id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 05 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050105.14 Rolnummer: 367114 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-01 01:59 Fiches 1 - 4 Voor de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van het K.B. van 24 juni 2004 dient het OCMW in principe hulp te verlenen aan de kinderen. In casu bewijst de moeder echter niet dat zij haar onderhoudsplicht niet kan nakomen en evenmin dat zij specifieke kosten heeft voor haar kind, welke onontbeerlijk zijn voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Bij weigering van het voorstel van het OCMW tot verblijf in een federaal opvangcentrum in uitvoering van het K.B. van 24 juni 2004 houdt de bevoegdheid van het OCMW op en is het niet langer gehouden om financiële steun te verlenen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . VREEMDELINGEN Maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het KB - staat van behoefte - onderhoudsplicht Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9,lid3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA Verdrag rechten van de mens - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het KB - staat van behoefte - onderhoudsplicht. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 8 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN -Organisatie van de verenigde naties - internationaal verdrag rechten van het kind - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het KB - staat van behoefte onderhoudsplicht Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 3 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het KB - staat van behoefte - onderhoudsplicht Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-06-2004 - 3 - 30 ELI link Pub nr 2004002072 Wet - 08-07-1976 - 57,§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I P - artikel 9, 3de lid, onder IX C 3 - artikel 8, onder IX F 9 - artikel 3 en onder X E - artikel 57 ,§
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00003,P.176-177) Tekst van de beslissing VONNIS 5/1/2005 - A.R. 367.114 - 14DE KAMER ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN M.S. / O.C.M.W.
- VOORWERP VAN DE VORDERING: Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 3 mei 2004, tekent eiseres beroep aan tegen de beslissingen genomen door het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van het OCMW dd. 31.03.2004 en 13.04.
- De beslissing dd.31.3.2004 luidde als volgt : x het levensminimum te weigeren met ingang van 6.02.2004 met als reden : "uw verblijfsdocumenten zijn niet geldig" x toelage inwonend persoon te weigeren met als reden "voorwaarden arrest 22.07.2003 Arbitragehof x de waarborg voor verpleging en verzorging te verlengen vanaf 01.04.2004
- ONTVANKELIJKHEID Het beroep tegen de beslissing dd. 31.03.2004 werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. Uit het dossier blijkt evenwel dat er geen beslissing door het OCMW werd genomen op 13.04.
- Enkel blijkt de beslissing dd. 31.03.2004, waarbij de waarborg verpleging en verzorging wordt verlengd de postdatum van 13.04.2004 te dragen. Het beroep gericht tegen de beslissing dd.13.04.2004 is aldus zonder voorwerp.
- DE FEITEN Betreft een alleenstaande vrouw met een dochter ten laste afkomstig van Armenië. Betrokkene kwam op 2/9/1999 naar België en vroeg asiel aan. Ze werd toegewezen aan OCMW B. Op 14/12/1999 werd haar verblijf geweigerd met een bevel om het grondgebied te verlaten en ze werd in het bezit gesteld van een bijlage 26 bis. Op 15/12/1999 werd tegen deze beslissing een schorsend beroep ingediend en op 29/2/2000 werd ze niet ontvankelijk verklaard. Ze ging tegen deze beslissing in beroep bij de Raad van State en op 26/4/2001 werd het verzoek tot schorsing verworpen en op 6/12/2001 werd het verzoek tot nietigverklaring verworpen. Mevrouw M. diende eveneens een aanvraag tot machtiging van verblijf in om humanitaire redenen op basis van artikel 9.3 van de wet van 15/12/
