id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 21 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050121.27 Rolnummer: 2040839 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-01 02:08 Fiches 1 - 4 In de periode voor de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit van het gewijzigde artikel 57 ,§ 2, van de OCMW-wet zijn de OCMW's bevoegd gebleven om de onontbeerlijke maatschappelijke dienstverlening aan de minderjarige illegalen te verstrekken. Aangezien het eisende partij aan de financiële middelen ontbreekt om in te staan voor de dagelijkse opvoeding en verzorging van het kind dient het OCMW ervoor in te staan dat het kind minstens 3 behoorlijke maaltijden per dag krijgt, gekleed en geschoeid is naargelang het seizoen, beschikt over de nodige producten voor hygiëne en aan vrijetijdsbesteding kan doen. Het OCMW dient bovendien rechtstreeks de schoolkosten en de medische kosten van het kind ten laste te nemen. Voorzover het OCMW zich niet in de mogelijkheid zou bevinden deze verplichtingen in natura te voldoen dient zij een bedrag te betalen gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag. In afwachting van een beslissing van het OCMW volgens de procedure voorzien in het K.B. van 24 juni 2004 dient zij deze maatschappelijke dienstverlening verder aan eisende partij te verschaffen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . VREEMDELINGEN maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9,3delid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA verdrag rechten van de mens - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 8 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . ORGANISATIE VAN DE VERENIGDE NATIES internationaal verdrag rechten van het kind - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 2 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen - minderjarigen - verwijzing naar een opvangcentrum - inwerkingtreding van het K.B. - verplichting van het OCMW. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-06-2004 - 3 - 30 ELI link Pub nr 2004002072 Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I P - artikel 9, 3de lid, onder IX C 3 - artikel 8, onder IX F - artikel 2 en onder X E - artikel 57 ,§
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00003,P.153-155) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Eerste kamer. VONNIS van 21 JANUARI 2005 K.K., in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarig kind, K.B., eisende partij, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LEOPOLDSBURG, verwerende partij, 1) PROCEDURE De rechtbank heeft de stukken van het geding gevoegd bij het rechtsplegingsdossier ingezien, en inzonderheid: - het tussenvonnis van 18 juni 2004; - de stukken van partijen; Partijen werden behoorlijk opgeroepen om aanwezig te zijn op de openbare terechtzitting van 17 december 2004 en werden in hun middelen en besluiten gehoord. Gelet op de onmogelijkheid van de Rechtbank om te zetelen in dezelfde samenstelling als tijdens de vorige terechtzitting, worden de conclusies en middelen van partijen integraal hernomen voor de thans anders samengestelde zetel. 2) SITUERING VAN DE BETWISTING EN PROCEDURIËLE VOORGAANDEN Het beroep in onderhavige zaak is gericht tegen een beslissing van verwerende partij van 9 januari 2004 waarbij de aanvraag van de heer K. tot toekenning van financiële steun voor hemzelf en de kinderen afgewezen werd om reden dat het gezin illegaal in België verblijft. De vordering strekt ertoe de bestreden beslissing te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat verwerende partij aan de heer K. en zijn familie, minstens aan de heer K. in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn kinderen, financiële steun en gewaarborgde kinderbijslag dient te verlenen in die mate dat hij en zijn familie, in het bijzonder zijn minderjarige en/of ten laste zijnde kinderen een menswaardig leven kunnen leiden, een leven dat voldoet aan de vereisten zoals gesteld in het Kinderrechtenverdrag. Bij tussenvonnis van 18 juni 2004 werd de vordering ontvankelijk verklaard, met uitzondering van de vordering van de heer K. in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van K.K., aangezien deze laatste reeds meerderjarig was op het ogenblik dat de vordering werd ingeleid. Tevens werd vastgesteld dat A.K. hangende het geding meerderjarig is geworden. Wat de grond van de zaak betreft oordeelde de rechtbank dat de heer K.K., zijn echtgenote en de meerderjarige kinderen van het gezin, geen recht hebben op materiële of financiële steun, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening. De rechtbank oordeelde dat uit een arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 (nr. 106/2003) en de daaropvolgende wetswijziging van artikel 57, ,§ 2 van de O.C.M.W.