id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 21 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050121.26 Rolnummer: 2032125 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 02:07 Fiche Voor de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van het K.B. van 24 juni 2004 dient het OCMW in principe hulp te verlenen aan de kinderen. In casu bewijst de moeder echter niet dat zij haar onderhoudsplicht niet kan nakomen. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - staat van behoefte - onderhoudsplicht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-06-2004 - 2 - 30 ELI link Pub nr 2004002072 Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00003,P.155-157) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Eerste kamer. VONNIS van 21 JANUARI 2005 Mevrouw O.C., eisende partij,. tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN HASSELT, verwerende partij, 1) PROCEDURE De rechtbank heeft de stukken van het geding gevoegd bij het rechtsplegingsdossier ingezien, en inzonderheid: - de administratieve beslissing van verwerende partij van 3 juli 2003; - het verzoekschrift van eisende partij, aangetekend verzonden op 25 juli 2003; - de besluiten voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 27 oktober 2004; - de stukken van partijen; Op verzoek van verwerende partij werden de partijen bij gerechtsbrief d.d. 31 augustus 2004 opgeroepen om met toepassing van artikel 751 Ger. W. aanwezig te zijn op de openbare terechtzitting van 17 december
- De partijen werden op deze zitting in hun middelen en besluiten gehoord. 2) FEITELIJKE GEGEVENS EN SITUERING VAN DE BETWISTING Eisende partij is afkomstig uit Wit - Rusland. Zij diende op 9 februari 1999 een asielaanvraag in België in en vestigde zich te Hasselt. Er werd haar geen verplichte plaats van inschrijving opgelegd. Op 17 juni 1999 werd de asielaanvraag van eisende partij ontvankelijk verklaard en sedertdien ontving zij financiële steun als alleenstaande van verwerende partij. Na de geboorte van haar dochter ontving eisende partij met ingang van 12 augustus 1999 steun als alleenstaande met kinderlast. Op 26 januari 2000 weigerde het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen aan eisende partij de hoedanigheid van vluchteling. Eisende partij tekende beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie dewelke op 12 juli 2000 de beslissing van het Commissariaat-generaal bevestigde. Op 8 augustus 2000 diende eisende partij een beroep tot vernietiging in bij de Raad van State. Op 28 september 2000 werd aan eisende partij een uitwijzingsbevel betekend, waartegen zij eveneens in beroep ging. Op 4 december 2002 diende eisende partij een aanvraag tot regularisatie van verblijf in het kader van artikel 9, 3° van de Vreemdelingenwet in bij het gemeentebestuur. Deze aanvraag zou nog steeds hangende zijn. Bij arresten van 20 december 2002 werden zowel het beroep tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie dd. 12 juli 2000 als het beroep tegen het uitwijzingsbevel verworpen door de Raad van State. In haar vergadering van 6 februari 2003 besliste verwerende partij het volgende:
- U ontvangt vanaf 01.01.2003 geen steun meer voor uzelf en uw dochter, en worden uw ziekenfondsbijdragen niet meer ten laste genomen. U ontving immers op 20.12.2002 een definitieve weigering in uw asielaanvraag waardoor u vanaf deze datum illegaal in België verblijft.