- Na een verblijf in Gent woont betrokkene sinds 1/1/2000 te Antwerpen. Eiseres leerde evenwel een Belgische man kennen waarmee zij een tijd een relatie heeft gehad. Doch op het moment dat zij vertelde dat zij zwanger was van haar dochter, is naar haar zeggen haar vriend weggegaan en heeft zij hem niet meer teruggezien. Daar zij alleen maar zijn voornaam kent, weet zij ook niet waar zij hem moet gaan zoeken. Uit het sociaal onderzoek blijkt eiseres een bescheiden gelijkvloers te bewonen met enkele dooreenlopende plaatsen. Eiseres staat reeds 4 maanden huishuur achter en heeft zij eveneens gedurende een aantal maanden geen ernergierekeningen meer betaald. Door het Bijzonder Comité Sociale Bijstand werd op 21.08.2002 beslist om levensminimum te verlenen voor de periode 18/8/2002 tot 17/2/2003 op basis van de rechtspraak die zegt dat er in geval van zwangerschap sprake is van medische overmacht en daardoor in gelijkaardige situaties heeft beslist om levensminimum te verlenen gedurende 3 maanden voor de vermoedelijk bevallingsdatum en 3 maanden nadien. Er werd eveneens beslist om Waarborg verpleging en verzorging te verlenen op basis van het KB van 12/12/
- Op het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van 12/3/2003 werd beslist om levensminimum vanaf 18/2/2003 af te schaffen, gezien de periode van 3 maanden na de bevalling verstreken is. Mevrouw M. probeert nu met babysitten geld te bekomen om verder de basislasten te kunnen betalen. Betrokkene verklaart nog steeds niet officieel te werken als babysit. Ze werkt echter maar 2 dagen per week. Verder doet ze beroep op Belgische mensen en vrienden die haar helpen met pampers en voedsel. Ze ondervindt problemen met het betalen van de huishuur en de facturen van de nutsvoorzieningen. Op 6/2/2004 deed eiseres een aanvraag tot het bekomen van financiële steun op basis van het Arrest van het Arbitragehof van 22/7/
- IN RECHTE: 4.
- DE VERBLIJFSSITUATIE VAN EISERES: Het kan niet worden betwist dat eiseres en haar kind, illegaal op het grondgebied verblijven zodat er terecht geen steun werd verleend door het OCMW. Er wordt wel melding gemaakt van een aanvraag ingediend op grond van artikel 9,3° Vreemdelingenwet, doch deze aanvraag wijzigt niets aan de illegale verblijfssituatie van eiser en zijn gezin. Het Hof van Cassatie besliste reeds op 21 april 1997 dat de aanvraag van een verblijfstitel in de zin van artikel 9,3° Vreemdelingenwet, geen schorsende werking heeft. (Cass., 21 april 1997, Soc. Kron. 1997, 500) Ook de Arbeidshoven van Luik (Arbh. Luik, 26 maart 1997, Soc. Kron. 1998, 544), Brussel (Arbh. Brussel, 4 december 1997, Soc. kron. 1998, 328) en Antwerpen (Arbh. Antwerpen, 8 september 1999, AR 99/155 onuitg.) zijn van mening dat de verblijfstoestand van de aanvrager niet verandert zo lang er geen definitieve uitspraak is gedaan over de aanvraag door de minister. In een arrest van 19 maart 2001 stelt het Hof van Cassatie bovendien uitdrukkelijk dat de machtiging tot verblijf, die afgeleverd wordt op basis van artikel 9,3° Vreemdelingenwet, slechts geldt voor de toekomst en dus niet tot gevolg kan hebben dat er hierdoor een recht op levensminimum met terugwerkende kracht ontstaat (Cass., 19 maart 2001, J.T.T., 2001, 347). Hieruit kan ondubbelzinnig afgeleid worden dat er geen recht op steun is tijdens de behandeling van de aanvraag op basis van artikel 9,3° Vreemdelingenwet. Ook het Arbitragehof is dezelfde mening toegedaan. In een arrest van 5 juni 2002 (B.S. 13 augustus 2002) besloot het Arbitragehof dat artikel 57,§2 OCMW-Wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt door geen steun toe te kennen aan personen die illegaal op het grondgebied verblijven en een aanvraag hebben gedaan op basis van artikel 9,3° Vreemdelingenwet. Eiseres en haar kind hebben volgens de Belgische wetgeving dan ook geen recht op steun (tenzij dringende medische hulpverlening conform artikel 57,§2 OCMW-Wet) zo lang er geen beslissing werd genomen door de minister. Gelet op het illegaal verblijf van het kind van eiseres moet worden nagegaan of dit kind toch recht kan hebben op steun door een beroep te doen op het Verdrag inzake de rechten van het kind. Eiseres roept trouwens uitdrukkelijk dit Verdrag in. 4.
- VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND: Gelet op de het KB dd. 1 juli 2004, dat in werking is getreden vanaf 11 juli 2004 dient een onderscheid te worden gemaakt naar gelang de periode voor en na de wetswijziging. 4.2.1.periode van 06.02.2004 tot en met 10.07.2004 x M.b.t. de rechtstreekse werking van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind Uit de rechtspraak blijkt geen eenduidig antwoord op de vraag of het Verdrag inzake de Rechten van het kind al dan niet rechtstreekse werking heeft. Wel staat vast dat het Hof van Cassatie en de Raad van State deze rechtstreekse werking uitdrukkelijk afwijzen en dat deze zienswijze door de meeste rechtsleer wordt gevolgd. Vooral de vaststelling dat de meeste artikelen zich uitdrukkelijk richten tot de Staten waardoor er uitvoeringsbepalingen nodig zijn, doen besluiten dat het Verdrag inzake de Rechten van het Kind geen rechtstreekse werking heeft. Men dient zich evenwel de vraag te stellen of deze bepalingen vrijblijvend zijn voor de Staten. Van de Staten wordt immers verwacht dat hun beleid is gebonden aan de doelstellingen die verwoord worden in het Kinderrechtenverdrag. Hierbij kan verwezen worden naar de "standstill-werking" van deze bepalingen en naar de zogenaamde "minimum core" waarbij dient nagegaan te worden of er nu al enige rechten kunnen geput worden uit het Verdrag. Van de overheid mag immers verwacht worden dat zij al het mogelijke doet om de doelstellingen van het Verdrag, dat ondertekend en geratificeerd werd, zo goed mogelijk uit te voeren. In het verleden heeft deze rechtbank elke vorm van gevraagde steun afgewezen bij gebrek aan een goed onderbouwde regelgeving om dit alsnog te doen. Thans zeer recent, op 22 juli 2003, werd door het Arbitragehof hieromtrent een belangrijk arrest uitgesproken. x Arrest van het Arbitragehof dd. 22 juli 2003 In dit arrest van 22 juli 2003 volgt het Arbitragehof deze stelling. In de prejudiciële vraag werd gevraagd of artikel 57,§2 OCMW-wet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 2,3,24.1,26 en 27 van het Verdrag van de Rechten van het Kind niet schendt, door aan minderjarige kinderen geen steun te verlenen indien de ouders illegaal op het grondgebied verblijven. Ten aanzien van het ontbreken van de rechtstreekse werking merkt het Arbitragehof op dat bij de toetsing van een Verdrag deze rechtstreekse werking niet moet worden nagegaan maar dat men wel moet oordelen of de wetgever niet op discriminerende wijze de internationale verbintenissen van België heeft miskend. ( overweging B.4.
- te raadplegen op www.arbitrage.be.) Het Arbitragehof meent dan ook dat voormelde artikelen wel degelijk geschonden worden indien geen steun wordt toegekend aan de kinderen van ouders die illegaal op het grondgebied verblijven. De Belgische staat moet immers alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van status van de ouders. (overweging B.7.5.) Het Arbitragehof verbindt wel voorwaarden aan voormelde interpretatie. Zo kan de maatschappelijke dienstverlening enkel toegekend worden wanneer aan drie voorwaarden is voldaan met name: x de vaststelling dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn deze na te komen; x de aanvraag tot steun moet betrekking hebben op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie de dienstverlening werd aangevraagd; x het OCMW moet zich ervan vergewissen dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het Arbitragehof voegt eraan toe dat de steun in principe 'in natura' dient verleend te worden of via een ten laste neming van uitgaven ten behoeve van derden en dit om misbruik te voorkomen in hoofde van de ouders. Het Arbitragehof erkent hier bijgevolg het recht van deze kinderen op maatschappelijke dienstverlening zonder afbreuk te doen aan zijn vorige rechtspraak, nl. dat zorg dient gedragen te worden dat deze dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd en dat het vreemdelingenbeleid overeind blijft. In casu verblijven eiseres en haar kind in België en werd er een regularisatie-aanvraag ingediend op grond van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet. De overheid moet in dit geval middelen voorzien om tijdens de behandeling van de aanvraag de kinderen steun te geven waardoor hun ontwikkeling niet in gevaar komt en hun belangen waarvan artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag stelt dat de Staten ze moeten verdedigen, gevrijwaard worden. Dat eiseres, als enige ouder, behoeftig is en haar onderhoudsplicht niet kan nakomen wordt door het OCMW betwist. Eiseres legt enkel stukken voor van achterstallige huur en van achterstal van nutsvoorzieningen. Zij verklaarde wat bij te verdienen door te babysitten. Zij bewijst geen verdere schulden. Zij bewijst evenmin af te hangen van caritatieve instellingen. Zij bewijst evenmin specifieke kosten te hebben voor haar kind, welke onontbeerlijk zijn voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Nochtans is dit een voorwaarde voorzien door het arrest van het Arbitragehof. In casu wordt er bijgevolg niet voldaan aan de voorwaarden, zoals gesteld in het Arrest van het Arbitragehof dd. 22 juli
- Bijgevolg dient de Rechtbank vast te stellen dat de beslissing genomen door het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van het OCMW dd. 31.03.2004 waarbij het levensminimum, evenals de toelage inwonend persoon wordt geweigerd vanaf 06.02.2004, terecht werd genomen voor de periode van 06.02.2004 tot en met 10.07.