- Wet door de programmawet van 22 december 2003 duidelijk is gebleken dat minderjarige illegalen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening die verder reikt dan de dringende medische hulp. De rechtbank oordeelde dat in afwachting van de uitvoeringsbesluiten van het nieuwe artikel 57, ,§ 2 van de O.C.M.W. - Wet de O.C.M.W. 's bevoegd blijven om de onontbeerlijke maatschappelijke dienstverlening aan de minderjarige illegalen te verstrekken, maar dat deze maatschappelijke dienstverlening, gelet op het residuair karakter ervan, enkel kan worden toegekend op voorwaarde dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn deze na te komen. Alvorens over de gegrondheid van de vordering uitspraak te doen beval de rechtbank de heropening der debatten teneinde verwerende partij toe te laten een aanvullend sociaal onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van de heer en mevrouw K. om hun onderhoudsplicht ten aanzien van hun minderjarige dochter B. na te leven. 3) BEOORDELING Ter zitting van 17 december 2004 legde de raadsman van verwerende partij een schrijven d.d. 19 juli 2004 van mevrouw G. P. van de sociale dienst van verwerende partij neer waarin het volgende wordt gesteld: "Beste, In antwoord op uw brief dd. 28 juni kan ik u de volgende informatie verstrekken. K. K. en echtgenote L. doen vrijwilligerswerk in het arbeidszorgcentrum de Oogst. Zij krijgen hiervoor een aanmoedigingsvergoeding van 1 euro per gepresteerd uur. In bijlage vindt u de verdiensten van de laatste maanden, die gemiddeld 100 euro per maand bedragen. Daarnaast verricht L. een beetje particulier poetswerk, zijnde een 8-tal uur per week. De verdiensten bedragen hiervoor gemiddeld 192 euro per maand. Als we dit alles samenvoegen kunnen we besluiten dat hun gemiddelde inkomsten die ze zelf verwerven juist voldoende zijn om de maandelijkse huur te betalen. Voor het verzorgen van de kinderen, het verschaffen van kledij, verwarming, elektriciteit, voeding en scholing zijn er geen financiële middelen voorhanden. Er is dus, ondanks de minimale verdiensten, toch nog een grote nood in deze familie. De kinderen kunnen niet menswaardig leven in dit gezin." De rechtbank is van oordeel dat uit de bijkomende informatie die door verwerende partij wordt verschaft blijkt dat de heer en mevrouw K. over onvoldoende middelen beschikken om hun onderhoudsplicht ten aanzien van hun minderjarige dochter B. te kunnen waarborgen. De vraag rijst vervolgens tot welke steun verwerende partij in concreto aan het minderjarig kind gehouden is. Terzake dient een opsplitsing te gebeuren tussen de volgende periodes: 3.1 Periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 10 juli
- Zoals de rechtbank reeds geoordeeld heeft in haar tussenvonnis van 18 juni 2004 blijven de O.C.M.W. ' s in afwachting van de uitvoeringsbesluiten van het nieuwe artikel 57, ,§ 2 van de O.C.M.W. - Wet bevoegd om de onontbeerlijke maatschappelijke hulpverlening aan de minderjarige illegalen te verstrekken. In het licht van het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 dient aan het minderjarige kind B. maatschappelijke dienstverlening te worden verleend die betrekking heeft op de onontbeerlijke uitgaven voor haar ontwikkeling, zijnde naar het oordeel van de rechtbank : voeding , kleding, hygiëne, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, ontspanning. Het Arbitragehof stelt duidelijk dat het aan het centrum staat, een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van en dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik, in het voordeel van de ouders uit te sluiten, en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd. Het toekennen aan de heer K. van het equivalent leefloon en de gewaarborgde kinderbijslag zou duidelijk indruisen tegen de doelstelling van de wetgever die erin bestaat de vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft ertoe aan te zetten in te gaan op het bevel tot het verlaten ervan. Het zou overigens niet redelijk zijn, de vreemdelingen die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat ze geen gevolg hebben gegeven aan een bevel om het grondgebied te verlaten, verschillend