1997, Soc. Kron. 1997, 500). Ook de arbeidshoven van Luik, Brussel en Antwerpen (Arbh. Luik 26 maart 1997, Soc. Kron. 1998, 544 ; Arbh. Brussel 4 december 1997, Soc. Kron. 1998, 328 ; Arbh. Antwerpen 8 september 1999, AR 99/155, onuitg.) zijn van mening dat de verblijfstoestand van de aanvrager niet verandert zo lang er geen definitieve uitspraak is gedaan over de aanvraag door de minister. In een arrest van 19 maart 2001 stelt het Hof van cassatie bovendien uitdrukkelijk dat de machtiging tot verblijf die afgeleverd wordt op basis van artikel 9, 3° Vreemdelingenwet slechts geldt voor de toekomst en dus niet tot gevolg kan hebben dat er hierdoor een recht op levensminimum met terugwerkende kracht ontstaat (Cass. 19 maart 2001, J.T.T. 2001, 347). Hieruit kan ondubbelzinnig worden afgeleid dat er geen recht op steun is tijdens de behandeling van de aanvraag op basis van artikel 9, 3° Vreemdelingenwet. Ook het Arbitragehof is dezelfde mening toegedaan. In een arrest van 5 juni 2002 besloot het Arbitragehof dat artikel 57 ,§ 2 O.C.M.W.-Wet de artikelen 10 en 11 G.W. niet schendt door geen steun toe te kennen aan personen die illegaal op het grondgebied verblijven en een aanvraag hebben gedaan op basis van artikel 9, 3° Vreemdelingenwet (B.S. 13 augustus 2002). Eiser heeft volgens de Belgische wetgeving dan ook geen recht op steun (tenzij dringende medische hulpverlening conform artikel 57 O.C.M.W.-Wet) zo lang er geen beslissing werd genomen door de minister. De vordering van eiser tot het bekomen van steun voor het ganse gezin is ongegrond. 2.2.
- Steun op basis van het Kinderrechtenverdrag: In ondergeschikte orde stelt eiser dat hij recht heeft op steun in afwachting van de inwerkingtreding van de bepalingen betreffende de opvang van illegale kinderen door fedasil. Artikel 57 ,§ 2 OCMW-Wet bepaalt dat de steun aan een illegaal kind beperkt wordt tot materiële hulp die uitsluitend kan verstrekt worden in een federaal opvangcentrum (zie wijziging door artikel 483 Programmawet van 22 december 2003, B.S. 31 december 2003). Bij K.B. van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft (B.S. 1 juli 2004, i.w.t. 11 juli 2004) worden vervolgens de voorwaarden bekend gemaakt onder welke vorm deze steun zal georganiseerd worden. De omzendbrief van 16 augustus 2004 verduidelijkt verder deze voorwaarden. Periode van 17 juni 2004 tot en met 10 juli 2004: In deze periode was er nog geen uitvoering gegeven aan de bepalingen betreffende de opvang van illegale kinderen in een opvangcentrum waardoor een beroep moet gedaan worden op de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag en op het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 (Arbitragehof nr. 106/206, 22 juli 2003, rolnrs. 2548 en 2549, B.S. 4 november 2003). Eiser verblijft met zijn gezin in België en er werd een regularisatie-aanvraag ingediend op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet. De overheid moet in dit geval middelen voorzien om tijdens de behandeling van de aanvraag de kinderen steun te geven opdat hun ontwikkeling niet in het gevaar komt en hun belangen, waarvan artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag stelt dat de staten ze moeten verdedigen, gevrijwaard worden. Het OCMW betwist niet dat de ouders behoeftig zijn en hun onderhoudsplicht niet kunnen nakomen. Dit blijkt uit het feit dat het OCMW de wil te kennen gaf om het gezin door te sturen naar fedasil, hetgeen niet zou zijn voorgesteld indien het OCMW niet overtuigd was van de behoeftigheid van het gezin. Aangezien het OCMW zelf vaststelde dat het gezin van eiser behoeftig is, diende zij de hulp in natura aan te bieden. Vermits dit niet is gebeurd, dienen de werkelijke kosten