- U ontvangt geen steun op basis van uw aanvraag tot regularisatie in kader van artikel 9,§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Op 28.09.2000 ontving u een uitwijzingsbevel in het kader van uw asielprocedure. Door het beroep dat u indiende bij de Raad van State had u nog verder recht op steun. Uw procedure bij de Raad van State werd op 20.12.2002 uitgesproken waardoor u in dit kader geen recht meer heeft op steun De aanvraag tot regularisatie heeft geen schorsende werking op het uitwijzingsbevel van 28.09.2000 waardoor u momenteel illegaal in België verblijft en waardoor het OCMW enkel kan instaan voor dringende medische zorgen zoals vermeld in artikel 57,§2 van de wet van 8 juli 1976." Tegen deze beslissing tekende eisende partij geen beroep aan. Op 24 juni 2003 diende eisende partij een nieuwe aanvraag tot toekenning van maatschappelijke dienstverlening in bij verwerende partij. Op 3 juli 2003 besliste verwerende partij het volgende: " U ontvangt geen steun op basis van uw aanvraag tot regularisatie in kader van art. 9,§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Op 28.09.2000 ontving u een uitwijzingsbevel in het kader van uw asielprocedure. Door het beroep dat u indiende bij de Raad van State had u nog verder recht op steun. Uw procedure bij de Raad van State werd op 20.12.2002 uitgesproken waardoor u in dit kader geen recht meer heeft op steun. De aanvraag tot regularisatie heeft geen schorsende werking op het uitwijzingsbevel van 28.09.2000 waardoor u momenteel illegaal in België verblijft en waardoor het OCMW enkel kan instaan voor de dringende medische zorgen zoals vermeld in art. 57,§2 van de wet van 8 juli 1976." Met een niet-gemotiveerd verzoekschrift, aangetekend verzonden op 25 juli 2003, tekende eisende partij beroep aan tegen deze beslissing. In haar besluiten, neergelegd ter griffie op 27 oktober 2004, baseert eisende partij haar vordering op het Kinderrechtenverdrag, het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 en de rechtspraak van andere rechtscolleges. Zij beweert dat zijzelf niet in de mogelijkheid is om in te staan voor de behoeften van haar minderjarige dochter en zij stelt dat door verwerende partij maatschappelijke dienstverlening dient te worden verschaft. De vordering strekt ertoe de bestreden beslissing te horen vernietigen en verwerende partij te horen veroordelen om aan eisende partij sociale bijstand gelijk aan een sociale integratie inkomen categorie 4 (éénouder-familie met kind ten laste) te betalen. In subsidiaire orde vordert eisende partij de veroordeling van verwerende partij tot betaling van een sociale bijstand gelijk aan het huurbedrag, de huurlasten en 5 EUR per dag voor het kind. In uiterst subsidiaire orde vraagt eisende partij sociale bijstand gelijk aan de kinderbijslag voor één kind. Eisende partij vraagt bovendien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussen te komen vonnis. Verwerende partij vraagt de bevestiging van de bestreden beslissing. 3) ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING Het beroep werd tijdig en geldig naar de vorm ingesteld. De vordering is ontvankelijk. 4) BEOORDELING - Volgens artikel 57, par. 1 van de O.C.M.W.-wet heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. De dienstverlening is niet noodzakelijk geldelijk, doch kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. Artikel 57 par. 2 van de O.C.M.W.-wet luidde voor de inwerkingtreding van de programmawet van 22 december 2003 als volgt: " In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. De vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend." Met toepassing van artikel 57 par. 2 van de O.C.M.W.-wet dient eisende partij, aan wie een bevel om het grondgebied ter verlaten werd betekend, als illegaal verblijvend in het Rijk te worden beschouwd vanaf het ogenblik dat haar asielaanvraag definitief ongunstig werd beslecht door het arrest van de Raad van State van 20 december