te behandelen naargelang ze al dan niet door hun minderjarige kinderen zijn vergezeld. De rechtbank stelt vast dat de inkomsten van het gezin net voldoende zijn om de huur van de woning te kunnen betalen. De huisvesting van het kind B. is bijgevolg gewaarborgd. Het ontbreekt de heer en mevrouw K. evenwel aan de financiële middelen om in te staan voor de dagelijkse opvoeding en verzorging van het kind B. Verwerende partij dient naar het oordeel van de rechtbank ervoor in te staan dat B. minstens 3 behoorlijke maaltijden per dag krijgt, gekleed en geschoeid is naargelang het seizoen, beschikt over de nodige producten voor hygiëne en aan vrijetijdsbesteding kan doen. Verwerende partij dient bovendien rechtstreeks de schoolkosten en de medische kosten van het kind ten laste te nemen. Voorzover verwerende partij zich niet in de mogelijkheid zou bevinden om aan deze verplichtingen in natura te voldoen dient zij aan de heer K., in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarig kind B., een bedrag te betalen gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag. Naar het verleden toe dringt de betaling van financiële steun zich op aangezien voor een periode die reeds voorbij is geen steun in natura meer kan worden toegekend. De rechtbank verzoekt bovendien het O.C.M.W. erop toe te zien dat de steunverlening niet wordt afgewend van de doelstelling, met name te voorzien in de onontbeerlijke uitgaven ten behoeve van het minderjarige kind. 3.2 Periode vanaf 11 juli 2004 Het koninklijk besluit "tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft" kwam tussen op 24 juni 2004 (BS 1.07.2004) en is van toepassing met ingang van 11 juli
- Artikel 2 van dit K.B. stelt dat met het oog op het bekomen van materiële hulp zoals bedoeld in artikel 57, ,§ 2, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, een aanvraag moet worden ingediend bij het OCMW van de gewoonlijke verblijfplaats van de minderjarige, hetzij door de minderjarige zelf, hetzij door minstens één van zijn beide ouders die in zijn naam de aanvraag indient. Artikel 3 bepaalt dat het OCMW op basis van een sociaal onderzoek nagaat of alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn. Inzonderheid gaat het na of: - het kind jonger is dan 18 jaar; - het kind en zijn ouders illegaal op het grondgebied verblijven; - de vereiste verwantschapsband bestaat; - het kind behoeftig is; - de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn hun onderhoudsplicht na te komen. Met toepassing van artikel 4 van het K.B. moet het OCMW een beslissing nemen ten laatste één maand na ontvangst van de aanvraag. Wanneer de voorwaarden vervuld zijn deelt het OCMW de aanvrager mee dat hij zich voor de materiële hulp naar een in overleg met het Agentschap bepaald federaal opvangcentrum kan begeven. Het OCMW deelt de beslissing zo snel mogelijk en ten laatste binnen 8 dagen na de beslissing mee aan de minderjarige of aan de ouders bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs. Indien de aanvrager zich schriftelijk verbindt om het voorstel van huisvesting in een centrum te aanvaarden, wordt het Agentschap binnen dezelfde termijn door het OCMW op de hoogte gebracht van de beslissing tot toekenning van het recht zoals bedoeld in artikel
- Het voordeel van de materiële steun verleend door het Agentschap vervalt indien de minderjarige zich niet bij de door het Agentschap aangeduide opvangstructuur aanmeldt binnen 30 dagen hetzij vanaf de datum van afgifte ter post van de aangetekend brief waarmee de beslissing wordt meegedeeld, hetzij vanaf de datum van het ontvangstbewijs van de beslissing. Vervolgens stelt het Agentschap een geïndividualiseerd opvangproject op waarbij een materiële hulp wordt verzekerd die aangepast is aan de noden van de minderjarige en die onontbeerlijk is voor zijn ontwikkeling. Dit project waarborgt tenminste de huisvesting, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige.(artikel 7 K.B.) Tot slot wordt de Minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie belast met de uitvoering van dit besluit. Samen met verwerende partij kan worden aangenomen dat wat de steun aan de minderjarige B. met ingang van 11 juli 2004 betreft de procedure voorzien in het K.B. van 24 juni 2004 moet worden nageleefd. De rechtbank is het echter niet eens met de stelling van verwerende partij dat eisende partij eerst het initiatief voor een nieuwe aanvraag moet nemen en dat bij gebreke aan een dergelijke nieuwe aanvraag elke vorm van steun met ingang van 11 juli 2004 dient te worden afgewezen. De regels van behoorlijk bestuur, en inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, vereisen dat een O.C.M.W. wiens beslissing op het ogenblik van de invoegetreding van de nieuwe regeling het voorwerp uitmaakt van een verhaal bij de arbeidsrechtbank de betrokkene zelf informeert over de nieuwe regeling en de te volgen procedure, wat verwerende partij niet heeft gedaan. Overigens stelt het K.B. van 24 juni 2004 geen specifieke vormvereisten voor de aanvraag zodat deze zowel mondeling als schriftelijk kan gebeuren. Uit de proceshouding van de heer K. in het kader van huidig geschil blijkt duidelijk dat hij ook na 10 juli 2004 beroep wenst te doen op maatschappelijke dienstverlening voor zijn minderjarig kind. Niets verhinderde verwerende partij dus om overeenkomstig de nieuwe regeling een sociaal onderzoek te voeren en een nieuwe beslissing te nemen temeer daar zij in het kader van de uitvoering van het tussenvonnis van 18 juni 2004 toch reeds belast was met een bijkomend sociaal onderzoek. De rechtbank die gevat is om uitspraak te doen over het recht van B.K. op maatschappelijke dienstverlening met ingang van 11 juli 2004 kan bezwaarlijk in de plaats van verwerende partij de procedure voorzien in het K.B. van 24 juni 2004 toepassen aangezien in overleg met het Agentschap een federaal opvangcentrum moet worden aangeduid, vervolgens de schriftelijke aanvaardingsverbintenis van de aanvrager moet worden afgewacht om tenslotte het Agentschap op de hoogte te brengen van de beslissing. De rechtbank kan niet anders dan verwerende partij bevelen een nieuwe beslissing te nemen volgens de voorziene procedure. In afwachting van een dergelijke beslissing is verwerende partij ertoe gehouden om aan de heer K. in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van B.K. de maatschappelijke dienstverlening te verschaffen waarvan sprake in punt 3.1 van dit vonnis. OM DEZE REDENEN De Arbeidsrechtbank: Na beraadslaging en op tegenspraak; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd; Gelet op het mondeling advies van mevrouw C.WOUTERS, eerste-substituut-arbeidsauditeur, ter zitting van 17 december 2004, waarop partijen niet repliceerden. Haar tussenvonnis van 18 juni 2004 verder uitwerkend; Verklaart de vordering van de heer K.K. in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn kind B. K. in de volgende mate gegrond; Vernietigt de bestreden beslissing; Zegt voor recht dat verwerende partij jegens de heer K.K., in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn kind B.K., vanaf 1 januari 2004 tot en met 10 juli 2004 tot de volgende maatschappelijke dienstverlening gehouden is: - de rechtstreekse tenlasteneming van de schoolkosten en de medische kosten van B.; - ervoor in te staan dat B. minstens 3 behoorlijke maaltijden per dag krijgt, gekleed en geschoeid is naargelang het seizoen, beschikt over de nodige producten voor verzorging en hygiëne en aan vrijetijdsbesteding kan doen; - voorzover verwerende partij zich niet in de mogelijkheid zou bevinden om aan deze verplichtingen in natura te voldoen, een bedrag te betalen gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag, met verplichting voor eiser om deze uitsluitend aan te wenden voor de opvoeding en ontwikkeling van zijn kind B.; Zegt voor recht dat verwerende partij vanaf 11 juli 2004 verder gehouden is tot dezelfde maatschappelijke dienstverlening aan eisende partij totdat verwerende partij een nieuwe beslissing heeft genomen conform de bepalingen van het K.B. van 24 juni 2004; Wijst de vordering voor het overige af. Veroordeelt verwerende partij met toepassing van artikel 1017, par. 2 Ger. W. tot de gerechtskosten. Vereffent de kosten aan de zijde van eisende partij op 104,86 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat de kosten aan de zijde van verwerende partij onvereffend bij gebreke aan neergelegde kostenstaat. Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van VRIJDAG EENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF waar zitting hielden: Mevrouw A. ARIËN, rechter, voorzitter van de kamer; Mevrouw A. VANSTRAELEN, rechter in sociale zaken, werkgever; De heer B. VANDENREYKEN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider; Mevrouw A. COENEN, adjunct-griffier (opdracht M.B. 24.03.03 - B.S. 28.03.03) PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050121.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div