← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050201.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050201.4 Rolnummer: 19990828 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-22 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-01 02:12 Fiches 1 - 3 De hoofdregel van het verdrag is dat wanneer een verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat voor de rechtbank van die staat moet worden gedagvaard. Voor de arbeidsovereenkomsten wordt er een uitzondering gemaakt, namelijk de verwerende partij kan ook worden gedagvaard voor de rechtbank waar de verbintenis is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden. Voor individuele verbintenissen uit een arbeidsovereenkomst wordt de bevoegdheid geregeld door artikel 18 van het verdrag. Van de bevoegdheidsregel kan enkel worden afgeweken door overeenkomsten gesloten na het ontstaan van het geschil of die aan de werknemer de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten aanhangig te maken. Verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, stellend dat de bevoegde rechtbank deze is van de verblijfplaats van verweerster in het Verenigd Koninkrijk. In casu is geen bijzonder beding qua keuze van de rechter tussengekomen tussen partijen na het ontstaan van het geschil. In de mate dat de Belgische rechter in arbeidsovereenkomsten kon worden aangeduid kan enkel worden vastgesteld dat dit niet is gebeurd in de relatie tussen partijen. Het gegeven dat verwerende partij sedert 1972 een vestiging heeft in België is zonder invloed op de beoordeling van het geschil. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . MULTINATIONALE VERDRAGEN Arbeidsovereenkomst - bevoegdheid Belgische rechtbanken - vestigingsplaats - arbeidsplaats - afwijking. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 09-10-1978 - 18 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN EEX-VERDRAG - arbeidsovereenkomst - bevoegdheid Belgische rechtbanken - vestigingsplaats - arbeidsplaats - afwijking Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 27-09-1968 - 2al1 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN EEX-VERDRAG - Arbeidsovereenkomst - bevoegdheid Belgische rechtbanken - vestigingsplaats - arbeidsplaats - afwijking Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 27-09-1968 - 5,1° Nota: Gerangschikt onder IX B - artikel 18, IX H - artikel 2, al. 1 en onder IX H - artikel 5, 1°. Tekst van de beslissing A.R. 1999-0828 INZAKE : P.C. eiser, verschijnend door TEGEN : B.A.T., in de rechten getreden van R.of P. M., keuze van woonst doende bij haar raadsman, Mtr Gezien de inleidende dagvaarding d.d. 27.1.1999, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P.Dedroog met standplaats te Leuven, om te verschijnen voor deze Rechtbank op de openbare zitting van 13.4.

  1. Gezien de aan partijen verstuurde oproeping voor de openbare terechtzitting van 5.10.2004, zitting waarop de zaak tegensprekelijk werd uitgesteld naar 7.12.2004, en vervolgens in voortzetting werd gesteld naar de zitting van 4.1.
  2. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden. Gezien de stukken. Gezien de besluiten. Men sprak de Nederlandse taal. Een verzoeningspoging mislukte ter zitting van 7.12.2004 en 4.1.
  3. I. DE VORDERING Eisende partij vordert betaling van de hiernavolgende bedragen:
  4. Bijkomende opzeggingsvergoeding van 23.461 £, hetgeen overeenkomt met vier en een halve maand loon;
  5. Conform de tussen partijen bestaande overeenkomst een bedrag van 100.000,- BEF of 2.478,94 EUR voor "Career Consulting";
  6. Voor het verlies van de versnelde verkoop van de wagen een som van 6.000,- $ II. DE FEITEN Op 30 juli 1996 ging verwerende partij over tot het schriftelijk aanbieden van een arbeidsplaats aan eisende partij. Aan eisende partij werd aangeboden om de functie van Market Manager waar te nemen in Tanzania. Eisende partij ging op het aanbod in en verklaarde in hetzelfde document beschikbaar voor het aanvatten van zijn taak op 1 augustus
  7. De daarmee ontstane arbeidsovereenkomst werd door eisende partij op 5 september 1996 ondertekend. Bij schrijven d.d. 28 januari 1998 stelt verwerende partij eisende partij in kennis van het feit dat zijn functie binnen de vennootschap overtollig is geworden, dat er voor hem geen andere functie beschikbaar is en dat eisende partij dus geen andere optie heeft dan een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. Conform dit schrijven van 28 januari 1998 stelt verwerende partij dat eisende partij de firma zal verlaten op 5 april
  8. Tijdens de opzegperiode van 3 maanden, die ingaat op 02 februari 1998, zal eisende partij - nog steeds luidens hetzelfde schrijven van 28 januari 1998 - geen prestaties meer dienen te leveren voor verwerende partij. Er werd door verwerende partij een opzegvergoeding betaald van 8.513 £, bedrag dat overeenkomt met twee en een halve maand loon. Bij schrijven van 2 februari 1998 maakt eisende partij op zijn beurt een einde aan de contractuele relatie tussen partijen, ingaande op dezelfde datum. De Rechtbank merkt in dit verband op dat de arbeidsovereenkomst d.d. 30 juli 1996 uitdrukkelijk stelt dat eisende partij de functie zal bekleden van "Market Manager" en dat hij deel zal uitmaken van de "Management Group" verder dat hij zal rapporteren aan de "Devisional Business Development Manager" Bij schrijven van 2 februari 1998 geeft eisende partij zijn ontslag als "director" en richt hij zijn schrijven aan de "Board of Directors". De Rechtbank is van mening dat het hier gaat om de raad van bestuur en dat eisende partij in dit schrijven zijn functie neerlegt als bestuurder. Standpunt eisende partij Eisende partij stelt dat er toepassing moet worden gemaakt van het Bevoegdheids- en Executieverdrag van 27/09/1968 (B.S. 31/01/1971) dat werd aangevuld door het verdrag van 09/10/1978 betreffende de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Artikel 2 van dit verdrag stelt als hoofdregel dat een verweerder die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat voor de rechtbank van die staat moet worden gedagvaard. In artikel 5.