- 4.2.2.periode vanaf 11.07.2004 Ingevolge het arrest van het Arbitragehof werd immers artikel 57 ,§2 van de OCMW-wet gewijzigd. Het nieuwe artikel 57 ,§2, eerste lid, 2° bepaalt dat wanneer een aanvraag wordt gedaan voor maatschappelijke dienstverlening voor een minderjarige, die met zijn ouders illegaal in het land verblijft, het OCMW de staat van behoeftigheid dient vast te stellen. De maatschappelijke hulp wordt beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning. (Programmawet 22 december 2003, BS. 31 december 2003.) In het Belgisch Staatsblad van 1 juli 2004 verscheen het K.B. van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. Dit K.B. trad in werking op 11 juli
- Volgens dit K.B. moet het OCMW op basis van een sociaal onderzoek nagaan of volgende wettelijke voorwaarden vervuld zijn : - het kind is jonger dan 18 jaar; - het kind en zijn ouders verblijven illegaal in het land; - er bestaat de vereiste verwantschapsband; - het kind is behoeftig; - de ouders komen hun onderhoudsplicht niet na of zijn niet in staat hun onderhoudsplicht na te komen. Wanneer de voorwaarden vervuld zijn neemt het OCMW een beslissing en deelt aan betrokkene mede dat hij zich voor de materiële hulp kan aanbieden in een bepaald federaal opvangcentrum. Een omzendbrief d.d. 16 augustus 2004 beschrijft de te volgen procedure. Eiseres legt evenwel zeer weinig stukken voor om de behoeftigheid van het gezin in deze periode te bewijzen. Zij legt enkel stukken voor van achterstallige huishuur van de laatste drie maanden en achterstallige energiefacturen van de laatste twee maanden. Zij bewijst geen specifieke kosten voor haar kind. De behoeftigheid van het kind en de absolute onmogelijkheid om haar onderhoudsplicht na te komen zijn bijgevolg niet bewezen. Het OCMW heeft terecht de behoeftigheid niet vastgesteld. Op 25.11.2004 heeft verweerster eiseres gewezen op de mogelijkheid voor het kind, desgevallend vergezeld van de moeder om te verblijven in een federaal opvangtehuis. Bij schriftelijke verklaring van dezelfde datum heeft eiseres een dergelijke verblijf in een opvangcentrum geweigerd en heeft zij gekozen om haar kind zelf op te voeden. Bij een dergelijke weigering houdt de bevoegdheid van het OCMW op en is het niet langer gehouden om financiële steun te verlenen. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gehoord Dhr. D. T., 1° substituut-arbeidsauditeur, in zijn mondeling advies, uitgebracht in de Nederlandse taal ter openbare terechtzitting van 10/11/2004, Rechtdoende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andere en verder strekkende besluiten verwerpende, Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt de bestreden beslissing van het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van het OCMW dd. 31.03.2004, waarbij het levensminimum wordt geweigerd vanaf 06.02.2004, evenals de toelage inwonend persoon. Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, deze tot op heden door partijen niet begroot. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050105.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div