uitbetaald te worden. Bij gebreke aan een onderzoek door het OCMW dient het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag toegekend te worden. De wetgever heeft immers een bedrag vastgesteld dat de kosten voor de opvoeding van de kinderen hoofdzakelijk zou moeten dekken, met name de kinderbijslag. Gelet op de precaire situatie waarin het gezin zich bevindt, is het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag de meest passende oplossing (Arbrb. Brussel 27 september 2001, T.J.K. 2002, 124). De steun wordt best uitgekeerd aan de ouders en het komt aan het O.C.M.W. toe om na te gaan of dit bedrag besteed wordt aan de onderhoudskosten van de kinderen. De vordering is gegrond in die zin dat het OCMW financiële steun gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslag dient uit te betalen aan eiser voor de periode van 17 juni 2004 tot en met 10 juli
- Periode vanaf 11 juli 2004: Op 11 juli 2004 is het K.B. van 24 juni 2004 tot uitvoering van het nieuwe artikel 57 ,§ 2 OCMW-Wet, in werking getreden. Eiser houdt voor dat de inwerkingtreding pas kan gesitueerd worden na de omzendbrief die desbetreffend is opgesteld zodat er alleszins tot in augustus 2004 steun diende toegekend te worden. Het OCMW stelde aan eiser reeds begin juli 2004 de vraag of hij gebruik wenste te maken van de nieuwe vorm van opvang. Eiser hield zijn antwoord in beraad (zie stuk 8, bundel OCMW) en heeft tot op heden nog steeds niet geantwoord. Indien eiser positief had gereageerd op de vraag of hij opvang wilde ontvangen in een opvangcentrum, had het OCMW het nodige kunnen doen om een aanvraag in te dienen bij het opvangcentrum zodat eiser vanaf 11 juli 2004 (datum inwerkingtreding KB van 24 juni 2004) hulp had kunnen krijgen. Vanaf 11 juli 2004 had eiser bijgevolg recht op opvang doch hiervan heeft hij vrijwillig afgezien. Met ingang van deze datum kan het O.C.M.W., krachtens het nieuwe artikel 57 ,§ 2 OCMW-Wet, dan ook geen steun meer verlenen wanneer zij hebben vastgesteld dat het gezin voldoet aan de wettelijke voorwaarden om steun te krijgen in een opvangcentrum. Voor de periode na 10 juli 2004 heeft eiser geen recht op financiële steun en is de vordering ongegrond. OM DEZE REDENEN DE ARBEIDSRECHTBANK, Recht doende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andere en strijdige middelen verwerpend, Verklaart de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond: Vernietigt de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand d.d. 2 juli 2004 in zoverre aan eiser de financiële steun als kinderbijslag wordt geweigerd voor de periode van 17 juni 2004 tot en met 10 juli 2004, Zegt voor recht dat de heer K. in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van K.A. en K.E., gerechtigd is op financiële steun gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag voor twee kinderen vanaf 17 juni 2004 tot en met 10 juli 2004, Bevestigt de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand d.d. 2 juli 2004 in zoverre aan eiser de financiële steun als kinderbijslag wordt geweigerd met ingang van 11 juli 2004, Zegt voor recht dat eiser, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van K.A. en K.E., met ingang van 11 juli 2004 niet gerechtigd is op financiële steun gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag, Legt de kosten van dit geding ten laste van de verweerster in toepassing van artikel 1017,2° Ger. W. Vereffent de kosten aan de zijde van eiser op 205,26 EUR rechtsplegingsvergoeding, doch herleidt dit bedrag tot 104,86 rechtsplegingsvergoeding. Door verweerster werden tot op heden geen kosten begroot. PDF document ECLI:BE:ARANT:2004:JUG.20041216.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div