- De vraag stelt zich of de aanvraag tot regularisatie van verblijf die eisende partij op 4 december 2002 in het kader van artikel 9,3 ° van de Vreemdelingenwet heeft ingediend de toepassing van artikel 57 par. 2 van de O.C.M.W.-wet verhindert. De rechtbank meent hierop ontkennend te moeten antwoorden. De aanvraag met toepassing van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet betreft immers een zuivere administratieve aanvraag die geenszins kan beschouwd worden als een jurisdictioneel beroep, dat krachtens de rechtspraak van het Arbitragehof belet dat het recht op maatschappelijke dienstverlening verloren gaat wegens een "uitvoerbaar " bevel om het land te verlaten .(cfr. Arbh. Antwerpen, 15 december 2000, Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht, 2001, p. 249) De aanvraag tot regularisatie wijzigt niets aan de juridische verblijfsstatus van de betrokken vreemdeling zolang er geen definitieve uitspraak werd gedaan over de aanvraag door de minister. De aanvraag van een verblijfstitel in de zin van artikel 9.3° van de Vreemdelingenwet heeft geen schorsende werking. (Cass. 21 april 1997, Soc. Kron., 1998, 544) De machtiging tot verblijf die afgeleverd wordt op basis van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet geldt slechts voor de toekomst en heeft dus niet tot gevolg dat hierdoor een recht op levensminimum met terugwerkende kracht ontstaat.(Cass., 19 maart 2001, J.T.T., 2001,347). Hieruit volgt dat er geen recht is op financiële steun tijdens de behandeling van de aanvraag op basis van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet. In een arrest van 5 juni 2002 besliste het Arbitragehof dat artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet schendt, in zoverre die bepaling het recht op maatschappelijke dienstverlening van de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, beperkt tot dringende medische hulp.(B.S. 13 augustus 2002) Uit het voorgaande volgt dat eisende partij geen recht heeft op materiële of financiële steun, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening. De vordering van eisende partij in eigen naam is ongegrond. - De vordering tot toekenning van steun aan het minderjarig dochtertje van eisende partij dient juridisch op een andere wijze te worden benaderd. In een arrest van 22 juli 2003 ( nr. 106/2003) oordeelde het Arbitragehof als volgt: "Artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit." Het Arbitragehof overwoog hierbij het volgende: " B.7.
- Zoals de verwijzende rechter vaststelt, hebben die ouders voor zichzelf geen recht op maatschappelijke dienstverlening, andere dan dringende medische hulpverlening. Zij kunnen die ook niet indirect verkrijgen door de staat van behoeftigheid van hun kinderen aan te voeren. Het zou immers niet redelijk zijn de vreemdelingen die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat ze geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten of geen verblijfsvergunning hebben verkregen, verschillend te behandelen naargelang zij al dan niet door hun minderjarige kinderen zijn vergezeld. Zelfs wanneer een dergelijke dienstverlening wordt toegekend door enkel rekening te houden met de staat van behoeftigheid van het kind, zou zij indruisen tegen de doelstelling van de wetgever, die, zoals met name is uiteengezet in het arrest nr. 51/94, erin bestaat de vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft ertoe aan te zetten in te gaan op het bevel tot het verlaten ervan. B.7.
- De zorg om te beletten dat de maatschappelijke dienstverlening van haar doel wordt afgewend, zou evenwel niet kunnen verantwoorden dat ze volledig en in alle gevallen wordt geweigerd aan een kind, terwijl zou blijken dat die weigering het ertoe verplicht te leven in omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid en zijn ontwikkeling en terwijl er geen enkel gevaar zou bestaan dat ouders die geen recht erop hebben, die dienstverlening zouden genieten. Artikel 2.2 van het Verdrag verplicht de Staten die partij zijn immers " alle passende maatregelen (te nemen) om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de status (...) van de ouders (...) van het kind ". B.7.
- De doelstellingen opgesomd in de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag, die uitsluitend betrekking hebben op de kinderen, dienen dus te worden verzoend met de doelstelling die erin bestaat volwassenen die illegaal op het grondgebied verblijven, niet ertoe aan te zetten er te blijven. B.7.
- Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend onder de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het staat dus aan het centrum - onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen - een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd. B.7.