  9. van dit verdrag wordt een uitzondering gemaakt voor arbeidsovereenkomsten, hierbij kan de verwerende partij ook gedagvaard worden voor de rechtbank van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden. Volgens eisende partij zijn de Belgische rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van het voorliggend geding aangezien verwerende partij sedert 1972 een vestiging heeft in België, namelijk B.A.T. B. met maatschappelijke zetel gevestigd te Standpunt van verwerende partij Ook verwerende partij verwijst naar het EEX-verdrag. Artikel 2 al. 1 van dit verdrag stelt: "Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij, die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat." De bepaling van artikel 5,1° luidt: "De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, kan in een andere verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
  10. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; Ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen." Inzake arbeidsovereenkomsten zijn, naast de algemene bevoegdheidsregels (art. 2 al. 1 EEX-verdrag) ook de bijzondere bijkomende bevoegdheidsregels opgenomen in art. 5.1° EEX-verdrag imperatief ten voordele van de werknemer (HEYVAERT, A., Belgisch Internationaal Privaatrecht, Een inleiding, Mys & Breesch, 1995, nr. 110, 122) Dit heeft tot gevolg dat men er enkel van kan afwijken door een bijzonder beding, overeen te komen nà het ontstaan van het geschil. Indien het voordien is overeengekomen, kan enkel de werknemer zich daarop beroepen om andere gerechten te adiëren dan die van de Staat van de woonplaats van de verweerder of die aangewezen is door de bijzondere bijkomende bevoegdheidsregel uit art. 5.
  11. (art. 17, laatste lid EEX-verdrag). Derhalve is niet de Belgische rechter bevoegd om kennis te nemen van voorliggende vordering, doch deze van de vestigingsplaats van concluante, met name de bevoegde rechtbank in het Verenigd Koninkrijk; III. BEVOEGDHEID Eisende partij verwijst terzake naar de toepassing van het Bevoegdheids- en Executieverdrag van 27/09/1968 (B.S. 31/01/1971) dat werd aangevuld door het verdrag van 09/10/1978 betreffende de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de wet van 31/07/1986 (B.S. 17/10/1986). De hoofdregel van het verdrag is dat een verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat voor de rechtbank van die staat moet worden gedagvaard (art. 2), "Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat." Voor de arbeidsovereenkomsten wordt er een uitzondering gemaakt, met name kan de verwerende partij ook worden gedagvaard voor de rechtbank van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden (art. 5.1). "De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, kan in een andere verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
  12. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; Ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen." Overeenkomstig artikel 18 van het verdrag wordt voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt
  13. Artikel 19 bepaalt verder: "De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden geroepen:
  14. voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft of
  15. in een andere lidstaat: a) voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk gewerkt heeft, of b) wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen. Artikel 21: Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:
  16. gesloten nà het ontstaan van het geschil, of
  17. die aan de werknemer de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken. Er is geen bijzonder beding tussengekomen tussen partijen na het ontstaan van het geschil, minstens wordt daarvan geen bewijs bijgebracht. Verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, ze stelt dat de bevoegde rechtbank deze is van de vestigingsplaats van verweerster in het Verenigd Koninkrijk. De ontwerpovereenkomst werd opgesteld op 30/07/1996 in het Verenigd Koninkrijk voor een tewerkstelling in Tanzania, Dar-es Salaam en de verplaatsingen binnen de toegewezen regio's. Het salaris werd in punt 7 van de overeenkomst vastgesteld op 37.500 £ per jaar. Voor het overige wordt verwezen naar de voorwaarden, uiteengezet in de oorspronkelijke brief van 25/06/
  18. Er is geen andere arbeidsplaats voorzien dan Tanzania. Partijen hebben geen forumkeuze gedaan in de zin van artikel 17 van het verdrag aangaande de keuze van de rechter aan wie zij hun geschillen zullen voorleggen. In de mate dat de Belgische rechter nog zonder meer in arbeidsovereenkomsten kon worden aangeduid, kan enkel worden vastgesteld dat dit niet is gebeurd in de relatie tussen partijen. Terzake wijst eisende partij erop dat verwerende partij sedert 1972 een vestiging heeft in België (B.A.T. B.) met maatschappelijke zetel gevestigd te Dit gegeven dat niet wordt bevestigd, noch wordt tegengesproken is, naar het oordeel van de rechtbank, zonder invloed op de beoordeling van het geschil, gelet op al de feitelijke gegevens hoger vermeld. De vordering is onontvankelijk. Gelet op de Wet van 15.6.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. OM DEZE REDENEN : DE RECHTBANK, statuerend op tegenspraak, en na beraadslaging, alle verdere en tegengestelde conclusies verwerpend, Verklaart de vordering ONONTVANKELIJK. Legt de kosten van het geding ten laste van eiser, deze begroot in hoofde van eiser op 213,04 EUR dagvaardingskosten en 209,71 EUR rechtsplegingsvergoeding, en begroot in hoofde van verweerster op 209,71 EUR rechtsplegingsvergoeding. Uitgesproken op 01/02/2005 PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050201.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.