- Op voorwaarde dat de beoogde dienstverlening voldoet aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, zou zij niet kunnen worden geweigerd zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1., 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, te schenden. Binnen die perken dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord." Uit dit arrest van het Arbitragehof en de daaropvolgende wetswijziging van artikel 57, ,§ 2 van de O.C.M.W.- Wet door de programmawet van 22 december 2003 is duidelijk gebleken dat minderjarige illegalen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening die verder reikt dan de dringende medische hulp. Artikel 57, ,§ 2 eerste lid van de O.C.M.W. - wet luidt thans als volgt: In afwijking van de andere bepalingen van deze wet , is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning." Aan het nieuwe artikel 57, ,§ 2 van de O.C.M.W. - Wet is eerst uitvoering gegeven bij K.B. van 24 juni 2004 "tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft" (BS 1.07.2004) . Dit K.B. is van toepassing met ingang van 11 juli
- In afwachting van dit uitvoeringsbesluit zijn de O.C.M.W. 's bevoegd gebleven om de onontbeerlijke maatschappelijke hulpverlening aan de minderjarige illegalen te verstrekken. Anders oordelen zou tot gevolg hebben dat deze kinderen elke hulp zouden moeten ontberen wat tegen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever en hogergeciteerde rechtspraak van het Arbitragehof zou indruisen. Artikel 2 van het K.B van 24 juni 2004 stelt dat met het oog op het bekomen van materiële hulp zoals bedoeld in artikel 57, ,§ 2, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, een aanvraag moet worden ingediend bij het OCMW van de gewoonlijke verblijfplaats van de minderjarige, hetzij door de minderjarige zelf, hetzij door minstens één van zijn beide ouders die in zijn naam de aanvraag indient. Artikel 3 bepaalt dat het OCMW op basis van een sociaal onderzoek nagaat of alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn. Inzonderheid gaat het na of: - het kind jonger is dan 18 jaar; - het kind en zijn ouders illegaal op het grondgebied verblijven; - de vereiste verwantschapsband bestaat; - het kind behoeftig is; - de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn hun onderhoudsplicht na te komen. - Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat zowel wat betreft de periode vóór 11 juli 2004 als daarna, de maatschappelijke dienstverlening aan minderjarige illegalen enkel kan worden toegekend op voorwaarde dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn deze na te komen. In casu wordt door eisende partij niet aangetoond dat aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank stelt vast dat de vraag tot steunverlening van eisende partij dateert van juli
- Zij heeft bovendien geen financiële steun van verwerende partij meer genoten sedert januari 2003 en zij heeft zich evenmin nog aangeboden bij verwerende partij. De vraag stelt zich hoe eisende partij gedurende twee jaar in haar onderhoud en dat van haar dochtertje heeft kunnen voorzien. Indien zij werkelijk zonder enige bron van inkomsten was hoe heeft zij dan de huurlast van 300 EUR per maand kunnen dragen? Bovendien werd onderhavige zaak op de inleidingszitting van 19 september 2003 op verzoek van eisende partij naar de rol verzonden in afwachting van stellingname in besluiten. Eerst met een verzoek dd. 26 augustus 2004 van verwerende partij tot vaststelling lastens eisende partij met toepassing van artikel 751 Ger. W. werd de zaak terug geactiveerd. Eisende partij heeft zelf op geen enkel ogenblik de verderzetting van de procedure benaarstigd. Deze proceshouding van eisende partij is in strijd met haar bewering in besluiten dat haar minderjarige dochter zonder de steun van verwerende partij geen leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. De vordering is ongegrond. OM DEZE REDENEN De Arbeidsrechtbank: Na beraadslaging en op tegenspraak; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd; Gelet op het eensluidend mondeling advies van mevrouw C.WOUTERS, eerste-substituut-arbeidsauditeur, waarop partijen niet repliceerden. Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt de bestreden beslissing; Verwijst verwerende partij in de gerechtskosten met toepassing van artikel 1017, par. 2 Ger. W. Vereffent deze kosten aan de zijde van eisende partij op 104,86 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat de kosten aan de zijde van verwerende partij onvereffend bij gebreke aan kostenstaat. Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van VRIJDAG EENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF waar zitting hielden: Mevrouw A. ARIËN, rechter, voorzitter van de kamer; Mevrouw A. VANSTRAELEN, rechter in sociale zaken, werkgever; De heer B. VANDENREYKEN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider; Mevrouw A. COENEN, adjunct-griffier (opdracht M.B. 24.03.03 - B.S. 28.03.03) PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050121.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div